Jaap Schot, 18 februari 1985
Geheimen delen de aanwezige levenden op in ingewijden en buitenstaanders. De ingewijden voelen zich de hogeren, de beteren, de meerderen. De ingewijden weten dat aan de anderen onwaarheden, verzinsels worden verteld als waren het waarheden. De anderen, de niet-ingewijden, kiezen te goeder trouw of uit angst hun doen en laten rekening houdend met die verzinsels. De nieuwkomers bij de ingewijden kennen de toestand van voor de invoering der verzinsels niet uit eigen ervaring en kunnen daardoor zelf in die verzinsels geloven. Mannen kunnen in hun voorrechten ten opzichte van vrouwen zelf geloven. Zij hebben de hen voordelen gevende traditie, de doorgegeven verzinsels, geërfd en niet verzonnen. Zij hebben niet geloof gehecht, minstens half bewust van het feit dat ze hun eigen voordeel kozen aan de mohammedanen of christenen of enige andere civilisatiereligie, die zending bedrijvend langs kwam om hun cultuur te onderwerpen. Zij maakten geen deel uit van de samenzwering van mannen die ooit in hun stam zelf op het idee kwam de ooit speels ingevoerde geheimen tot beangstigende geheimen te maken door de meisjes niet meer na afloop te vertellen dat het een grapje was. Minder ver weg een voorbeeld nemend, de kinderen van orthodoxe christenen krijgen niet meer te horen dat God evenzeer een verzinsel is als Sinterklaas. Sinterklaas is een gezelligheid scheppend verzinsel, God is een voor andere doelen bruikbaar verzinsel, voor b.v. zin geven aan je leven en/of je onafhankelijk van je naasten gedragen.
Wij allen zitten met een brein boordevol verzinsels van die soort. Verzinsels waarvan sommigen niet meer weten dat het verzinsels zijn, hoewel zij er door bevoordeeld worden en anderen er door benadeeld worden. Zij, mannen bij voorbeeld, weten wel degelijk dat zij de voordelen niet verdiend maar geërfd hebben. Dat geldt ook voor de rijken. Dat geldt ook voor degenen die thuis geheimen omtrent rijk worden en machtig worden leerden van ingewijden. Die geheimen leert men thuis, niet op scholen. De onderwijsmensen kennen deze geheimen zelf meestal niet en bovendien is het geen vak op school en kan iedereen die van deze geheimen het bestaan doet vermoeden door leerlingen zo als uit zijn beroep verwijderd worden. Dat gebeurt ook niet zelden. Op school wordt je niet ingewijd in de geheimen van de maatschappij, je wordt bruikbaar gemaakt, bruikbaar als gespecialiseerde en daardoor geïnvalideerde (tot zelfverzorging anders dan via ruil niet in staat geraakt en/of gebleven zijnde). De maatschappij is er niet op ingericht de mensen er in in de gelegenheid te stellen zich onafhankelijk van de anderen, anders dan via ruil van diensten, in leven en welzijn te houden. De grondstructuur van de maatschappij is de uitdrukking in organisatie van het motto: "dienen en laten dienen."
De stand en gang van zaken in de wereld is een publiek geheim. Iedereen kan het geheim kennen en de verwoording ervan afleiden uit wat er openbaar gemaakt wordt in de media. vraag: Wat betekent kunnen hier? Antwoord:
- In de gelegenheid zijn,
- in staat zijn (=de vaardigheden hebben),
- de tijd hebben,
- de rust (= onafgeleide aandacht) hebben,
- durven (= niet teveel angst ervoor hebben),
- reden hebben (=een voldoende graad van constructieve ontevredenheid met de eigen situatie binnen de stand en gang van zaken in de wereld).
Minstens deze zes dingen zitten besloten in dit kleine woordje 'kan'. Vraag: Wat levert het vermoeden, zoeken en onthullen van geheimen op? Antwoord: We kunnen het kort benoemen met de term 'ongeloof'. Wie de verzinsels in zijn brein onwerkzaam maakt raakt 'gedesillusioneerd', 'ontgoocheld'. De begoocheling neemt een einde, onttoverd gaat het bestaan voort. De situatie waarin men als ontgoochelde verkeert, is niet veranderd, het brein dat er de gegevens van verwerkt is veranderd. Daardoor is hetgeen de ontgoochelde via en vanuit het brein bewust wordt, veranderd. Door ontgoocheling gaat de mens er objectief niet op achteruit, maar zijn bewustzijn wordt anders gevuld. Door die verandering pas kan de ontgoochelde er achter komen wat de begoocheling inhield. Een van de opvallendste dingen is dat de ontgoochelde zich zijn onwetendheid, zijn niet-kennen bewust wordt. De begoocheling was de suggestie van kennis. De ontgoocheling levert de zekerheid van het niet kennen. De ontgoocheling is geen bron van pret. Vandaar dat men ten opzichte van belangrijke begoochelingen niet overgaat tot het herkennen van illusies als zodanig, maar zich agnost noemt. Men zegt niet langer te weten of God bestaat. Dat is een prachtig voorbeeld van gezeur, van gepraat dus dat ik afkeur. Als iemand zich een agnost noemt ten aanzien van God, moet hij dat ook doen, moet hij zich ook zo noemen ten opzichte van kabouters, sinterklaas, gnomen, heidense goden enzovoorts; kortom ten aanzien van alle verzinsels, want wat de niet-waarnemende als een verzinsel voorkomt, kan wel degelijk waar zijn. Het monster van Loch Ness en de resterende dinosaurus in Afrika en de draken zijn ook nog niet wetenschappelijk ontdekt. Oude illusies zijn speelgoed. Minstens konden ik met termen als 'open-mindedness', 'God', 'de mensheid', 'solidariteit', 'onbaatzuchtigheid', 'fairness' en 'liefde' verhalen maken die mij een blij gevoel gaven, die mij inspireerden. De ontgoocheling betekent dat ik die inspiratie, dat gevoel van geborgenheid en die blije gevoelens kwijt ben. Jammer dan. Het waren toch illusies, waarop ik slechts verwachtingen (omtrent aanspreekbaarheid vooral), heb gebaseerd, die niet uitkwamen en dus mij teleurstelling opleverden en schrik en ergernis.
Goed, God en Sinterklaas en de legitimiteit van de macht bestaan niet. Er is niets anders dan de werking van krachten en de angst om het op die werking aan te laten komen, zodat ze niet meer kwaad doen dan ze kunnen. De angst om het er op aan te laten komen maakt de kwaadaardige krachten, want daar is men bang voor, ontelbaar veel malen sterker (in hun uitwerking) dan ze zijn tegenover een mensheid zonder angst. Angst is de versterkingsinstallatie voor het signaal van het kwade, om het eens in radiotechniektermen te zeggen. De ontgoochelde is minder bang, al rekent hij uit dat door de grote aantallen begoochelden, tegen wie de Boze niets heeft in te zetten, de Boze wel erg veel ruimte heeft om de ontgoochelde te bestrijden. De mensen die met illusies leven worden overigens ook voortdurend bang gemaakt voor desillusie, voor ontgoocheling, voor het zien van de kale werkelijkheid, de naakte waarheid, waar geen idealen meer na te streven zijn. De kale wereld waarin men ook niet langer kan teren op de illusies van waaruit anderen leven. Vraag: Stel bijvoorbeeld dat alle christenen en socialisten in ons land doorkregen met wat voor spel ze bezig zijn, hoevelen zouden er dan nog doorgaan met loyaal zijn tegenover de welvaartsstaat? Om maar eens iets te noemen. Antwoord: Degenen die deze vraag als een angstige vraag stellen, kunnen daarmee slechts succes hebben bij de gelovigen en agnosten, bij degenen die nog met illusies leven. De ontgoochelde, de gedesillusioneerde is niet langer de teleurgestelde; teleurstelling komt voort uit begoocheling, uit een verwachting die niet op ervaring berustte, maar op het vooronderstellen van de aanwezigheid van moraal bij de ander. De ander die niet aanspreekbaar blijkt, stelt teleur. Ook als die ander het verzinsel God is, de aanspreekbare, verbiddelijke, die ook ingrijpt.
De gedesillusioneerde beseft dat het er op aankomt dat de levenden van de wereld dat maken wat zij willen vanuit wat zij kennen, vanuit de feiten, niet vanuit het begrepene. Vanuit het gereduceerde, het geabstraheerde (verzelfstandiging suggererend uitvergrote)detail van de werkelijkheid evenmin als vanuit de verzinsels. De ontgoochelde is ook aan de begoocheling van het meerdere en mindere zijn van anderen ontkomen. Daarmee is een eind gekomen aan alle streven vanuit begeerte en aan alle verslaving en gewoonte, kortom aan het overgrote deel van zijn dwingbaarheid. De ontgoochelde heeft geen behoefte meer aan het innemen van meer ruimte, aan het consumeren van meer goederen en diensten dan nodig zijn voor zijn leven en welzijn. De ontgoochelde wil niet leven vanuit het ideaal 'delen met de anderen', maar leeft vanuit de nuchterheid van het niet meer nodig hebben dan hij van nature nodig heeft en van het niet handelen uit angst voor dwang, maar het er op laten aankomen dat men hem dwingt. Voor de anderen om de ontgoochelde blijft beschikbaar wat de ontgoochelde niet langer wil bezitten en dus niet wil verkrijgen, waar hij niet om wil vechten met die anderen. Ook is de ontgoochelde de illusie kwijt dat hij de anderen er van af moet proberen te houden elkaar op leven en dood te bestrijden om dat wat hij niet wenst te consumeren.
Ook de ontgoochelde kan met de woorden, de termen, de beelden en de verhalen van de begoochelden blijven spreken. Er zich over uitschrijven zal hij al licht, om de orde in het eigen brein aan te brengen die hoort bij het zijn zonder illusies. Ik vond en vind het voor mij nodig steeds weer deze hele verzameling verzinsels als zodanig te herkennen en ze te doordenken.
Het gaat daarbij niet alleen om verzinsels uit de religie, ook uit de filosofieën en uit de theorieën waarmee het gebeuren in en om ons wordt beschreven. Niet slechts van het begrip 'god', maar ook van begrippen als 'denken' en 'geest' en 'ziel' en 'begrijpen' en 'genade' moest en moet ik me steeds weer rekenschap geven en er achter proberen te komen hoe het komt dat zulke begrippen zo levensvatbaar zijn gebleken. Ik kan bijna niets onderzoeken, omdat ik geen apparaten tot mijn beschikking heb en geen rechten om wat dan ook te onderzoeken. Mij interesseert ook alleen wat het initiatief neemt mij te raken. voor het overige laat ik gewoon de zekerheid bestaan dat ik het niet weet. Hoe ik dan aan de zekerheid kom dat de kaboutertjes niet bestaan? Kaboutertjes bestaan in ieder geval als onderwerp van gesprek, als verzinsel dus. De kaboutertjes bestaan anders dan het Rode Kruis bestaat, en de Staat der Nederlanden. Uit het bestaan van die laatstgenoemde verzinsels wordt ook gehandeld. Ik kan zulke dingen wel waarnemen, vanuit het gezichtspunt van de ontgoochelde, gedesillusioneerde, verlichte. God bestaat dan zoals het Rode Kruis bestaat, de heidense goden uit het verleden (Zeus en zo) bestaan nog zoals de kaboutertjes; niemand laat meer zijn doen en laten mede bepalen door de veronderstelling dat ze bestaan en kunnen handelen en verbiddelijk zijn. Om het voor het bidden nodige gedrag van slaven te kunnen blijven vertonen ook als men de tijdgenoten in kwestie niet aanspreekt, kan ook God gebruikt worden. Als almachtige en alwetende altegenwoordige is hij inzetbaar voor het werk van alle afgoden. Bij de roomsen hebben ze dat uitsplitsen van de onderwerpen van het bidden toch weer ingevoerd of laten bestaan, door de afgoden door heiligen te vervangen als adres voor gebeden van bepaalde soorten, betreffende bepaalde onderwerpen. Door het invoeren van vele goden kan men zich een ingewikkeld geheel van interacties achter de verschijnselen uitdenken, zoals men dat ook bij vele wetenschappelijke theorieën doet, wanneer met krachten, factoren, '-zuchten', '-neigingen', '-dorsten', enzovoorts, enzovoorts invoert. De koopkracht, de factor mode, de hebzucht, de fusieneiging, de gouddorst, de machtshonger enzovoorts.
Al de postulaten van deze soort noem ik evenzovele verzinsels, wat alleen maar een duidelijk woord is voor concept, postulaat, idee, construct, hypothetisch construct enzovoorts. Alle ideeën van deze soort, die ik in mijn eigen teksten nog aantref, behandel ik. Deze behandeling bestaat uit het er van de zijkant, als ongelovige, tegen aan kijken en nagaan wat het nut van dit concept is voor de gebruiker.
Vaak zal er geen aanwijsbaar nut zijn naast het feit dat de gebruiker (z'n brein) er z'n bewustzijn mee van tekst kan voorzien. Dat kan met andere begrippen ook en heel vaak is er dan ook alleen sprake van dat de gebruiker deze begrippen als enige en eerste of simpelweg : ook heeft geleerd. Vele mensen zijn in het geheel niet of zeer weinig kritisch ten aanzien van wat hen in gedachten komt. Het valt hen zelf in, dus achten ze het hun eigen gedachte, hun eigen mening, hun eigen opvatting enz.. Nu ja, ik doe dat anders. Ik maak er een spel van mij uiteindelijk alle verzinsels als zodanig bewust te maken en de suggestie teniet te doen dat ik via die verzinsels waarheid kan verkrijgen. Evenals de suggestie dat het verstandig zou zijn te handelen alsof die verzinsels namen van bestaande en agerende grootheden waren. Zulke suggesties brachten mensen ertoe te doden en te sterven voor het vaderland, voor het geloof enzovoorts.
0 Reacties