Individu, persoon, functionaris, enkeling, exemplaar van de soort, mens

Categorieën: 1986, 1 april – 1989, 31 december | Archief | Eigen boek (1984-1987) | Opstellen | Uiteenzettingen conceptgroepen

Trefwoorden: eigen boek

Jaap Schot, 16 februari - 4 maart 1987

Het gaat er mij in dit opstel om de onderstaande begrippen onderling te plaatsen:
individu
persoon(lijkheid)
functionaris
enkeling
exemplaar van de soort
mens

De wilde mens in vrijheid in de natuur

In de natuur, in de als schepping gegeven omstandigheden, is geen enkel mens langdurig alleen. Van nature is een enkel mens slechts een exemplaar van zijn soort, een diersoort. Waar geen soortgenoten van hem zijn, "op een onbewoond eiland", kan een mens ook niets anders dan een exemplaar zijn: geen individu, geen persoon, geen functionaris, geen enkeling. Overigens ook geen mens in z'n eentje verwante, meerdere, mindere, slaaf, meester, soortgenoot, helper, vriend of vijand zitten zijn. Alleen op een eiland zijn is echter ongewoon, onnatuurlijk. De wilde, de vrije mens is van nature samen, ja één met soortgenoten, niet slechts tussen soortgenoten. Van nature is hij: de medemens, een van hen, een van anderen, een met anderen. Hij is niet los, niet alleen, niet apart, niet onbetrokken, niet onbeinvloedbaar, niet onverschillig. Zijn aandacht is op en mede door de anderen gericht. Hij is 'de mens' naast de andere levensvormen. Dat alles is prereflexief, onbewust, het spreekt vanzelf, het wordt niet uitgesproken, het is gewoon zo. Pas met de opkomst van de cultuur en des te sterker met de inval van de civilisatie komt het bewustmaken van wat er weg is gevallen:
de vrijheid, het eigen initiatief,
de vanzelfsprekende eenheid-zonder-binding,
het samenzijn zonder afspraken,
het leven zonder plannen.

De geborgen mens in de cultuur

In cultuur is hij, een enkel mens dus, geplaatst. Hij betekent iets voor de anderen, hij vult namelijk een plaats, een hokje in het schema van mogelijke familieleden en de daarbij passende verwachtingen en eisen (geen wetten en voorschriften) ten aanzien van "zo iemands", niet specifiek zijn, doen en laten. Voortdurend worden deze hokjes gevuld (door geboorten) en geleegd (door sterfgevallen).

De mens in de civilisatie

In de civilisatie is iedereen (=ieder enkel mens) gevangen, niet los, maar wel ongeplaatst. Ongeplaatst in een veld van plaatsen: hogere en lagere plaatsen. Het staat voor niemand door en bij geboorte vast op welke plaats in de civilisatie hij zal zijn en hoe lang. Iedereen wordt op initiatief van de gezamenlijke, georganiseerde anderen, met geweld, met dwang, betrokken bij een gevecht van allen tegen allen om voorrechten, om status, dat wil zeggen: om een plaats in de wereld, binnen de geciviliseerde samenleving, in de (gelaagde) maatschappij, op de maatschappelijke ladder. Status is altijd relatief, altijd ten opzichte van meer(deren) en minder(en), ten opzichte van hoger en lager dan deze plaats. Niet iedereen wordt psychisch betrokken op het vechten om een plaats, maar wie niet actief mee gaat vechten (meedingen, spelen) om zich een zo hoog mogelijke plaats te veroveren, veroordeelt zichzelf ertoe gebruikt te worden door anderen, die wel actief deelnemend streven naar meer en beter voor zichzelf.

De geciviliseerde is betrokken op de plaats van de anderen en op de anderen als bezetters, bezitters, van die plaats, niet op de anderen als medemens.

De functionaris

De functionaris is de geciviliseerde (als uit een kind gemaakte voorloper van de robot/computer) bezig in de beroepenwereld. De civilisatie is gedeeltelijk ook een organisatie: de maatschappij, de beroepenwereld. Deze organisatie wordt opgedeeld in functies. Die functies geven aan degene door wie ze worden uitgeoefend recht op een van de reeds genoemde plaatsen in de civilisatie, op de maatschappelijke ladder. De functieomschrijvingen worden uitgewerkt in taakomschrijvingen. Van die taken wordt uitgeschreven welke concrete handelingen ervoor nodig zijn en hoe, onder welke voorwaarden en in reactie waarop die concrete handelingen moeten worden verricht: de taken worden geanalyseerd en geoperationaliseerd. Als taakvervullers worden mensen opgeleid of robots/computers geprogrammeerd. De taakvervullers worden aangesteld of geinstalleerd en nadat ze geinformeerd zijn ("ingewerkt") kunnen ze dan gebruikt worden, kunnen ze functioneren, kunnen ze als functionaris dienen. De mensen-functionarissen dienen voor geld, de niet-levende functionarissen kosten ook geld (voor onderhoud, vernieuwing en brandstof). De robots/computers zijn de beste functionarissen.

Het in het functioneren (binnen het maatschappelijke spel (de beroepenwereld) der civilisatie inbrengen
- van sexuele aantrekking of afstoting
- van sympathieen en antipathieen en
- van familieverwantschap
wordt ervaren als verkeerd:
tenminste soms door sommigen, die het zelf niet (kunnen) doen. Niet-levende robots doen dat inbrengen nooit. de door scholing, opleiding en opvoeding tot De uit kinderen aangemaakte plichtsgetrouwe onderdanen, bruikbaar als functionaris, doen het ook niet.

Vraag: 'Wie doen dit veelvoorkomende dan wel?'
Antwoord: de tot persoonlijkheden gevormden, dat wil zeggen degenen die gewezen en gericht werden op status en op de daaruit voortvloeiende, daar bij komende, daar aan vast zittende comfortabele voordelen. Deze welgevormde persoonlijkheden gebruiken de functies, hun functioneren in de maatschappij slechts als middel, middel bijvoorbeeld om aan geld voor luxe te komen of middel voor hun promotie, hun vooruitgaan, hun gang van de ene, lagere functie naar de andere, hogere. Hun functioneren is voor hen een middel, geen doel, het is voor hen ook geen bijdragen aan een gezamenlijk doel, een (gedacht) doel van de maatschappij, van het geheel, van het collectief, geen bijdragen aan iets 'in algemeen belang'.
Voor hen is goed functioneren ook geen doel, maar ook dat is een middel (om negatiefs te vermijden en bevordering waarschijnlijker te maken en zogenaamd (!) te veroorzaken).

Binnen dat deel van de maatschappij dat geacht wordt voor het algemeen, allen betreffende belang te zijn keurt men af:
- onderlinge niet de zaken betreffende afspraken
- het samenspannen van weinigen binnen (niet slechts tegen) het geheel
- eigen eenmans voordeelzoekerij.
In zulke op het algemeen belang gerichte stukken organisatie kunnen mensen corrupte functionarissen zijn. Robots/computers zijn dat nooit.

De geciviliseerden delen zich op in 'spelers', enerzijds en 'wie zich als speelgoed laten gebruiken' anderzijds. Ze delen zich op in gebruikers en gebruikten, in gevangenen en cipiers, in slaven en meesters. De slaaf is de gevangene die instemt met zijn gevangen zijn en met zijn (nederige) staat en met de hogere plaatsing van anderen. Wie er niet voor kiezen slaaf te zijn, blijven gevangenen:
de gevangene kan ervoor kiezen te vechten:
- om een hogere of lagere plaats, tegen andere, als persoon strevende, dominerende medegevangenen,
- om te ontkomen, tegen medegevangenen die zich als cipiers opwerpen,
- voor sociale gelijkheid onder de gevangenen,
- voor materiele welstand van alle (hoog of laag geplaatste) gevangenen.
- voor slechts zijn eigen voordeel (het nodigs voor zijn leven en welzijn en / of een voldoende grote cel van voorrechten.
De geciviliseerde kan zich ook ver houden van al dat streven binnen het spel der gevangenen en zich beperken tot wat hem aan produceren wordt afgedwongen in ruil voor zijn consumeren; hopend dat hij in gebruik blijft als producent, omdat werkeloos zijn, buiten gebruik zijn, neerkomt op minder gelegenheid krijgen om te consumeren.

De geciviliseerde wordt door corruptie bedrogen als wenser en organisator van een basiscouveuse vanwaaruit hij verder wensend, concurrerend en toppresterend doorvecht. Wat de deelnemer aan het wensend en strevend veranderen (vooruitgaan) als vaste grond onder zijn voeten wil hebben, wordt door corruptie weer onbetrouwbaar als een moeras, als drijfzand.

De civilisatie verdeelt de in haar levende massa exemplaren van de soort in enkelingen, teneinde over hen te kunnen heersen. De civilisatie, dat zijn de geciviliseerden samen, het is geen grootheid buiten hen, het is een organisatie, een IETS, door hen aangetroffen, waar zij in geworpen en in gevangen werden, vaak bij hun geboorte al, in het beste geval pas op hun eerste schooldag. Voor ieder der deelnemende, bijdragende, gebruikende en gebruikte enkelingen in de civilisatie, voor iedere geciviliseerde, is de civilisatie een overmachtig onaantastbaar IETS buiten, boven en om hem. Het gebeuren in de civilisatie is dat waar hij niets aan kan doen. Hij kan zelfs niet weigeren bij te dragen, dat weigeren zou zelfdoding zijn.

Verzet tegen het tot een losse enkeling gemaakt worden (verantwoordelijk gesteld worden) uit zich in het gebruik van 'je' voor 'ik'. Een heel opvallend vreemd verschijnsel: op een vraag als "wat deed jij toen je op de top van de Himalaya stond?" antwoord zo iemand, "Nou, dan kijk je om je heen." Alsof er voor unieke situaties ook algemeen bekende en geldige gedragsvoorschriften zijn, waar hij toen daar zich aan hield, vanzelfsprekend.
Dezelfde tijd / dezelfde samenleving levert ook de namenkladderaars op, die overal zo nodig hun herkenbare spoor moeten nalaten, als echte eenmaligen, op hun eigen initiatief bezig.

Wie zich in zijn presteren en consumeren beperkt tot het voor zijn leven en welzijn nodige zal bemerken dat dat nodige niet los van onnodigs te verkrijgen en / of te doen is. Uit deze gevangenschap is voor de meeste mensen geen ontsnappen mogelijk.

De geciviliseerde als individu na en naast de civilisatie

In reactie op het gebruikt worden en gevangen zitten denken sommige geciviliseerden zich (minder in navolging van dan wel analoog aan de Renaissance-mensen) individu te zijn. Ze denken zich als los van de civilisatie: van oorsprong, van nature, als schepsel: los. Los van de traditie waarin ze neef, oom, vader, zoon, broer enz. waren, zijn de geciviliseerden al: de cultuur is door de civilisatie overwonnen, de stad is een plaats waar iemand zich aan de plichten als broer enz. kan onttrekken, zonder daardoor last van de omwonenden te krijgen.
Individuen definieren zich als
- los van hun verwanten
- los van hun status in de maatschappij
- los van elke kerk en elke partij, ondanks de hen aangedane indoctrinatie(s)
- los van de civilisatie waarin ze toevallig belandden
- los van de tijd waarin ze leven
- los van de plaatsen op aarde waar ze leven
- los van hun (toevallige) tijdgenoten (inclusief hun plaatsgenoten).

Wie zich zo los definieert vindt zich terug als exemplaar van de diersoort. Hij neemt van de civilisatie niet de verachting over voor de spontane, eigen mogelijkheden van zo'n exemplaar, van zichzelf. Zolang hij nog betrokken wordt bij wat die gebruikende en gebruikte tijdgenoten, de geciviliseerden, doen, laat hij deze eens zien wat een individu, een vrij mens, kan presteren. Daartoe specialiseert hij zich juist niet. Hij toont het kunnen van de vrije mens, van het individu dat op eigen initiatief werkt: als veelzijdig harmonisch zich aanlerende, verkennende, ontdekkende, bestuderende, begrijpende, met zijn verbeelding aan wat nu hier is ontsnappende, uitvindende. Hij ervaart zich niet als een bijdragende en niet als een deelnemende. Hij is in z'n eentje bezig. Hij kan ook samen met anderen bezig zijn, maar let wel, hij en die anderen vormen dan niet samen een IETS of een deel van een IETS. Samen met anderen bezig zijn houdt uitdrukkelijk niet het zich met elkaar meten in. Er is tussen vrije mensen, individuen geen concurrentie of competitie. Concurrentie en competitie hebben plaats in het bezig zijn aan het verkrijgen, vestigen en verdedigen van status. Dat zich bekommeren om status is ver van elk individu. Concurrentie en competitie zijn van resp. heersers en knechten in de civilisatie. Het (laten) dingen van knechten naar de gunst van heersers (hier nu: van Koning Klant, van Jan Publiek en van de Kiezer. Let wel: hij, het individu, vat zich ook niet op als een plant: 'zich ontwikkelend', bezig aan 'zelfontplooiing'. Die termen duiden op en leiden tot misverstand. Hij is ook niet bezig met zijn talenten te woekeren, de bankiergod is voor hem geen begrip dat hij in gebruik heeft. Hij is ook niet bezig zijn kunnen en weten te maximaliseren, dat is niet harmonisch. Let wel: harmonisch zijn en harmonisch doen is voor hem ook geen voorschrift. Evenmin is de individu een lustjunkie of een geluk(sgevoel)zoeker. Hij is ook niet bezig meer te nemen dan hij nodig heeft voor zijn zo leven en welzijn. Hij is ook niet bezig met zijn zo doen te protesteren tegen andermans gebruiken en gebruikt worden. Het individu is onbetrokken op de civilisatie.

