Jacobowsky en de overste

Categorieën: 1986, 1 april – 1989, 31 december | Archief | Overige teksten

Trefwoorden:

"Jacobowsky en de overste" is de titel van een toneelstuk (1944) van Franz Werfel.
De volgende beschrijving heb ik geplukt van internet:

De aristocratische en vooringenomen Poolse officier Stjerbinsky probeert samen met de joodse Jacobowsky uit bezet Frankrijk te vluchten. Eerst slaat de overste de hulp van Jacobowsky af maar al het deze lukt een auto te kopen, gaat hij alsnog overstag. Echter in plaats van naar de Spaanse grens te rijden besluit de officier eerst zijn geliefde Marianne in Reims op te halen. Tijdens de tocht naar de kust om het laatste schip dat naar Engeland vertrekt te halen, wordt Jacobowsky verliefd op de kordate Marianne. De officier raakt daardoor in alle staten en daagt Jacobowsky uit tot een duel. Op dat moment verschijnt er plotseling een Duitse patrouille…

— Jan Schot

Jaap Schot, 12 november 1987

Jacobowsky (J) is als Pool en Jood door de Nazi's omgedefinieerd van een mededeelnemer aan het spel dat ik 'de civilisatie' noem tot een wild dier, exacter tot een exemplaar van een soort die ze ongedierte noemen: tot een rat.

De spelers en gebruikten binnen het spel 'civilisatie' hebben samen de macht tot zulk omdefiniëren. J. heeft dus geen mogelijkheid niet een opgejaagd en veracht dier te zijn.

Voor hem is de daar in Europa toevallig in oorlog zijnde civilisatie geworden tot de natuurlijke, oorspronkelijke omgeving doordat hij tot dier is "gereduceerd". Geciviliseerden verachten alles wat des diers is. Wat natuurlijk is, want pas dat wat is "boven", "op basis van" en "als voorzien is in" het dierlijke, pas dat is "waardig", "menswaardig".

Alle status binnen de civilisatie is boven het dierlijke.

Wie als dier moet leven binnen de civilisatie, maar buiten spel, met de civilisatie als omgeving en met als omstanders de geciviliseerden, spelend en gebruikt wordend, heeft om te overleven niet veel aan spierkracht en lijfelijke agressiviteit: hij heeft geld en sluwheid nodig, kennis van de voorkeu­ren van de lui binnen het spel.

J. koopt (een voorraadje benzine, een auto, eten), ruilt met militairen benzine tegen drank, doet aardig tegen de gebruikten en niet‑agressief tegen de spelers van 'civilisatie', schenkt een auto in ruil voor een tandem aan de nonnen, speelt in op de droomwereld van de bewakers van het kasteel.

Een totaal andere aanpak dan die van Rambo. Welk doel streeft J. na? Antwoord: alleen zijn weinig waardevolle, onwaardige, leven lengen. Doelloos, zoals het leven van dieren nu eenmaal is.

De omgang met vrouwen en het gebruik van verdovende middelen zijn, zowel voor spelers als voor gebruikten als ook voor J. bezigheden die het voortleven wat opvrolijken, misschien zelfs dat doelloze voortleven op gang houden.

Naast flirtend praten, koketteren met eigen leed en taak, respectievelijk, vrijen en dansen wordt er plezier beleefd aan het (vertonend) oplossen van concrete probleempjes en problemen: niet slechts voedsel versieren (verkrijgen waar het niet te koop is), maar juist ook voedsel versieren (het toebereiden zoals dat door bedienende koks binnen de civilisatie gebeurt). Van het doen van het dierlijke nodige (eten) wordt door de geciviliseerde (maar nu buitengesloten, uitgestoten) J. "wat gemaakt".
Waar ook maar mogelijk aanvaardt J. het dier‑zijn niet ? Misschien ook wel, maar hij blijft de gebruikten in het spel waarmee hij omgaat de indruk geven dat hun spel de moeite waard is. Het niet sierlijk opdoen en opdienen van he voedsel, het niet sierlijk zeggen van wat gezegd moet worden, zou deze gebruikten voor het hoofd stoten. Dat zou vanuit het vluchtende dier onhandig, onintelligent zijn.

J. vlucht al enige tijd, al enige jaren. Als volk vluchten de Joden gedurende vele eeuwen. Wat in naam van hun God het de moeite waard mag hebben gemaakt bezig te blijven ontgaat mij. Ik hou niet meer zo vanzelfsprekend van het leven dat ik de energie heb om eindeloos voort te vluchten, om te gaan met geciviliseerden en hun spel, zonder de hoop ooit buiten hun speelveld te kunnen geraken. De hele aarde is hun speelveld (hun bezit): iedere vierkante meter aardoppervlak is bezit van een hunner.

