Een boek over drie onderwerpen en de relaties daartussen.
Een boek in mijn eigen begrippensysteem, in mijn taal, met andere woorden.
- Dat levert dus ten eerste een metabespreking van de gebruikte taal op.
- Ten tweede komt er een kentheorie bij, want er is een legitieme vraag naar de wijze waarop hetgeen wordt gezegd gestuurd wordt door iets anders dan logica en interne consistentie van begrippenapparaat en beelden.
De vragen "wat is kennen?" en "wat is kenbaar?" moeten beantwoord worden.
Maar ze moeten beantwoord worden ten aanzien van het onderwerp in kwestie en niet in het algemeen. Hetzelfde geldt voor de gebruikte taal, een van de belangrijkste te vermijden gevaren is het afdwalen in de richting van het algemene. - Het derde van de drie onderwerpen, is daarom: de stand en gang van zaken in de wereld der mensen.
De relaties tussen deze 3 onderwerpen leveren dan onder andere de volgende vragen op:
- beïnvloedt het bespreken(op deze of op gene wijze)van de stand en gang van zaken het doen en laten der besprekers?
- (hoe) komt de stand en gang van zaken in kwestie voort uit het doen en laten der mensen?
- in hoeverre kan de stand en gang van zaken het bespreken ervan door de mensen beïnvloeden? (wat kan de spreker kennen?)
- (waardoor) wordt het doen en laten der mensen beïnvloed?
Zo geformuleerd, lijkt het nog een boek over alles. En wel zo omvattend mogelijk.
De beperking ligt echter in de kentheorie. Ik heb namelijk een strenge opvatting van wat kennen mag heten, en wat niet. Kennen doet iemand dat wat hij hier nu waarneemt en ervaart. Kennen is een onbewuste bezigheid. Het zich bewust maken van wat men kent, houdt al een codering/ conceptualisering in. De volzinnen die ik hier nu uitschrijf, zijn mij bewust geworden. Wat er voor dat bewustzijn gebeurd is, onttrok zich aan mijn waarneming. Het is echter ontwijfelbaar dat er tussen het kennen en de mij bewust geworden volzinnen al een conceptenverzameling, in het gunstigste geval een begrippensysteem gebruikt werd, dus functioneerde, dus invloed had op wat mij bewust werd, het mij bewust wordende mede vormde. Mijn begrippensysteem vormde dus met de kennis samen dat wat mij in volzinnen bewust werd. Ik kan helemaal niet bij mijn kennis komen. Ik kan mijn begrippensystemen niet passeren. En als ik droom dan? Wel, daarover zullen we b.v. ook een hoofdstukje volschrijven. Zo kom ik prettig ontspannen keuvelend aan een hoop tekst, die ik dan met behulp van de tekstverwerker orden, waardoor ik met dat computerprogramma leer omgaan.
Jaap Schot, 7 december 1984
Ik begin met het uitschrijven van wat ik denk in de vorm van een boek. Die vorm is daaraan het nieuwe. Uitschrijven wat ik denk, dat doe ik al zo'n jaar of twintig.
Eerst deed ik dat in de vorm van brieven, die ik na enige tijd niet meer verstuurde, omdat ik merkte dat ik bij mijn schrijven niet langer op de geadresseerde gericht was. Dat was toen ik nog (psychologie) studeerde.
Toen ik na mijn afstuderen een baan als leraar kreeg, nam mijn 'uitschrijven van wat ik dacht' de vorm aan van lessen voorbereiden. Ik ging er namelijk van uit dat wat mij inviel, wel geschikt zou zijn om over te dragen aan mijn leerlingen.
Ik had 21 jaar dagonderwijs achter de rug, met voortdurende goedkeuring van mijn werk door mijn leraren, en was niet bezig – of, van plan – subversieve verhalen te vertellen.