Het individu is geen wilde, het individu kent de civilisatie, de wilde niet. Het individu is verwilderd, heeft zich verlost (vast, gevangen geweest dus), heeft zich bevrijd: heeft de gelegenheid zich te bevrijden gedacht, gezocht, gehad, (gekregen?), gezien en gegrepen, benut. Het individu heeft hier en daar iets van de technieken en omstandigheden van de civilisatie tot zijn beschikking: als speelgoed, als gebruiksvoorwerpen, als gereedschap.

Personen zijn ze, binnen civilisatie , maar buiten het civilisatiedeel 'maatschappij/beroepenwereld'.

De geciviliseerden die zich niet zoals boven beschreven los-definieren (individueren), kiezen ervoor persoon(lijkheid) te zijn. Zij zeggen (denken, vinden, willen) dat ze samen vallen met wat er van hen geworden [vooral ook: door opvoeding en scholing gemaakt] is. Als zodanig, als maaksel van hun omgeving, van "hun" civilisatie, zijn ze bruikbaar en streven ze en zijn ze misschien succesvol, ze hebben in ieder geval als zodanig kans op succes of reden om ontevreden te zijn met hun verleden, met wat hen werd aangedaan en met wat hen wordt aangedaan (bijvoorbeeld dat ze in onbruik gelaten worden of misbruikt worden of dat hen door andere personen tekort wordt gedaan).

Personen staan zich soms voor op hun eenmaligheid, hun uniekheid. Dat is een lege claim: "mijn oude schoenen zijn ook uniek" stelde Eysenck in dit verband. En daarmee was dat ook weer afgehandeld. Kouwer heeft (bedoeld of onbedoeld) in zijn "Spel der persoonlijkheid" een eind gemaakt aan alle persoonlijkheidstheorieen. Voor de kost werken duizenden met die theorieen verder. Wat iemand voor de kost doet, doet hij onder dwang en dat kan hem dan ook niet zonder meer kwalijk genomen worden of hem als uiting (van domheid of zoiets) worden aangerekend.

Sommigen kiezen ervoor een identiteit te hebben, dat wil zeggen: tot een definieerbare verzameling (subverzameling, groep, subgroep) te behoren.

Personen zijn groeisels uit kinderen, voortbrengsels van al of niet geinspireerd geknutsel van andere personen in opvoeding, instructie, opleiding en scholing.

Voor de massa der in civilisatie gevangenen is het zich los definieren tot een individu niet iets positiefs. Ze hebben toch niet de gelegenheid hun onafhankelijkheid te uiten zonder lastig gevallen te worden door de anderen om hen heen.

Individu-zijn is voor hen echter wel een vage inspiratie. Zoals ontspannen niet-bezig zijn (en ook niet bezig gehouden worden) en toch niet aan het uitrusten zijn voor hen een vaag 'vermoedelijk mogelijk iets' blijft.

Vrouwenemancipatie en trek naar de stad

Emanciperende vrouwen willen de cultuur uit. Zij zijn tot voor kort gevrijwaard van het gebruikt worden in de maatschappij. Om hen daarvan te vrijwaren werden ze er niet voor opgeleid, ze werden onbruikbaar gehouden. Tegenwoordig worden allerwegen ook meisjes opgeleid, bruikbaar gemaakt en vooral ook worden ze opgevoed, tot persoonlijkheid gevormd, worden ook van hen vechtmachines gemaakt, die (nog slechts) kunnen en willen streven naar het zich metend met anderen toppresteren en zich een reeks steeds hogere plaatsen veroveren: carriere maken.
De grote voorbeelden zijn de in de sport toppresterende vrouwen en de vrouwen die leidinggevende (= cipiers-, of kapo-)posities veroverden.
Op emancipatie gerichte vrouwen en de naar de stad trekkende ambitieuze jongeren van het platteland willen de cultuur uit, ze willen de civilisatie in, meedoen, gebruikt worden, meespelen, meeconsumeren. Ze herkennen het consumeren van luxe bij anderen niet als compensatiebezigheid, als een zich troosten voor het gebruikt worden en het gevangen en in onrust gehouden worden.

Herhalen we dan nu nog eens schematisch:

de term wordt gebruikt voor iemand
-----------------------+----------------------------------------------------
wilde, vrije mens voor en buiten cultuur en civilisatie, in de natuur
exemplaar van de soort buiten cultuur en civilisatie
individu na en naast de civilisatie
persoon(lijkheid) bezig en thuis in civilisatie buiten de beroepswereld
functionaris bezig in de beroepswereld
enkeling gevangen en alleen gesteld in de civilisatie
-----------------------------------------------------------------------------

Samenvattend wat hierboven werd gesteld kunnen we zeggen:

de wilden en de in culturen levenden werden en worden aangevallen en overwonnen door de civilisatoren (andere culturen, die op roofmoordtocht geslagen zijn) en later door de geciviliseerden (expanderend koloniserenden).

De eenmaal in civilisatie gevangenen hebben slechts de keuze tussen ' puur gebruikt worden' enerzijds en 'gebruikt worden en op hun beurt anderen gebruiken' anderzijds. Van de puur gebruikten kiezen sommigen ervoor zelf weer enig initiatief in handen te krijgen: door te gaan streven naar topprestaties. Zij (die applaus zoeken) en diegenen die naar perfectie in hun eigen topprestatie streven richten hun aandacht niet op de anderen maar op hetgeen zij willen presteren, op een zaak. Ze richten hun aandacht weg van de gevangenschap en weg van het gebruikt en gedomineerd, geknecht worden.

Wie orde (laten) handhaven, opvoeden en leiding geven kiezen ervoor cipier te zijn op hun beurt.

Wie streven naar meer worden dan anderen van hen maken, wie het ver willen brengen, wie carrière, een banenloop, willen maken, spelen binnen het gegeven spel van ongelijk verdelen van aanzien, van voorrechten.

Elke hiërarchische organisatie is een verzameling posities, plaatsen, waarmee zulke banenlopers (functiewisselaars, carrièrehengsten) zullen gaan spelen. De slaven, die zich een identiteit en een grootheidsgevoel halen uit die organisaties, zijn het mensenmateriaal waarmee die strevers werken. Die leidinggevenden en organisatiegrootmakers verbruiken de txaenz. van die slaven die zich een identiteit halen uit 'hun' organisatie, waar zij toe behoren, waar zij lid van zijn.

De grootste, overkoepelende organisatie is de civilisatie als geheel. De ingezetenen verachten de wilden, de "primitieve" culturen en de andersoortige dieren. De actieve verachting kenmerkt de kleinen in de civilisatie, de zeer sterk geknechten, de eenvoudige gelovigen, de ondersten. Voor wie zich enigszins gerust en gevestigd voelen worden de dieren, de wilden en de primitieve culturen voorwerpen van studie, van bescherming en soms zelfs van nostalgisch terugverlangen.

Politiek is gewoonlijk groepsgewijs handelen binnen het spel van het ongelijk verdelen; op z'n best is het het veranderen aan de spelregels die van personen in hun omgaan met elkaar worden afgedwongen. Inzet en doel van het spel blijven ongewijzigd, de veranderingen zijn cosmetisch.

Wat ik beschreven heb als 'voor individu-zijn kiezen' komt neer op het niet meer mee doen, het niet meer betrokken zijn op wat er gebeurt, het opvatten van het wereldgebeuren als een natuurverschijnsel, soortgelijk aan het klimaat. De anderen opvatten als een onaanspreekbare plaag zoals alle andere monoculturen dat zijn.

De natuur in en om de mensen in civilisatie is niet te beschermen: de lichamen van en het levende milieu om personen in actie (bijvoorbeeld topsporters, voetballende beroepsspelers en andere dienaren voor geld). Mijn teksten getuigen van een ontmoedigd zijn. Geen hoop, geen inspiratie, geen kracht. Verloren schrijf ik over de stand en gang van een verloren zaak. Die zaak was er niet al ooit eens, die verloren zaak is het geheel van mogelijke positieve alternatieven voor wat er gaande is. Die verloren zaak is: het geven van een betekenende vorm aan onze gezamenlijke menselijke txaenz, een betekenende vorm die het leven op aarde in haar evolutie bevordert.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *