Jaap Schot, 6 december 2003
Dit opstel verklaart waarom ik mensen moet mijden of ‘moeilijk moet doen’. De verklaring is: er is iets in mij gebeurd: ik heb iets gesnapt (iets door gekregen), écht doorgekregen: men speelt. En daarmee brak er iets.
Eerst de theorie, die niks anders is dan de waarneming, zij het om kort te gaan neergeschreven met ‘moderne’ begrippen:
Als baby was ik genetisch precies hetzelfde als nu, maar ik zag er heel anders uit en ik had nog bijna niets geleerd.
Net als nu verteerde ik spijs, dat deed ik niet, het gebeurde. Met leren was het net als met spijsverteren, dat deed ik niet, dat gebeurde.
Zoals ik gevoerd werd, aanvankelijk, zo werd ik ook onderwezen, aanvankelijk. Ik bepaalde niet eens wat er tot mij in ging, niet aan eten en niet aan “leerstof”.
Toch leerde ik en verteerde ik en ik groeide er van en mij heugde hetgeen ik geleerd had. En wat ik geleerd had, praten bijvoorbeeld, - een mooi voorbeeld omdat het buitenschools en zo vroeg gebeurde -, werkte in mij, ik ging wat ik leerde eten ook lusten. [Schoolvoorbeeld: die geitenmensen in het middenoosten lusten zelfs ogen.]
==========
In de loop van de jaren werd mij, -zoals iedereen -, aangeleerd, gesuggereerd, afgedwongen, te ‘denken’ en te ‘menen’ dat (te zeggen en te doen alsóf) ik dat wat (door mij) gebeurde, WILDE en DEED.
=========
Nonsens: er bestaat geen ‘willen’ en er wordt nergens ooit iets gedaan, er gebeurt alleen maar. Kijk maar: je ziet gebeuren, je ziet geen willen. En je ziet ook geen doen: bij mensen en dieren zo min als bij planten, uitbarstende vulkanen en/of verwoestende wervelstormen. En introspectief dan? Kijk eens écht in jezelf: ik verwacht dat jij, - lieve lezer(es) -, dan ook niks ziet, net zo min als ik.
=========
Ook ‘denken’ is zo’n leeg woord: iemand zegt iets omdat hem dat van zijn tekstaanmaker in zijn geestesoor gesproken wordt: kijk maar bij jezelf hoe dat gaat. Als je niet meteen spreekt, dan hoor je wat je zou hebben gezegd , niet echt, maar “binnen”, met je geestesoor. [Het ene groepje hersencellen stuurt signalen naar een ander groepje hersencellen omdat een derde groepje (van hersencellen die de spraakorganen had moeten aanzetten en aansturen het door de een of andere angst of zo, ‘niet doet’].
=======
Zo ongeveer werkt het bij mij. Over een ander kan ik niets te weten komen, anders dan van horen zeggen en dat ga ik niet geloven, niet betwijfelen en niet napraten. Ik kan iets verwachten, maar dat is een schoolvoorbeeld van een onzinnige bezigheid. Dat je iets verwacht overkomt je overigens, dat doe je niet, er is geen doen, nergens.
======
Het bovenstaande is waar en het is bedoeld om de lezer van het gebeuren in zijn lijf te vervreemden zonder hem te suggereren dat er een onstoffelijk vreemd wezen in zijn lijf woont, een buitenaards iets dat zijn lichaam bezet en bezit. Gelul, ook al is het nog zo’n oud verhaal, dat van de geest of de ziel. Het is gewoon ooit verzonnen om dat vreemde gevoel te verklaren dat je iets zegt, dat je zelf niet herkent. Als ‘ding dat gebeurt’ en steeds verandert, ben ik net als een wervelstormpje en wel net zo’n onaanspreekbaar, nergens voor ter verantwoording te roepen natuurgebeuren.En dat er aan of in mij iets extra’s zou zijn, iets dat bewustzijn heet of geest of ziel of zo, daar is niets van te ‘zien’ / te merken, voor wie even echt en nuchter kijkt. Ik kan het een buitenaardse intelligentie, met name een kind, een nieuwkomer, een opvoedeling niet aanwijzen of aanduiden. We zien dan ook gebeuren dat deze nieuwkomers onder bedreiging met uitstoting, verachting, mishandeling en dergelijke tot het geloof er in gebracht worden.
Niet geloven, lieve lezer, juist ook mij niet. Zelf kijken!
Die aanspreekbare en verantwoordelijk gestelde ‘jij’ waar de anderen zich al sprekend toe richten, is een natuurkundig, in het echt, niet, maar in het maatschappelijk spel ‘mensen houden als gebruiksvee des te meer (wel dégelijk) ‘bestaande’ ‘figuur’, ‘bestaand’ ‘in de geest’, in de taal (worden, gebaren en reacties waarin gevoel wordt geuit) die tegen de gebruikte / bruikbaar te maken mensen in de civilisatie gebruikt wordt: “je hebt je luier weer volgescheten, vies zeikkind” zo hoor je dat JIJ bestaat, jij de dader, de strafbare, de verantwoordelijke, degene die ermee moet ophouden en het andere moet willen. Die aangeprate wilskracht is de neiging om te gehoorzamen aan in je ama ingebouwde, voor jezelf niet meer te lezen, ‘onbewuste’ bevelen van je opvoeders, instructeurs en opleiders.
===========
Allemaal lege woorden. Zoals ze met woorden ‘vlooien’, zo slaan / mishandelen ze ook met woorden. Zo zijn mensen in civilisatie. Zo praat vee onder elkaar, met vee. De verantwoordelijke mens is het stuk vee dat zich verhevenheid laat aanpraten boven ‘de dieren’, een speciaal voor die bevoorrechting uitgevonden bizarre wel heel erg veel omvattende term.
==========
Ik aanvaard dat vooronderstellen van ‘doen’ niet meer. In het geval iemand anders mij verantwoordelijk stelt voor wat er door mij heen gebeurt, zwijg ik of er komt een onaangenaam gesprek. Het eerste dus meestal. Ik zwijg, omdat ik niet in staat ben de africhting (het vals bewustzijn) van een ander zo uit de losse pols te corrigeren.
Het is echt even wennen, dat afstand nemen van alles wat je aangeleerd hebt en op grond waarvan je in de maatschappij, binnen spel, je rang hebt. Het is helemaal niet iedereen helder dat hij een dier is dat speelt. Vrijwel niemand blijkt zomaar uit dat spel weg te roepen te zijn, daar moeten ze kanker of zo voor krijgen. Of het elektrisch moet uitvallen in een miljoenenstad, dat geeft ook even pauze in het spel: dan gaan ze plunderen, moorden en verkrachten: ‘beestachtig’ gedrag noemen ze dat als ze zelf niet meededen. Oorlog geeft ook telkens weer her en der van die pauzes in het spel.
=======
WIJ, JIJ en IK, zullen nu gewoonlijk en als we vreemden voor elkaar zijn en willen blijven, met elkaar omgaan als wáren wij die massa aangeleerde dingen (‘verantwoordelijk stellen’ is te gebruiken als schoolvoorbeeld van die dingen, ‘doen alsof jij en de ander beide doen dus, in plaats van slechts gebeuren’).
Zo zullen we met elkaar, want met vreemden, omgaan, maar we spelen dan een onwaarheid, die aangeleerde dingen gelden hoogstens (als ze via ons geweten of door goede politiebewaking der regels en wetten gehandhaafd worden, afgedwongen). Bij die dingen hoort dat wij ons niet met elkaar bemoeien, dat, ‘samen’ leven, hoort buiten spel, waar geen regels gelden, maar we genoodzaakt zijn te handelen volgens en met volstrekte gehoorzaamheid aan de natuurwetten, die niet gelden, maar waar zijn en ten onrechte ‘wetten’ heten.
Gedraag je je alsof wij ‘samen’ zouden zijn, en blijf je toch handelen vía die spelregels, dan krijg je onaangename gesprekken met mij. Zodra dat concept / (=verzinsel) ‘doen’ ten grondslag ligt aan het met elkaar omgaan, is er die ruzie.
========
We spelen en dan zijn we niet samen en niet zaakgericht, JIJ en IK zitten, voor elkaar en ieder ander volledig gehuld in al dat aangeleerde dat ons in en door het spel werd aangedaan en wordt afgedwongen.
Óf WIJ (JIJ en IK, twee onbeschreven bladen, twee computers waarop geen programma’s actief (te krijgen) zijn), zijn samen en dan zijn we vrij, buiten spel, dus ongerangschikt enz. enz. Dan kijken we zonder de gewone gebruikelijke taal, gewoonten en opvattingen, rechtstreeks, onbevangen als kinderen of beter: als wetenschappers uit ‘outer space’, van een vreemde planeet, naar wat we nodig hebben, hoe onze omgeving is, wat we aan vaardigheden, gereedschap en materiaal hebben en dan ‘doen’ we, gewetenloos. Onzinnig woordgebruik: het gedrag dat uit die studie komt, dat gebeurt. ‘Doen’ is een spelwoord en wij zijn buiten spel.
=========
‘Dóen veronderstellen’ is vechten, en wel van de baas tegen de knecht of van de aanvankelijk gelijken om het van elkaar te winnen, om de baas te wórden, om ‘zich de ander als mindere aan te schaffen’.
==========
Nooit geloven wat ik uitschrijf: zelf kijken.
Ook nooit eisen dat ík iets geloof, maar mij het verschijnsel / het gebeuren aanwijzen.
Iedereen blijft alles vreemd (= informatie) wat hij niet zelf waarneemt (= kent, als kennis neemt).
===========
Heel veel mensen zijn ‘in zichzelf verdeeld’, wat een manier van zeggen is om aan te duiden dat ze er in stinken en geloven dat ze inderdaad kunnen willen wat ze willen en zich tegen hun neigingen kunnen verzetten. Dat is niet zo, ze zijn slechts voor sommige bedreigingen die ze zich herinneren van vroeger zo bang dat ze een rem hebben op het uitvoeren van hun neigingen. (Ze houden inderdaad hun mond en zeggen niet wat hen invalt, ze beheersen zich, welnee, ze knijpen hem zo dat ze erdoor stilvallen: niks zelfbeheersing, gewoon angst.) Ook dieren kunnen zich heel stil houden als alternatief voor vluchten en vechten. Niet zelden zijn die beiden niet beschikbaar en zeker niet kansrijk makend.
==========
Zelfs omgaan met baby’s moeten ook wilde dieren leren. De aapjes van Harlow (zonder moeder opgegroeid: --> niet in staat met hun eigen baby’s om te gaan). Idem voor mensen. Een vrouw die een kind draagt en werpt is daarmee nog geen moeder. Váders en kinderen is helemaal geen combinatie, als je het mij vraagt**. “Vader is een spermadonor en de rest is flauwe kul”, om precies te zijn: het is maatschappelijk mismanagement, verkeerde veehouderijpraktijk jegens menselijk gebruiksvee.
**Ik ben vadervrij gedragen, geworpen en getogen en ik ben dus een buitenstaander in neurotenland. Niet aan mij vragen dus.
=====//\\=====
O.K., waar gaat het nou over? Wat wil ik nou zeggen?
Antwoord: ik wil zeggen dat ik niks wil, dat er wel van alles en nog wat door mij gebeurt en als ik niet voldoende angstig ben om langs binnen tegengehouden te worden., laat mij dan begaan. Natuurlijk mag en moet je jezelf verdedigen, maar kijk even of je geschaad wordt, zo niet, laat mij begaan. Natuurlijk moet je zwakkeren die ik over het hoofd zie en onder de voet loop beschermend vertegenwoordigen waar zij dat niet kunnen of durven. Kijk wel eerst of die er zijn en noem ze. Laat mij anders begaan.
=========
Dwing mij niet mee te gaan in het uitvoeren van enig andermans initiatief (bijvoorbeeld jouw initiatief). Dat initiatief gebeurt door iemands (in dat geval: jouw) ‘zo-geworden-zijn’.
Met de genencombinatie die ik ben heb ik iets te maken en met de sporen van wat mijn omgeving was (= dat wat ik leerde en nu mede aanzijn en vorm geeft aan wat door mij heen gebeurt, ‘mijn’ gedrag) heb ik ook te maken.
Met de genencombinatie die ik ben heb jij niets te maken en met de sporen van wat mijn omgeving was (= dat wat ik leerde en nu mede aanzijn en vorm geeft aan wat door mij heen gebeurt, ‘mijn’ gedrag) heb jij ook níks te maken.
Mijn gedrag is voor jou een bruut gegeven, zoals het weer. Het is niet voor jou bedoeld, niet op jou gericht. Ik leef buiten spel dus ik ben totaal zaakgericht.
=========
Met de genencombinatie die jij bent heb ik niets te maken en met de sporen van wat jouw omgeving was (= dat wat jij leerde en nu mede aanzijn en vorm geeft aan jouw gedrag) heb ik ook niks te maken. Ook jij bent, -voor mij, zoals ik voor jou -, als het weer.
LET OP: menig lezer(es) zal nu voelen: hij zegt dat hij niets met MIJ te maken heeft. Dat is een fundamentele vergissing. Ware dat zo dan schreef ik dit wel op maar gaf het je niet te lezen. De fundamentele , - hier ‘ vergissing’ genoemde - foute vooronderstelling is de vooronderstelling dat jij samenvalt met je genencombinatie en/of met ‘wat je leerde en nu mede je gedrag determineert’. Nee, daar val jij, de aangesprokene, niet mee samen: ‘als genencombinatie plus massa aangeleerds’ ben je een natuurkundig, onaanspreekbaar verschijnsel / een gebeurend ding, net zo min aanspreekbaar als een stokstaartje of een ander waarschuwend en waarschuwbaar dier, dat kan samenwerken.
=======
Alles wat echt is valt buiten moraal en ethiek en wetten en alle andere regels en zo van het spelen dat mensen (reeds in culturen, niet pas in civilisaties) met elkaar doen.
========
Geef IK IEMAND (JOU dus nu) een tekst ter lezing, dan ‘doe’ IK dat aan JOU, waarbij dat in hoofdletters schrijven tot doel heeft aan te duiden dat er iets anders mee bedoeld wordt dan met ik en jou. Met IK (in hoofdletters duid ik dat onbeschreven blad aan dat ik als baby was) en met JOU bedoel IK, spreek IK aan: dat onbeschreven blad dat jij bij je geboorte, als baby, was.
Inderdaad: JIJ en IK bestaan (zijn er) niet meer. Ja, klopt. WIJ zijn alleen maar meer gedacht, WIJ zijn onstoffelijk. WIJ zijn net als hulplijnen in de meetkunde, nuttig, maar niet bestaand, geen dingen met een relatie tot wat echt is.
Let op: dat is niet iets wat ik hier als eerste doe, dat invoeren van zo’n verzinsel waarmee naar jou en mij wordt gewezen. Ik doe het alleen maar ‘willens en wetens’[ zo heet dat nu eenmaal. Ik moet de gewone taal blijven gebruiken om het er aan ontsnappen te begeleiden met een betoog. ]
Waarom dóen mensen dat, dat onbeschreven blad dat er niet meer is, invoeren als bedenksel, als denkgereedschap en het zelfs gebruiken om er mee gaan interageren, het aan te spreken. Zijn ze dan hun verzinnerschap vergeten, geloven ze zelf in het bestaan van die JIJ die ze aanspreken, van dat IK waarmee ze zich vereenzelvigen? Nee, natuurlijk niet.
Nogmaals: denk aan die hulplijnen in de meetkunde. Dat onbeschreven blad waarmee ik me in plaats van met ‘dat wat ik toevallig leerde’ identificeer. Ik bestrijd met die identificatie mijn verledenniet, want dat kan niet, niemand heeft nog greep op het verleden en niemand uit het verleden van straks heeft greep op de toekomst: als de levenden dán, in die toekomst zich verzetten is niemand van nu er om hen tegen te houden. En de sporen daar dan, van wat nu de overlevenden van straks, van later, wordt aangedaan en overkomt, die sporen, die moeten zij dan als zodanig als sporen en niks anders weten te herkennen. En ons, de mensen van nu moeten ze herkennen en erkennen als dood, voorbij, voorgoed, lijken.
Zo moeten ze omgaan met de sporen in hen die nu door ons gemaakt worden. En – ik zag net televisie over de handel in en tot prostitutie dwingen van kinderen en vrouwen – ze mogen dat ‘er niet meer zijn’ van die sporen trekkende lieden nu, best wat gewelddadig en snel tot stand brengen. De eerste tien procent van de mensheid die wordt afgeslacht brengt geen verlies, het is even goed richten, wíe jij slacht. Die horden mensengebruikers (prostituanten, klanten, ‘vrijers’) daar hoeft men evenmin zuinig mee om te gaan als met de mensenhandelaars. Wat mij betreft. Maar niemand hoeft ook maar een moment bang te zijn, alle actie wordt voorkomen, er kan niet gezwommen worden in de juridische stroop.
Nee, een hiernamaals met hel en hemel en vagevuur, daar is ook alleen een verhaal over. Dat hoort bij het spel.
=========
Ze, de mensen van nu, hebben geen enkele reden meer de ouderen en/of hun ouders te eren (‘opdat hun dagen verlengd worden’). ‘Meer dagen’, dat betekent alleen maar meer sporen. Niemand hoeft de wereld te redden of het spel te breken. Ophouden blind mee te doen en mee te suggereren dat het echt is, dat zou wel aan te bevelen zijn.
0 Reacties