Iedere week een enkele dag ervoor uittrekken om buiten de civilisatie te leven, om weer tot je te laten doordringen dat in den beginne God de hemel en de aarde schiep en het levende op de aarde. Hij schiep niet de wereld en het schendbare luchtruim der diverse nationale staten. Hij organiseerde de mensen niet en schiep niet de civilisatie: de rangordening onder hen, de vijandschap, de wedijver, de oorlog, het elkaar gebruiken en mishandelen.
Het is blijkbaar te doen geweest om in gemeenten steeds weer elke sabbat dit te bedenken en door te gaan: zes dagen arbeiden en alle eigen werk doen.
Ik presteer het zonder gemeente in ieder geval niet meer. Ik ben door mijn voorraad 'geloof, hoop en liefde' heen. Ik LEEF niet, ik zit het bestaan uit. Mij bedreigen geen vuurpelotons en concentratiekampen, maar gif, straling en ontmoediging, negatie. Mij rest niets anders meer dan wat ik nu doe: wachten op een onwaardige dood, creperen aan een afzenderloze doodslag: een civilisatieziekte.

God is vergeten, daardoor dood, want Hij leeft slechts als handelingsoorzaak in gelovigen, in gebruikers van Hem als concept in hun denken. De onverminkte schepping is een droom, evenals de schepper. Wij bevinden ons (ik vermijd zeer opzettelijke en volbewust hier te schrijven: 'wij leven') in de verzameling oude en modieus‑nieuwe rommel die we 'de wereld' noemen en binnen een gebeuren, het 'wereldgebeuren' dat niet meer is dan het ongeplande en onbestuurde en door niemand gekende en begrepen resultaat van het ageren (het gedoe) der massa mensen in civilisatie bezig: aan van alles, voor niets, tot niets, vanwege niets, ieder zijn eigen waan volgend bij, na en naast zijn noodzaak, dat is: het voorzien in zijn nooddruft, het voor hem onmisbare, dierlijk (natuurlijk) nodige.

De reden voor het produceren is het ongelijk verdelen van het geproduceerde (geheel van goederen en diensten). Niet het consumeren, maar het vertonend bezitten is in vele gevallen het doel met het verkrijgen bij het verdelen. Het modieuze hoeft niet verbruikt te worden, het wordt vanzelf obsoleet, aan vervanging toe. Laten zien dat je het modieuze hebt is een speldaad in 'civilisatie'. Het voorzien in het nodige en het behoud van het milieu zijn slechts beneden alle waardigheid staande, want natuurlijke, dierlijke, zakelijke (= sierloze) doelen. Nood moet er vlak bij de spelers niet zijn omdat het de aandacht zou afleiden van de echte spelinhoud: de ongelijke verdeling van de luxe.

De massa mensen is geboeid, met al haar aandacht bij dit spel. Ook de gebruikten en in onbruik gelatenen staren gebiologeerd naar Dallas en andere vertoningen van juist dit spel. Ook zij ervaren hun noden als storende afleiding. Gewoonlijk zegt men dat ze van hun noden hun aandacht wegleiden door naar die vertoningen te staren, aan het spel en wat zij er in zouden doen denken in hun dagdromen.

Voor een menigte van miljarden mensen is de aarde een gevangenis, diezelfde aarde is als er slechts enkele honderdduizenden mensen zijn geen gevangenis. Ontsnappen gaat via de deur van het zich in aantal verminderen. Als dat niet als daad gesteld zal worden, zal het door oorzaken van buitenaf gebeu­ren, na en door eindeloos lijden. Dat is bekend en het blijkt dat de nu aanwezigen niet zelf leven, maar zich door hun (confectie)wanen (nationalisme en katholicisme om maar twee ismen met een vermenigvuldigingsideologie te noemen) laten leven: het vermenigvuldigen gaat door. Vluchtelingen en vreemdelingen zijn niet welkom, eigen kinderen (statusbronnetjes) wel.

Overal staan tijd‑/soortgenoten en hun rommel in de weg om zelfs maar de lucht en de ruimte te zien, de stilte te horen, het weer waar te nemen.
Wat mij uiterst gemakkelijk valt is: te begrijpen dat mensen naar verdovende, stimulerende, bewustzijnsveranderende, 'psychotrope' middelen grijpen. Spelen, gokken, streven, seks en dergelijke zijn drugs als alle andere (stoffelijke).
Alle aandacht weg bij wat is, dat is doel van opvoeden, scholen, opleiden, instrueren. Het spel moet doorgaan, juist ook voor die lui die straks pas aan de beurt (verwachten te) komen om (ten koste van de txaenz) van anderen, nieuwkomers, minderen, jongeren, te leven, met name te spelen, dat wil zeggen: groter te zijn, dan ze van nature zijn, meer txaenz te besteden, dan zij van nature te besteden hebben. Daartoe wordt opgevoed, onderworpen, aangepast, verslaafd.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *