Jaap Schot, 1 januari 2007
- Zo, nu is Ineke ook weg. Ze heeft een nieuwe vriend. God zegene haar en behoede haar.
- Ik ben nu écht volstrekt alleen. Ineke is nooit die ‘iemand’ geworden, waar ik alles aan wou en kon vertellen en waar ik ‘dingen’ mee kon bespreken. Ze vertelt door en ze is niet verstandelijk en zakelijk. En ze is niet wijs.
- Solitair. Dit slaat weer op míj.
- 1-1-2007 16:50: Moeder is dood: er is niemand meer die vreugde beleeft aan mijn zó (goed en gelukkig) gebeuren.
- Maria is dood: er is niemand meer die iets aan mij heeft.
- Er zal niemand zijn die om mij rouwt. Want er is niemand iets verliest door mijn dood.
- Wij (de lezer en ik) werden NIET in het wild geboren. Niet in vrijheid, maar omringd door op al hun soortgenoten, dus ook op ons betrokken, voor gevaarlijke dingen doorgankelijke anderen. Onze omgeving was niet onbewoond zoals het eiland van Robinson Crusoe, maar integendeel vol, óvervol, txaenzvampiers (mensen gebruikende mensen). Als je klein bent kunnen ze je nog niks voor zich laten doen, maar ze beginnen meteen je voor te bereiden op uitgezogen worden. Ze intimideren je en maken dingen die je nodig hebt of waartoe je je van nature aangetrokken voelt: voorwaardelijk toegankelijk: je mag X, als je Y doet of zegt. Voor je gebeuren (schoolvoorbeeld: in je luier poepen) word je als dader opgevat. Wat stink je weer.
- Moeder heeft me voor deze voorbewerkingen gespaard, mij ertegen beschermd. De eerste zes en een half jaar van mijn leven kon ik zónder die ellende opgroeien. Daarna kon ik het op school herkennen als ‘vreemd’ en ‘vijandig’, wat het is.
- Wij zijn geboren in een circusachtige / dierentuinachtige omgeving: een gevangenis, waarin je verzorgd wordt, beschermd tegen roof door andere circussen. Maar het blijkt toch vrijwel levenslange buitenbesturing (≠ voor de gezamenlijkheid nodige arbeid doen): kunstjes. Voor elkaar kennelijk, want er is geen kritisch en enthousiast publiek ‘in de hemel’: geen voorouders, geen goden, geen Één enig God, die leeft en regeert. Niets van dat alles, daar was (en is) slechts sprake van. En het is heel verdacht als ergens veel sprake van is, zonder dat het stoffelijk aan te treffen is. Woorden met de vorm van zelfstandig naamwoord of werkwoord, maar bij nader inzien woorden met slechts gebruiksgewoonten. Er wordt gebruik van die woorden gemaakt in gespreek, maar er is niets om bij te spreken. Niets aantrefbaars en waarneembaars leidt het spreken ermee, alleen gebruiksvoorschriften (schoolvoorbeeld: de theologieën).
- En op de tribunes zitten weinigen iets anders te doen dan uitrusten, in afwachting van hún volgende kunstje. De boerderij der dieren (Orwell): de boer is weggejaagd, maar het parasiteren op de dieren gaat door, de varkens zitten op de stoelen waar de boerenménsen van áf gejaagd zijn. En door het democratiseren zijn álle dieren écht behept met de goddelijke eigenschap ‘soevereiniteit’: ze moeten zélf weten wat ze met hun geld doen, wie ze ermee tot wélk kunstje dwingen (als hij nog iets wat hij nódig heeft niet heeft) of verleiden (als hij deelneemt aan het vertonend consumeren, meer dan als camouflage, ten behoeve van zijn veiligheid dus, voorwaardelijk gesteld is).
- Moederliefde is geen gevoel en geen sentiment, het is de gepostuleerde oorzaak achter het vreugde beleven aan het zichtbaar welbevinden van het kind. Dat heeft NIETS met ‘eigen’ kind, echt of onecht kind, of met het eigen ‘biologisch gesproken man of vrouw zijn’, te maken.
De ware Moeder laat haar zoon weten (≠ zegt hem, hem waarschijnlijk verwarrend, met evenzovele woorden) dat God zijn vader is, en níet die man die hem verwekte en nu, - voor de civilisatie doorgankelijk -, hem probeert bruikbaar te maken voor het vampirisme.
Nee, er kan niet meldend, waarheid sprekend dus, gezegd worden dat het een stuk beter is als de lijfelijke, stoffelijke, aanwezige, aantrefbare man die voor vader speelt de zoon opleidt voor de vampierfunctie.
Nee het is (c.q. veroorzaakt) ook geen ontsnapping aan het systeem als iemand uitlegt hoe het systeem werkt:
- Gij zult het bezit van een ieder registreren in een kadaster e.d. en het zo tot eigendom maken
- Gij zult het terugbetalen van met dat eigendom geworden bezit als onderpand geleend geld plus de rente, - in dienst van de ontwapende eigenaar -, afdwingen: het betaald krijgen zal zijn recht zijn. Zoals het hebben van wapens het koninklijk recht om te dwingen genereert, zo zal het hebben van eigendom, dat is: door die koninklijke gewapende mannen erkend bezit, het uit die erkenning afgeleide recht op ‘belenen’ (als onderpand geven) en op rente daarvoor voortbrengen.
- Dat belenen opent de mogelijkheid om voor jóu onbruikbaars als eigendom te hebben, d.w.z. met een onoverwinnelijke en niet slapende gewapende politieverdediging bezitten. Voor jóu onbruikbaars, dat voor enige anderen
- van levensbelang is, zodat je hen tot kunstjes kunt dwingen
- begeerlijk is, zodat je ze tot kunstjes kunt verleiden (omdat de wél begeren wat van hun naaste is).
Het begeren wat van je naaste is, is de basis van dit systeem van eigendom en belenen.
Gij zult niet delen. Gij zult niet veel en/of vaak geven om niet. Onvoldoende om te geven is: de pure reden dat een ander het nodig (à dat er vreugde beleefd kan worden aan zijn ‘er van opknappen’ door wie van hem houdt en het opknappen ziet).
Mij heugt een opmerking voor televisie dat DE barrière voor economische ontwikkeling is: de (traditionele, plechtige, heilige, millennia lang reeds overleven brengende) gewoonte om je familieleden mee te laten delen in wat je aantreft, vindt, vangt, enz. Daar is geen bezit à eigendom tegen opgewassen. De enkeling (volgens de voorzitter van die club: DÉ VVD-stemmer) die iets van zijn txaenzbesteden wil maken, moet zijn stamtradities er aan géven, deze verwerpen.
Het doorzien van dat mechanisme van de handel en de industrie, levert geen verandering van het systeem op, maar als men doorzet, wél een massa meer deelnemers.
Op wie deelneemt wacht welvaart. Dat is de belofte en de verwachting. Maar die formulering wordt met opzet niet gekozen, want het is de formulering van die folders van loterijen: stuur op en win 23.000.000 Euro. Nou, daar wordt iets niet helemaal exact gezegd. Stuur op en er worden zoveel euro’s gewonnen. Het land waar zo gewerkt wordt, met dit belenen van eigendom, dat wordt rijk. Het ongelijk verdelen is het doel. De begeerte is de drijfkracht, als een ezel achter een voor zijn neus hangende wortel, zo lopen de hun txaenz bestedende begerenden. Het nodige aanmaken is het bijproduct van het aanmaken van het begeerde. Duizend ezels trekken in hun werkuren en zien bij de hooimaaltijd (op televisie) dat er één ezel bij “zijn” wortel komt. Morgen gaan ze het wéér proberen.
Het wérkt zo, en wat is er tégen? Met veel meer begerenden is in gezondheid samen te leven dan met ‘luie’ lieden die zich tot het nodige beperken. Dat is zo, nadat de productiemiddelen door de kolonisten geroofd zijn (Zimbabwe → Rhodesië → Zimbabwe). Wat die beroofden daar níet is aangeleerd, dat is dat systeem en de landbouwtechnieken en de mentaliteit.
Níet is aangeleerd. Waarom niet? Nou, níet omdat die negers niet leren, dat leren overkómt hen net zo als alle andere mensen en dieren van andere soorten. Maar heel opzettelijk, maar uit gewoonte, dus niet meer dagelijks helder doordacht, worden de negers en andere ‘om te gebruiken bestemde mensen’ ver gehouden van die plekken waar ze ‘positioneel voordeel gevende dingen’ zouden leren (of ze wilden of niet). Bij ons is dat art. 461 W.v.S.: verboden toegang voor onbevoegden. Dát is een artikel, veel centraler dan het verbod om straatroof te plegen. Geen pottenkijkers. Fabrieksgeheim. De arbeiders horen de conclusies in operationele termen van de beslissingen waar ze niet bij betrokken werden en die ze dus niet kunnen maken op hún beurt, als het weer Zimbabwe is.
Als ik dan toch bezig ben, nog maar een omissie van deze schrijver van ‘Söhne und Weltmacht’. Ik mis even de woestijnen, waar de vorige beschavingen vaak op eindigden. Noord-Afrika is door de Romeinen niet bepaald ongeschonden gelaten, nee niet Carthago, maar al die leeuwen en zo voor de ‘spelen’.
En nog één: er is nodigs en onnodigs en onnodigs is onnodig en dat geeft DUS GEEN ENDOGENE LUSTERVARING: GEEN ENDORFINE. Dat is de operationele definitie van onnodig: geeft geen endorfine à moet afgedwongen / er is geen neiging toe, er wordt geen probleem mee opgelost. Het loon van nodigs doen is nu eenmaal niet: geld, maar ‘bevrediging’, rust. Loomheid, geen moeheid.
Het onnodige laten de ondernemende lieden (met dat eigendomssysteem) afdwingen van de werknemers / loonafhankelijken. Afdwingen met macht (= dreiging met geweld plegen), alle macht komt uit de lopen van de geweren van de ordehandhavers. Dit irritante bouwsteentje van het betoog dat juichend moet zijn, laat hij weg. Onbegrijpelijk is dan ook drugsgebruik en vandalisme. Dus dat laten we ook weg. En dat bespaart ons ook die foto’s uit films waarin misdadigers kooptransacties afwikkelen: alleen de controleurs zijn onbewapend, maar er staan twee legertjes met getrokken wapens bij. Soms, als ik weer zo’n bui heb ga ik dan schelden op dit ‘niet zien’ wat in de kern zit. Met eigendom als term vermijdt de schrijver de beschrijving van de kern: de bewapening. Wat hij ‘eigenlijk’ zegt is: bewapen een centrale hoop mannetjes en laat die dreigen bij het afpakken van wat de één nog steeds nodig heeft, maar de ander, door geluk, ijver en/of list heeft ‘gewonnen’ van hem.
En het viel me vanmiddag in dat dít punt dat hele verhaal van de Joden in ik meen Deuteronomium helder maakt, waarin geregeld wordt, dat díe truc, voor hén, het volk van die god die hen uit de slavernij heeft laten ontsnappen NIET van toepassing gaat zijn. Om de zeven jaar wordt het behaalde voordeel weer ongedaan gemaakt, krijgt elke “verliezer” het zijne terug: zijn vrijheid en gelegenheid om zelf met zijn godgeschreven entelechie om te gaan. Net als bij ons de schuldsanering. Er mág geen onvrijheid ontstaan. En ziet: dát argument mis ik nu ook heel even.
Dat brengt me op een formeel bezwaar tegen de boeken van nu. Kijk, toen de boekdrukkunst net was uitgevonden, was men terecht gelukkig met boeken in zwart wit en met alle woorden in het gelijke lettertype. Maar zie de kranten van tegenwoordig: kleurendruk is goedkoop. En toch: de tekst blijft zwart-wit. Net als op televisie: sprekende hoofden en ‘live’ uitzendingen waar dat niet alleen niet nodig is, maar zelfs schadelijk, omdat daarin onwaarheden kunnen worden geroepen, die de kijker niet kán checken.
Ik wil geen register met door de schrijver uitgezochte woorden, laat staan met eigennamen. Ik wil een volledig register, met álle gebruikte woorden en bij ELK woord een verklaring van de betekenis : namelijk de betekenis die het voor de schrijver heeft. Wat een hoop werk! Ja, wat wil je nou? Verstaan worden en zelf begrijpen wat je bedoelt en verdonkeremaant of wil je alleen verdienen en een naam vestigen? Of zo.
We kunnen in verschillende kleuren drukken
- wat de schrijver meldt, wat waar is terwijl hij het, het waarnemend, bespreekt, er bij spreekt dus
- wat de schrijver napraat,
- wat de schrijver stelt niet mét, maar puur door gebruikmaking van in omloop zijnde woorden,
- wat de schrijver fantaseert,
Van ‘dat wordt te bont’ hebben we bij foto’s ook geen last.
Kleurentelevisie geeft de mogelijkheid voor bewegende gekleurde beelden bij wat er gezegd wordt. Illustreren, het tegendeel van melden, nu ja, een tegendeel.
Zelfs als je een onderwerp bestudeert, retoucheert je apperceptieve massa ‘dat wat je van wat je gegeven is opmerkt’ nog. Niet alleen zie je over het hoofd waar je geen namen / woordbegripcombinaties voor hebt, (Kantiaans blind), maar wát je dan nog opmerkt wordt met gevoel bewerkt en boeiend en prettig gemaakt voor de hoorder – lezer. Want wij hebben allemaal, - op zijn laatst vanaf dag één van onze schoolcarrière -, geleerd dat het niet om de waarheid en niets dan de waarheid gaat, maar om de anderen en ’s sprekers relatie daarmee.
Van de waarheid blijft een povere rest over na deze serie reducties. “En je kunt er toch niets aan doen”. Ja, toch wel; JE KUNT ER AAN ONTSNAPPEN. En dan zég je, zachtjes tegen jezelf, zonder te publiceren: het is hún wereld, niet de mijne.
Voor de natuurfilmkijker en ethologiefan: zíj zijn chimpo’s en ik ben een o-o. Dat is de uitspreekbare vorm voor de vaststelling dat de spreker door omstandigheden als klein kind solitair is opgegroeid, onbevaderd (≠ zonder vader, er zijn ook vrouwen die ‘vader en moeder tegelijk’ voor hun kinderen zijn): als een Orang Oetan- baby – kind dus. Mijn moeder wou mij zeer uitdrukkelijk het bevaderd worden (mijn uitdrukking voor ‘rijp voor gebruik gemaakt worden’) besparen. Geen daderschap suggereren t.a.v. gebeuren, onvoorwaardelijk het nodige geven en voor het kind doen, tot het het zelf kan (opmerken, melden, vinden, nemen, doen, regelen). En als kind ken ‘je’ geen alternatief. En je ‘denkt’ heel lang, dat dat normaal is. Dat het normaal is dat de moeder haar kind door de tralies van haar kooi heen zet, zodat het aan de ongerepte natuur kan leren wat in de kooi hem vreemd zal blijven. Omdat het er binnen de kooi niet is: bijvoorbeeld die vrijheid die Robinson Crusoe ongevraagd kreeg: de afwezigheid van álle sociale druk.
Het tussen andere kindertjes gezellig opgroeien en sociale vaardigheden ontwikkelen is mij bespaard. De eindeloze betrokkenheid op anderen, dat tussen de enkeling en ‘élk ding en élke ander in zijn omgeving’ zitten van anderen. Niets mag zomaar. Dat “wist” ik niet en daarom zei Moeder honderden malen: “nergens aan komen hoor”, als we naar buiten, naar de andere mensen, de kooi in dus, gingen. Zal ook wel een artikel uit de 460 reeks zijn, net als die verboden toegang.
Vooral tussen de bewuste mens en zijn eigen entelechie (die slechts hém gegeven is en dán nog zo fragmentarisch en dat bij vrijwel volledige Kantiaanse blindheid) in, zitten die chimpo’s, die tot in hun hardware op elkaar betrokken groeisels uit ‘vrij en gelijk geboren’ kinderen. Geen moment hebben ze vrij van elkaar en ze zijn tot in het diepst van hun bewustzijn gerangschikt en dat (rangschikken dus) aan het doen.
Woorden, uitspraken, teksten, zijn wegwijzers naar onderwerpen. Wegwijzers maken geen deel uit van dat waar ze naar wijzen. Een hinderlijke bezigheid is het dus de wegwijzers te gaan verfraaien en ze boeiend, aandachttrekkend te maken. Grapjes kunnen op wegwijzers ook zéér misplaatst zijn. Het is mis als de wegwijzer de aandacht moet trekken omdat hij tussen zóveel andere wegwijzers staat.
Eén ding staat vast: je moet er heen. Naar het onderwerp, wég van de wegwijzer. Maar die verfraaide wegwijzers suggereren dat je, als je de rijke illustraties hebt bekeken klaar bent. En dat terwijl je het onderwerp nog niet benáderd hebt.
Jaap Schot, 2 januari 2007
- Wat we aantreffen is tot stand gebracht (door goden, één god of zes miljard picogodjes, die ze bovendierlijke mensen met een wil achten) of gekomen (daderloze evolutie). Hoe precies en door (of via) wie precies is één zaak. Hoe de stand van zaken nu is en wat daarvan de gevaren zijn en hoe ik daaraan kan ontkomen, dat is (voor mij en de kinderen die ik bemoeder) míjn zaak. Als ik, om het met een concreet verhaal te illustreren, zie dat er een doorgeladen handvuurwapen in de speelhoek van mijn zoontje ligt, dan doe ik dat daar weg. Concreter nog, en geen verhaaltje: we hebben talloze voorbeelden van dat en hoe mannetjes organisaties (nationale staten, ondernemingen, verenigingen, enz., IETSen dus) misbruiken, er kwaad mee doen. IETSen zijn geen speelgoed en wat je mét IETSen kunt doen, moet je dan maar zónder doen, als die dingen zo gevaarlijk bleken en blijken.
- Wij leren onze schoolkinderen ook niet om de krantenberichten in de loop van het jaar met elkaar te verbinden (zoals die genummerde punten in de puntenwolk, welk verbinden dan maakt ‘dat je een leuk dier ziet’; vinden kleuters leuk). Wij illustreren onze leerboeken niet zo goed als we kunnen, maar heroïstisch en met incidenten. Die scène van die overdracht van drugs tegen cash geld,met die twee ordehandhavende privé-legertjes, die met elkaar qua macht in evenwicht zijn, die scène laten we weg uit het leerboek economie. En die foto’s van die plunderende Afrikanen, die het enige hospitaal in de buurt leegroven in de tijd tussen twee bezettingen door ordehandhavende legers.
- Ik word er zo móe van. Wij laten, - de smoes is altijd: het is zo duur -, het geven van goed onderwijs bewust en opzettelijk na. Dat handel bestaat bij de gratie van legers, willen we ze niet laten weten. Wij suggereren dat plunderen een natuurlijke neiging van mensen is, dat geHobbes. Het treedt toch telkens op, nou, dan is het natuur. Ja, er ís geen onnatuur, maar zoals je trots vermeldt, waar je dat goed uitkomt, oh Hobbezak, er zijn artefacten en georganiseerde en afgedwongen toestanden. Optreden, zich voordoen, gebeuren, is dus géén bewijs van ‘uit de natuur (van de mensen of dieren) stammen. Nee, alleen bij planten, die ‘niets aan hun omgeving kunnen veranderen door te handelen, omdat ze geen handjes hebben en (bijna) niet door te bewegen, omdat ze geen spieren hebben.
- Vandalisme en plunderen zijn dingen die voorkomen binnen een kunstmatige ‘setting’. Dat geldt als het gaat over de kleine overtreders, maar ook als het gaat over “ons samen als opdrachtgevers, als Koning Klant, gediend door de multinational, die alleen maar, plichtsgetrouw de winst in geld maximaliseert als hij zich tegenover ‘de natuur ín en óm de mensen’ als vandaal en plunderaar gedraagt.
- Mensen ervaren, - net zoals, uit hun gedrag lijkt dat soms af te leiden, andere dieren -, dát als goed (bovenmoreel, culturenoverstijgend ‘Goed’) wat hen vele, vele millennia lang, ver, ver voor de inval van de ‘beschaving’, gelukkig hield.
Jaap Schot, 3 januari 2007
De kleinkinderen waren dit oudejaar weer op bezoek. Caroliene (7) had van Klaas (sinter) een kinderversie van Robinson Crusoe gehad. Een versie zonder al die fijne details zoals dat Robinson, voordat hij schipbreuk leed en zo een op een strand was in Afrika en daar een dier zag bewegen en er metéén op schoot. Zó’n echte vént was de echte Robinson uit de fantasie van Daniël Defoe. Een Engelsman van die tijd. Daar hoeft een kind van zeven van nu niet diepgaand kennis mee te maken, dat oorspronkelijke boek kan als er vragen zijn, altijd uit de bibliotheek gehaald worden om het te lezen. Exacter: van het Internet geplukt, helemaal digitaal en buitengewoon toegankelijk via de zoekfunctie en met (één muisklikkensalvo ver) aantekeningen van deskundigen erbij.
Ik ben vergeten hoe het precies ging, maar ze wou iets doen waar een ander bij nodig was en ik zei: “Dat zou Robinson dus niet meer kunnen doen, hè”. We gingen, zonder op die opmerking in te gaan, gewoon verder. Maar die avond, bij het eten, vroeg de moeder of de vader even iets voor haar vast wou houden. “Hou eens even vast, dan kan ik ….”. En toen bleek dat er toch wat in het kinderhoofd gebeurd was, want Carolientje zei ineens tegen haar moeder: “daar zou Robinson Crusoe toch een andere oplossing voor moeten zoeken”.
Die avond speelden we, - zoals anderen wellicht Scrabble of iets anders met woorden -, het nieuwe spelletje ‘Dozen vullen’. We begonnen met een doos waarin we werkwoorden gooiden die Robinson niet meer kon gebruiken. Dingen dus die hij daar, helemaal alleen in zijn eentje niet kon doen. Uit je hoofd, kom je een eindje, maar je krijgt de doos niet lekker vol. Je weet dat er veel meer moeten zijn. Wel, daar zijn oude (nooit weggegooide, dat kan altijd nog) woordenboeken Nederlands – Dinges voor.
Opvallend was het grote aantal kwalijke dingen die Robinson niet meer kon (zoals discussiëren en bedriegen en bedreigen en pesten en overvallen en kwaadspreken / roddelen bijvoorbeeld). Puur gebrek aan anderen als ‘personeel’, als tegenspeler, als wat ook.
Helpen kon hij alleen nog dieren. Want anderen helpen, dat kan alleen als er anderen zijn en bij (aan) iets waar die anderen zelf aan bezig zijn.
Om te ‘verzorgen’ waren er ook alleen dieren. En alleen de scheepshond kwam echt in aanmerking, maar die verzorgen, dat was toch wel héél erg in Robinsons eigen belang.
Het bleek een spel voor ‘van nul tot tachtig’.
Een theorie is een bijschrijvingswijze, een bijsprekingswijze. Wát je, als wetenschapper, ordent in een theorie, dat is: ‘wat je opmerkt’ van ‘wat je gegeven’ is (en dat, ‘wat je gegeven is’, is die flard van ‘wat gebeurt’, die flard die Von Uexküll jouw ‘Umwelt’ noemt, die Umwelt is specifiek voor/door 1. jouw zintuigen en 2. jouw begrippen, die je genezen van je Kantiaanse blindheid).
‘Wat je opmerkt’ ook als wetenschapper, is een flard van ‘wat je gegeven is’ en ‘wat je gegeven is’, is een flard van ‘wat gebeurt’ en ‘wat gebeurt’ is het gevolg van het zó verlopen tot nu toe van ‘het gebeuren’, waarnaast, naast het gebeuren dus, alleen constantie, bestendigheid, bestaan, blijven gedácht is (en nágedacht, tweedehands vóóronderstellend voor waar genómen (≈geloofd) wordt, zonder eigen dóórdenken, zonder reflectie op dit eigen geloven / overnemen.
‘Je’ (= een mens). ‘Je’ spreekt dus nooit bij iets anders dan bij jouw, uit jouw gegevens genómen waarheid. Daaromheen praat vrijwel iedereen urenlang per dag weg over dingen waar hij geen enkele waarneming van had of heeft of kan krijgen.
Een ‘isme is een tot leer verhéven theorie.
Een begrip, - zo meldde ons Kant, eigenlijk, is als een waarnemingsapparaat, een instrument, zoals een verrekijker, een microscoop een CT-scan. Erméé is meer te zien dan zonder, maar let op: er is mee te zien, dat wil niet zeggen dat ík ermee kan zien, laat staan extra’s bovenop wat ik ‘van nature’ zie.
Waarnemingsresultaten, die extra zijn, zonder niet waargenomen zijn, krijgen natuurlijk namen, aanduidende woorden: men spreekt van bacteriën (en van infraroodsterren?). Ik kan die woorden wel gebruiken, maar ik praat dan mee. Ik weet niet eens of er wel gesproken wordt van infraroodsterren, en van ultravioletsterren? Een woord is gauw gevormd. Van vele woorden zijn enige gebruiksgewoonten al snel opgepikt door degenen die deze woorden als lege dozen voor onverdiende lauweren (naar aanleiding van waarnemen uitgereikt) willen tonen. ‘Opscheppen’ heet dat.
Paarlen gooi je niet voor de zwijnen, zo luidt de uitdrukking, maar binnen de kortste keren zijn zowel de begrippen die de gebruiker meer doen zien, áls de namen van de waarnemingsresultaten in de volksmond gebracht (schoolvoorbeeld: het minderwaardigheidscomplex, maar er zijn er honderden in ieders tekst, veelal ook door hemzelf onopgemerkt).
Wie gooiden deze paarlen voor de zwijnen? De (wetenschaps)journalisten: in krant, wekelijkse bijlage, tijdschrift én: boek (aanbevolen door Sloterdijk bijvoorbeeld: Heinsohn: ‘Söhne und Weltmacht’).
Je moet met van die instrumenten als verrekijker en microscoop léren kijken, léren zien.
Je moet met begrippen léren denken.
Je moet het niveau van de bijen van Von Frisch halen: wat je danst (= bij ons, mensen: wat je zégt) moet zó zijn door 1. de betekenis van die danspas, die draai en 2. het zó door jou zelf opgemerkte daar buiten. Pas dan kan de oplettende massa andere bijen buiten de weg vinden naar de bloemen in kwestie.
En dát: naar die bloemen gaan en daar zelf nectar peuren, dát is het doel met dat gedans. Met dat gespreek, met dat berichten.
Het is me wat. Het is zo plat als een cent. Niemand is in staat het niet te begrijpen. Álle chimpo’s willen het niet begrijpen, want de waarheid is hun zaak niet, zij zijn ingezetenen van de korf, parasitaire mannetjes of andersoortige indringers. Zulke dingen komen in de natuur allemaal voor.
Die bijen van Von Frisch, die beestjes die hadden geen individuele stijl en ze ‘spraken’ (= berichtten al dansend) alleen maar waarheid en die altijd op één en dezelfde manier. Subhumaan, volgens élke chimpo voelt zich sowieso (onvoorwaardelijk) bovendierlijk. En een chimpo is in zijn zo worden [zijn scheefgroeien als een bonsai, door pech (ß natuurgegeven omstandigheden) of door een die omstandigheden manipulerende picogod uit Japan daarachter] competitief (= zich met zijn soortgenoten metend op elke mogelijke en geldende! dimensie) geworden. Dat zich met elkaar meten gaat ten koste van alles, ook van de waarheid. Altijd waarheid berichten is dan ook subhumaan, het is een instinkt. Hierover heb ik genoeg uitgeschreven.
Gewone mensen hier zijn middenklassemensen: ze moeten af en toe even mee om honing te verzamelen, maar dan gaan ze méé. Ze zijn geen verkenners. [Overigens klaagde terecht onlangs iemand op televisie dat de budgetten voor de verkenners, die geen zoekers maar aantreffers zijn, bepaald en beperkt worden door deze parasieten, - de nietsdoende klasse is ongelijk aan de gepensioneerden, ze bestaat voor een groot deel uit leden van raden van bestuur.
Middenklassemensen doen mee en gaan mee, ze hoeven ook niet zelf te kunnen vinden. Ze zijn echt gebruiksvee, zo zorgeloos als het paard van de groenteboer.
Déze middenklassemensen, intellectueel niet aan eisen blootgesteld, genieten waar ze kunnen en lijden. Gebruiksvee, dat het zich onderling rangschikken van de nietsdoenden moet bewonderen en opvatten als voor hén gedaan:” ónze koningin weet hoe het hoort” “wij zijn trots op onze voetbalclub/ kathedraal/ oude stad/ tradities”. Er is niets van hén bij, maar dat mag de pret niet drukken.
‘Wat er gespeeld wordt door de mensen in de posities, uitgevoerd door de gebruikten, als levende schaakstukken, men spreekt ook van pionnen’ moet voor de gebruikten als ‘goed’ worden voorgesteld. Daar zijn de propagandisten voor: die zijn, evenals altijd al de meeste gebruikten, vrije aanbieders van ongevraagde diensten (zo spreekt de reclame et annex, - annex zijn bijvoorbeeld Oprah en alle tijdschriften- ) Koning Klant, DE soeverein, dan ook aan. Soeverein is wiens gedrag niet aan waaromvragen mag worden blootgesteld. Vroeger dacht ment zich alleen de goden (resp. de ene God) soeverein, nu is iedereen soeverein voor precies: zijn vrij besteedbaar geld.
Een theorie is beter dan een ander als er meer onloochenbare, voor iedereen toegankelijke waarheid in wordt ondergebracht (geordend) zodat er meer onverwachtheid wordt vermeden door wie de theorie gebruikt.
‘Boeken schrijven en publiceren’ ís zo’n dimensie onder ontelbare anderen, waarop mensen (het zijn er nu zeker al wel een miljoen) zich met elkaar meten.
Sprekend bij de Olympische Spelen, - de 19de eeuws liberalistische tegenhanger van de roomse mis -, is een kreet, dat het gaat om het deelnemen, dát is al respectabel, bewonderenswaardig, tot voorbeeld te nemen, toe te juichen, aan te moedigen, niet slechts het winnen. Dat klopt: de mensen die meedoen, in die spelen, doen aan vóórleven. De liberalistische vorm van mensen gebruiken heeft zelfopjutting nodig, - in plaats van het dreigen met brandstapels en zo, waar het feodale systeem mee werkte en zelfs voor ná het leven (de hel) mee dreigde. Zelfopjutting oftewel ‘intrinsieke motivatie’, dat is: geen andere manier weten (ß hebben mogen leren)
- om je txaenz te besteden, dan in het omgaan met anderen, en
- om je txaenz te verdoen dan
- in andermans presteren consumeren (schoolvoorbeeld muziek luisteren),
- in sport, tegenwoordig:
- in geleid dagdromen met de Playbox 4 of zo,
Hier dan maar even die opmerking dat je zo’n kleinkind tot een chimpo kunt maken door van dit ‘Robinsons gedragsruimte inventariseren’ een wedstrijd met punten te maken, zoals bij Lingo, Scrabble en vrijwel 999 van elke duizend ‘spelen’.
Ook het betalen en belonen met geschenken voor een goed schoolrapport en andere toe te juichen prestaties is een vorm van chimpiseren. [Chimpiseren = het tot een chimpo maken, = het tot een, - tot in zijn hardware op anderen (o.a. competitief) betrokken gemaakte-, bonsai laten groeien (≠ uitgroeien, dát is door slechts de entelechie gestuurd groeien) van een kind. Een kind dat is zo’n vrij en gelijk geboren genencombinatie, dit pro memorie.]
Alle chimpo’s vertonen het tegen het instinkt om waarheid te spreken in gaande “retorische” taalgebruik. En soms ook ‘een eigen stijl’, bedoeld om fraai of anderszins positief gevonden te worden, te imponeren, iets voor te spiegelen, te begoochelen. Beschaafde chimpo’s gebruiken hun taal als een tang om anderen mee vast te pakken; minder beschaafde chimpo’s worden handtastelijk, met precies dezelfde bedoelingen als die beschaafden.
Geen enkele genencombinatie schrijft zichzelf (in DNA, wetend kiezend uit ‘wat er daarin geschreven kan worden’) en/of kiest uit in welke omstandigheden hij zal worden geboren en zal komen (c.q. worden gebracht). Leren overkómt levende dieren, dat dóe je evenmin als ‘spijs verteren’. Voor wat die biologische functies betreft ben je net als een plant: je gebeurt gewoon.
Het is dan ook (en nu citeer ik om hem de eer te geven die hem in deze toekomt Jiddu Krishnamurti’s woorden: “het is) een vreselijk iets om te zeggen: “ik ben een Hindu”,”. Het weglaten van ‘geworden’ is niet de fout. Het gaat om het niet ZIEN dat dat aangeleerde (Hindu, gereformeerd, moslim, humanist, liberalist zijn) niet méér een deel van de spreker uitmaakt dan de aanklevende kleilaag na het modderbad deel uitmaakt van de dikhuidige (olifant of varken).
Het nemen van modderbaden doet die dieren daar goed. Het koelt en in de bij het drogen krimpende kleilaag komen huidparasieten vast te zitten en door het krimpen, trekt de klei aan de haartjes: jeuk. En dan schuren die dieren die klei weer af om van die jeuk af te zijn, en ziet: enige tijd lekker gekoeld geweest, door het verdampende water in die klei en ook nog wat parasieten minder. Slim?Nee, net zo min als het dom is dat mensen die bepaalde in Afrika voorkomende huidparasieten oplopen, voor hun bijna ondragelijke jeuk soelaas zoeken in het water, waar die parasiet zijn volgende stadium door moet maken. Let op, dat zijn ménsen, ja meestal negers, maar dat zijn ook mensen.
Zo is ‘de natuur’ en daarvan zijn en blijven we, iedereen, individueel, ononderbroken deel. Geen moment vallen we samen met dat ons aanklevende geheel van aangeleerds (= sporen van ‘wat was en ons raakte, toen daar’ en dus: ≠ ‘wat is hier nu en ons raakt’).
Die massa aangeleerds werkt als een bril waar we doorheen zien, ‘als contactlenzen’ is een beter beeld: contactlenzen sluiten aan op ‘wat we zelf zijn’ (i.c. de buitenkant van het oog), gut wat passen ze ons, maar wat we zien, dat wordt door de vorm van die díngen bepaald, beïnvloed.
Studeren is: die ‘wat je ziet bepalende’ (≈ apperceptieve ?) massa als aangeleerd (= opgelopen en deels aangesmeerd) leren kennen, herkennen en erkennen. Dát is de vormende waarde van academisch onderwijs. Er bestáát geen academisch opleiden. Er bestaan moeilijk ‘vakken’ en het is prima dat die aan universiteiten worden aangeleerd, maar een opleiding wordt net zo min universitair of academisch als de interne vervoersdienst van die instituten.
Wie “als Hindu” gaat studeren, kán niet met goed resultaat als Hindu of aanhanger van welk isme dan ook afstuderen. Dan heeft hij het wezenlijke, eenvoudig hier zojuist uitgelegde, niet begrepen en dat dient aan het eind van de propedeuse toch al gebeurd te zijn, want na het herkennen en erkennen begint pas het echte werk (zoals de psychiater zegt na Portnoy’s 800 bladzijden lange ‘klacht’ / anamnese: “Dan kunnen we nu beginnen”).
Jaap Schot, 4 januari 2007
- Ga met God, anders moet je met de massa mee.
- Een kastanje kan niet, - ziende de omstandigheden waarin hij ligt -, besluiten dán maar een mangrove te worden. Dát, mangrove zijn ze daar allemaal. Als kastanje is hier aan een tropische kust niet te leven.
- Die kastanje wordt geen mangrove, én daar geen kastanje. Punt uit.
- Zo’n berkje, klein en krom, te hoog in de berg en ook nog op een ongelukkige richel, móet een berk zijn. De verschijningsvorm van dit plantenindividu is de beste die kan, daar, dan.
- De bonsaiboompjes makende Japanner kan in die boompjes dit ‘ondanks mishandeling het beste’ gesymboliseerd zien. De met zorg gemáákte bonsaiboompjes, zien we die vórm hebben van een volwassen exemplaar van hun soort, maar dan veel en veel kleiner, klein gehóuden zijn ze. Het kan zijn dat de Japanner zich zelf toont: met het nodige geweld, kan er tóch die vorm zijn.
- Iedere genencombinatie is eenmalig en kent zichzelf niet voordat hij gebeurt.
- Geen enkele genencombinatie heeft iets met zijn omgeving of omlevenden te maken, anders dan zoals het rekening ermee houden gebeurt.
- Alle levende wezens gebeuren gewoon, het zijn chemische processen, zoals tornado’s fysische processen.
Jaap Schot, 5 januari 2007
- Ik erger me aan dat boek van ene Heinsohn, ‘Söhne und Weltmacht’. Die man “is” een Telegraafjournalist, die opgestegen tot artikelenschrijver in Elseviers Weekblad zich daarna heeft verbeterd en de ruimte genomen voor boeken, ook dit boek.
- Ik schrijf al tig jaren tegen alles wat die man ‘technisch om aan tekst te komen’ doet én tegen het (“zijn”) langs de weg staan juichen als de machtigen zegevierend en pronkend de stad binnenrijden en doorkruisen, terwijl het moorden, roven, verkrachten nog volop aan de gang is.
- Het gebeuren “door” “ons” mensen, ís niet goed. ‘Goed’ zijnde: dát gedrag dat onze diersoort door honderden millennia heen doeltreffend is gebleken.
- Heinsohn’s tekst is over ‘het koloniseren als spelletje’, zonder noodzaak dus, van de soort van ‘onder Hitler reden de treinen inspirérend op tijd’. Hij schrijft bijvoorbeeld dat het goede dat deze moderne roofmoordtochten als extra brachten was: het mensengebruiken schriftelijk vastleggen, administreren.
- Het is de bewondering voor de zorgvuldige lijsten van gevangen, vervoerde en in Auschwitz verwerkte Joden. En bewondering voor het systeem van Joden wegwerken, ook uitgesproken door de mufti van Jeruzalem.
- Knap werk, dat systeem (persoonlijk privaat eigendom) invoeren waarin alleen de tegen de traditie van delen zich kerende lieden, de psychopaten van het overwonnen volk, succes kunnen hebben. Knap werk, want ‘wij’ zijn de winnaars. ‘Wij’ hier in het westen. Waarbij ‘wij’ betekent: die langskomende Winnaars, waar Heinsohn en soortgenoten (Bronowski met zijn “The ascent of Man” is mijn schoolvoorbeeld, zijn pech) op lofdichten in proza. Deze lofdichters zijn de rederijke mensen uit het volk, de gevoelens waarvan door anderen worden vertolkt met hun vlaggetjes, hun hoedjes en hun toeters. Die anderen staan daar te wuiven, terwijl binnen deze schrijvers hun tribuut tot stand brengen met hun cijfertjes, hun woordkeus en hun schrijfstijl van ongeëvenaarde leesbaarheid.
- Het lukt me niet, ik kan er niet onverschillig onder blijven.
- Kijk, dat het wetenschappelijk gemodder is, dat kan niet anders, meningen zíjn niet wetenschappelijk aan te maken. Maar dat heb ik al verwerkt in het ‘een journalist’ noemen van deze schrijver.
- Op blz. 93 van dit edelprachtige boek lezen wij vanaf regel 4: “DieEuropäer unternehmen also nicht nur einen ins Globale getriebenen Mongolenzug. Das tun sie aus der Sicht der Betroffenen sicherlich auch.” Zij, de Europeanen zijn echter tot op heden een winstpost voor de wereldpolitiek en niet slechts een notitie, een “oh ja, dat was ook ooit” in de geschiedenisboeken, “weil sie eben nicht nur rauben und töten, sondern auch das Wirtschaften etablieren.”
- Ik heb dat ‘aus der Sicht der Betroffenen’ maar even hervorgehoben. Mijn god, hoe daar heel even tot een mening vanuit een standpunt van een partij benoemd wordt de constatering dat we hier een roofmoordtocht voor ogen hebben en géén ontdekkingsreis, om maar eens een graag gebruikte alternatieve naam te noemen.
- Wat verstaat Heinsohn onder ‘Wirtschaften’?*** Dat legt hij uit. Maar voordat ik dát dan nog even vertaal, laat ik het woord hier onverklaard, en klinken, betekenisloos klinken: het is in Nieuwspraak (Orwell ‘1984’): ‘plus, plus, plus’: het ultieme goede. Het is dat waarbij Heinsohn likkebaardt.
- Dit hele citaat “nicht nur einen ins Globale getriebenen Mongolenzug. Das tun sie aus der Sicht der Betroffenen sicherlich auch. (… aber mehr:) weil sie eben nicht nur rauben und töten, sondern auch das Wirtschaften etablieren.” is in Nazitaal gesteld.
- Hier horen we de papa van Goering, die Nazigrote met die fraaie uniformen, over het de woestijn in jagen van een volksstam in wat nu weer ‘Namibië’ heet. We moesten deze streek leegmaken (evakuieren) om ze te kunnen gebruiken, ze was met nutteloze inboorlingen ‘infiziert’.
- Ik zal het duidelijker maken: Toen de Nazi’s het Europese Jodendom op maat sneden, was dat niet alleen maar een platte roofmoord, dat was het in de ogen van degenen die het aanging zeker ook. Maar het was meer: omdat ze aantoonden dat roofmoorden zonder veel ophef, in de nanacht, planmatig, met grote precisie, systematisch kan gebeuren met een minimum aan storing voor de rest van de bevolking en bovendien nog zorgvuldig voor de historie administratief kan worden vastgelegd. Zij toonden aan dat álles industrieel kan worden aangepakt. En dat het eigen volk voor élke onderneming met die structuur de nodige werkers kan leveren, maar ook geen noemenswaardige gewetensnood of dergelijke oude bedenksels vertoont.
- Dit voorbeeld met die Nazi’s is analoog aan Heilsohn’s verhaal. Wat de inderdaad tot dominantie geraakte aanpak van deze ononderbroken (revolutieloos, Engeland inderdaad hét voorbeeld) uit de Romeinse voortgekomen aanpak is, is dit: vernietig de natuur ín de mensen die je vangt en berooft: breng hen ertoe als enkelingen elkaar te gaan uitbuiten, als mindere aanschaffen, te slim af te zijn, te vernederen en al die andere werkwoorden waarin die vele ondeugden worden uitgedrukt van de Robinson Crusoe van Defoe op zijn eiland alleen. Ineens was hij een hele reeks ondeugden kwijt: geen anderen als personeel / slachtoffer voor beschikbaar. Verdeel de mensenfamilie, verdeel de mensheid, maak allen tot eenlingen, losse enkelingen, betrokken op de anderen, zoals deelnemers aan een competitie op elkaar betrokken zijn. Nee ‘individu’ is wat anders, een individu is op zijn entelechie betrokken, een ‘enkeling’ is bezig zich een plek in de rangschikking te veroveren, hij maakt wat van zijn leven in plaats van te LEVEN, zoals de planten en dieren doen. De enkeling is de slaaf in zelfbezit, die het uiterste uit zichzelf haalt, zoals elke slavenhouder dat uit zijn slaaf zou doen, als hij zo actief was als de slaaf in zelfbezit zich droomt en vanwaaruit die zelfeigenaar dan ook met zijn lijf omgaat in die onvrije tijd waarin hij niet, zoals in zijn vrije tijd gaat ‘genieten’. Quality time. De politicus die meldt dat hij naar huis gaat, “genieten van mijn kinderen”).
- Ook töten treft hier bij mij een herinnering. Vele malen werd op televisie die scène uit de filmopnamen van het proces tegen de lieden rond Von Stauffenberg getoond, waarin één van de beklaagden (onversterkt door een goede microfoon zegt: “Angesichts der viele Mörde in Polen…” waarna de Nazirechter opstuift en roept: “Mörde?!!!” Wel Heinsohn speelt de objectieve, wetenschap is immers objectief? Heinsohn spricht von Tötungen’. Let op, níet van ‘Sonderbehandlungen’, want dán zou Sloterdijk wél gedacht hebben. Hoe Sloterdijk hier overheen gelezen kan hebben en dit boek aanbevolen? Ik heb geen idee. Druk, druk, druk ?
- We gaan nog even terug naar : sie rauben und töten, aus der Sicht der Betroffenen. Wat zien we hier gebeuren? We zien de schrijver een dubbele correctie toepassen. Hij verhult het moorden door ‘vanuit de betrokkenen gezien’, dat maakt van moorden immers doden. Het morele oordeel wordt als partijstandpunt gebracht. Maar nu gaat hij verder: ook dat doden wordt nu onder dat ‘het is een kwestie van kijken en standpunt’ gebracht. En dát kan niet. Die doden en dat doden, die zijn echt. Je kunt nalaten het ethisch te beoordelen omdat je beschaafd bent, alle godsdiensten en religies te boven, maar het oordeel er af en er is nog steeds dat doden. Gij zult, - als U de beschaafdheid die U in Egypteland hebt opgelopen/aangeleerd van U afgewassen hebt (wassen in de Jordaan of Ganges dus, als symbolische handeling) -, niet doden. Aldus de checklist van Mozes, verstrekt aan de uit Egypte ontvoerden die geen idéé hadden van wat Mozes deed en bedoelde. Mozes die aan het hof van de Farao net zo atheïstisch was opgevoed en voorgelicht als de best doordachte vrije denkers van nu. Daar had hij ook die biologisch-natuurwetmatige opeenvolging van rampen geleerd en kon die dus voorspellen, waarvan niet de Farao en zijn adviseurs, maar wel het gewone volk van Egypte, zeer onder de indruk was en in de door Mozes verzonnen ‘God van Israël’ en diens bedoelingen ging geloven, waardoor de Farao onder politieke druk kwam te staan. Zó leest niemand die, - zonder erg-, de nu traditionele ‘roomse leeswijze voor de bijbel’ gebruikt.
- Zou het soms kunnen zijn dat de bijbel ergens over ging (1) en dat de schrijvers niet schreven zoals ruim 300 jaar na Christus staatsdienaren van de keizer van Rome het wilden interpreteren en voorlezen(2)? Ja, dat zou zelfs niet ánders kunnen. En néé, er is geen enkele reden om aan te nemen dat Orwell op zijn ziekbed ‘Animal Farm’ schrijvend, ijlde (en de varkens en paarden zag, waar hij over schreef).
- En als we dat nu bij Orwell alleen maar een vreemde opmerking vinden, waarom dan bij bijvoorbeeld Johannes op Patmos, níet?
- Wat verstaat Heinsohn onder ‘Wirtschaften’? Volgens mij bedoelt hij: dátgene doen / laten gebeuren / veroorzaken / nastreven, wat ‘ongelijk qua eigendom worden’ is. Van bezit eigendom maken is niet méér dan het in de beginstand opzetten van de schaakstukken op het bord. Het overeenkomstige spelletje van kinderen heet ‘landje kap’. De spelers ‘gehen leer aus’ (zonder iets mee te nemen, verlaten ze het speelveld, net als al die misdienaars die ‘sportlieden’ heten. De enkeling wordt ook niet geacht een dynastie te vormen, op te zetten, te beginnen. De enkeling is en blijft: los en alleen. Zo is het spel.
- Ik ga het hier niet herhalen, maar het verhaal van ‘waar de mensen aan bezig zijn’ is ietsje langer en omvat wat meer onderwerpen.
- Wat me ergert is dat er geen censuur is, in het kader van onder andere: kinderbescherming.
- bij het binnensoortelijk parasiteren door met intimideren tot gehoorzamen aan bevelen van de parasieten brengen hoort de leer van de roomse kerk [in déze civilisatie, de chinezen hadden geen andere oplossingen (dan intimideren) om het genoemde parasiteren te organiseren, maar wel andere smoezen. Zij hadden bijvoorbeeld geen “Ene drie-enige God, die vierkant achter de keizer stond”].
- Bij wat Heilsohl voorstaat hoort het als toe te juichen brengen aan de kinderen van het zich zelf aanzetten tot het hoogst haalbare presteren, óm het presteren. Niet om enig resultaat. Ván al die Olympische topatleten leven al die ontelbaren die er met zakelijke belangen van hoedjes en toeters en toerisme, enz. aan vastzitten. Vergelijk de toeristische attractie ‘hadj’.
- Een religie is een product, in de beschrijving van H. c.s. van ‘het wereldgebeuren’. De motor van het wereldgebeuren is volgens hém de onderlinge rangschikking. Dit in tegenstelling tot het zoeken van heil, waar de roomse kerk als onderneming nog steeds van kan leven. Heil voor het lijf hier: Uw DA-drogist, heil voor Uw ziel: de roomse kerk en de imitaties daarvan, inclusief die van Hubbard. Een ráng, niet de minste zijn, meetellen, niet de gepeste zijn: eigendom (uitgangsstelling van de stukken) en dan maar streven de anderen meer afhandig te maken dan zij jou. En dat je nogal wat te pakken kreeg, dat moet je tonen. En dat waarmee je dat toont verloopt, wordt ongeldig als rangonderscheidingsmiddel, dat heet ‘mode’. En zo blijven ze presteren en van die prestaties [= stroom txaenz (à diensten / deels à goederen)] nemen de leden van de nietsdoende klasse, die niet langer binnen het ‘wij’ wordt onderscheiden in het spreken (à in het denken). Iedereen speelt ‘koninkje’ met zijn eigendom als koninkrijkje / staatsschat. Dát is de (= hún) bedoeling, dát is die roze droom van H.c.s.
Ik hou er nu mee op. Ik wil het uit mijn hoofd hebben. Ik ben er moedeloos-moe van geworden. Het heeft allemaal geen enkele zin. De broodnodige censuur is opgeheven. Desgevraagd verklaarde één van de meest spraakmakende deelnemers aan het live discussieprogramma ‘buitenhof’ van de VARA dat hij in het geheel niet van meningen was veranderd. Dat is duidelijk: het onderwerp is het onderwerp niet, zoals de bal niet het begeerde is bij een balspel als korfbal. Balbezit, het zou wat: de bal is er om ermee te scoren. Zo zijn de goederen ook en boeken, tekst, gedrukt of gesproken zijn goederen, koopwaar. Leesbaar zijn en boeien, daar gaat het om.
Ík maak een fout (een wensplaat naast ‘wat gebeurt’ houden) als ik me erger. Ík maak er nog een fout bij als ik in dat (resp. een) boek verder lees.
Bij iemand in mijn situatie (= die van Robinson Crusoe, alleen) is er met het aanmaken van tekst dit aan de hand: de hoeveelheid woorden (wbc’s en wmsgg’s) neemt af, maar ze raken sterk met elkaar doorverbonden.
Wat ik schrijf is vrijwel niet meer (MET BEGRIP) te lezen. Het zij zo.
Jaap Schot, 6 januari 2007
Het is ook nog eens gelogen. De Europeanen kwamen in Amerika en Afrika en Azië en roofden daar en moordden daar, maar ze brachten NIET de opleidingen voor techniek en handel óók. Dat had gekund, ‘opdat de beroofden de schade konden herstellen (1) en een constante bron van zulke roofgoederen als begeerlijk gebleken konden worden (2)’. Nee, zo ging het niet, de planters kwamen en de boerderijen in Namibië en de haciënda’s in Zuid Amerika werden niet aangetroffen door de ‘ontdekkers’. De zich bij de overwonnen volkeren vestigende kolonisten namen het beste van de productiemiddelen en ze leerden de inheemsen niet de grove trekken of fijne kneepjes van techniek, industrie en handel. De plannen van Adolf H. te B. met ‘Operatie Barbarossa’ waren normale, door andere volkeren herhaaldelijk uitgevoerde plannen: land innemen en de inheemsen tot gebruiksvee maken. Ook (in ZW-Afrika=Namibië) hadden de Duitsers zélf al ervaring.
Alleen doordat de Nazi’s hun oorlog verloren hebben, moesten en mochten de overlevenden schande spreken van wat “Hitler deed”, “de Nazi’s deden”. Ze hebben dan ook nu al tientallen jaren doeltreffend het verschijnsel ‘civiliseren’ besproken als wat het is.
Maar die programma’s heeft Heinsohn blijkbaar gemist. Hij is van de afdeling goedpraterij. Die looft en prijst de daden van de overwinnaars van de niet als wereldoorlogen benoemde ‘ontdekkingsreizen’ der Europeanen. En omdat er niets te loven en te prijzen ís, draven ze op als verzinners en leegpraters. Ze verzinnen dat er beschaving gebracht werd en ze praten over de waarde van kunst. En let op, hier is een leuk iets gebeurd: de makers van het programma ‘Tussen kunst en kitsch’ vertelden het op televisie zelf. Het programma is een typische uiting van AVRO, Telegraaf, Elsevier, Heinsohn-figuren. Kunstvoorwerpen zijn niets anders dan beleggingsobjecten. Ze zijn zeldzaam en niet aan mode onderhevig. Voor het vertonen van rang zijn en blijven ze dus bruikbaar. Dus blijven ze verkoopbaar.
Om die werking als rangonderscheidingsteken / rangvertoonmiddel te hebben en te houden moeten de mensen het voorwerp bewonderen. Ze leren dit. Andersen schreef daarover dat sprookje van de nieuwe kleren van de keizer.
Nu was dit programma ‘Tussen kunst en kitsch’ er om het oog van de gewone man, de bron van de grote stroom van bewondering voor de winnaars van het onderling vechten om rang. Kijk, de popsterren veranderen van aanbod, want de jeugd moet steeds per jaargang bijna een eigen muziek hebben. Zó trekken zíj bewondering, zo leveren zíj een kanaal voor het bewonderend onbenul van de jeugd ( = de kinderen van het gebruiksvee, de loonafhankelijken, afhankelijk van de massaal fabrieksmatige diensten verkopende ondernemers). Maar die kunstvoorwerpen zijn niet te veranderen en ze zijn er niet om de bewondering van de jeugd te trekken, maar van de leeftijdgenoten van de bezitters.
Nu dwongen de kijkers – bezoekers de programmamakers om de waarde van de aangetroffen ‘kunst die onder het volk is’, de potentiële inhoud van musea (en bankkluizen) te noemen. En die waarde was en is, dus bleek, een bedrag in geld. De programmamakers verklaarden uitdrukkelijk voor televisie, dat dát (het geld erbij noemen) nooit hun bedoeling was geweest.
- Wij moeten het functieloze rangschikken in het spel der gevangenen onder dit liberalistische regime, niet verwarren met het rangschikken in het leger e.d. waar het besluiten centraliseert en zo de mate van overwogenheid maximaliseert (idealiter).
- Áls jullie, van wie de wereld is, de onderworpenen (c.q. hun nazaten) zouden willen helpen, zoals een Moeder een kind helpt, dan zouden jullie:
- Er op wijzen dat iedereen een entelechie (≈ levenspad dat hij moet begaan om geluk te ervaren) heeft, geschreven als zijn genencombinatie in DNA
- Dat zijn txaenz dáárvoor bestemd is, niet door mensen, maar door ‘de natuur’, ‘het objectieve’, ‘God’.
- Dat zowaar deze txaenz onvervreemdbaar is, zij het dat met geweld en/of misleiding parasitaire soortgenoten er in slagen anderen e gebruiken, ja zelfs: tot hun gebruiksvee te maken
- Dat het weten omtrent dit wangedrag de eerste stap is om zich er aan te onttrekken:
- niemand hoeft zich te laten isoleren tot een enkeling
- te bedriegen is een gewaarschuwd man moeilijk
- te bedreigen is iedereen, maar de sterkere van nu, die geen gezag heeft, maar alleen kracht, zal uiteindelijk verzwakken en sterven
- er zijn verschillende politieke partijen en er is geen dwang om op de VVD te stemmen: de systematisering van het binnensoortelijk parasiteren kán ongedaan gemaakt worden en dan wordt het weer een her en der af en toe opduikend verschijnsel.
Ik kan met dit boek doen wat ik een dag of zeven geleden noteerde: het verterend opdelen in genoemde , waarnemingen, gebruikte onderscheidingen en begrippen. Het niet ‘rooms lezen’ én niet ‘democratistisch lezen’. En dat expliciet.
het onderwerp is niet mijn centrale onderwerp. En ik ben niet tevreden met mensenvrije theorie.
En het feit dat het in de verste verte geen bespreking wordt, inspireert ook bepaald niet.
Jaap Schot, 7 januari 2007
Het dringt zojuist tot me door waaróm het me zo verveelt: het is een gepasseerd station. ‘Het’ is hier: het onderwerp van Heinsohn’s boek. Hij roept hoera en vroeger riep ik ooit boeh. Dat kiezen van één van die reacties op die dimensie van juichen naar schande roepen, heb ik al achter de rug. Er is niets aan te treffen, dat niet gebeurt. Alles wat kán, gebeurt, wat niet gebeurt, kán niet. Alle genencombinaties zijn los van elkaar aan het gebeuren (of liggen, als zaad op een gelegenheid, = op de juiste stimuli te wachten). Leven gebeurt net als kristalliseren, natuurwetmatig. Ook het vermijden van gevaar is procesmatig. Niet alleen de planten en de andersoortige dieren zijn puur ‘dingen die gebeuren’, ieder van ons ook. Er vált niets toe te juichen, niets te betreuren, er is geen schuld en geen verdienste aan te treffen. Er is veel sprake van hersenschimmen en er worden veel daaraan gekoppelde emoties en gevoelens gevoeld. Poeha.
Woorden met slechts gebruiksgewoonten, woorden die zijn als wegwijzers die in ‘outer space’ wijzen. Niemand kan erheen, er is niets aan te treffen. Wie deze woorden gebruiken, - en wie spreekt, doet het ook -, spreken méé. Door meedoen gebeurt er een hoop. En ja hoor, wie dat doorheeft kán ineens ophouden mee te praten. Ineens is zijn meepraten tot camouflagegedrag geworden: hij heeft door dat het nergens over gaat, én hij heeft door dat het uiterst zelden de juiste tijd en plaats en groep is om zijn inzicht te melden. Wee diegene die te vroeg zijn doorzíen meldt, bijvoorbeeld op basis van de propaganda dat de aanwezige mensen een eenheid, de mensheid, een gezamenlijkheid vormen, met ‘wij’ passend aan te duiden zijn. Zo iemand komt om het leven, zoals een zebra die in termen van ‘wij, zoogdieren’ zou denken en zich met de leeuwen in één groep zou ‘vinden’. Er zijn roofmensen en prooimensen (de meesten zijn beide, maar in deeltijd: de middenklassemens, de mensen gebruikende gebruikte mens: gezegend met de kadastrering van zijn bezit, zodat dat eigendom is en hij het kan belenen en kan ‘wirtschaften’).
Tussen het in gezelschap zijn door is een mens alleen, zo alleen als Robinson op zijn eiland. Robinson (1), de vaardigheid ‘taal gebruiken’ voor zover hij die vaardigheid en die taal aanleerde (2) en ‘wat hij opmerkt’ (3).
Wij worden in gezelschap geboren en getogen en weinigen van ons verbrengen dagelijks enige uren wakend alléén door. (Alléén, dat is: in ons eentje, zonder te lezen, muziek te luisteren of welk surrogaat voor aanwezige anderen dan ook te consumeren).
Herinneringen aan andere mensen en wat wij met hen hebben (afgesproken, te doen, te regelen, te vereffenen, te vieren) zijn altijd vers en ruim aanwezig. Onze uitstapjes in het alleen leven duren maar kort. En er is zoveel onaf, dat we zelfs als we in slaap komen nog van dit onafs dromen.
Maar wat gebeurt er als door omstandigheden iemand echt veel tijd alleen gaat leven? Hij, zijn gegevens in de omgeving en in zijn eigen lijf en zijn taalvaardigheid. Die drie zijn aanwezig.
Kijk, Defoe, de schrijver van wie Robinson een romanfiguur is, weidde enorm uit over hoe Robinson kwam aan wat wij op de huizenmarkt, in de doe-het-zelf winkel en in de supermarkten kopen. Dat was een enorm gedoe, dat ons, - in ruil voor enige werkuren bij een baas -, tegen lage prijzen wordt aangeboden en in handen valt. Het valt ons in onze niets-kunnende bezittershanden. Zoals de eetbare vruchten die Robinson vond en die hij niet kon maken, zo zijn voor ons ook alle artefacten: door anderen gemaakt, met behulp van gereedschap en fabrieksinstallaties en robots. Die productie is ons even vreemd als de groei waaruit onze eetbare vrucht komt.
Ik, mijn taalvaardigheid en ‘wat ik opmerk van wat mij gegeven is, zintuiglijk of anderszins’. Die drie. Anderszins: dat is bijvoorbeeld door reflectie op de woorden. Ik spreek bijvoorbeeld van ‘gegevens’ zonder echt te denken aan een gever. Wat ga ik nu beseffen, als ik er de txaenz voor neem en dóórdenk over wat dat ‘gegéven’ zijn is, in tegenstelling tot ‘zelf aangemaakt uit niets’ (= zelf ‘geschápen’ dus, in die betekenis van orthodoxe Christenen).
Dan is een gegeven dus géén hersenschim. Wat ík, een mens, mij denk, blijft een hersenschim. Dit in tegenstelling tot wat de Scheppergod van de Joden en Christenen denkt: van Hem wordt gezongen: “Lof zij den Heer, … die de werelden dácht en zij waren….”. Dát is het concept: ‘wat gebeurt’ (= wat is, wat “bestaat”, in die gewone alledaagse betekenis), dat wordt door God gedácht = geschapen ≈ gedaan.
Dat is het concept. ‘Je’ moet in concepten niet geloven, want de mensen die deze concepten maken zijn niet: God. De mensen kunnen niet scheppen. Ze kunnen materie vervormen en verplaatsen. En sommigen die dat doen en er van moeten leven (= er geld voor moeten proberen te vangen) proberen dat vervormen en verplaatsen te verkópen (als ‘creatiefs, als kunst). Ach, mensen doen álles om aan de kost e.d. (1) en enige achting van hun tijdgenoten (2) te komen.
Schoolvoorbeeld: het kunstwerk – schilderij ‘Guernika’ roept hard “Moord”, maar nog veel hárder roept het “Ik, Picasso”.
Terug: Ik, mijn taalvaardigheid en ‘wat ik opmerk van wat mij gegeven is, zintuiglijk of anderszins’. Die drie. Geen anderen. Ik wil mijn taalvaardigheid niet verliezen, want die heeft minstens twee nuttige functies: 1. terugvinden wat ik ooit met en via woorden leerde en 2. het analyseren e.d. van wat ik bestudeer begeleiden, mij op vragen brengen. [Dat dénk ik, dat is me gesuggereerd en ik geloof dat. Een olifantengeheugen stellen we ons overigens als ‘zonder woorden werkend’ voor.]
Concreet: ik ben vooral na de dood van Maria, alleen, de meeste uren van elke dag wás ik dat al toen zij nog leefde, maar ik ging er elke dag toch nog wel voor een uur minstens, heen. En we telefoneerden. Nu ben ik van elke dag toch zo’n uur of 23 alleen. Minimaal 23 uur. Gemiddeld over zo’n jaar of vijf nu.
Dat begint toch al wat op de situatie van Robinson te lijken. Het grote verschil tussen de twee situaties in kwestie is dat voor mij alle voedsel en artefacten via geld, beschikbaar gesteld wordt, moeiteloos te nemen. Aan statussymbolen heb ‘je’ in een Robinsonsituatie niets en geen behoefte of begeerte. Zonder anderen, geen rang. Rang alleen in de rangschikking door anderen van jou. Rang is een uiting van betrokkenheid óp anderen. Elk goed (bevaderingsvrij) gezin is een bewijs van het feit dat rang niets te maken heeft met betrokkenheid bij anderen, dat is: met sámen leven. Ja, rangschikken is strijdig met sámen leven. [Denk aan ‘de voetwassing’ en het ‘opdat gij allen één zijt’. Of denk daar niet aan, maar hou dan ook helemáál je mond over het christendom en de boodschap van Jezus.]
Robinson is (c.q. ik ben) totaal onbetekenend (geworden) voor ‘de wereld’ (én voor de gezamenlijkheid, die wat anders is). Mijn betekenis was nooit meer dan die van één mens (onder of tussen, tegelijk in leven met) miljarden andere genencombinaties.
De talen der mensen (met name de verhalen) bevatten de suggestie dat mensen (in de feodale bedeling: sommigen, de adel, na de democratisering/ de Franse Revolutie: állen) betekenisvol zijn. Ze (de mensen die meepraten, mee deze verhalen gebruiken, blazen zich op (als ballonnen, dat, zich opblazen ‘als bommen’ doen, is een recente vorm).
Als meeprater weerkaats ik als een spiegel de belangrijkheid die ik mij aanmeet (= laat suggereren) op de wereld ( ≠ op mijn omgeving). Het is de wereld waar deze propagandistische zelfverheffingsverhalen uit stammen. ‘Natuurreligies’ zouden we terecht kunnen noemen díe verhalenverzamelingen over mensen en hun omgeving waarin deze zelfverheffing van ‘de mens’ ontbreekt.
Ik ben al zó lang alleen dat ik geen belangrijkheid meer op de wereld weerkaats. En dát is een verklarende context voor het feit dat een zoveelste verhandeling over ‘overbevolking’ en ‘wereldmacht’ mij bij lezing aanvoelde als modder waarin je wegzakt en daardoor heel moeilijk loopt.
Pósitief van Heinsohn’s boek was dat zijn onderwerp en zijn werkwijzen vroeger mijn onderwerp zijn geweest. Hij doet ‘wetenschappelijk benaderen’ na (werkt met getallen) en hij argumenteert (= heeft zijn aandacht bij de lezer en diens reacties, zoals instemmen, mening overnemen) in plaats van (zoals maar ál te nodig) geheel bij het spreken van de juiste tekst bij wat hij opmerkt van (= aan = in) zijn onderwerp. Over hoe wetenschappelijk bezig zijn moet en over hoe onverenigbaar daarmee retoriek is, heb ik het heel veel gehad, “in mijn schrijfsels”.
Zelfreflectie is een pleonasme. Reflectie is het zonder spiegelgebruik waarnemen van eigen gedrag (= gebeuren). Wetenscháppelijke reflectie is: objectief (= alsof het een ander betrof) en onpartijdig en onbaatzuchtig zich zelf bezig zien zonder een spiegel of zo te gebruiken. Het reflecterend waarneembare (dat is dus het eigen) gedrag omvat ook het slechts introspectief gegevene, de tekst die ik in mij hoor met mijn geestesoor en die ik al of niet kan uitschrijven [à waarneembaarheid later nog eens (1) en voor de lezende ander (2)].
Als ik mijn eigen teksten bestudeerbaar acht door mijzelf zoals ook teksten van anderen dat zijn, dan betekent dat, dat ik “niet-ik zeg” over die teksten. Ik disown ze. Maar ik vind de Nederlandse vertalingen die ik daarvoor aantref (‘verloochenen’ en ‘niet erkennen’) niet bevredigend, hier. Als ik die teksten ‘disown’, dan stel ik dat dat niet mijn meningen zijn, die ik vertegenwoordigd wil zien. Ik erken die teksten te zijn product van processen die in mijn hersens gebeuren. Ik geloof niet in een onstoffelijk mannetje in of om mijn hoofd, dat mijn hersens gebruikt om mijn lijf zijn gedachten te laten horen zoals een hond die tegen mij blaft, of de kat die om voer zeurt, mijn lijf zijn geluid wil laten horen via mijn oren. Maar het is me totaal onverschillig welk verhaal er waar is, dat mét of dat zónder dat onstoffelijke mannetje, die geest, die ziel, die persoonlijkheid of hoe het ook heten mag.
Dat mannetje zou wel eens het troostgeschenk kunnen zijn dat de mensen kregen, die gingen geloven in het bestaan van een vierkant achter de adel staande god. Met zo’n geest hadden zij ook een extra-tje, waren zij bovendierlijk, verheven boven de stomme dieren, zoals de adel boven hén verheven was.
‘Geest’ is een voorbeeld van een woord met slechts gebruiksgewoonten. Als wegwijzer naar iets dat aantrefbaar en bestudeerbaar is, is het een stuk bedrog. Maar om er iets mee uit te zeggen, zijn zulke imitatiewegwijzers in gebruik. Bijvoorbeeld: de menselijke geest is als een vlinder: hij begint als kind, zich cognitief volvretend met
- kennis die hij neemt (eigen waarneming) en zich later kan herinneren (1) en
- overleveringen / meldingen die hij van horen zeggen heeft en eventueel kan hérkennen als hij ze voor het eerst ziet (2) en tenslotte
- fantasieproducten van lui die om den brode en/of uit geldingsdrang boeiend vertellen (3) (Lieden die met surrogaat dátgene uit de hoorders halen waar slechts wie meldt natuurrecht op heeft: luistergedrag).
Aldus, volgegeten, gaat de rups zich verpoppen en de menselijke geest zich bezinnen (≈ bovengemelde herkomstkwaliteiten onderscheiden en orde zoeken en brengen in ‘wat hij geleerd heeft’).
Uit de aangeleerde (analoog aan: aangegeten) massa worden de bouwstenen / bouwstoffen genomen voor de vlinder. Een opmerking daarbij met een schoolvoorbeeld: het periodiek systeem der elementen kwam als schema tot stand op basis van een onvolledige verzameling feiten. Uit het schema volgde dat er nog andere elementen moesten zijn dan de reeds bekende, en ziet, het klopte, die elementen werden gevonden. Een eigen voorbeeld: ik was tot een verhaal gekomen waarin het eerste geld een schriftelijk bevel moest zijn geweest. Een paar jaar later hoorde ik via de radio dat er inderdaad van klei zulke bevelen gemaakt waren in Syrië of zo. Let wel: het maakt voor het doel dat ‘mijn geest’ heeft met het aanmaken van orde niets uit. Dat kan mijn geest zich niet veroorloven, want dit bericht over de radio, uit een museum, heeft die geest van horen zeggen en het betreft ook nog eens het verleden, dat is: het ultieme ‘niet (meer) zijnde’. Met elementen kun je scheikunde gaan bedrijven, met gegevens van horen zeggen kun je NIETS.
Ik had een theorie nodig waarin zulke waarneembaarheden als ‘waarde hechten aan goud’ verwacht waren. Schriftelijke bevelen tot levering onder bedreiging met mishandeling of dood door de gewapende dienaren des konings, mogen niet worden nagemaakt, maar moeten wel door te geven zijn, zodat de onderworpenen (het volk dat niet van adel is) onderling de last kunnen verdelen die de uitgevers (in omloop brengers) van geld hen als gezamenlijkheid opleggen. Het heffen van belasting is een maatregel tegen inflatie, zijnde het in omloop geraken van steeds meer bevelen (geld). Het bevel tot leveren, dat geld is, is ongeadresseerd (c.q. aan het hele onderworpen volk, alle loonafhankelijken gegeven) én het is kwantitatief gemaakt, inhoudloos. ‘Wat wil je worden’ is een vraag die het kind ertoe moet aanzetten te bedenken welke inhoud hij zal gaan suggereren aan degene die geld heeft, bij het spenderen van dat geld, bij het doorgeven van dat bevel. ‘Wat wil je kopen voor dit geld / deze cadeaubon / deze boekenbon?’ is dezelfde vraag, maar nu aan de klant, de koper, in plaats van aan de verkoper (van zijn txaenz) gesteld.
Dat boek van Heinsohn, daar staan best interessante dingen in: hij heeft het ergens over slavenfokkerijen (in het Romeinse rijk geloof ik, maar de details en of het waar gebeurd is, daar geef ik niet om).
Hoe komt het dat hij niet op het begrip ‘slaven in zelfbezit’ komt. En hoe komt het dat hij niet op txaenz komt?
Hoe is het mogelijk te blijven steken in het zien van een wettelijke regeling als een feit? De afschaffing van de slavernij was NIETS, zoals muziek niets is: betekenisloos geluid. In dit geval het nalaten van zéggen dat deze of gene een slaaf is. Het ophouden iemand te dwingen te zorgen voor een ander die hij gebruikt heeft en nu versleten is. Het waarneembare feitelijke is: het doorgaan met het gebruiken van mensen alsof het stukken vee en van stukken vee alsof het artefacten (machines / auto’s / robots) waren.
Waarom maakt Heinsohn bijvoorbeeld geen onderscheid tussen ‘wat echt aantrefbaar, zintuiglijk gegeven is’ en ‘wat van woorden gemaakt is’ en ‘wat tussen de oren zit’ e.d. Wat men zegt bij wat men aantreft, maakt deel uit van het (aan het kind zintuiglijk gegeven deel van het werkelijkheidsoppervlak).
Kijk, het houden van slaven is gewoon net als het houden van andere gebruiksdieren, die geen slachtvee zijn. In die tijd waar wij aan hebben leren denken bij slavernij, met die negers op die plantages, hadden de honden en de katten en de paarden en de ossen allemaal ook nog ‘werk’ voor de kost. Onlangs was er weer die Engelse film op televisie waarin een big wordt opgeleid tot schaapherdershond. Daarin vertelt de kat op een zeker moment aan de big dat varkens nergens goed voor zijn (= niks doen voor de kost) en dan ook als mensenvoer eindigen: “ze noemen het pork”. Veel weerstand tegen euthanasie is restant van de angst van de gebruikte mensen, dat ze weer gewoon óf slachtvee worden, óf ‘wanneer niet langer bruikbaar, alsnog in de worst verwerkt worden’. En zoals bij het racen verongelukte paarden: afgemaakt. En dan in onderdelen te beschikking komen van Eurotransplant.
Dat is allemaal zo gek niet, ze KENNEN de feiten: ons systeem is een mensengebruikerij gebleven (‘Animal Farm’), adel of niet, intensieve mensveehouderij of extensieve. In Zuid-Amerika laten ze de slachtrunderen ook ‘vrij’ rondlopen. Maandenlang kunnen die runderen zich vrij voelen. Maar als het er op aankomt, wordt de opgeschorte dienstplicht in ons lieve vaderland gewoon weer ingevoerd (beter: uitgevoerd) en de jonge mannen worden bijeengedreven om te gaan sneuvelen. Niemand die dit lezen kan, is zó zwaar gestoord dat hem deze feiten niet bekend zijn. Menigeen verkiest het, daarover te zwijgen, ja zelfs het aanmaken van ‘inner speech’ daarover na te laten. Die mensen besparen zich niet de negatief stemmende kracht die van die kennis uitgaat (oftewel in die kennis zit). ‘Je’ wordt er niet gelukkig van.
Maar er is een grote huiver voor het ontluisteren van “onze beschaving”. Huiver is niet zoveel verschillend van angst.
==========
07-01-07 13:15:
Ik ben laat vandaag.
- Er is geen andere betekenis voor bezitten dan: erbij blijven en het (met eerst uitoefenen van en daarna dreigen met lijfelijk geweld) onttrekken en onthouden aan het gebruik / verbruik door anderen [soortgenoten en andere (voedsel-)concurrenten]. Er is niets anders aan te treffen om ‘bezitten’ te noemen.
- ‘Je’ kunt gaan noteren wie wát aan het bezitten is en dan gaan doorpraten over die aantekeningen, dat heet juristerij en verbalisme.
- 16:42: onlangs was er nog een stuk natuurfilm (of was het een speelfilm met betaalde leeuwen, het zal me een zorg zijn) waarin een stel jonge leeuwen een jonge zebra hun buit maakten (dood maakten dus, om op te eten, géén moord dus) en daarbij de (in hun genen, die in DNA gesteld zijn) voorgeschreven geluiden maakten’. Die geluiden werden gehoord door een volwassen mannetjesleeuw een eind verderop. Die haastte zich naar de plaats delict en liep gewoon keihard op de buit af, wat de jonge leeuwen intimideerde en deed afdruipen, hun buit werd zodoende tot zíjn buit. Heel duidelijk zei de commentator er bij dat er hier niet van een krachtmeting gesproken mocht worden, want daar zou de oudere leeuw het zeer zeker niet op aan laten komen, zeker als hij kon zijn minstens verwond en (dat is daar, zonder dierenambulance vrij zeker) aan etterende zweren geholpen te worden. Hyena’s zouden die oudere volwassen leeuw dan ook (met een groep) moeiteloos op hun beurt van de buit af helpen. Het recht van de sterkste noemen ze dat in de propaganda, maar in feite, bij nader inzien, zelfs in het dierenrijk, liggen de zaken veel ingewikkelder. Wie zijn hier de verhinderaars van openlijk vechten? Juist: de bacteriën, die in de wonden gaan zitten genieten van hún kans.
- Deze bacteriën zijn van geen der partijen de bondgenoten. 16:54|
- Als het niet de kracht van de bezitter, maar van zijn trawanten is, die dreigt, dán is er eigendom. De drugsverkoper en de drugskoper komen beiden met hún eigen gewapende trawanten naar het uitvoeren van de handelsdaad.
- Er verandert niets aan de waarneembare werkelijkheid als die legertjes samengevoegd worden tot één onpartijdig leger dat toeziet op het zich houden aan de afspraak.
- Er verandert ook niets door het invoeren van papierwerk: bestellingen, rekeningen, kadaster, zegels, enz.
- Er was volwassen handel zonder centraal gezag*. Er was volwassen rechtspraak zonder wetten en staat.
- 7-1-2007 16:55: Er verandert niets aan de werkelijkheid door het omzetten van bezit (míjn buit, míjn territorium) in eigendom. Jammer nou, Heinsohn: er valt niets te loven, de Europeanen hebben niet iets positiefs gedaan náást moorden en plunderen en in bezit nemen van de productiemiddelen der overwonnenen.16:58
- * ‘Gezag’, wat is dát nu weer voor spul? Het is geen ding en het is geen spul, het is een woord met slechts gebruiksgewoonten. Dat woord is dan ook volstrekt onterecht een zelfstandig naamwoord. Dat soort woorden suggereert het zelf staan, onafhankelijk van iemand die het denkt: bestaan zelfs, in tijd en ruimte zich uitstrekken. Nergens is iets aan te treffen dat zo (i.c. ‘gezag’ dus) heet. Het is net zo echt als de dwergen van Sneeuwwitje en het koningschap van de Oranjes. Pure woorden. Klanken die door aanleren gevoelens opwekken in ex-kinderen, die vergeten zijn en er NOOIT aan herinnerd worden, dat ze dat voelen en vanzelfsprekend vinden impliciet, verpakt, aangeleerd hebben gekregen.
- * Er wordt van gezag toekennen gesproken als er wordt aangeduid dat zowel koper als verkoper (al of niet knarsetandend) dat éne, hun eigen bewapenden vervangende stel politiemensen accepteert als hun beschermers tegen de ander en zijn bekende gerichtheid op bedriegen en beroven.
- *Gezag wordt dan ook afgedwongen en “misdadig” is wie zich dat afdwingen niet laat welgevallen. Zo’n “misdadiger” doet geen beroep op die politie en neemt zijn eigen legertje mee. Hij bezit op de wijze van vóór de kolonisatie, van vóórdat er een centraal gezag werd íngesteld en alles op naam van de koning als zijn bezit (eigendom dus) werd geregistreerd. (Willem de Veroveraar, volgens een boek dat ik las, maar) het is totaal oninteressant of er historische voorbeelden zijn te vinden of moeten worden verzonnen. Het enige zijnde is wat nu is, en dat is straks over, waarbij ‘straks’ nog lang op zich kan laten wachten, maar ook dat is onwezenlijk. Het is ooit ingevoerd en bestaat niet zelfstandig, slechts in woorden (1) en in die daden (van in dit geval heersers) die door de via die woorden verwarde aanwezigen worden aanvaard, ja vanzelfsprekend gevonden. Ik erger me telkens als ik ze tegen kom, aan lofredenen op deze ‘regelingen’. Het is het uiten van wezenloze ondoordachte onderworpenheid: de identificatie met de geweldplegers, het gejuich van het volk langs de route van de gouden koets, het volk met zijn vlaggetje, zijn hoedje en zijn toeter. En nú komt de ellende: de luister van het vorstenhuis werd enigermate verminderd en ziet: diezelfde vlaggetjes, hoedjes en toeters worden gebruikt door hetzelfde volk, dat, in plaats van met de feodale vorstensuggestie nu met de sport in de orde wordt gehouden. Dezelfde emoties bij dezelfde impliciet aangeleerde regeling voor gebruikte mensen. 7-1-2007 13:54|514W||
- 7-1-2007 14:56: Rölings verhaal over rechtspreken door gevechtskracht inschatten i.p.v. uitproberen. De rechter telde de (beide door de elkaar het bezit van een voorwerp van waarde betwistende partijen meegebrachte groepen) gewapende weerbare mannen. De grootste groep maakte het bezitbare tot eigendom van degene die hen had meegebracht. Die betaalde hen daarvoor met wat dan ook, van goodwill, tot diensten, tot gunsten, tot cash.
- Het is duidelijk dat de studenten de collegezaal behoorden te verlaten als niet langer gelovenden, gelovigen, in het bestaan van ‘recht’ als een soort zwaartekracht, aangetroffen, en door een gevoelige rechter aangevoeld en geconstateerd.
- Zoals anarchist behoort te zijn, wie uit de geschiedenisles komt waarin verteld is wie wanneer de Oranjes een troon gaven en welke geschenken aan de burgerij werden uitgedeeld ter gelegenheid daarvan.
- Er ís niet zoiets als recht, er is niet zoiets als koningschap. Als ergens ooit van iets sprake is, dat is: gesproken wordt en dat is NIETS ANDERS, dan ís dat IETS er nog NIET IN WERKELIJKHEID, objectief, buiten toedoen van gelovige, uit dat geloof er in handelende (= txaenz bestedende) mensen.
- Robinson Crusoe alleen op zijn eiland zal ze niet aantreffen, die ‘dingen’ waarvan slechts sprake is. Let op: ‘dingen’, de truc is namelijk: het met zelfstandige naamwoorden en (schijn)werkwoorden benoemen van deze verzinsels (die alleen om te verwarren, te misleiden, te hypnotiseren, te suggereren dienen en verzonnen zijn, en dus NIET AAN TE TREFFEN ZIJN).
- Dát ze bedrogen en gebruikt worden ontgaat de mensen echt niet, maar ze kunnen er niet goed onderscheidend over praten, de taal die ze leerden staat hen dat niet toe. En de boeken die ze drukken houden ze, totaal onnodig nu, in één kleur inkt, en niet drukken ze woorden die wijzen naar verzinsels in een andere kleur dan die wijzen naar aangetroffen dingen. Het koningschap wordt in dezelfde kleur gedrukt als de olifant. Subtiel? Ach, hoe subtiel is het dat de televisietechniek buiten gebruik wordt gelaten en ons pratende hoofden worden getoond zonder enige illustratie bij wat ze zeggen en ‘live’ zonder enige correctie op leugens en halve waarheden? Hoe subtiel is dát? Het is helemaal niet subtiel en niet onzichtbaar en niet verborgen en wordt ook niet afgedwongen. “Melde gehorsamst, sie sínd so blöd” aldus soldaat Swejk. 7-1-2007 15:31|
- ‘Rooms lezen’ wordt aangeleerd door (ten aanzien van bijvoorbeeld ‘Animal Farm’ en ‘1984’) ‘het is waar gebeurd’ in de plaats te stellen van ‘het gaat over iets heel belangrijks, dat ‘je’ niet meteen zomaar kunt zíen, overal en altijd’. De vraag aan de kamerling: “Verstaat gij ook hetgeen gij leest?”
- Ook orthodoxe Joden lezen met ‘het is waar gebeurd’, evenals orthodoxe protestanten en evenals de atheïsten (die ontkennen dat het waar gebeurd is en dat de er in voorkomende ‘figuren’ inderdaad bestaan / bestaan hebben, maar ook zij komen niet toe aan: het uitproberen van ‘het gaat over iets heel belangrijks, dat ‘je’ niet meteen zomaar kunt zíen, overal en altijd’, dus aan het zoeken naar het onderwerp, waarbíj gesproken c.q. waarbíj geschreven werd).7-1-2007 15:33| 1.023W||=/\=
- 7-1-2007 17:02: Het aanbod van beelden en verhalen zoals de boven (bij wijze van voorbeeld) genoemde, veroorzaakt ‘onbewust, maar onvermijdelijk, het wegvallen van het geloof. ‘Onbewust’ betekent niet meer dan ‘zonder dat er ‘inner speech’, uitspreekbare tekst bij aangemaakt wordt’. Het heeft geen zin deze interne bespreking aan te maken, door het verbod op het aanroeren van onderwerpen die er in het leven toe doen. We moeten het luchtig en vrolijk houden, niet moeilijk doen, geen vanzelfsprekendheden en onvermijdelijke gemeenschappelijke vooronderstellingen (= ‘gemeenplaatsen’ in het debat) ter discussie stellen.
- Het wegvallen van het geloof drijft de mensen (wier omstandigheden door hun ongeloof niet vanzelf veranderen) in de armen van romantici (met andere woorden: de Romantiek in). Met nóg anderen woorden: het brengt ze tot het sentimentele voelen.
- Nu zijn er altijd twee mogelijke reacties: de actieve en de passieve. De revoluties hebben we gezien, in het Europa na de val van de adel en het geloof, vanaf de Franse Revolutie. Over de Nazi’s heb ik een boek dat ‘De nihilistische Revolutie’ heet. Omdat er helemaal geen schil van mystificerend gelul meer zat om die roofmoord op de Joden en die verovering van terrein en grondstoffen in het Oosten.
- De passieve, dromerige sentimentele reactie in de Romantiek was die van de boeken, toneelstukken, ‘doeken’, beelden en films, die ons (tot tranen toe, hoe dichter daarbij hoe beter de kunst in kwestie) roeren. 7-1-2007 17:27||
- 7-1-2007 17:45 Hoeveel kijkers er ook zijn voor uitzendingen als RTL-Boulevard en ‘Blauw Bloed’ en voor films als ‘Sissi’, en hoeveel lezeressen voor de boeketreeks en hoeveel spelers voor ‘War on the Worlds’ e.d., toch is ook deze veelvormige heroïstische, sentimentele, vlaggetje, hoedje, toeter, enz. emotietrekkerij is al lang doorgeprikt.
- Onbewust, ongedacht dus en zeker onuitgesproken zijn er al massa’s ontgoochelden. Let op de suggestie van teleurstelling die hier is, zonder dat het ophouden begoocheld te zijn in feite samenvalt met een tegenvaller hebben: het niet uitkomen van een wens, hoop, (nu kennelijk onjuiste) verwachting.
- Op het wegvallen van de begoocheling (de intrede van nihilisme dus) kan men reageren met hedonisme (1) of (niet én) met verheugde nuchterheid (2).
- Want ook in staat van nihilisme is er de keuze tussen gevoel (à 1: hedonisme)** en cognitie (à 2: die verheugde, opgeluchte nuchterheid, die voordat dat geëxalteerd ging klinken ‘verlichting’ en ‘verlost zijn’ werd genoemd).
**Van mystiek zijn zowel de voelende als de cognitieve vorm bekend.
- We dienen bij deze zaken te bedenken dat het vrijwel nooit (ook in deze zogenaamd censuurvrije tijden en landen niet) mogelijk is om zonder gevaar waarheid te spreken of schriftelijk te publiceren. 7-1-2007 18:13| 1.731W|||
- maandag 8 januari 2007 10:33: Hoezo is het vervallen en eindigen van het geloven in goden, recht en regelingen onvermijdelijk? Antwoord: de macht (ß de geweren) kwamen achter het geld, de schriftelijke bevelen, te staan. De macht kwam als het ware, voor het bewustzijn van de mensen, in het geld te zitten. Ze zagen de bezettende macht niet langer als zodanig, het leek alsof de propaganda helemaal niet bestond (en achter het spreken van ‘wij Nederlanders’ zat). Ze zagen het terugtrekken van bevelen (= van geld = belasting heffen) niet als wat het is: een gigantische onduidelijkmaaktruc. De hele ‘economie en staatsinrichting‘ is een mistmachine: zoals ze onderwezen wordt op scholen én zoals ze onderwezen wordt in de gedrukte pers, de krant, het weekblad, de televisieprogramma’s. Je ziet geen geweer meer. 8-1-2007 10:42||
- 8-1-2007 20:42: Door het gaan spreken over eigendom, dat kan worden gebruikt om het te belenen, doet de schrijver precies het tegengestelde van wat mijn doordénken inhoudt:
Cognitief: hij verpakt waar ik uiteenzet, uitleg, analyseer, en
Emotioneel: hij propageert en juicht toe waar ik uit ben op ontluistering en afkeer.
Conservatief (≈ het verleden telt, geldt, is bepalend, betreft ook ons) versus anarchistisch (wíj zijn de levenden, het verleden heeft maar één eigenschap voorbij, over, uit te zijn. Voorbijer en voorbijst bestaan niet. En al die andere opmerkingen over ‘wat was’, die her en der in mijn teksten staan.)
Híj maakt zich wijs betrokken te zijn (of doet dat voorkomen, je weet als lezer nooit), waartegenover ik blijf constateren: ‘het is hún wereld, niet de mijne’ (vraag het ze maar).
8-1-2007 21:09|| 2.084W||
Jaap Schot, 10 januari 2007
Dat boek van Heinsohn is een lofzang op het geïndividualiseerde en gedemocratiseerde leenstelsel. Het leenstelsel: alles is het bezit van de bezetter. Want de bezetter heeft het geweldsmonopolie, het monopolie zelfs op het bezitten en gebruiken van wapens. De bezetter = de aanvoerder-boegbeeld plus alle blijvend en durend hun zege vierende overwinnaars. Het geclaimde bezit van de bezetters is: het gehele land waar de overwonnenen woonden en hun nazaten nog wonen. Het wordt kort na de overwinning onder de overwinnaars als starters van dynastieën / huizen (adelsfamilies) verdeeld: erfgoed. De op het land wonende en werkende mensen worden het lijfeigen gebruiksvee van de edelman. De overwinning in jaar X (voorbeeld Willem de Veroveraar 1066 of zo) gaat nooit verloren als rechtvaardiging voor deze bezitsrechten van de adel. Dát is die verheerlijking van de geschiedenis. [Terzijde, maar nu ik tóch dit aanwijs: ook de (roman?)figuur van Jezus werd 300 jaar na zijn dood aan deze kijk op leven en omgeving, aangepast. In plaats van een man die wat te zeggen had, wat aanwees, wat meldde, werd hij ómgedefinieerd tot een man die een historische superdaad had verricht. Met déze uitleg werd en wordt de bijbel rooms gelezen, terwijl ze eeuwen eerder werd geschreven en niet door overwinnaars, maar voor door agressie getroffenen: in slavernij in Egypte, later verbannen in Babylonië. Alleen met deze voor de Romeinse keizer aangemaakte exegese als ‘bril’ valt de bijbel anders dan als één grote afwijzing van de civilisatie te lezen. En ze prestéérden het om iedereen, tot en met de huidige protestanten en atheïsten deze bril op te laten zetten en houden.]
Tot zover de feodale vormgeving aan het gebruiken van onderworpen mensen als gebruiksvee. Een extensieve vorm van mensveehouderij. Af en toe wordt er een rendier ingevangen om een slee te trekken, voor het overige scharrelen ze allemaal hun kostje bij elkaar.
En nu komt de nieuwe tijd! Juich, juich. De nazaten (beter, omdat het niet over biologie gaat: erfgenamen) van de bezetters noteren zorgvuldig wie van de (nazaten van de) onderworpenen waar woont en werkt en noemt die grond en dat huis en die spullen het eigendom van die onderworpenen. De onderworpene is nu geen bezitter meer tegenover ‘het objectieve’, maar heeft zijn geregistreerde productiemiddel in leen gekregen van de Koning, het centrale leger, de staat. Het staat nu al die eigenaren vrij om te proberen elkaar eigendom afhandig te maken, binnen de spelregels van de economische orde.
Ze kunnen nu onderling alle ondeugden uitleven, die ze in de loop van de tijd de bazen hebben zien hebben. En ze leren daarvan alle solidariteit af.
Als de ander te verleiden, te misleiden, te chanteren of hoe dan ook, binnen de rechtsregels, te motiveren is tot ‘zich in de schulden steken’, dan kan de schuldeiser aan de eigendommen van die ander komen. Roven binnen regels. Maar let op: de bezetters raken niets kwijt, integendeel, zij leven van (“verdienen aan”) het láten handhaven van de orde die ze hebben ingesteld. Het menselijk gebruiksvee heeft de aandacht bij elkaar, als zeer kleine spelers: afzetters en oplichtertjes. Zo min als de ridders die een stuk land inclusief de daar wonende overwonnenen (à gebruiksmensen) hadden toegewezen gekregen onderling nog weer elkaar van land of mensvee mochten beroven, zo min mochten gebruiksmensen die door dat noteren eigenaren geworden waren, van elkaar stelen, maar: dat was nu juist de truc waar Heinsohn bij juicht met zijn vlaggetje, zijn hoedje en zijn toeter, ze werden geacht me elkaar binnen spelregels te vechten om deze eigendommen ongelijk te verdelen, door ze op elkaar te veroveren. Niet roven, niet stelen, geen wapengeweld gebruiken onderling, maar elke andere manier van vechten moet op den duur iedereen voor zijn eigen veiligheid tegen zijn lotgenoten leren en toepassen.
De zo tegen elkaar opgezette mensen beginnen op Hobbes’ fantasieën te lijken.
Dat spel, waarbinnen dit ongelijk verdelen doel is en plaatsvindt, kent als zetten: productieve daden, nee: óverproductieve daden. Met productief doen wat er voor je leven en welzijn nodig is, bén je er alleen maar, je LEEFT, (MET HET OOG OP JE ENTELECHIE, in vrome termen: niet voor de wereld, maar “voor ‘Gods aangezicht’, waarbij ‘god’ in hedendaagse termen beschreven: ‘de schrijver in DNA van ieders genencombinatie’ is) je neemt nog niet deel aan het spel. Je bent economisch en maatschappelijk en voor de beschaving / civilisatie nog van geen enkele betekenis, ja: de ruimte die je inneemt is verspilde ruimte. Verspild zoals ook het in een oude sok onder de matras bewaarde geld.
Het verbouwen van meer dan je nodig hebt om van te leven is het aanmaken van eigendom waarmee je zo’n zet kunt doen, zo’n zet, waarbij je de verdeling van ‘wat eigendom kan zijn’ verandert, meer ongelijk maakt in jóuw voordeel. Je doet dat al ruilend, - alle ruilen gaat nu via geld en heet ‘kopen – verkopen – handel drijven’, maar dat geld maakt geen wezenlijk verschil, het werkt alleen maar katalytisch: het doet zelf niet mee aan het veranderen. Dat zichzelf en elkaar rangschikken als eigenaar, op de dimensie ‘hebben’ (en zich kunnen veroorloven en anderen voor geld kunnen brengen tot gedrag) door produceren en ruilen is het spel. Monopoly© is een spel dat een indruk geeft van enkele handelingen in dat spel. Monopoly© gaat over bestaand vastgoed. Monopoly© geeft de gelegenheid te voelen wat de ideale gebruikte strever voelt en de Monopoly©speler krijgt zijn gedachten bij waar die strever ze heeft. Het is voor onderwijsdoeleinden een zeer bruikbaar spel, juist ook om de leerlingen er op te laten komen waar hun gedachten door het spelen van áf geleid zijn (1) en wat er in het spelen van dit spel vanzelfsprekend is aan wat ‘in het leven’, bij doordenken, absurditeiten zijn (2).
Het gaat bij dat onderwijzend gebruiken van spel (Monopoly© én andere spelen, ook sporten) om het zichzelf bezig ‘zien’ zonder spiegelgebruik, wat men dan wel ‘reflectie’ noemt. ‘Zien’ is hier dus ‘zonder de ogen’ ‘bij het ervaren sprekend’ ‘zien’. Het is dít ‘zien’ waar Kant op duidt als hij het aanschouwen zonder begrippen ‘blind zijn’ noemt.
Ik ergerde me dezer dagen blauw aan het feit dat het lezen van dit boek van Heinsohn me terugtrekt naar het uitleggen van dit soort dingen, die ik al vele jaren geleden uitschreef. Uitschreef, maar niet publiceerde. Ik zie geen nut in het bij leven publiceren van wat ik uitschrijf. Ik hoef mijn teksten niet te gebruiken als ruilmiddel voor mijn voedsel, kleding, woning en ander noodzakelijks dat geen rang geeft. ‘Noodzakelijks dat geen rang geeft’ is, zo zagen we boven, een pleonasme. Omdat je alleen als inbrenger van nieuw eigendom het spel op gang houdt, ben je in de visie van wie spelen en van wie parasitair, -als aandeelhouder – van het spelen van die anderen leven-: WAARDELOOS, als je alleen maar LEEFT, als een dier (nee, niet ‘als een beest’, dat soort beesten groeit uit, volgens Rousseau goed uit de handen van de schepper gekomen, kinderen. Ik hou het er op dat wat Rousseau hier stelt vele malen meer waar is, dan wat de door Heinsohn in zijn boekenlijst opgenomen Hobbes poneert. Van de aan te treffen mensen in de civilisatie zijn er velen die walging wekkend gedrag vertonen: dat is ‘onbewezen bedorven’ én dat is ‘onbewezen ‘van nature slecht’’.)
Dieren spelen niet op de wijze van de in de civilisatie aanwezige (minstens in deeltijd gebruikte, op buitenbesturing staande) mensen. Als we van jonge dieren zeggen dat ze spelen, doen ze dat zoals onze onbedorven kinderen: niet om rang. Er wordt in het dierenrijk ook niets gevestigd, er is geen toekennen van gezag, er is alleen intimidatie en geïntimideerd zijn. Maar waar geheerst wordt, is dat onder constante uitdaging van de opkomende, fysiek sterker wordende mogelijke leiders-beschermers. Maar denk nu niet dat ik “denk” dat er enig ‘goeds’ in de natuur is ingebouwd. In de natuur raakt ingebouwd wat ‘het sterven voordat er voortgeplant is’ niet bracht. Niet: wat het sterven voor het komen tot de voortplanting verhinderde, maar wat dat sterven niet brácht. Het wemelt van de voor het voortbestaan totaal nutteloze verschijnselen en gewoonten. Elk ‘om te’ in de commentaren bij de natuurfilms is verdacht, waarschijnlijk ondoordacht, en misplaatst.
En dat is niet alleen bij natuurfilms het geval, maar ook bij commentaren bij het gedoe der mensen in hun wereld. De wereld, dat is het door de dat spel spelende mensen gebruikte deel van het aardoppervlak. Voor details: zie het kadaster en de aardrijkskunde. Ook de stand en gang van zaken in de wereld, in dat spel, in dat spelen, is zo gekomen: niet door nut, maar door ‘net niet dodelijk zijn’.
Wat doodvoorkómend was, en als zodanig opgemerkt werd, wordt in de natuur door Moeders onderwijzend doorgegeven.
Dat doodvoorkómende heet ‘het goede’. Het is een absurde gedachte dat de mensen iets anders ‘goed zouden vinden / weten te zijn / onderwijzen’ dan dát. Formuleer het maar, het tegendeel.
Die hoofdletter van Moeder geeft aan dat het werpen van een kind nog alleen maar de gelegenheid schept voor de betrokken vrouw om Moeder te worden. Zie ergens het verhaal van onze poes, die niet ‘wist’ hoe ze haar jongen moest versjouwen, maar dat leerde.
Dat doodvoorkómende (gedrag, voedends en ‘geneesmiddelen’) heet ‘het goede’. Wát zou iemand die zijn verstand gebruikt* en dus zijn entelechie als richtsnoer (als één van de twee factoren van zijn gedrag heeft, gedrag is ‘het gekende van de eigen entelechie’ maal ‘het gekende van de omgeving’; pro memorie: let wel, gekend ≠ bewust / geweten / beseft) heeft ánders ‘goed’ noemen?
* die zijn verstand gebruikt, en niet alleen door gevoelens gedreven binnen de wereld, puur spelend, alleen spélers van zijn kinderen maakt (De vader van Michael Jackson als schoolvoorbeeld. Voor meer voorbeelden die Dr. Phil en Oprah. Nóch is dit alles namelijk een geheim, nóch ontbreekt de afkeuring.)
‘Bemoederen’ (Moederlijk onderwijs geven) noem ik dat doorgeven van het goede: ‘je’ moet rekening houden met 1. je entelechie (denk aan de voor gluten allergische) én 2. met je omgeving ( in dit, ons, huidig, geval toevallig ‘de tolerantistische liberalistische democratistische wereld’, maar die is toevallig, zo toevallig als ‘het Noorden’ voor de Eskimo’s en ‘de stad’ voor stedelingen. Wie van het platteland gaat en in de stad gaat wonen ervaart dat toevallige).
Van naastenliefde (de drijfveer van die barmhartige Samaritaan) is Moederliefde een voorbeeld. Naastenliefde is een uitbreiding van Moederliefde over iedere soortgenoot die het daar dan even niet zelf kan. De naaste houdt van die ander als van zichzelf: dat wil zeggen: hij besteedt txaenz om díens genencombinatie de gelegenheid te geven optimaal-entelechisch te gebeuren. Verzorg de brandwonden, voorkom later lijden aan massa’s littekenweefsel. Dát is naastenliefdepraktijk.
De Eigenliefde (onverenigbaar met egoïsme, dat is wat ‘rücksichtslos’ doet spélen in de wereld) en de naastenliefde zijn gericht op de concrete aanwezige genencombinatie die aan het gebeuren is, NIET op het voortbestaan van ‘de soort’, ‘het leven op aarde’ of een andere abstractie.
Het zó worden dat ik deze tekst kan uitschrijven heeft tig jaren genomen. Ik heb niet de illusie dat een lezer meteen ook zo wordt, ook dit gaat kunnen.
Er is voor deze wereldverwerpende houding in de media, zo er al ooit naar verwezen wordt, alleen onbegrip en verachting. Een levensgenieter is een consument van onnodigs. Dat het doen en nemen (eten en drinken en inademen) van ‘slechts’ het biologisch nodige (in de gegeven omstandigheden, zijnde voor ons hier nu: de wereld van de spelende anderen), via ‘endorfinen’, DE lustvolle manier van gebeuren levert, is geen gangbare gedachtegang, laat staan praxis of ervaring. Het is ook geen onderwerp van onderwijs.
Alles gebeurt gewoon. Alleen binnen het spel is er daderschap, de beschrijvingswijze van het spelgebeuren is het heroïsme. Zie de geschiedenisboeken met al die portretten.
Het afschuimen van de goten om daar de verliezers in het spel uit te halen (Moeder Theresa) is niet doeltreffend als het welzijn der levenden je doel is. Dát doel, - het doel van Jezus -, wordt getroffen door het ín ‘wat je hebt aangeleerd’ overwinnen van ‘de neiging tot deelnemen aan het spel in de wereld ’. De anderen ertoe brengen het hele spel te stoppen of te veranderen treft dat doel niet.
Wat ook niet kán, is het bereiken van een vol-uitgeleefde entelechie voor alle ontstane genencombinaties: planten verdringen elkaar van zonlicht en meststoffen/ minerale, en dieren leven van het eten van andere genencombinaties, door dat eten de genencombinaties in kwestie vernietigend. Het is niet anders. Alleen het aanmaken van artificieel voedsel zou óns, mensen, daar buiten kunnen plaatsen, onszelf er buiten plaatsen, niet: er een eind aan maken. Er komt vanzelf ooit een eind aan, over een miljard jaar zéker, (of wat vertelde ‘Discovery’ ook weer?).
Die truc van Jezus, hoe beperkt tot de mensen ook, hoezeer vrij van natuurbestrijding en van de neiging tot scheppingsverbetering, dwong het keizerrijk (= de wereld) tot het aanmaken van de roomse kerk en die tot het invoeren van het ‘rooms (= via een bril van theologische verzinsels) lezen’ van de bijbel. En zó lezen zelfs de atheïsten van tegenwoordig die bijbel nóg.
En ook Heinsohn neuzelt over ‘lustvijandigheid’ van de kerk, de christenheid. Nee, niet tegen de lust, want die komt van de endorfinen, maar tegen de door overwinnen en heersen ontstaande luststof, die immers druk op (= het onderdrukken, verdrukken van) anderen, naasten vooronderstelt, nodig heeft. Het is die lust die in het spel de eindbeloning is voor de mensen die winnen en zich minderen aanschaffen en zegevieren en die wij, na de tweede wereldoorlog ‘fascistisch’ leerden noemen.
Ik hoef echt niet paranoïde te zijn om te zien dat ik waarschijnlijk geen vrienden zal oogsten met het publiceren van mijn (in het bovenstaande weer eens tot uiting gekomen) kijk op de stand en gang van zaken om mij heen. De democratistische lezer zal mijn tekst aan mij vastnieten als mijn mening en die dan respecteren. Waarbij ‘respecteren’ álles kan betekenen, behalve: gebruiken om (om ze te bestuderen met gebruikmaking van de door mij gebruikte ‘taal’*) naar de zaken te gaan waarbij mijn uitspraken werden gedaan.
* ‘taal’: de woordbegripcombinaties, de onderscheidingen, de a:b=c:dverhalen (gelijkenissen), enz.
De eventuele lezers hebben de hén bekende zaken als op hún eigen, dáár werkende orde. Ze leven immers. Als er in hen een drang om te veranderen zou zijn, dan waren ze al aan veranderen bezig.
Ik heb zelf wel aan sommige teksten wat gehad. Vrijwel alle ‘taal’ waarmee ik denk / uitschrijf / spreek bij ‘wat ik opmerk’ ( ‘wat mij in het oog springt’) heb ik tweedehands. Wat dat (tweedehands) níet is, zoals ‘txaenz’ moet de lezer sowieso opzoeken, maar ook wat wél tweedehands is, is slechts voor wat betreft het wóórd / het verhaal (Rob. Crusoe / het leven van Jezus) bekend, NIET bekend is wat voor míj de kern van de woordbetekenis (resp. dat verhaal) is. Dat is in mijn verzamelde opstellen wel te vinden, maar vrijwel iedereen zal zeggen dat het doorwerken van zoveel tekst, zelfs met de zoekfunctie van de computer, een grote barrière is. En de txaenz is kostbaar: over enige tijd is er weer een uitzending die ‘je’ gezien moet hebben en/of die ‘je’ boeit.
Jaap Schot, 11 januari 2007
Het gaat allemaal nergens over. Of er nu leven ís, in feite, of niet. Het zit er als mogelijkheid in, van ‘kristalliseren’ en ‘leven’ is dat nu voor ons waarneembaar dus bewezen. Nou èn? Er zijn waarschijnlijk nog allerlei dingen mogelijk, die wij (nog) niet aantroffen of aantreffen. In een voor zover wij weten leeg heelal is er niemand die er wat om geeft.
Als we de relatieve afmetingen van ruimte en tijd, de afstanden en de duren, tot ons laten doordringen, zien we onszelf als mieren die zich onderling druk maken over het land en zelfs de nationale staat waar ze wonen. Hun geluidjes en bezigheden slaan helemaal nergens op.
Het moge zo zijn dat het verbranden van fossiele brandstof het veranderwerk van wie voor ons leefden teniet doet. Wat betekent dat dan? Antwoord: dat de omstandigheden terugkomen waaronder toen ‘het leven’ massaal ‘aanwezig was’, gebeurde en groeide en veranderde (evolueerde).
Het moge dan zo zijn dat de oplossing voor het vraagstuk van de klimaatsverandering gelegen is in het weer binden van de CO2, het is ook zo dat wij, mensen, “een in zichzelf verdeeld huis” zijn, en dus niet kunnen bestaan. Geen enkel voornemen van wie dan ook, kan worden uitgevoerd, hoe doeltreffend het ook zou zijn, indien uitgevoerd. De één z’n doel is de ander z’n tegenwind.
Als we zouden laten zien op televisie, dus met geanimeerde driedimensionale beelden waar de diverse bronnen van CO2 zijn te vinden (1) en waar, hoe en waarom wie de planten (= de opslag van CO2 in organisch, weer fossieleerbaar materiaal) worden bestreden en verwijderd (2), dan zouden we daar zíen dat het overgrote deel van de oorzaken totaal onnodigs betreffen.
‘De mens’ heeft door de civilisatie zijn LEVEN vervangen door gebruikt worden. Eerst andermans LEVEN en nu, door democratisering, ieder z’n eigen LEVEN, ‘koninkje’ spelend. “Ik ook” en “Nu ik” zijn de erbij behorende kreten. Genieten!
Eenmaal zo afgesteld, zijn ze totaal onaanspreekbaar. Iedereen is ook op de hoogte van de zinloosheid van het feit dat hij gebeurt. En van het feit dat hij gebeurt, dat er van ‘doen’ slechts sprake is. Sprake met woorden die van niets aantrefbaars / onderscheidbaars de naam zijn. Woorden die zijn als wegwijzers die in de open lucht recht omhoog, de grote leegte in, wijzen. Er is dus ook niets zinnigs om ze mee aan te spreken. Of zij en/of hun mogelijke nageslacht gebeuren of niet, maakt geen enkel verschil.
Alarmeren suggereert de gealarmeerde dat zijn gebeuren (voortduren) zin heeft, moeite waard is: zíjn moeite én de moeite van de van de waarschuwende. ‘Moeite’ is de naam van alledag voor txaenz.
Maar iedereen weet, dat de alarmisten van nu ons niet alarmeren uit naastenliefde jegens ons, hun hoorders. Dit alarmeren is geen functioneren in een groep, zoals bij stokstaartjes. Ónze alarmisten over CO2 proberen te profiteren: de CO2angst is diverse industrieën (de atoomenergie - industrie voorop) als wind in hun zeilen. [Werden de aandelen in de Russische Spoorwegen ook niet even weer wat waard, toen de Operatie Barbarossa pas was begonnen? Het zou me verbazen indien niet.
Elkaar verzekerend dat ‘wat gebeurt’ door de Ene God gedaan wordt, pletten de eerste christenen de maatschappelijke hiërarchie. Voor God zijn alle mensen gelijk en de keizer is geen god. En ook het abstracte (het geld, de koopkracht en de geweren waaruit die dwang die deze kracht is, stamt) is niet een god naast God, maar hoogstens een afgod. Macht is macht, geen recht en geen gezag. Gedwongen worden is ongelijk aan verplicht zijn. De dwingende ander is niet anders dan de tot klimmen dwingende boom met hoog hangende vruchten. De als maatschappelijk wezen functionerende mij dwingende ander is een dingelijke, voorwerpelijke, objectieve, onpersoonlijke durende gebeurtenis. Ik ben er als christen niet op betrokken, op die schil van aangeleerds om die ander als schepsel (in modern jargon: door God in DNA geschreven genencombinatie) heen. Ik leg Jezus in de mond: het verzoek om die spijkerende sukkel te vergeven, omdat hij niet weet (slechts KENT) wat hij doet. Hij KENT, want hij is niet in coma, niet in coma. Wél onder hypnose, want dat is de term die het dichtst komt bij de onverlichte staat waarin de mensen in de civilisaties leven. ‘leven’ = tot gebeuren gereduceerd LEVEN. Wie LEEFT staat op binnenbesturing, entelechie (a) maal ‘kennis van de actuele omgeving, manna – waarheid’(b) bepalen het vermenigvuldigingsproduct (ab) dat zijn gedrag ís. Wie leeft, staat op buitenbesturing, hij doet alsof hij door een god (met name: de koopkrachtige en politiek machtige anderen ) gedaan, gebruikt wordt. Zijn gedrag is als vallen: de uitdrukking ‘hij valt’ klinkt ook even actief als ‘hij fietst’. Maar het verschil tussen die twee is zoals het hier bedoelde. Het vallen wordt ondergaan, het fietsen gedaan. Het fietsen in het kader van ‘de Tour’ is als vallen.
Jaap Schot, 12 januari 2007
Een vreemde dag vandaag. Ik ben wat áfgeleid (van waar ik 26 dec. 2006 aan bezig was)
- door het boek van Heinsohn (ß Pieter) én
- door een boek dat ik gister kocht (een flodder over taalgebruik) én
- door Ineke’s avonturen én
- doordat ik gisteren een buurman zag die een beroerte heeft gehad wat me later die dag op het idee van het toepassen van mijn blokjes voor de revalidatie bracht.
Wat ik merk is
- dat ik medewerkers mis. Ik heb ideeën waar werk uit voortvloeit.
- Dat ik behoorlijk ver ben gekomen, al doordenkend (verder denkend en analyserend en structuur ontdekkend), voor(geraakt)
- op wat ik aantref in boeken,
- in tijdschriften en
- voor televisie.
Het is en blijft gemodder, ‘dat wat de mensen doen’, want er is geen doel van of met de gezamenlijkheid der aanwezige genencombinaties (entelechieën).
Eén voor één hebben alle genencombinaties een entelechie.
Die entelechie is een concept, een naam voor iets dat gepostuleerd wordt achter of onder aangetroffen veranderingen in gedrag en gevoel. Aan het concept ‘entelechie’ liggen verschijnselen ten grondslag, zoals vallen ten grondslag ligt aan het concept ‘zwaartekracht’. Maar een entelechie van de biomassa is een verzinsel. “Tot eer van de Schepper”, zeiden de priesters.
Zien we toe, dan merken we dat de genencombinaties elk anderen in de weg zitten. Het gewoel van de levenden is één groot verdringen, voor de neus weg kapen en verslindend vernietigen. Anderen teniet doen is gewoon een aspect van ‘gebeuren als levende’.
Het getuigt niet van intelligentie dat te keuren: nóch toejuichen, noch verwensen en schelden zijn hier gepast. Alles is (= gebeurt, bestendigheid, ‘bestaan’ dus, is een verzinsel, is niet aan te treffen, slechts denkbaar) zoals het is en daarnaast een wensplaat houden is niet zo erg intelligent, het produceert alleen emoties en gevoelens. Emoties en gevoelens zijn riolen waardoorheen overigens goede, nog ongebruikte txaenz afgevoerd wordt.
Ik geef nergens meer om. Alles gebeurt alleen maar, er zijn geen daders. Elk veronderstellen van daderschap genereert naast een gram dankbaarheid tientallen kilo’s kwalijk nemen, schuld schuiven, wrok, vijandschap. Dat is alleen een andere manier om te verwoorden het zojuist gezegde: dat de levenden
- elkaar in de weg zitten, zowel als
- voorwaarde zijn voor elkaars ‘kunnen gebeuren’: zonder prooidieren geen roofdieren. En prooidieren zonder roofdieren en ziekten zouden elkaar al verhongerend verdringen. ‘Kunnen gebeuren’ = gebeuren. Want: kunnen en gebeuren vallen samen, niets wat kan, laat na te gebeuren. ‘kunnen gebeuren’ is dus een pleonasme, zoals witte zonbeschenen wolken, die witte sneeuw uit het oude schoolvoorbeeld voor pleonasmen is niet zelden wat grijs, tegenwoordig).
Verlossend en bevrijdend, werkt het inzicht dat er van daderschap slechts gespróken wordt (en wel binnen het spel der geciviliseerden). Het spel der geciviliseerden is het door middel van hersenschimmen / verzinsels vertelde en gespeelde verhaal dat de mensen onderling gerangschikt zijn aangetroffen en dienen te zijn en te blijven. Aan het gerangschikt houden, een artificiële toestand, is ononderbroken veel werk.
Voor ons, binnen een (i.c. deze) civilisatie geborenen is dat ‘aangetroffen hebben’ waar. We zagen ze nooit anders dan gerangschikt, de anderen, de grote mensen, alle mensen waar ooit naar werd gewezen en verwezen met enige positieve waardering. En die waardering betrof en/of vormde (stelde, constitueerde) hun rang, hun eer, hun aanzien. Heroïsme heet dat.
Wij zagen anderen derden bewonderen en leerden dus ‘opzien tegen’ en bij mij was dat grootstendeels: vrezen. Ik ben bang voor macht, wie ze ook krijgt, hij zál ze ten kwade gebruiken, want het goede gebeurt door ándere krachten: van binnenuit de genencombinaties komende natuurkrachten. Het is grote onzin om het natuurgebeuren af te keuren, voor deze of gene (roofdier of prooidier, winnaar of verliezer) partij te kiezen. Inclusief het opgevreten worden van prooidieren door roofdieren is ‘wat gebeurt’ verheven boven elk beoordelen, elk keuren, elk loven, elk laken.
Er gebeurt alleen ‘wat er gebeurt’ en dat is: ‘dat wat er kan’. Elk wensen van iets anders dan er gebeurt is wensen van het onmogelijke en dat is dwaas. LET OP: Wat je doet, wens je niet, dat doe je.
Het is pure woordklopperij om te zeggen dat ik de toetsen die ik nu aansla wens aan te slaan. Dat is schuim, nee minder dan schuim: schim, hersenschim.
Ik doe wat ik doe omdat ik het kan (de “redenen” heb, de “motieven” , de vaardigheid, de gelegenheid en het over mijn hart kan verkrijgen, enz.) EN NIET IETS ANDERS KAN HIER NU.
Álles over wat ik doe is uitputtend beschreven met ‘dat ik het doe’. Maar er is enorm veel sprake bij. Betekenisloos geluid, woorden, die niets aantrefbaars benoemen, naar niets wijzen wat ooit ergens te vinden was, is of zal zijn. Spel begeleidend geluid.
Waartoe al dat lawaai? Antwoord: om de aandacht van de geweren af te leiden waarmee wij, gebruikten, bedreigd worden. Niet langer door de adel, de erfgenamen van de overwinnaars, maar door diegenen die toevallig zich wisten te laten benoemen tot bezetter van een beslisserstoel. In hoogheid gezetenen. De gevaarlijken met gezag, die doorgaan voor beter dan de ‘warlords’, de aanvoerders van statenloze groepen gewapende rovers. Het is een misverstand te menen dat er van die gezagsdragers geen initiatieven tot wangedrag uitgaan en dat zij niet op instigatie van kwaadwillende lobbyisten hun macht gebruiken.
Maar ook zij gebeuren slechts. Er is geen reden hen te beschuldigen, zo min als er een reden is om hen anders te zien dan als machtig (= ‘over gewapenden bevelend’ ≈ ‘door bewapenden gebruikt als boegbeeld en/of condensatiepunt van hun uit hun geweren komende macht’), als gezag TOEGESCHREVEN (van onder af, of door een boven hen staande verleend) GEKREGEN hebbend bijvoorbeeld, als bewonderenswaardig, als eerbiedwaardig.
Het zien van het spel is ongelijk aan het wegdenken ervan.
De spelhandelingen gebeuren, net als alles wat buiten spel gebeurt. Veel schakers verplaatsen stukjes hout. Dat is te zien. Het is zo echt als wat dan ook. Alleen hun bewustzijn is met iets totaal anders gevuld.
Machthebbers gaan met gebruiksmensen, slaven, menselijk vee, onderdanen, loonafhankelijken, ingezetenen om zoals schakers met schaakstukken: met een bewustzijnsvulling (gedachten hersenschimmen) die, een spelgebeuren, dat totaal niet te achterhalen en/of te vermoeden is voor een intelligentie (buitenaards of nieuwgeboren) die de taal niet heeft geleerd. Niet alleen schaken en alle andere spelen moeten worden geleerd: ook alle esthetische oordelen, alle ‘smaak’ en telkens weer; de mode.
Ze drijven de gebruikten tot wedijverend draven en balspelen doen en schepen hen daarna op met schuldgevoelens over de verslijtende grasmat. Nu is het weer de klimaatsverandering die de zonde is waar de gebruikten zich aan schuldig kunnen voelen. De weergoden zijn vertoornd, bekeert U, offer wat U als uw gemak, uw luxe, uw troost hebt leren zien in onze motiverende verhalen vroeger. Maar laat niet na ons te dienen door te werken voor energieverslindende vliegvakanties enz. En laat niet na de mode te volgen, want dat is de motor. Wij parasiteren door een laag percentage te nemen zonder tegenprestatie van elke ronde waarin U opnieuw produceert. U produceert het nodige zó, dat het door het veranderen van de mode moet worden vervangen lang voordat het versleten en onbruikbaar is. Het is het draaien van de economie waarin het binnensoortelijk parasiteren (à het ongelijk verdelen à rang à veiligheid voor spot en minachting en minder goede behandeling) zijn huidige vorm heeft.
Dit gebeurt. Het wordt door iedere aanwezige gekend. Het wordt namelijk waargenomen, maar met de verkeerde begrippenapparatuur: een vals bewustzijn, dat Kantiaans blind maakt: de deelnemers aan deze civilisatie zijn ziende blind (kennende onwetend à niet in staat
- het aan hun kinderen uit te leggen,
- het aan te wijzen anders dan als geheel (= het te analyseren).
Het is overduidelijk dat, - áls er tegenmaatregelen en/of voorzorgsmaatregelen t.a.v. de klimaatsveranderingen nodig zijn, dat daden van de gezamenlijkheid moeten zijn. Daarvoor is ‘staat’ nodig en niet, zoals de VVD c.s. voorstelt: minder staat, minder belasting, staatsschuldvermindering e.d. onzin meer. Wat nodig is, is dijkversterking, rampenplannen en oefeningen daarin. Een totaal andere manier van spreken bij wat er gebeurt, “een ander bewustzijn” (ongelukkig uitgedrukt).
Hoe doe ‘je’ dat? Door reclame en propaganda stil te leggen en uit te leggen wat er aan de hand is. Waarheid. Niets anders.
Maar wat zou de mensen kunnen motiveren tot dit veranderen? Het ermee bereikbare doel is het overleven van a.s. rampen. Maar er is geen ‘zin’ in overleven, want LEVEN is zinloos en de gebruikte mensen hebben allemaal een van hun entelechie vervreemd bewustzijn, ze denken (zie de VVD leuze van tegenwoordig) van hun leven iets te moeten maken. Het LEVEN is van zichzelf, uit zichzelf, zichzelf, boven alle beoordelingen verheven. Zie boven. Maar dat snappen ze niet. Ik heb het bovenstaande nergens in druk of voor televisie aangetroffen. En overigens, wat zou dat dan nog?
Her gaat allemaal nergens over. Het zal allemaal gebeuren zoals het gebeuren zal, wát ik ook zou menen, vinden, denken, voorstellen, enz. Het is hún wereld, zij hebben tenminste die voorstelling van deze zaak. In feite zijn er nergens daders. Alles gebeurt gewoon. Punt uit.
Je zorgen maken is de achterkant van ‘in de waan verkeren dat je wat kunt doen aan wat nog niet binnen je bereik aan het gebeuren is’. Dat is een waan. Je kunt slaan naar een mug die om je hoofd zoemt, maar de mug van komend jaar is nu niet te bestrijden.
Een einde aan het vals bewustzijn is het beste rampenplan, omdat het niets veronderstelt en verwacht en fantaseert, maar op ieder moment alle txaenz op topkwaliteit zal hebben. Zó hebben ‘we’ (“de mens”) al die honderdduizenden jaren geleefd en overleefd.
Het afleggen van alle geloof en alle gevoel, dat zal niet gebeuren. Integendeel.
Het is het uiten van de kreet van schrik, van verontrusting, van opwinding, waar de waarschuwende stokstaart wat aan heeft, zijn gebeuren aan belééft.
Beleven dat je gebeurt.
Gebeuren doet het mechanisch bewegen van het horloge ook. Menig lezer zal er voor naar een museum moeten, om een mechanisch uurwerk of welk ander mechanisme dan ook, te zien. Een mechaniek beleeft zijn bestaan evenmin als een vuur. Er is daar alleen gebeuren, want er wordt door óns, het taaldier, daar niet meer, zoals vroeger en nu nog door dichters, van ‘doen’ gesproken. Eén van mijn leraren aan de universiteit sprak spottend van het tijdaangevend vermogen van een uurwerk. Wanneer we spreken van drijfveren in ons, nu ja, in andere mensen, dan doen we iets soortgelijks. We praten maar wat aan. Dat kan geen kwaad, maar voor de moeite (dat is de volksnaam voor txaenz) die spreken en luisteren kosten, zou ik toch wel iets meer willen dan ‘geen kwaad’, enig goed bijvoorbeeld. En dat (enig goed dus) is zo eenvoudig te bereiken. Het is te bereiken door op de gebruikte woorden te letten. Een woord is een woord door ergens naar te verwijzen, zoals een wegwijzer een wegwijzer is door naar een plaats te wijzen. Het spreken is geen musiceren, geen, door conditionering bij de hoorder emotionerend gemaakte geluiden maken dus. Want dát is ‘muziek’. Leeg (= betekenisloos, nergens naar verwijzend) geluid, dat voor de hoorder emotionerend is geworden door associatief leren. De melodie die werd gespeeld toen X (waarbij X dan een belangrijke gebeurtenis is). Je moet wijn léren drinken, je moet muziek léren waarderen. Je moet woorden léren gebruiken. Dit zijn allemaal aangeleerde kunstjes. Onderwerploos, per tijd en plaats en groep verschillend, doordát er niets in de objectieve, niet verzonnen, niet gespéélde, werkelijkheid is, dat het voor allemaal gelijk maakt. Er zijn heel veel dingen voor alle mensen (en dieren) gelijk op de hele aarde, door de tijden heen, altijd, overal. Wij schrikken van onverwacht hard geluid. Zoet gaat vóór bitter, als er gekozen moet worden. Enz. Wat wij, mensen, ‘goed’ noemen, is overal en altijd één en hetzelfde: waarschuwen als het nodig is, maar geen vals alarm geven en geen vertekening van het bericht, dat moet passen bij wat de melder waarneemt. Waarheid is voor alle mensen altijd en overal boven alles de eis. Anderen helpen om door een tijdelijk het zelf niet aan kunnen heen te leven, te overleven en weer tot LEVEN te komen. Allemaal voor iedereen op aarde altijd ‘het goede’.
Wat is het hangen van hangjongeren? Antwoord: het is het nergens aan bezig gehouden worden van jongeren die geen cognitief (kennend, laat staan wetend, maar slechts een voelend) contact met hun entelechie hebben. Hun omgeving bevat niet de dingen die onmiddellijk hun neiging tot wat ook zou opwekken. Door te zuipen (alcohol) en te blowen veranderen ze zich voor elkaar in wat ze wensen: aanwezige paringswillige soortgenoten of als dat niet lukt: vatten ze het plan op ‘iets te doen’, wat vrijwel steeds het vandaliseren van iets is (het uit de weg die er niet is ruimen van iets dat daar ligt) of het jagen op iemand die als een exemplaar van een andere apensoort wordt opgevat, even. Kortom het gedrag van chimpansees.
Wat is er mis als je jongeren ziet hangen? Antwoord: een overmaat aan luxe. Wat ze nodig hebben is nood: dingen die ze moeten doen (eten, drinken, zich in veiligheid stellen) en die ze gegeven de omstandigheden slechts met grote moeite (= het besteden van veel txaenz) kunnen doen. Ze komen óm in hun txaenz. Dát is hun probleem.
Ze zijn door de ondernemers (de erfgenamen van de ooit overwinnaars, de adel, de slavenhouders) beroofd van de mogelijkheid om hun txaenz te besteden aan wat ze nodig hebben (dus moeten nemen) en aan wat ze nodig moeten doen. Als componenten van Koning Klant worden en werden ze de invaliditeit in gediend. Nee, het zijn niet de ondernemers die hen dienen, integendeel, gediend worden ze door medegebruikten (anderen die in deeltijd, hun txaenz niet uitputtend, ‘werk’ nemen van de ondernemers, de werkdóórgevers. Dóórgevers, want zij leven van het gokkend tussen klant en werknemer=werkende in staan.)
De tegenzin der gebruikten tegen het op buitenbesturing staan en moet gemaakt worden leidde tot hogere lonen, die tot specialisatie, intimiderende kwaliteitsverschillen, machines, robots, efficiëntie enz., en die tot het zich staan te vervelen van deze reeds gevoede, uitgeruste, gelaafde nu tijdelijk ongebruikten. Ongebruikt zijn, tijdelijk, heet ‘vrij hebben’. Niet dat hier zorgvuldig wordt beseft dat vrij zíjn geheel iets anders is en (zie de situatie van Robinson Crusoe) zou inhouden óf aan rusten toe zijn óf nog wat nodigs te doen hebben. Dát is de omgeving waarvoor ‘de mens’ is passend geworden, in de loop van honderdduizenden jaren veranderen (evolutie). De paar duizend jaar civilisatie (slavenhouderij) zonder (vóór het zich voortplanten reeds) dodelijk zijn van ‘zich vervelen’ heeft tot gevolg dat er nu hangjongeren zijn.
Dezer dagen nog hoorde ik iemand vaststellen dat het opvangen van jonge zeehondjes door Lenie ’t Hart de wilde populatie zou verzwakken doordat door zwakte ten dode gedoemde exemplaren er ook in terug zouden komen en niet alleen overigens gezonde ‘pechhebbers’. Ja, ja, het is me een gezond inzicht. En hoe doen we dat met ‘de mens’? Inderdaad. Wij hebben de mond en de mediaoutput vol van de overtuiging een dier als alle andere te zijn, biologisch, maar bovendierlijk wensen we in ons gedrag en onze zelfwaardering te blijven. Belachelijk.
Ik hoorde dat een 220V gloeilamp, zoals wij die hier gebruiken, in de USA, waar ze 110V gebruiken practisch het eeuwige leven zou hebben. Dat wil zeggen dat in het kader van de energiebesparing dáár “onze” gloeilampen dienen te worden verkocht in plaats van de hunne. Dat scheelt alle energie die door hun gloeilampenfabrieken et annex wordt verbruikt. En zo zijn er nog wel een paar besparingen te vinden, waar geen enkel zondebesef van consumenten-gebruikten voor nodig is.
Maar wat we hier zien is dat er geen zaken worden gezien en opgelost, maar een spel (rangschikken) wordt gespeeld. Iedereen KENT dat feit, LEEFT er onbewust in, er wordt niet bij gesproken op beschrijvende wijze (= geleid door het opgemerkte van het ons gegevene van het gebeuren). Dat “willen” “wij” niet, “wij” “willen” ons rangschikken en daarbij praten, spreken, loven, juichen en in het kader van het elkaar proberen te ontmoedigen: klagen, beschuldigen, somberen.
Mijn god, wat een massa stakkers. Maar pas op: we hebben het verhaal over Jezus van Nazareth, die de fout maakte tegenover deze stakkers zachte gevoelens te voelen (met innerlijke ontferming = met zacht worden ‘als denker à handelende, inclusief sprekende, meldende, aanwijzende). Hij werd vermoord. Daarmee verviel zijn boodschap niet en de heilige geest van het doorhebben (in dit geval van: dat de priesters parasiteerden op het volk, door, - misbruikend de goede wil van de gelovigen -, de letterlijke tekst in de plaats van de bedoeling ermee te stellen: orthodox voorlezen / uitleggen, precies zoals de roomsen het later deden met de (toen al honderd en meer jaren oude) geschriften van de eerste christenen.
Een Joodse profeet is iemand die aan díe werkelijkheid (exacter: het hem daar aan oppervlak van gegevene) zijn txaenz besteedt, waarbij de bijbelschrijvers (erdoor geleid) dachten (inner speech in zich hoorden met hun geestesoor / spraken / uitschreven). De profeet heeft het in de gaten, hoort in zich tekst, die hij als soortgelijk aan de bijbeltekst herkent. Hij praat niet na, hij praat niet mee, hij praat niet zonder dat hij het besprokene (= dat waarbij hij spreekt) ‘ziet’. Hij herkent het hij als een woord uit het heroïsme, het spel ‘dadertje’, dat de mensen van de wereld spelen. Hij ís (= kent zich) als niet de soevereine aanmaker van de tekst die hem invalt en hij probeert dat aan te duiden: ‘zó spreekt God:’ e.d. uitdrukkingen. “Iedereen blijven Gods woorden vreemd, behalve die ze van God zelf verneemt” (Martinus Nijhoff in ‘De kinderkruistocht’).
Ik kan het uitspreken en het uitschrijven, het te lezen geven en het publiceren nalaten, maar ik heb geen zeggenschap over wat mij invalt. Ik hoor het niet van anderen. Als ik zwijg ben ik alleen, solitair. En wie daar moeite mee heeft, met zíjn solitair zijn, niet met het mijne, die heeft wat aan het concept ‘God’ [God die mij doet, met mij is, enz. enz.].
Het is met dit ontmaskeren van ‘van daders spreken’ (à als wáren er daders denken) als met het opmerken dat de onvervormbare ruimte en de rekvrije tijd als concepten niet te handhaven zijn. De constantie van de lichtsnelheid was al heel lang bekend. Het is de zaak ertoe te komen de conclusie te trekken uit de bekende feiten.
In de natuurwetenschappen mag dit consequent doordenken, vooral als het met wiskundige formules wordt opgeschreven, de taal van de tellende geleerden, zoals Latijn ooit de taal was van de doordénkende geleerden.
Op ontelbare plaatsen zijn al schampende (niet door de oppervlakte heen dringende, niet indringende) opmerkingen te vinden waar het daderschapsconcept werd aangevlogen. Maar er wordt niet geland. Het is ook niet vrij gegeven. Er mag gesproken worden van mechanismen in het psychische, maar, enz..
Het ontkennen van het aangetroffen (onverzonnen) zijn van daderschap betekent, is, het breken van het spel van de civilisatie: het spel dat het onverhulde geweldplegen verving, niet door dreigen slechts, maar door geheel vergeten dat ‘we’ in een slavenhouderij ( ≈ gevangenis met levenslange dwangarbeid, onder een regime, met vrijheden i.p.v. vrijheid) zijn geboren. Wij werden niet vrij en ongerangschikt geboren, dat is een vrome uitspraak, een compromistekst, waarin ‘man’ staat (in de Engelse versie) en niet ‘human beings’, waardoor ook vrouwen er onder zouden vallen, maar dat zouden vele van de Verenigde Naties nooit hebben ondertekend.
Het is niet nodig om in een kwade bui te zijn, om te zien dat al die heilige kreten als democratie en algemeen kiesrecht, enz., enz., bedrog zijn, alleen toegestaan omdat het systeem er qua uitwerking niet door veranderde.
Jaap Schot, 14 januari 2007
- Als er feiten (1) en verhalen (2) in een begrippenverzameling op orde gaan liggen, (een) plaats nemen, binnen schuiven, dán heb ‘je’ een theorie.
- Het is bij feiten (1) aan / bij te wijzen, dat is: te bewijzen, dat gebeuren. Voor verhalen (2) is dat wijzen niet mogelijk. Van verhalen heeft de hoorder alleen zíjn opvatting / interpretatie. Bijvoorbeeld: ik vind het verhaal over het manna (in de bijbel) ineens zinnig als ik manna opvat als een ‘codenaam’ voor waarheid = kennis (die ‘je’ altijd zelf voor jezelf, als gegeven, neemt, en die niet houdbaar is: schoolvoorbeeld als ik nu uitschrijf dat ik uitschrijf wat mij aan tekst invalt, dan is dat waarheid, maar straks als ik douche is die uitspraak ‘ik schrijf nu hier uit wat mij invalt’ niet meer waar. Waarheid is niet houdbaar, niet te bewaren. Voor een zeur, ik merk zojuist dat dit nodig is, is een ander voorbeeld nodig, want ‘uitschrijven’ is een gewoonte van me, en dan blijft, zolang die gewoonte er is, enz.). Sommige mensen zullen mét mij zeggen: ‘ja, dat is een verklaring die het hele verhaal van Mozes en zijn volk ontdoet van alle noodzaak om het te geloven, zoals orthodoxen en sommige priesters dat doen: alsof het over iets buitenaards gaat. Ik denk dat Mozes een hoop gebruikte mensen bevrijd heeft en toen merkte dat die wat ik noem ‘op buitenbesturing stonden’ (ß waren gezet). Als ze geen bevel hadden, stonden ze, zoals in de tekeningen van Toonder, met hun hachje in hun handen, niet wetend wat er mee te doen. Hun txaenz wérd gebruikt door een baas, óf ze hadden vrije tijd. De baas wist altijd wat er waarom en wanneer en hoe gebeuren moest, en zij hadden dat dan te doen. Punt uit. Toen liet Mozes ze heel lang dagelijks zonder bevelen en tradities zelf kennis nemen van wat nodig was (a) en wat er in de omgeving aan de hand en dus wellicht deels voor dat nodige bruikbaar was (b). ZELF leven, dát moest Mozes de gebruikten aanleren. Heel veel dingen die er om dat verhaal over manna verzamelen heen staan, passen in deze opvatting van waar het hele ‘verblijf in de ongerepte natuur gedurende een volheid van tijd’ over gaat. Heel veel past er ook niet bij. De hele Joodse afdeling van de bijbel (het Oude Testament) is geschreven nadat ze hadden leren schrijven en dat was lang nadat ze deze verhalen hadden. En de schrijvende priesters waren óók bezig een samenhangend verhaal over alles wat ze wisten (wetenschap van toen) te maken (1) en waarin hun positie veilig werd gesteld (2).
- Sommigen zullen met mij zeggen: “ja, daar zit wat in, dat zou kunnen, zo is het zonder geloven, toch zinnig”. Vele anderen zullen zich niet laten overtuigen. [Wat ís dat oorspronkelijk eigenlijk? Zich een nieuw tuig, nieuwe leidsels, een nieuw bestuurmiddel, laten aanleggen? Ik zoek het nú op. En nee hoor, het gaat over getuigen, als voor de rechtbank, zéggen dus, en doen geloven. En uit dat geloof kan dan weer gehandeld (ß gedrag gekozen) worden.] Nou, liever niet dus. Geen buitenbesturing. En geen geloof, niet geloven, maar zelf kijken. Dat is nu juist de kern van de manier van in het leven staan, die ik heb en die ik bij Mozes niet ontkend vind. Wat maakt dat nu uit, wat die Mozes had of niet had? Niets dus.
- Niets dus, want: alle teksten zijn voor de lezer: geen bron van kennis. Zoals een televisietoestel geen verrekijker is. En een geheel-kleurenblinde is levenslang een zwart-wit-kijker. Zo merk ik elke keer als ik weer eens een boekje over taalgebruiken en/of over communiceren lees, dat ik stijlblind ben door een gebrek aan begaafdheid of door gebrek aan interesse. Ik ben ook retoriekvijandig.
- Ik ben ook totaal áfkerig van flaptekstgegevens. [Tenzij die het mogelijk maken om, - bij een natuurlijk onvolmaakte tekst -, sneller en beter
- het aangeduide, de lezer ter bestudering aanbevolen onderwerp te vinden en/of
- de wellicht voor de lezer ook in zijn omstandigheden te gebruiken begrippen en onderscheidingen te vinden.]
- Deze theorie van mij, waarin die feiten samen figuren dansen, in harmonie bijeen zijn:
- Mozes en Jezus zijn allebei kinderen van moeders, kinderen die daardoor onbevaderd door aardsen blijven. Ze worden als Orang Oetans: solitair, geen deel van een groep. Laten wij deze, door hun entelechie geleide groeisels uit kinderen o-o’s noemen. Vaderende ouderen maken van mensenkinderen chimpanseeachtige groeisels: groepsleden. Chimpo’s zij de korte aanduiding.
- Niemand haalde aan het hof van de farao of daarbuiten het in zijn chimpo-harsens om het knuffelprinsje van de zuster van de farao te bevaderen. Want ziet toe hoe bevaderen werkt: het is jezelf als bevaderaar macht verschaffen over wat het kind nodig heeft of minstens begeert. Het gaat er om het kind te frustreren in zijn ongestoord nemen of doen en dan het een of ander VOORWAARDELIJK te stellen voor het ophouden met frustreren. À la Skinner. Je mag, áls je dat doet. Dan zet een nog ongebroken kind het op een huilen, het roept bescherming in, want dermate onintelligent is geen kind, dat het niet doorheeft gefrustreerd te worden.
- Aan Jezus van Nazareth wordt in de mond gelegd dat hij God zijn vader noemde. Denk ik daarbij aan die tegenwerping van die priester-profeet aan wie de Israëlieten om een koning vroegen: “Gód is jullie koning”, dan is de suggestie dat de verteller wel eens zou kunnen willen wijzen op het ‘geen chimpo geworden zijn’ ‘geen enkele groep ingevaderd zijn’ van Jezus (“de Jezusfiguur” voor wie nog nodig heeft het aangeduid krijgen van het feit dat het al of niet ooit waar gebeurd zijn van het verhaal over Jezus, pas door de roomsen (in dienst van de keizer en uitdrukkelijk NIET van God) centraal is gesteld, als heilsgeschiedenis, ter vervanging van het door Jezus uitgesproken en door apostelen doorvertelde inzicht, dat de uitverkorenen, o-o’s en chimpo’s die zich van hun conditioneringen wisten te bevrijden?). Dat inzicht was dat in de civilisatie de mensen bedonderd worden en ten onrechte gebruikt. Ze zíjn niet het bezit van de keizer of het eigendom van de slavenhouders voor wie de keizer hun recht tegenover de slaven laat afdwingen van die slaven. In de wereld zul je verdrukking hebben. Puur geweld en dreiging daarmee. Geen recht, geen gezag, alleen maar de spierkracht, de wapens, de hiërarchische militaire organisatie, de discipline onder de leden van ‘de sterke arm’. Demystificering, het breken van de ban, de ontgoocheling (het opheffen van de begoocheling dus): geen goden, geen geesten, geen verzinsels. Het grote averzinselisme. Averzinselisme is de cognitieve kant van het zich bevrijden, het ontwaken uit de hypnose. Het opstaan uit de dood, zijnde het los gekomen zijn van de eigen door God met de hand in DNA geschreven entelechie. Iedere genencombinatie mag zich door God geschreven weten, net als elke andere genencombinatie. Die God is hier gepostuleerd om de toegesproken gevangene – gebruikte een almachtige steun in de rug te geven: een steun “in de hemel”, dat is: buiten en boven de wereld waar de keizer heerst. Geen zinnig apostel gelooft in het aantrefbaar zijn van die steun, aantrefbaar in de hemel, zoals de maan dat bleek. Waarom kunnen wij wel met droge ogen en zonder geloofshik de verhalen van Marten Toonder en Orwell en Andersen lezen en niet de bijbel? Antwoord: omdat we gehypnotiseerd zijn door de roomse kerk en volgelingen (waaronder protestanten en atheïsten te vinden zijn en van die lieden als Maarten ’t Hart). Chimpo’s zonder inzicht in hun slapen, hun ‘onder hypnose zijn’, hun tweede dood.
- Het tot een o-o uitgroeiende kind is jarenlang alleen met de moeder, die het onderwijst. Het mensenkind leert de moedertaal (en het is buitengewoon opmerkelijk, ja vreemd, dat zo’n belangrijk iets nu ineens niet door de vaderaars als hún prestatie is geclaimd) en alles wat de moeder weet omtrent eten (wat eetbaar is), al die lichamelijke functies en zich wassen en dergelijke.
- Het merkwaardige is dat elke vaderaar deze dingen als ‘de lagere, biologische’ opvat en benoemt.
- Dit verachten van het biologische is (in mijn theorie) pas begonnen na de inval van de civilisatie = het invoeren van het gebruiken van overwonnenen – beroofden als gebruiksvee. Het gebruiken van mensen was er, - zo las ik ergens -, eerder dan het gebruiken van andersoortige dieren als bijvoorbeeld trekvee. Ik zou het niet weten. Ik was er niet bij. Maar het past wel in mijn theorie, al is het er geen bouwsteen van.
- Chimpo’s begrijpen o-o’s nooit en andersom blijven chimpo’s voor o-o’s ‘dingen die gebeuren’, zo oninvoelbaar als tornado’s.
- Er is een moderne versie van het veelgodendom met demonen en zo: het postuleren van actieve dingen die in mensenhersenen binnenkomen: memen. Die memen zijn als goede en boze geesten, ze lijken op begrippen, maar wat zijn dát? Wel dat zijn nooit waar te nemen ‘met woorden bedoelde dingen’.
- Hier zien we mooie voorbeelden van vadertaal. De moeder stopt eten in het mondje van het kind en noemt er de naam van dat eten bij. De moeder die er ‘lekker’ bij roept, vadert. Onzin, dat ‘lekker’. Of het lekker is, dat zal het kind als het er als lijf nut van heeft of juist niet, “langs binnen” te weten komen. Om te beginnen eet het kind. En als het een allergie heeft voor aardbeien, zal het die vruchten niet lekker gaan (= leren) vinden. ‘Lekker’ slaat niet op de smaak, maar betekent: ‘goed voor mij gebleken’. Sommige planten hebben hun bladeren een onaangename smaak gegeven, maar als die smaakstof niet ook giftig is, wordt die smaakstof zomaar geen bescherming tegen gegeten worden.
- Lodewijk XIV is het schoolboekenvoorbeeld van iemand die, bevaderd, op grond van niet-langs-binnen onderzocht, maar slechts ‘in de mond’ lekker eten, ongezond was (permanente obstipatie). Ten overvloede nóg eens: dit is een voorbeeld, het maakt helemaal NIETS uit of het waar gebeurd is of niet. Een theorie is als zo’n plastic inlegding voor een doosje voor gesorteerde koekjes: het is leeg reeds wat het is. Klaar voor ontvangst van wat er in past. Als er zo’n ding in het doosje met die gesorteerde koekjes ligt, zie je zó wat je mist (≈ wat je nog kunt bergen). En wat past en wat niet! En alleen zéér toegewijde chimpo’s denken dat er niets aan te treffen is, dat er niet in past.
- Mét zo’n inlegding wordt zo’n doosje mooi vol en er blijft een orde in de inhoud. Die orde is geen eigenschap van de inhoud. Dát (dat de orde een eigenschap is van het geordende) kun je zelfs nog niet zeggen van de onderdelen van een werkend mechanisch uurwerk.
- Een theorie is van woorden gemaakt, een mechanisch ding van onderdelen. Een theorie is een orde, verwachten mogelijk makend (zie het verhaal over het periodiek systeem der elementen) omtrent wat er aan te treffen is.
- Een werkend mechaniek (bijvoorbeeld een lopend uurwerk) bestaat uit onderdelen in een werkende orde. Hoe uitputtend ook het ontvangplastic (het receptikel) de theorie, in hoeveel dimensies ook: het ligt er allemaal los naast elkaar in, het zijn ook niet de dingen, maar de woorden waarmee de dingen worden aangeduid, waarmee je naar de dingen vraagt (bij je moeder om dadels, als je fosfor nodig hebt, zonder het bewust te hebben, je weet alleen ‘ik heb zin in dadels’: dat is de vorm waarin je dan je entelechie LEEST = KENT).
- Niets is voor de vaderaars zó ongunstig als de onderscheidingen echt – onecht en nodig – onnodig.
- Had iemand anders dan Einstein, oplossend hetzelfde probleem van hoe in een theorie (een inlegplastic met voorgevormde vakjes) het probleem van die onveranderende lichtsnelheid onderbrengen, een andere oplossing kunnen vinden? Antwoord: alleen als er speling is? Of: waarom niet? Waar een werkende orde kan worden aangetoond geschetst te zijn, waar dus het afbuigen van licht blijkt, onder invloed van een massa die het passeert, dáár zit dan blijkbaar geen speling (?). Er zijn altijd dode hoeken in van die inlegplastics. En een grotere doos, óm meer vaststaande feitelijke verschijnselen, krijgt vaak de voorkeur. Hoe meer je kunt ordenen, hoe meer je met meer gemak kunt onthouden, áls (= onder voorwaarde dat) ‘het verhaal’ niet al te ingewikkeld wordt.
- Het verhaal dat klopt met de werkelijkheid hoeft niet ingewikkeld te zijn. Het is ook nooit het enig mogelijke verhaal. Het is van groot belang te blijven beseffen wat zo’n verhaal is: een steun voor het geheugen en een vaste manier om verwachtingen aan te maken, zodat je achteraf weet hoe je er toe kwám te verwachten wat je verwachtte.
- Het is voor chimpo’s bijna ondoenlijk dit te vatten. Er is bij zo’n theorie, zo’n verhaal helemaal geen plaats voor de theoriemaker en zijn tegenspelers / concurrenten / rivalen / vijanden / vrienden. Hij komt er zelf helemaal niet in tot uiting en wat hij ordent, heeft hij niet verzonnen, gecreëerd.
- Wie gegevens wil ordenen is in z’n eentje of samen met anderen met die gegevens bezig en volstrekt niet met die anderen, rangschikkend bijvoorbeeld.
Jaap Schot, 15 januari 2007
- Zowel door te belonen als door te bestraffen bevader je = stel je je op tussen het kind en de werkelijkheid, anders dan delend, delend het gevonden voedsel, met het kind. De delende Moeder geeft om niet, zonder voorwaarde. Zoals ze ook onderwijst (de moedertaal aanleert) zonder aanstelling en salaris.
- Door te belonen toon je en benadruk je dat jij heer en meester over de beloning bent. Je vestigt een hoger – lager verhouding tussen de beloonde en jezelf, op de dimensie ‘macht’. Wie beloont rangschikt evenzeer als wie straft.
- Scoren op één en dezelfde dimensie is een vorm van betrokkenheid op elkaar. Als twee vrouwen op een flinke afstand van elkaar staan te wachten en bij het uitgaan van de school hun resp. kind hard naar hen toe loopt, scoren die kinderen, hoewel ze zo hard als ze kúnnen lopen, niet op dezelfde dimensie, zijn ze niet op elkaar betrokken, zoals enige uren geleden bij de gymnastiekles (de betrokkenheidstraining, de wedijverindoctrinatie) nog, bij élke “oefening”, dat is: bij elke afgedwongen, bevolen, in gehoorzaamheid geleverde prestatie.
- De school is uit. De civilisatie laat de gebruikten (de kinderen hier dus) enige tijd ‘vrij’.
- Maar ze lopen niet de natuur in, deze kinderen die vrij hebben. Nee, ze blijven binnen de civilisatie, de welvaart zij dank. De welvaart, gebracht door al die ondernemenden, exacter: die entrepreneurs, die op hun eigendom (= hun geregistreerde bezit) krediet opnamen om mee deel te nemen aan het grote spel ‘marktaandeel veroveren voor het eigen product’.
- Zelfs als enig kind van een moeder die geen gevader aan haar kind toelaat, is het kind ononderbroken blootgesteld aan de propaganda voor ‘zich meten met anderen’, die door álle media wordt uitgestoten. Geen teksten, geen plaatjes, geen televisie, geen spelen, geen musiceren zonder dat eeuwige wijzen op het overtreffen van anderen. ‘Overtreffen’ of ‘horen bij’ of ‘verliezen van’ anderen. Haal dát uit de mediaoutput en uit de taal en er blijft vrijwel niet meer dan de helft over. Haal er dan de andere vormen van betrokkenheid op en bij anderen uit en er is nog slechts hier en daar iets in een gróte leegte. Meldingen, uitspraken die zaken, gebeurtenissen betreffen, zijn zeer, zeer zeldzaam.
- Er wordt een onmetelijke energie besteed aan het chimpo’s maken uit kinderen (en aan verdienen aan het als chimpo functioneren van ‘grote mensen’ / “volwassenen”).
- Zelfs het enig kind wordt via de media tot een chimpo, zonder dat er ‘siblings’ (rivaliserende broertjes en zusjes, die moeten putten uit één en dezelfde bron van ‘aandacht van de ouders voor hen’). Denken wij in dit verband ook even aan de op televisie niet zelden te horen uitdrukking: ‘thuis zijn en van mijn kinderen genieten’. Sorry hoor, maar dat is een zeer bijzondere uitdrukking.
- Concurreren, wedijveren, competitie, rangschikken, keuren, meten, spiegelgebruik om jezelf te zien zoals je verschijnt aan (en nadat je de normen hebt geleerd weet je hoe je zo dan ‘overkomt op’) de anderen, dus: make-up, dus: vertonend (nee suggererend is genoeg) verbruik van ‘wat cool is’ / de idolen ook aan hebben, soms. Ieder medium gooit iedereen er mee dood.
- Verder is er de gigantische propaganda voor het ‘iets van je leven maken’, iets, dat NIETS te maken heeft met je entelechie. Van het hebben van een entelechie hebben ze niet eens wéét. Er zijn projecten om het genoom te leren lezen, teneinde zéér verkoopbare medicijnen te kunnen maken. Dáárom en niet om de mensen hun entelechie te leren lezen. [In de taal gesteld waarin à la Mozes een God wordt ingevoerd, om tegenover de wereld (de farao) te kunnen stáán: wie zijn entelechie leest, leest wat Gods opdracht tot gebeuren voor hem is.]
- Waarom schreef Orwell indirect, in een gelijkenis (‘Animal Farm’)? Jezus begon in gelijkenissen te prediken om te voorkómen dat men zou begrijpen waar hij het over had [‘men’ = de niet uitverkorenen, de chimpo’s die zich lieten gebruiken door de lui aan wie zij gezag toekende (1) en/of die meedraaiden, entrepreneur waren, carrière maakten, belangen in de civilisatie hadden en dus belang hadden bíj het ongestoord, dus ondoorzien en onbegrepen, doordraaien daarvan(2). Het was gevaarlijk als zij zouden begrijpen waar hij het over had. Jezus had nog meer tijd nodig om het uit te zeggen, te spreken (≠ preken, dat doen priesters en andere dienaren van het Woord) te verkondigen, te melden wat zijn recherche hem opleverde.
- Chimpo’s zijn horende doof, ziende blind en levende dood. Dat komt door de hen aanklevende apperceptieve massa aangeleerds (ama). De massa kleeft hen aan als de klei uit het modderbad aan de olifanten. Ze noemen en achten zich echt ‘rode olifanten’, dragers van deze of gene cultuur, Hindoes, Katholieken, Moslims, autochtonen, Ariërs. En het is deze aanklevende klei, die hen als ‘samen in díe modder gebaad hebbend’ dus van één groep, herkenbaar maakt, zoals een uniform militairen en trendkleding de modieuze. En deze klei wordt vochtig gehouden, zodat ze niet gaat krimpen en niet de drager jeuk gaat bezorgen, jeuk die hem ertoe brengt er van af te willen. Dit nat houden gebeurt door middel van de ononderbroken propagerende output van media. Die media (tv, radio, pers en meer) worden met winstoogmerk daartoe gebruikt door ondernemers / entrepreneurs. Iedere groep heeft zijn eigen Al Jazeera, zijn AVRO, zijn Elsevier, zijn Telegraaf. Ontelbaar zijn die roeptoeters: iedere roeigroep heeft er één, in zijn eigen boot.
- Chimpo’s nemen waar via hun ama, vereenzelvigen zich met hun ama, willen hun ama vertegenwoordigd zien op het wereldtoneel (ß het politiek en economisch toneel).
- “Hoe maken ze chimpo’s uit kinderen?” (1) (Kinderen zijn verse, door God in DNA geschreven genencombinaties, levensvatbaar, dus goed, “wat moet je anders ‘goed’ noemen?”(2), zo vraagt iedere o-o. Bijvoorbeeld vroeg Rousseau dit ooit.) Dát, (1) en (2), zijn twee centrale vragen.
- Wat chimpo’s elkaar en hun milieu aandeden en aandoen, dat wordt op televisie getoond. Zowel de topprestaties van de techniek als topprestaties als Auschwitz, Biafra en Hoe heette het nu ook alweer, dat van die Tutsi’s en Hutu’s. Ik wil dat primitieve hakmessenvoorbeeld er hier bij hebben om te laten zien hoezeer een voortreffelijke organisatie en technische perfectie overbodig zijn voor het omvangrijkere slachtwerk onder (biologisch gesproken) soortgenoten. ‘Biologisch gesproken’ soortgenoten, dat is duidelijk, maar wat erger is: vaak ook gukkenkundig gesproken soortgenoten: mede-chimpo’s.
- De god van de christenen van tegenwoordig is de roomse god, de god die vierkant staat áchter de keizer, de staat, de priesters zeggen: achter het gezag, als ze wijzen op de macht, de mensengebruikerij. De god van de roomsen staat vierkant achter de mensengebruikerij in welke vorm dan ook, achter de slavernij, achter de loonafhankelijkheid en achter de door Heinsohn en zeker vele anderen zo geloofde en bezongen werkwijze van mensen die hun eigendom belenen, als onderpand gebruiken om aan een lening (geld dus) te komen. De bezongen moderne mensengebruikerij is er één zonder aanwijsbare gebruikers van anderen, een systematisering van mensengebruiken, die is als de boerderij der dieren: er is alleen vee aanwezig: ‘mensen die door zich in de schulden te steken motiveren om hun txaenz te besteden aan het doen van voor hen zelf entelechisch onnodigs’, met andere woorden: teneinde mensen die ‘iets van hun leven proberen te maken’, kennelijk omdat ze niet ervaren dat het zoals het entelechisch gegeven is, boven alles wat er van te maken is uitsteekt. LET OP: ook wie van het leven zeggen en proberen te genieten, ontkennen het als waarde in zichzelf. Zij zijn hier, dat eigen leven waar ze van genieten is dáár. Er moeten ook allerlei veranderingen, verfijningen, cultiveringen worden ingevoerd om het gegeven leven ‘te genieten’ te máken. Een hele industrie helpt deze genieters (resp. genotzoekenden, of zelfs genotzuchtigen) daar gaarne bij.
- ‘Slaven in zelfbezit’ was de term die ik tig jaar geleden invoerde in mijn opstellen. Het zou Heinsohn en zijn vooronderstelgenoten plezieren ‘bezit’ te vervangen door ‘eigendom’, want de individuele vrijheid om te doen wat hij wil ‘met zijn leven’ staat immers onder bescherming van de gewapende staat (politie), de bezitter van allen. De bezitter-staat, die leenheer is van de txaenz van allen. Iedereen krijgt als geleend beschermd bezit, zijn eigen txaenz (dat heet in allerlei uitdrukkingen hier in de buurt: zijn ‘leven’) als eigendom, waarmee hij kan ondernemen. Hij mag werken zoveel en zo weinig als hij wil. Alleen om spullen waarméé je werkt te kunnen kopen of huren is er dat kunstje van het belenen van eigen eigendom (een contradictie, eigendom is per definitie niet eigen, maar geleend, van degene die het in jouw plaats met wapens verdedigd, uitoefenend het geweldsmonopolie).
- Er was een tijd waarin de registratie / kadastrering van wat de overwonnenen in gebruik hadden als productiemiddelen nog niet werd gedaan. Onlangs nog bleek dat van de plekken waar de door de tsunami van hun bezit beroofde kustbewoners woonden en werkten ook nog niet was gedaan. Meteen zagen de autoriteiten hun kans schoon om zich door de lobbyisten van ‘het bankensysteem’ (je plakt er gewoon zorgeloos een etiket op) te laten dwingen een probleem te hebben met het verlenen van vergunningen voor herbouw van hutten, er moesten daar toch liever toeristische kustplaatsen / hotels verrijzen.
- Ik hoorde voor televisie dat als ontwikkelingshelpers nu kadasterdeskundigen naar die landen / kusten zijn gegaan vanuit ons land. Déze vorm van ontwikkelingshulp zou wel eens meer succes kunnen hebben, ze maakt de machtigen machtiger, centraliseert de macht. Er is alleen voor volstrekt van hun verstandsgebruik afgestapten te verwachten dat de getroffen kleine vissers nu ineens eigenaar worden van dure grond, die zíj naar believen al of niet kunnen verkopen / belenen.
- De god van de christenen van tegenwoordig staat vierkant achter de slavernij. Hij kán niet anders, hij is onveranderd. Hij is de god van de tegenstanders van de vrijwillige euthanasie. Sommigen van die in deze god geloven kennen de part-time slavenhouder in zichzelf. ‘In zichzelf’= in hun ama, de ama die de, in dit geval hun, afstemming is op het systeem, dus op de vigerende systematisering van het mensveehouden. De mensveehouder zou een dief van zijn eigen portemonnee zijn als hij nutteloos, lees: voor hém onbruikbaar geworden slaven, zou laten verder leven. Dat verder leven gebeurt, linksom of rechtsom tegen kosten, die het systeem draagt. Minder ‘zuivere winst’ dus. Dus: als we geen god meer vrezen die het doden van gebruiksmensen verbiedt, dan zullen we er op aandringen dat de nutteloze ouden zich een pil nemen. Het verbod slaven te doden, was een verovering bij (of na of via) de invoering van de roomse kerk. Een inbreuk op de rechten van de slavenbezitters in het oude Rome.
- Een gediende god is als ‘De Shell’, een onderneming, hij bestaat evenzeer. Als een onderneming de mensen weet wijs te maken dat ze moeten genieten van vakanties in het buitenland, dan is die onderneming net als de islam. Verplicht naar Mekka, of, naar eigen keuze naar Bali of Las Vegas, dat is verschil aan de oppervlakte van de oppervlakte. Kijken naar de Nachtwacht of naar relikwieën is hetzelfde qua categorie.
- Je moet eens opletten, als je aan iemand anders laat lezen dat ik God de schrijver van onze unieke individuele genencombinatie laat zijn, de bedoeler van die zo uitgeschreven betekenis: de entelechie. Kijk naar de reactie.
- er wordt nagekeken of de lezer er een eigen voordeel mee kan bewerkstelligen in een debat
- er wordt gewezen op het feit dat god teveel van deze specifieke bevelen schrijft, zodat de genencombinaties elkaar wel moeten verdringen en verslinden. Hoe kan hij dat nou willen? En meer van die retoriek.
- als ik nog leef wordt er een psychiatrische behandeling aanbevolen
Echt boeiend. Maar de enig juiste reactie is: opmerken dat als ík dat kan zonder dood te vallen, dat dan wellicht ook vroeger anderen dat konden, dat wat ik hier doe: het begrip God gebruiken. Mozes (een romanfiguur of iemand die ooit echt geleefd en dít gedaan heeft, wie zal het zeggen?) om zijn volk te bevrijden. Profeten om hun inzichten aan te duiden als ‘niet zomaar alleen hun mening’. De stichters van de roomse kerk om de keizer te plezieren en het voortwoekeren van het christendom te stoppen. Een geloofsbelijdenis werd ván het zelf tekenen van een doodvonnis tót het voor zichzelf schrijven van een aanbevelingsbrief voor een overheidsfunctie. Dát corrumpeert en het maakt iedere getuige van de boodschap ongeloofwaardig. En dat heeft dan ook gewerkt en werd aangevuld met omvangrijke moordpartijen / volkerenmoorden op ‘ketters’. En nú nóg is de bijbel onleesbaar, doordat vrijwel alle mensen besmet zijn met het ‘rooms lezen’ ervan, dat is het lezen met een theologische bril op. Een gelovende of een ontkennende bril, dat maakt niets uit. De god van de orthodoxen is dezelfde als die van de atheïsten, anders praten ze volledig langs elkaar heen.
Jaap Schot, 16 januari 2007
- Mijn hoofd loopt om. De afdeling ‘uitschrijverij’ kan de productie van de afdeling ‘inner speech’ niet bijhouden. Oorzaak: @Home en Heinsohn en nu weer neefJan.
- Deze drie onderwerpen zijn voorbeelden van het algemene gebeuren vér om mij heen, buiten mijn greep, mij ook niet rakend, beter: niet aangrijpend, niet wurgend. Het is immers hún wereld, niet de mijne. Het is voor mij slechts het kunstmatige, door de mensen in stand en gang gehouden “ecosysteem”, dat ze ‘de maatschappij’ en ‘de samenleving’ noemen en waarin ik leef. En dat is niet mijn zaak waar het mij niet raakt en/of mij niet het nodige dat ik neem, levert. Ik heb er totaal geen greep op (geen macht in) en dus heb ik er ook geen verantwoording voor en plichten in. Het verhoudt zich ten opzichte van mij zoals het klimaat, het dagelijkse weer. We leven nu in een seizoen van privatiseren. Daar, in dat proces van privatiseren, heeft de door mij over mij afgeroepen ellende van @Home plaats. Ik heb begeerd, ADSL of zoiets, een snelle verbinding met het internet, en kabelverbinding voor televisie en telefoon los van KPN. En er staat geschreven (“door Mozes”) ‘gij zúlt’ (daaraan zult gij merken te deugen en uw loon, het uitblijven van frustraties, voor krijgen) ‘niet begeren’, ‘iets wat van Uw naaste is’, want die zal zijn eigendom niet zomaar aan U afgeven en de wapens van de handhavers van de ongelijke verdeling (die verdeling die zij ‘orde’ noemen) zullen op U gericht worden. En U zult U machteloos (de ongelukkige uitdrukking voor óvermachtloos) voelen. Overmacht is dat heldere woord dat een pleonasme is, machtsgelijkheid is wederzijdse onmacht, zoals wij sinds de koude oorlog weten. Wat wij ervaren is de overmaat aan bescherming die de staat biedt aan de belangen van de rijken (/parasieten/aandeelhouders/eigenaren), overigens zonder aanzien des persoons, het gaat puur om het handhaven van de kracht die met geld uit te oefenen is door wie het in eigendom (dus niet zwart!) hebben.
- Toen de telefoonwereld van de staat was, werd daar door de obstructie van de liberalen met de dienst (de mensen telefonisch contact opnemen mogelijk maken, waar nodig en nuttig) op dezelfde, met geld rekenende manier omgegaan als in het bedrijfsleven, maar met de projectie dat de mensen het nodige tegenpresteren voor het verleend krijgen van die dienst niet over zouden hebben (de belasting ervoor niet zouden willen betalen) en met de bizarre stelling dat de overheid geen propaganda mag maken, dus ook geen reclame voor een dienst die zij verleent. Deze nooit helder verwoorde, laat staan aan kiezers voorgelegde onzin, liet een overmatige onvoldaanheid in de burgerij ontstaan en die namen de rijken te baat om deze zaak, deze dienst, te laten privatiseren. Zij, functioneel benoemd, stalen in de middeleeuwen in Engeland de gemeenschappelijke weiden, nu de openbare diensten, ook de waterleiding zal er aan ten slachtoffer vallen. Er schijnt (blijkt) geen tegenkracht te zijn. Het zal mijn tijd per definitie duren. De mensen van wie de wereld is, de chimpo’s, de betrokkenen, zullen het zelf op moeten knappen, gewoon weer óf vakbonden, óf een degelijke opstand met ruimbemeten onthoofden van allen die ooit in van die bevoordeelde posities zaten. En dan herhaalt zich de komst van die Napoleon of Stalin die daar dan bij dát volk past. Chimpo’s zoeken een aanvoerder van de gewapenden die ongelijkheid mogelijk (bereikbaar) maken en handhaven. Want chimpo’s rangschikken. Dat leren ze nooit af en dat geven ze aan hun kinderen door. We weten hoe (via Mozes en vele anderen tot en met en na Skinner), maar dat weten de chimpo’s niet. Er is geen hoop dat er uit alle (of ook maar percentueel veel) kinderen waaruit dat kan Mensen zullen groeien. Het opvoeden en scholen en vormen en opleiden is één grote bonsai-industrie voor mensenmateriaal. Opgroeiende kinderen klein houden, op maatschappelijke maat knippen. Knotwilgen, leibomen, van die als jonge bomen kromgetrokken bomen om aan boegbalken voor schepen te komen (als kunstwerk staat er een rij hier in de buurt, in de stad Groningen). Zonder zulke bewerkingen heb je niks aan zulke bomen. Let op: deze wilgen enz. hebben we niet meer nodig, zoals wij ook geen vorming van een “anaal retentief” karakter (bij ‘stipte’ mensen) meer nodig (menen te) hebben, nu we computers hebben, die alles onthouden en niets vergeten te laten gebeuren, wat ingesteld is. Ook veel werkervaring en deskundigheid bij het zien wat er bij processen aan de hand is (het voorbeeld was bier maken) bleek in een computerprogramma te kunnen worden ondergebracht. Overdracht aan een levende opvolger was niet de oplossing waar de bazen het meest aan verdienden. Vandaar dat deze ‘waarde van de ervaring van de oudere werknemer’ dan ook volstrekt niet meer bestaat en nog slechts als romantisch concept af en toe in retoriek opduikt. Het is over, niet alleen de voortbrengsels met zijn txaenz zijn van de gebruikte (“werknemer” heet dat tegenwoordig, tot ook die term zich met de werkelijkheid van gebruikt worden heeft opgeladen en dus aan vervanging toe is) zijn hem door de baas afgepakt, maar ook zijn deskundigheid, het resultaat van zijn leren. Er is voor zijn kinderen geen plaats om in te nemen, als hij met pensioen (of door robots / computers / meetapparatuur vervangen) is.
- Alles moet bezit (en in de liberalistische rechtsstaat: eigendom) worden. Daartoe moet het aan wie het door het te gebruiken bezit, ontnomen worden en dát mag geen diefstal genoemd worden, nu voor het voldoen aan die eis zorgen de juristen. Die eis is leeg, puur verbalistische, ze betreft slechts de praatgeluidjes die mensen verplicht zijn te maken bij ‘wat gebeurt’. 16-1-2007 11:26|926W|
- Losse opmerking: onze genen zijn gebruiksaanwijzingen voor atomen, molecuuldelen, moleculen. We halen die stoffen uit andermans samenstellende delen, want wij zijn geen planten die deze zelf kunnen maken. Planten maken zelf zulke bouwstenen voor biomassa uit anorganisch / mineraal materiaal. Het gaat over bouwstenen om mee te bouwen volgens de zelfdoende gebruiksaanwijzing (er ís immers geen deze genencombinatie gebruikende geest, die veronderstellen we niet, totdat het ons bewezen-definitief mislukt is om een genencombinatie uit anorganisch materiaal te maken en die te laten gebeúren).
- Wij, dieren, moeten achter onze bouwstoffen aan, of zitten wachten tot ze ons toevallen.
- Leren was een voordeel opleverende nieuwigheid: waar vond ik eerder, welk gedrag bracht (= werd gevolgd door de komst van) het nodige bouwmateriaal? Resp. geheugen (leren herkennen) en vaardigheden. Daarbij woekerde nog het afgeven van kreten aan soortgenoten. Dat was alles wat ons tot mensen maakte. Taaldieren. Daarna kwam het liegen, het vals alarm en de loze belofte, de verleiding en al die andere pret.
- Wat wij nu meemaken is een tijd waarin de mensen binnensoortelijk vechten en parasiteren, ze leven ván elkaar. Alleen het elkaar opeten wordt (als symbool) afgekeurd, om te laten zien dat je niet ziet wat je ziet: mensen die van elkaar leven als roofmensen van prooimensen, vampiersgewijze, bloedzuigend, maar het slachtoffer niet ten dode leegzuigend (morgen moet er weer getapt). Afgetapt wordt txaenz, geen bloed.
- Het invoeren van de termen ‘txaenz’, ‘binnensoortelijk parasiteren’ en die met vampirisme (zie het taboe van kannibalisme) en ‘winst maximaliseren’ samen gebruiken, levert in deze inzicht.
- Dat inzicht is voor de chimpo’s en vooral hun leiders een vijand. De uitverkorenen onder (de gebruikte en niet zelf op hun beurt, en wel wínnend, gebruikende) chimpo’s kunnen dit inzicht als een deur deze wereld uit gebruiken, mentaal, cognitief, dát is de kwaliteit (de hoedanigheid) van ‘deze wereld’: verzinsel, van gedachte gemaakt. De wereld is niet van materie, maar van gedachten. Ze is niet aangetroffen, maar verzonnen, verzonnen zoals het schaakspel en het voetbalspel, dat wij ook aantroffen, gespeeld wordend.
- Omdat ‘de wereld’ maar een verzinselmassa, een spel, is, kun je er zonder echt dood te gaan, uit. Om dát te verhullen worden wereld en aarde ook onder één noemer gebracht. Ook al dat opgelopene en aangeleerde dat men nu ‘genetisch’ bepaald noemt, probeert men zo te verhullen. Het bonsaiend bezig zijn geweest aan kinderen mag niet blijken.
- Ander onderwerp even: hoe bestand tegen overdenking / kritiek zijn de overwegingen om patenten tijdelijk geldig en eigendom levenslang geldig te laten zijn? Zomaar een vraag.
- Andere vraag, zou het mee begraven van wat de dode gebruikte werkelijk wijzen op het geloof in een volgend leven voor dat individu of zou men de bruikbaarheid van die dingen wellicht verbonden hebben gezien met de vaardigheden van de overledene? Zonder die vaardigheden om die dingen te máken en om die dingen te gebruiken, zijn die dingen even ‘weg’ uit de groep als de overledene.
- Reden om te begraven of te verbranden is ‘het geloven in een leven na dit leven’ niet. Het is een vreemde (met name geciviliseerde, in ons geval: roomse) duiding van gevonden graven. 16-1-2007 12:41|1.463w||
- Nog maar weer eens enige opmerkingen over de inhoud van Heinsohn’s boek:
- De getallen waarmee hij al argumenterend speelt (volkstellingen, zeg maar) zijn zo betekenisloos als tellingen van dieren in een ecosysteem. Alle inzicht in het gebeuren (interactie) tussen resp. door die dieren is onverwerkt. Het is nog erger dan dat verhaal van die hoogvliegende praatgieren over de ‘selbstverschuldigte’ kindersterfte van de zoogdieren, onder hen in de Serengeti. Cijfers over die kindersterfte, - getallen op het niveau van Heinsohn’s argumentatieve kwantiteitenmateriaal -, voegen nog eens extra oppervlakkigheid toe aan wat er gezegd wordt. Waarbij oppervlakkigheid het tegendeel is van inzicht.
- iets over @Home
- iets over neefJan
- Een chimpo vat een vertoon of melding (à het opmerken door de chimpo) van ongelijkheid op als submissie of zelfverheffing door de ander. De chimpo is niet in staat enige opmerking die mensen betreft als zakelijk, feitelijk, objectief, onpersoonlijk te ervaren. Het is voor hem als modeloze, statusloze, betekenisloze kleding. Dat kan hij niet zien.
Jaap Schot, 17 januari 2007
- Streef niets na, dan zult gij niet gefrustreerd raken (bijvoorbeeld: worden). Dat kan natuurlijk alleen op onnodigs slaan. Slechts onnodigs kun je nalaten. Je móet doen (bewegen bijvoorbeeld), voor jóu passende omstandigheden zoeken en uit je omgeving nemen (je voedsel bijvoorbeeld): dat is immers ‘wat voor je entelechisch gebeuren nodig is’, onvermijdelijk. Dat niet doen = er niet zijn = niet gebeuren.
- Alle streven valt buiten je onvermijdelijke gebeuren. Je moet eten, maar wát je met smaak [≈ de prettige ervaring van als bekend, - en wel als eerder al ‘goed voor je’ gebleken -, herkennen] eet, dát staat niet in je programma, dat ligt niet vast. Gourmetten is écht onverdedigbaar gedoe.
- Wij treffen ons, - als we nog de puberleeftijd hebben zelfs -, aan als afgericht, geconditioneerd, opgevoed, gevormd, geschoold, opgeleid en vooral: vol van dingen die we hebben aangetroffen, waar niemand ooit over sprak en die wij dus vanzelfsprekend vinden. Die massa aangeleerds zit aan ons gekleefd, nee niet aan de huid, zoals klei aan olifanten na een modderbad, maar: men heeft gevonden dat die “apperceptieve massa aangeleerds” in onze hersens aan ons lijf kleeft en geen modder, maar DNA is (Vester ‘Hoe wij denken, leren en vergeten’ ). Dat DNA wordt tijdens het leren aangemaakt, beter gezegd: het aanmaken en opslaan van geheugeninhouden = het aanmaken en opslaan van DNA. Het is zo, dat dát ‘leren’ ís (= het door ons zo genoemde gebeuren vormt, uitputtend). Het is dat, wat wij ‘leren’ noemen.
- Bij het besteden van onze txaenz (tijd en aandacht worden dus in dit geval in de gewone omgangstaal beide, apart, genoemd) gebeurt dat aanmaken en met het aanwezige (apperceptief) verbonden opslaan van dat DNA.
- ‘Het gebeurt’, o.k., maar dat is een magisch en spookachtig verhaal: hoe is in een stoffelijk schrift (dat ís DNA immers) op te slaan wat nieuw en eenmalig is? Dit is minstens zo onduidelijk als hoe een goede god de natuur kon maken. Of hoe memen kunnen ageren. Ik heb dit alles van horen zeggen.
- Terug dus naar wat ik wél zelf kan waarnemen. Als ik wil weten wat er nu wél en niet NODIG is voor mij, entelechisch, dan neem ik dat verhaal-idee van Defoe te baat: Robinson Crusoe. Een man alleen op een eiland. Wat er voor die man wegvalt van wat hij allemaal geleerd heeft, dat is onnodig.
- Een zekere hoeveelheid moeite moeten doen om in het nodige te voorzien is waar ieder dier voor geëvolueerd (à toegerust) is en zich pas goed bij voelt (‘als geluksgevoel aanwezig gemerkte endorfine’ bij afscheidt, heet dat tegenwoordig, niet te verwarren met die troostende, nooduitstoot van die of een andere stof bij die dwazen die Marathons lopen en aan andere extreme ‘sporten’ doen). Als ze hun (= de als enige van natúre voor hén beschikbare) txaenz niet aan het doen van het voor hen zelf daar dan nodige kunnen besteden vervelen mensen zich en/of worden ze baldadig tot en met misdadig. Hun txaenz móet gebruikt, besteedt, verdaan, kunnen ze, - door de factor energie er in -, niet zomaar laten vergaan, dús gaan ze onnodige dingen doen.
- Dáár zien we nu om ons heen die hele massa mens mee bezig. Ze verdoen hun txaenz, doordat ze die txaenz niet aan het doen van het voor henzelf daar dan nodige kunnen besteden en niet in het voorzien in wat straks nodig is, kunnen investeren.
- Ze worden als samenstellende deeltjes van het mystieke lichaam van Koning Klant de invaliditeit in verzorgd, de verveling in gediend, de dwaasheid in geamuseerd, de totale verwarring in toegesproken en ‘van onwerkelijke bewegende beelden voor hun ogen voorzien’ (televisie, speelfilms, maar ook documentaires, zijn onwerkelijk, de televisie in de huiskamer is zelfs geen vérrekijker).
- Debatteren is de tegenhanger bij mensen van dat ‘elkaars staart afknagen’, dat bij verkeerd (namelijk te dicht opeen gepakt in een kleine ruimte, zonder bezigheden) gehouden varkens een probleem is. Ook alle competitieve spelen zijn van die tegenhangers (analoge verschijnselen) dáárvan: van voetbal tot en met schaken.
- Wat er ook in debatten of wedstrijden gebeurt: het doel is bereikt, aan het einde, dat doel was namelijk: dat álle aanwezigen, de actieven en de door hen geboeiden door hun tijd (= van hun txaenz af) gekomen zijn.
- De mensen die wij om ons heen zien zijn meestal zeer, zeer vroeg in gebruik genomen door anderen (van speelpop voor de moeder tot gedoodverfde opvolger voor de hoogleraar en álles buiten die lijn en tussen die genoemde punten). Zo behandelden overleven zeer, maar komen totaal op buitenbesturing te staan, zíj begrijpen wat de uitdrukkingen ‘ vrij hebben’ (na werktijd, na schooltijd, in pauzes) en ‘vrijheden hebben’ betekenen. Zodra ze geen bevel meer aan het uitvoeren zijn, is het tijd voor ontspanning, heerlijk nietsdoen, tijd verlummelen. Ze staan, ze hangen, ze kijken toe.
- Wat zij nodig hebben zijn werkgevers (1) en lui die, dán werkend, zorgen dat er in hun vrije tijd ‘wat voor hen te doen is’ (2). Wérk en werk dus. Of zoals premier Kok het formuleerde: “Werk, werk, werk”, want om dat te organiseren, dat er die twee keer werk is, daar zat en zit flink wat werk aan (voor hem en al die anderen in leidinggevende en beslisposities).
- . We merken dat op bij het omgaan in boosheid of dankbaarheid met een als ondoorgankelijk (= als soevereine, ook tot nalaten in staat zijnde bron en dader) opgevatte (= schuldig of verdienstelijk geachte) ander.
- Bij de hervorming bleven de veranderaars in de kerk en op de roomse manier bleven ze de bijbel lezen. Hoe goed de beeldenstorm ook was, ze kwamen er zelfs de kérk niet mee uit. Ook de kerkverlaters (sekten en atheïsten) bleven zo al, dan tóch de bijbel verkeerd lezen en in de civilisatie de stad, waar de heilige mis vervangen werd door de sport en het branden van kaarsen door het spelen van competitieve spelen: men speelt daar nu ondernemertje, concurrentje, koninkje, protserig vertonertje, maar komt aan waarheid niet toe, hoewel men er (via de nu ook als beroep uitgeoefende natuurwetenschap) weet van heeft, hoe die te vinden, te gaan kennen.
- Ze verkeren in de waan in vrijheid en waarheid te leven (vrijheden en gelijk zijn het en ‘waarheid’ vinden ze ook een opschepperige term, maar in het zich verdedigen ertegen* moeten ze wel zeggen die te kennen en vrij te zijn. * Tegen de ontmaskering van hun ‘binnen blijven’ dus met name.
- Ze verkeren na elk van hun revoluties waaraan ze meededen om niet achter te blijven en mee te tellen, als groepsleden dus, in de waan vrij te zijn geworden. Ze zijn blind voor de nog nodige revoluties.
- Ik zou zoals zij zijn, als ik dacht dat het uitschrijven van wat ik opmerk al ‘vrij zijn’ zou zijn. Ik zou dan de gevangeniswerking van de taal over het hoofd zien. Waarheid is NIET van woorden en kan niet in woorden.
- Maak nergens jouw zaak van. Engageer je niet. Maak van geen enkel onderwerp het jouwe: maak van geen enkele steen de steen die jíj verleggen moet.
- zie geen enkel iemand en geen enkele onderneming als ondoorgankelijke (dus oorspronkelijke) dader van wat er door die iemand gebeurt. Hij is een ledepop, bewogen door de wind en de stromingen in het water en door de stroompjes in zijn hersens, opgewekt door de chemische reacties veroorzaakt (getriggerd) door ‘wat hij leerde’ maal ‘wat hij nu opmerkt’. En ‘wat hij nu opmerkt’, dat ‘springt hem in het oog’.
- Niemand is aanspreekbaar of aansprakelijk. Iedereen is een ding dat gebeurt. Daderschap en afgeslotenheid (= een gesloten systeem zijn) is een illusie, een juristenleugen, deel van het vervangen van terreur door verwarring. Angstig macht zien vervangen ze door gezag erkennen en bewonderen en zelfs: er deel aan hebben: onze democratie, onze koningin, ons land.
- Krijg er ondanks de zieligheid van het zo gebonsaid zijn van ze, géén medelijden mee, denk aan wat Jezus overkwam.
- Goede wil is ook een factor in txaenz
Jaap Schot, 18 januari 2007
- In het programma ‘Royal diseases and deaths’ gisteravond / vannacht is exacter, via ‘Discovery’:
- eten was aan diverse hoven ‘conspicuous consumption’ vertoonvreten oftewel zwelgen. Hendrik VII, Karel II en George IV als ik het goed onthouden heb, waren voorbeelden van veel en veel te dik geworden mannen, die aan hun vraat uiteindelijk stierven.
- Er werd gezegd dat het voeren van zulk een verspillend hof de manier was om de koninklijkheid van de vorst te tonen, “in een tijd waarin er geen staand leger en doeltreffende politie was”. Dat is vreemd.
- Om de bevoorrechting = achterstelling, het discrimineren op grond van ooit genoteerde voorrechten te handhaven, zijn er twee manieren:
- het intimideren door mishandelingen, openbare executies en constant dreigend aanwezige gewapende ordehandhavers, en als dat ontbreekt:
- het zich laten inschakelen van psychische afweermechanismen zoals identificatie met de bevoorrechten (≈ met het vigerende systeem, het resultaat van het systematiseren van binnensoortelijk parasiteren / txaenzvampirie).
- Om de bevoorrechting = achterstelling, het discrimineren op grond van ooit genoteerde voorrechten te handhaven, zijn er twee manieren:
Jaap Schot, 19 januari 2007
Er is geen hoop. Alles gebeurt gewoon. Er gebeurt iets, iemand merkt de beweging op, meteen zoekt hij naar een oorzaak, zoals een zebra: is het de wind of is het een leeuw? Bewegen, daar zít wat achter. Een kracht, een dader.
Het verheldert niets wanneer we weten dat de leeuw gebeurt, net als de wind, dat het zijn entelechie is die hem doet sluipen en jagen. De levenden zijn als de niet levenden: de affiniteit van een atoom of zuurrest is een entelechie, net als ‘dat wat in de kristalvorming tot uiting komt’ en: dat wat een kastanjekiem tot een enorme boom laat uitgroeien gegeven “ideale” omstandigheden en wat ons, de lezer en mij, tegen alle negatieve invloeden in, deed worden wat we nu zijn en alle aanwezig bruikbaars zal dóen gebruiken om morgen nog, en wel zo goed mogelijk te zijn.
Nergens is daderschap waarneembaar, alleen gebeuren. Van het gebeuren alleen het bewegen, het veranderen van kleur, het komen en gaan van geuren, kortom: dat wat ons via onze zintuigen gegeven is. Van buitenzintuiglijke waarneming is slechts sprake. Van ‘wat gebeurt’ is ons buitengewoon weinig zintuiglijk gegeven. Er gebeurt van alles in deze computer, maar ik zie alleen het veranderende op het beeldscherm.
Veel toestanden bouwen zich buiten onze waarneming op en dan blijkt een gebeuren waarvan nooit iets te verwachten was ineens bijvoorbeeld een steenlawine te veroorzaken (te ‘triggeren’ = als het overhalen van de trekker van een doorgeladen en ontzekerd vuurwapen te werken).
Wij, in deze tijd geschoolden, hebben niet meer de neiging om bij de vulkaan die we horen rommelen te zeggen dat hij dreigt uit te barsten en dat hij boos is op ons wegens het brengen van te weinig offers, dat komt helemaal niet in ons op.
Vulkanen, tornado’s, stormvloeden, we horen ze aanduiden, al of niet met eigennamen (stormvloeden nog niet, vulkanen “altijd al”, tornado’s nog maar enkele jaren). Maar we spreken er niet over als over daders en evenmin als over ‘dingen die gedaan worden’, door toornige goden, of, zoals indertijd de Engelsen en Nederlanders zeiden van die enorme Spaanse oorlogsvloot (Armada): “Gods adem heeft ze verstrooid”. Nee hoor: een diepe depressie, dát zou De Bilt nu uitleggen. Restant van de tropische orkaan Jan.
Alles gebeurt gewoon, het meeste onzichtbaar. Zoals een boom zich niet kan verplaatsen, zo kan een leeuw niet nalaten te jagen en de gnoe niet nalaten te grazen en te trekken naar waar gras is.
Vanwaar en waartoe en hoezo dan dat enorme gepraat over doen en gedaan worden, verantwoordelijkheid, schuld en verdienste, eer en schande, goed en kwaad enz. enz.? Een aanzienlijk deel van de woordenschat, in gebruik , maar zonder onderwerp. Of minstens overbodig. Zónder daderschap is alles wat gebeurt immers ook voldoende bespreekbaar.
- Er is geen hoop.
- geloven is alleen acceptabel als aanvullen van je intelligentie tot het niveau van de prediker. Dit is onduidelijk. 11:22 Je moet te waarschuwen zijn, maar bedacht op bedrogen worden, op vals alarm. Alleen bij acuut levensgevaar dus. De ziektekostenverzekeringsmaatschappijen vergóeden tegenwoordig zelfs een ‘second opinion’. De arts is geen vertrouwenspersoon meer. De arts is een parasiterende, zoals élke ‘dienstverlener voor geld’.
- Dit verschijnsel van de door het ‘per verrichting betaald worden’ tot zondigen uitgenodigde arts is één voorbeeld van het feit dat het vigerende systeem van binnensoortelijk parasiteren niet doeltreffend (= heil brengend) is.
- Een ander voorbeeld is dat van die gloeilampen die wij hier hebben (afgesteld op 220-230 V) en die in de USA, bij 110 V zowel eeuwig zouden meegaan. Dat gegeven toepassen zou vrijwel alle grondstoffen en energie besparen, die bij het aanmaken tot en met als afval wegwerken van gloeilampen nodig zijn en de mensen die er werk aan hebben en er aan verdienen schaden. Hun schaden van hun omgeving is hun manier van zich in leven houden. Zij dragen niets bij aan het natuurlijke ecosysteem, integendeel, zij dragen niets bij aan het artificiële ecosysteem, de materiële infrastructuur (de technologische kennis en de materiële substantie) van de menselijke samenleving. Integendeel: ze zijn puur parasitair t.a.v. beide: natuur en ‘cultuur’.
- Gesystematiseerd is het binnensoortelijk parasiteren. Iedereen die werk heeft, zit als radertje in dat systeem.
- Kijk, er is loven van de techniek en de industrie. Men illustreert dat met andere voorbeelden van technische vooruitgang (1) en het leven van het verkopen van door de koper niet zelf te leveren prestaties (2).
- Ooit waren de mensen zoals de wilde dieren nu nog: zonder technieken om oogsten en prooien (kadavers) te bewaren. Ze keken van de eekhoorns en anderen af: het bewaren van noten en dergelijke dingen die vanzelf ‘goed bleven’ (in hun eigen belang, pas na de winter moest er immers ontkiemd worden). Men droogde vis. En zo voorts en zo voorts. Die technieken maakten het er-zijn van de mensen voor de natuurlijke omgeving niet minder belastend, maar wel maakten ze het de mensen mogelijk permanent deel uit te maken van eigenlijk daarvoor te weinig leverende, te ‘arme’ ecosytemen.
- De betrokken mensen konden allemaal die technieken toepassen, alleen of in vereniging (met vereende krachten). Deze technieken moesten minstens jaarlijks door allen worden toegepast, wat nu met conserveren van voedsel nog steeds het geval is. Tot voor een eeuw konden vrouwen dit bijna allemaal. De mannen werden gebruikt door de bezetters, in naam van de vorsten, onder bedreigende bewaking door de afstammelingen van de vroegere overwinnaars. Dat was al zo in het oude Egypte (dat land van ooit, waarover wij steeds kunnen lezen en les over krijgen via ‘Discovery’. Nog maar weer eens: het maakt niets uit of dat land ooit heeft bestaan. Het verhaal verklaart, dat is: vormt een onthoudbare ordening, van waaruit wat we nu om ons heen zien gebeuren ‘te verwachten’ is, gewoon, dus niet bedreigend én niet (om) te veranderen. Het verhaal bijvoorbeeld dat de Farao over het graan kwam te beschikken en dus de mannen tot werken kon dwingen, werken aan wat voor hém nodig was én aan wat onnodig was: de piramiden.
- Precies zoals in het oude Egypte uit de verhalen gebruiken hier nu de aandeelhouders de gewone werkmensen, de loonafhankelijken. Ze laten deze werkmensen ook spullen voor elkaar maken en diensten aan elkaar voor geld verlenen en leven daarvan parasitair. Heel vriendelijk noemde Veblen ze de leisure class, vertaald als de nietsdoende klasse. Ze parasiteren, ze zuigen de inspanningen, de moeite, uit de werkmensen, uit ieder van hen zó weinig, dat het niet in het oog loopt, zoals tijdens de beginjaren van de industriële revolutie.
- De vampiervleermuizen, waarvan dat bloedzuigen ook bekend is, hebben varkens en andere zoogdieren in ‘gebruik’. ‘Het zoogdier’ heeft dus ook een hoop bloedverlies aan zichzelf te wijten.
- In het boek ‘Urban tribes’ worden groepen mensen (stedelingen met werk, gebruikten dus) die bevriend zijn plus iets. Dat iets zijnde, dat ze niet in gezinnen met families zich op hun plaats achten, maar in stellen (van twee of meer), bevriend met andere stellen. Wederzijdse hulp en aandacht zijn vanzelfsprekend en de vrije tijd wordt deels (af en toe is bedoeld) samen besteed.
- In tegenstelling en onderscheid van deze stammen van ‘mensen met werk’, mensen in gebruik, zijn er in diezelfde steden de bendes, de ‘gangs’. Dat zijn groeperingen van ongebruikten, die aan geld (à wat ze nodig hebben en wat ze begeren) komen als vrije ondernemers van toevallig illegale dienstverlenende bedrijven. Legaliteit en illegaliteit zijn geen eigenschappen. De bendeleden zijn onderling ook weer (via terreur) gerangschikt – parasitair.
- Als er nu eens geen gangs en alleen maar tribes waren in onze steden, dat zou toch mooi zijn.
- En als er geen woeker was, maar alleen ‘geld voor later bewaarbaar makende rente, voor risicodragend ingezet spaargeld.
- Een gedachte die eenvoudig in mensen kan opkomen is, dat dat wellicht kan. Door het tot ‘werk (à geldinkomen) maken van ‘alles wat nodig gedaan moet worden’(1) en van heel veel van ‘wat mensen dermate begeren, dat ze er moeite (zo heet txaenz in de volksmond) voor over hebben’(2). En van dat werk dan voor állen een deel, zo mogelijk naar keuze en in ieder geval: naar deskundigheid.
0 Reacties