Wat mij in gedachten kwam, werd steeds minder alleen maar een met andere ('eigen') woorden zeggen van wat mij was aangeleerd. Vele aangeleerde begrippen bleken
- herleidbaar of
- onnodige verzinsels of
- veelduidig en daardoor ongeschikt voor heldere verwoording van wat ik waarnam en ervoer van de onderwerpen in kwestie.
Na zo'n jaar of vijftien waren mijn teksten als lessen niet langer in te passen, zelfs niet in universitair onderwijs.
In dit stadium is het dan ook passend mijn teksten in boekvorm beschikbaar te stellen. In de vorm van lezingen kan ik ze nu niet langer kwijt.
Gezien mijn werkwijze maakt het weinig tot niets uit met welk opstel en over welk onderwerp ik begin.
Mijn werkwijze
Mijn werkwijze bestaat uit het laten vullen van mijn bewustzijn door mijn brein, terwijl ik alleen maar routinematig in volzinnen uitschrijf wat mij invalt. Nadat ik die tekst heb uitgeschreven, ga ik van alle gebruikte woorden na van welke begrippen ze namen zijn ( = welke begrippen ik er mee aanduidde). Ik vind bij het bestuderen van mijn eigen teksten dus mijn begrippen via mijn woorden. Al die begrippen blijkt mijn brein dus te gebruiken.
Van elk van die begrippen ga ik dan na of het deel uitmaakt van een begrippensysteem of van een spreekbeeld.
Zo niet, dan bespreek ik het apart nader: in een 'verklarend vervolgopstel'.
Voor begrippensystemen maak ik een 'uiteenzetting van een conceptgroep'.
Ik maak van de spreekbeelden denkbeelden, door het beeld uit te werken, waarbij ik de (a:b = c:d)-verzameling uitschrijf.
Ik behandel in mijn boek:
- mijn onderwerp, (het voor iedereen waarneembare gebeuren in de wereld),
- mijn begrippenapparaten en beelden
- (in deze inleiding) hoe ik werk en waarom zo.
Tenslotte raad ik de lezer aan ook schrijver te worden,
en ook daarvoor geef ik de redenen.
In mijn boek maak ik hetgeen ik uitschrijf toegankelijk voor bestudering, de tekst ligt voor mij, ligt voor de lezer. Door het voorleggen van deze teksten wijs ik naar mijn onderwerpen, maar ook maak ik de onderscheidingen, beelden en begrippen bestudeerbaar waarmee mijn brein werkt. Mijn brein produceert de inhoud van mijn bewustzijn als en in zoverre mijn zintuigen dat niet doen. Met andere woorden: zodra, zolang en in zoverre ik mijn aandacht niet besteed aan iets buiten me, zorgt mijn brein voor het vullen van mijn bewustzijn.
Mijn brein levert aan mijn bewustzijn dromen (als ik slaap) en zinnetjes tekst (als ik wakker ben en verder niets doe dan routinebezigheden, zoals schrijven, afwassen of me douchen).
Mijn werkwijze bestaat uit het laten vullen van mijn bewustzijn door mijn brein, terwijl ik alleen maar routinematig uitschrijf in volzinnen.
Die vulling van mijn bewustzijn, het product van mijn brein dus, noem ik:
- wat mij in gedachten komt,
- wat ik denk,
- wat mij invalt,
- wat mij te binnen schiet,
- wat mij bewust wordt,
- wat er in mijn bewustzijn komt.
Nadat ik die tekst heb uitgeschreven, ga ik van alle gebruikte woorden na van welke begrippen ze namen zijn.
Begrippen en woorden
'Begrijpen' en 'begrip' zijn geen gemakkelijke begrippen. Een van de dingen die ik in mijn boek uitdrukkelijk nalaat, is het geven van definities. Waar het mij om gaat is: langs de begrippen heen, wijzen naar de door mij begrepen werkelijkheid. De werkelijkheid is niet van begrippen gemaakt en ze is ook niet door begrijpen ontstaan of veranderd.
Als ik de werkelijkheid begrijp verandert niet die werkelijkheid, maar wel verandert met mijn begrippenapparaat mee: 'dat wat ik over die werkelijkheid in mijn bewustzijn krijg'.
Wellicht verandert met mijn begrippenapparaat mee ook wel de manier waarop ik (zonder er met mijn gedachten bij te zijn, onnadenkend dus) met die werkelijkheid om ga.
Ieder van ons kan alleen de hem zelf in waarnemen en ervaren gegeven werkelijkheid begrijpen.
We leren ook denken met verzonnen begrippen waar geen werkelijkheid bij bestaat. De gedachten die we met die verzinsels maken, kunnen dezelfde vorm hebben als de gedachten die we maken met behulp van begrippen die wel voor werkelijkheid staan. Als we denken met behulp van verzinsels, kunnen we, zolang we logisch en consistent blijven, zeggen wat we willen zonder dat ons waarnemen en/of ons ervaren ophoudt te passen bij wat we zeggen: er is immers helemaal geen waarnemen of ervaren dat beschreven, besproken, begrepen wordt.
We praten maar wat, iedere overeenkomst met de werkelijkheid berust op toeval. Het denken met van die verzonnen begrippen wordt door velen zeer ernstig genomen, ze laten hun doen en laten erdoor bepalen. Dat geldt zowel voor sommige wiskundigen als voor alle gelovigen en voor vrijwel alle mensen die een identiteit hebben.
Doen en laten echter moet men baseren op kennen, niet op redeneringen. Dat geldt in het gewone leven, niet in de laboratoria der wetenschappers. Over wetenschap beoefenen schrijf ik niet.
Als ik mijn eigen teksten bestudeer, dan vind ik daarin begrippen.
Van al die begrippen die mijn brein blijkt te gebruiken, ga ik dan na van welk begrippensysteem of begrippenapparaat of spreekbeeld ze deel uitmaken.
Met de naam 'spreekbeeld' duid ik beelden en verhalen aan die gewoonlijk en ondoordacht gebruikt worden. Zo spreekt men bij voorbeeld van verkeersslachtoffers, zonder duidelijk voor ogen te hebben dat deze uitdrukking past in een verhaal waarin het verkeer als een afgod wordt opgevat, waaraan mensenoffers worden gebracht.
Door zich de herkomst en context van zo'n term bewust te maken kan men enige tijd zijn aandacht richten op het onderwerp. Op het verkeer in dit geval, ik bedoel met het besteden van aandacht aan herkomst en context niet : nagaan wie waar voor het eerst wat gezegd en bedoeld zou hebben, dat is geschiedenis en geschiedenis is verleden tijd en mij geen aandacht waard.
Ik maak van zulke spreekbeelden denkbeelden, door tijd, aandacht en energie te besteden aan het betrokken beeld.
Zo'n beeld wordt gebruikt om de relaties aan te wijzen tussen allerlei onderscheidenheden in de werkelijkheid; relaties die ook bestaan tussen de gescheidenheden, de onderdelen in het als beeld gebruikte.
We wijzen die relaties aan zonder hen een naam te geven en zonder er een Aristotelische of andere definitie van te geven.
a:b = c:d schrijft men dat in formule.
a verhoudt zich tot b op dezelfde wijze als c zich verhoudt tot d.
a staat tot b in dezelfde relatie als waarin c staat tot d.
Ieder beeld is slechts bruikbaar voor het aanduiden van een beperkt aantal van de erin voorkomende relaties. 'Aanduiden' noem ik wat aanwijzen met behulp van woorden is.
Een beeld mag niet gelijkgesteld worden aan een visuele voorstelling van het besprokene. De fundamentele instructie voor de lezer en luisteraar is steeds: richt je aandacht op het onderwerp. Het onderwerp is het besprokene.
Het gesprokene is niet het onderwerp. Want wat er gesproken wordt, is behalve van het onderwerp, ook afhankelijk van – of zo men wil, mede een product van – het begrippenapparaat van de spreker en van de spreekbeelden en denkbeelden die hij gebruikt. Of beter, die zijn brein gebruikt.
De spreker valt als mens namelijk niet samen met zijn brein.
Ik heb juist als een van de redenen voor het uitschrijven van wat mij in het bewustzijn komt:
het zelf leren kennen van mijn brein.
Ik wil weten waar het mee werkt, met welke begrippensystemen.
Ik neem er afstand van:
ik postuleer mijzelf als geest, als mens, buiten mijn brein.
Mijn brein verwerkt onderwerpen in mij, zoals mijn maag en darmen in mij voedsel verwerken.
Ik kan beïnvloeden wat ik eet, ik kan mijn spijsvertering niet beïnvloeden, in ieder geval niet sturen, versnellen, vertragen, veranderen.
Zo min kan ik ook mijn denken beïnvloeden. Ik wil dat ook niet.
Ik vat me ter verduidelijking even op als vergelijkbaar met een computer zoals die waarmee ik nu werk. In die computer zitten een werkgeheugen en een stukje programma, waarmee het ding kan nagaan of dat werkgeheugen in orde is.
Zonder dat er een programma in wordt gebracht vanaf een programma (op een schijf) (diskette) een uitwendig geheugenbeschrijvingsmiddel kan de computer niets meer dan zijn geheugen toetsen, en om een dergelijke schijf (met een programma er op) vragen.
Ik lees nu uit de teksten die ik uitschrijf de begrippensystemen en beelden af, die mijn brein gebruikt.
Die teksten dicteert mijn brein mij en ze gaan over onderwerpen die ik ook al niet altijd zelf kies.
Veelal kies ik mijn onderwerpen niet zelf, maar doen de omstanders en de omstandigheden mij er aan denken.
Ik heb bijzonder weinig invloed op:
- wat mij overkomt,
- wat ik onderga,
- wat ik ervaar,
- wat mij wordt aangedaan,
- wat mij opvalt.
Ja, zelfs op wat ik meemaak is mijn invloed per definitie al geen 100%.
De teksten die te lezen zijn gaan over onderwerpen, ook al is het brein van de schrijver kenbaar door wat hij schreef.
Dat brein is voor wat de inhoud betreft een vormsel
- van hetgeen de schrijver is overkomen,
- van wat hij geleerd heeft,
- van wat hem is aangeleerd,
- van wat hem bruikbaar bleek,
- van wat bekrachtigd werd.
Hoewel de lezer dus het brein van de schrijver kan bestuderen, dat brein is niet het onderwerp. Ik heb als schrijver die publiceert het doel de aandacht van de lezer te richten op het onderwerp waarover ik schrijf, niet op mijn brein.
Als ik iets zeg, verwijs ik met die tekst naar hetgeen ik bespreek, niet naar mijzelf. Als ik met mijn vinger wijs naar de maan, dan wil ik dat de ander kijkt naar de maan, niet naar mijn vinger. Ook wil ik niet dat de ander vermoedens gaat ontwikkelen over mijn bedoelingen met mijn wijzen.
Ik wil mijn onderwerp onder de aandacht brengen, niet mij zelf en niet mijn brein respectievelijk mijn vinger.

Ik heb, al onderwijzend, de gewoonte ontwikkeld mij te ergeren aan lezers en toehoorders die 'mijn' onderwerp vervingen door bijvoorbeeld mijn brein, mijn bedoelingen, mijn relatie tot hen of tot mijn onderwerp.
Het is wel begrijpelijk, dat in onderwijssituaties sommige studenten zo zullen reageren op teksten die ze moeten aanhoren. Die studenten namelijk, die denken dat ze meesprekende exemplaren moeten worden in de civilisatie. Zij denken dat ze zinnig kunnen spreken zonder dat ze het over hun eigen waarnemen en ervaren hier en nu hebben. Zij denken dat er geen oorspronkelijkheid vereist is bij alles wat een mens zegt.
Van wie zo denken is te verwachten dat ze ook de docent niet zullen opvatten als een bespreker van werkelijkheid, maar als een doorgever van informatie.
Informatie is het woord geworden waarmee men zowel oorspronkelijke ware uitspraken bij eigen ervaringen en waarnemingen benoemt als ook citaten, napraatsels.
In dit boek kan het echter anders. Ik neem gewoon alle ruimte die ik nodig heb en bespreek, om alle misverstand te voorkomen:
- ten eerste mijn onderwerp
(de stand en gang van zaken in de wereld) - ten tweede mijn begrippenapparaten en beelden
(de inhoud waarmee mijn brein werkt, al besprekend) en - ten derde, hier nu dus, mijn overwegingen bij mijn keuze van deze werkwijze. Deze werkwijze, waarbij ik naar mezelf kijk terwijl mijn brein bezig is, als keek ik in een spiegel. Als ik in een spiegel kijk, zie ik mezelf bezig als stond ik op een afstand van mezelf. Zoals ik in een stoffelijke spiegel naar mijn stoffelijke zelf, mijn lichaam, als van een afstand kijk, zo kijk ik als in een onstoffelijke spiegel naar mijn onstoffelijke zelf (mijn brein, mijn geest?).
Uitschrijven in volzinnen van wat mij aan gedachten invalt maakt die zelfbestudering mogelijk.
Ook de lezer is zijn eigen tijd, aandacht en energie waard, en ook de lezer kan schrijven, dus uitschrijven wat hem in gedachten komt.
Het is waarschijnlijk ongebruikelijk, maar ik raad de lezer aan schrijver te worden. Ik bedoel schrijver, niet publicist.
Publiceren kan later komen, zo al ooit. Waar het om gaat is dat men het feit dat men schrijven kan benut om zich een spiegelbeeld te verschaffen (teksten dus) waarin men zichzelf als op afstand bezig kan zien bij het bespreken van onderwerpen.
Aanvankelijk zal menigeen, zo niet iedereen, opmerken dat hij vrijwel uitsluitend napraat, de gangbare begrippen gebruikt, bij nader doorvragen geen voorbeelden kan geven en zo voorts. Voor velen geen opwekkend beeld.
Het kan zijn dat wat ik bespreek aan de lezer niet zintuiglijk en in ervaring gegeven is. Dan is mijn bespreking op z'n best een waarschuwing.
Een tekst kan ook gaan over een aan de lezer wel gegeven, maar door hem niet aanvaard onderwerp. Dat is dan een onderwerp waar de lezer
- zijn gedachten niet bij wil bepalen,
- zijn aandacht niet op wil richten,
- zich niets over bewust wil worden.
In die gevallen is de lezer geneigd zijn aandacht op een ander onderwerp te richten, ook al blijft hij de tekst in kwestie lezen.
Hij maakt dan de stijl of de woordkeus van de tekst tot zijn onderwerp, of de schrijver, of de relatie tussen hem en de schrijver. Dit zijn slechts enkele van de vele onderwerpen waar een lezer naar uitwijkt, zodra, zolang en in zoverre hij weg wil van het onderwerp waarover de tekst gaat.
Deze gewoonte om af te dwalen en toch bezig te blijven met een boek wordt in het onderwijs aangeleerd. Daarom zullen de meeste lezers deze gewoonte kennen. Het is voor een lezer de moeite waard om in plaats van deze gewoonte iets anders te doen. Het meest voor de hand liggende is het voorgoed wegleggen van het boek. Dat is echter minder verstandig dan het lijkt. Ik beveel aan dat de lezer zichzelf uitdrukkelijk bewust maakt dat zijn gedachten afdwalen van het onderwerp en zich vervolgens afvraagt waarheen en waarom zijn gedachten afdwalen.
Dat alles uitschrijvend, dat alles want dat is immers wat hem invalt, dat is immers de output van het brein dat in hem werkt.
Dat brein is een product van het verleden van het individu in kwestie, in dit geval de lezer. Dat zijn brein is gevuld met deze begrippen en deze beelden komt slechts voor een zeer klein deel voor verantwoording van de betrokkene wiens brein het is. Maximaal heeft hij er in het verleden, toen hij dus minder wist en minder wijs was dan nu, zelf aan bijgedragen. Alleen een almachtige zou zich voor zijn zo-zijn volledig verantwoordelijk moeten voelen, maar zo'n almachtige zou zich ook van het ene moment op het andere volledig kunnen veranderen.
Voor ons mensen geldt: ik hier nu ben volstrekt niet gebonden aan of verantwoordelijk voor mijn zo-zijn. Ik ontken niet dat ik zo ben, maar het verplicht mij tot niets. En hoewel het mij tot niets verplicht, handel ik er gewoontegetrouw volledig uit, als ik niet uitdrukkelijk die gewoonten ga opmerken en er mee ophoud.
De samenstellende delen
Mijn boek schrijf ik door het aanmaken van verschillende soorten delen:
- de uitgangsopstellen (ugo's)
- de uitgewerkte spreekbeelden/denkbeelden/analogieën (sda's)
- de uiteenzettingen van conceptgroepen (ucg's)
- de overwegingen bij mijn schrijven en publiceren (ovw's)
- de vervolgopstellen, waarin naders over een begrip (vvo's)
- Ten eerste zijn er de uitgangsopstellen (ugo's),
hierin schrijf ik waarheid uit, die mij vanuit mijn brein in het bewustzijn komt. Ik aarzel sterk om deze opstellen te publiceren en wel om twee redenen:-
- iedereen blijft alle waarheid vreemd tot hij ze uit zijn eigen brein verneemt. Ik kan en wil geen dienst verlenen die er in zou bestaan de kennis van de lezer omtrent zijn eigen situatie te verwoorden. Ik heb geen andere boodschap aan de lezer dan:
jij bent je eigen tijd, aandacht en energie waard en je kunt zelf jouw situatie begrijpen en onder woorden brengen. Dat kan met en/of zonder gebruik te maken van de beelden en de
onderscheidende begrippensystemen die ik aanbiedend voorleg. - Ik wens geen polemiek, want :
- of hetgeen ik zeg is onwaar en dan is het geen discussie waard,
- of hetgeen ik zeg is waar en dan is er geen discussie over gepast.
- iedereen blijft alle waarheid vreemd tot hij ze uit zijn eigen brein verneemt. Ik kan en wil geen dienst verlenen die er in zou bestaan de kennis van de lezer omtrent zijn eigen situatie te verwoorden. Ik heb geen andere boodschap aan de lezer dan:
Voor de meeste mensen geldt dat hun situatie verre van ideaal is evenals ook hun reactie op hun situatie.
Waarheid omtrent dat onderwerp is dan ook niet gewenst, want slechts een 'vals bewustzijn' past bij dat gedrag.
Ik voorzie dus dat men in discussie gaat.Als ik dan al een onware uitspraak gepubliceerd zou hebben, dan is dat toch ook volstrekt geen reden tot enige opwinding, want ik schrijf er zelf uitdrukkelijk en herhaaldelijk bij dat men niet na moet praten, ook mij niet, dat men niemand moet volgen, ook mij niet.
En toch aarzel ik om te publiceren wat mij aan waarheid invalt, want ik vrees de reactie van mensen die 'het niet waar willen hebben' (een bestaande uitdrukking, die ik ervaar als naam van een van de meest krankzinnige reacties die een mens kan vertonen.) -
- De uitgewerkte spreekbeelden/denkbeelden/analogieën (sda's)
In mijn boek maak ik bewuste denkbeelden en analogieën (of gelijkenissen) van de spreekbeelden waar we gewoonlijk overheen lezen en ook bij het spreken overheen denken en overheen bedoelen. Ik ga er niet van uit dat iemand met de ingeburgerde spreekbeelden nog het oorspronkelijke denkbeeld bedoelt.
(Denk aan het voorbeeld van de slachtoffers voor de afgod 'Verkeer'.)
Het is wel belangwekkend na te gaan wat er gebeurd is, toen het spreekbeeld tot gemeengoed verwerd en de analogiebewering daardoor werd tenietgedaan. Bij de spreekbeelden horen we niet langer wat er over de benoemde feiten aan oordeel uitgesproken wordt door ze met die termen te benoemen.
Door het beeld en de analogie weer tot ons bewustzijn door te laten dringen horen we weer meer. We komen niet zozeer de bedoeling van de spreker nader, als wel de rijkdom van de taal.
Van het bedoelen door een spreker stel ik mij zelden veel voor, vooral ook omdat het van geen enkel belang is voor mij als luisteraar, om te weten wat de spreker bedoelt, het gaat er voor mij als luisteraar om er achter te komen wat er omtrent de besproken zaak waar is.
Een overeenkomstige redenering geldt voor het gebruiken van synoniemen door anderen. Geen twee woorden hebben echt dezelfde betekenis, maar er is geen reden om aan te nemen dat een spreker bewust voor enig woord koos uit een verzameling hem voorliggende alternatieven.
Een woord, een synoniem, vat ik op als een naam voor een verzameling beantwoorde ja/nee-vragen.
Op grond van de antwoorden kiest de bewuste taalgebruiker voor enig synoniem. Op grond van het feit dat de verzamelingen vervatte vragen grotendeels overlappen spreken we bij de benoemende woorden van synoniemen.
Niet tot een beter kennen van het door de spreker bedoelde, kom ik door deze manier van werken, maar: er valt mij meer in bij het horen van de door mij doordachte termen.
Van mijn brein zijn de output en de verwerking veranderd doordat ik mij ooit gedachten heb laten invallen bij de beeldende uitdrukkingen en verhalen en nadat ik heb doorgedacht over de verzameling synoniemen waaruit een gebruikt woord gekozen had kunnen worden. - De uiteenzettingen van conceptgroepen.(ucg's)
Niet slechts van een verzameling synoniemen maakt een woord vaak deel uit, maar evenzeer horen in een conceptgroep waar men bij het horen gebruiken van een woord aan moet denken: tegengestelde termen en verwante begrippen en antoniemen.
Bij de woorden die ik in mijn eigen ugo's als gebruikt aantref, schrijf ik uiteenzettingen van conceptgroepen, dat is: van de zojuist genoemde synoniemen, antoniemen, tegengestelde en gerelateerde termen.
Evenals het schrijven van de sda's, heeft het schrijven van deze ucg's als (bedoeld) gevolg dat mij, -een volgende keer dat ik het woord tegenkom -, meer in zal vallen. - De vervolgopstellen waarin naders over een enkel begrip.
Deze opstellen betreffen vooral begrippen die ik zelf een eigen naam heb gegeven. Bij voorbeeld: een IETS, spontane summatie, Koning Klant, Rente Regina.
Wat ik in deze opstellen zeer uitdrukkelijk vermijd is het geven van definities. Ik haal veeleer uit de uitgangsopstellen de plaatsen waar ik de term gebruikt heb en de lezer kan dan, - zoals dat natuurlijkerwijze bij het leren van taal altijd al gebeurt -, uit het horen gebruiken de betekenis van de term afleiden, zelf speurend in de werkelijkheid of hij het aangeduide kan ontwaren.
(Ontwaren is: beginnen gewaar te zijn,
gewaar zijn, dat is: het (juist ook onbewust) kennen en: gebruiken-in-je-brein. - De overwegingen bij mijn uitschrijven en eventueel publiceren (van ugo's, sda's, vvo's en ucg's) staan in deze inleiding.
0 Reacties