Jaap Schot, 2 oktober 2002

Kouwer laat in zijn boek “het spel der persoonlijkheid” zien dat het begrippenmateriaal van de psycholoog klontert: de termen horen samen in theorieën en persoonlijkheidsleren.
Als dat waar blijkt te zijn voor ‘het begrippenmateriaal van de psycholoog’, dan is het waarschijnlijk ook zo voor ‘mijn begrippenmateriaal’, voor begrippenmateriaal in het algemeen.
Dat dacht en denk ik. Ik zocht dus die klonters.

In religies gevonden klonters
De religies, de achtereenvolgende wetenschappelijke modellen, dat zijn klonters.

Niet moeilijk te vinden was ‘de taal/begrippenapparatuur waarin alles wat beweegt leeft, alles wat gebeurt gedaan wordt’.

Bij kinderen vinden we die ‘taal’ in uitspraken als ‘stoute kachel’, als het kind zijn vingers eraan brandt. Bij volwassenen vinden we nog steeds beeldspraak ‘de zee verzwolg’, ‘de storm woedt’, maar als het even erger wordt en/of de mensen iets minder welgesteld/welvarend/verzekerd zijn, wordt er al gauw gebeden en geofferd. Wat gebeurt, wordt gedaan en  de Dader of Daders zijn mensvormig voor wat betreft dat ene: ze zijn verbiddelijk, kunnen ophouden met wat ze aan het doen zijn, als het hen belieft.

Natuur zonder daders, recht en religie met daders
Wij, natuurwetenschappelijk geschoolden, ‘zien’ dat niet zo. Wij zien hetgeen gebeurt puur als het aflopen van oorzaak-gevolg-ketens, ontelbaar vele naast elkaar, voor elkaar soms hindernis, soms katalysator, soms voorwaarde, soms bijdrage, noem maar op. Een dader zit er niet achter. Zolang het ons lukt binnen deze begrippenapparatuur te blijven werken en denken vallen wij niet ten prooi aan gevoel en emoties en aan betrekkingswanen ten aanzien van Daders, die ons straffen of beproeven.

Wij hebben echter op school wel geleerd over natuurkundige en scheikundige
en mechanische dingen zo te denken.
Maar merkwaardig genoeg heeft men ons voor vele andere onderwerpen
het ‘denken met daders’ niet afgeleerd.

Integendeel, juristen en religieleraren worden met steun van vrijwel alle leken – inclusief opvoeders, journalisten, literatoren, reclamemakers en propagandisten voor werkelijk van alles – blijvend aan het praten gehouden in termen van ‘vrije wil’, schuld, straf, boete, spijt, berouw, schande, schaamte, waarde, norm, enzovoorts, enzovoorts.
Vooral ook die mensen die er van leven ons tot allerlei gedrag aan te zetten, praten ons een vrije wil aan. Wij moeten besluiten voorkómende geneesmiddelen en maatregelen te (laten) nemen, anders zijn onze ziekten en onze dood onze eigen schuld. Het gedrag waarmee wij ons schuldig maakten wordt onwaarneembaar gedefinieerd: in vorige levens deugden  we niet of brachten we het in verdienstelijkheid zover, dat wij het daardoor nu zo goed hebben. Het loon voor ons goede gedrag op hun aanwijzingen ligt overigens ook vaak achter onze dood, achter de dood van ‘dit lichaam’, ‘deze sterfelijke huls’.

Blijvende sporen van de religie uit de kindertijd
Vooral als de religie in kwestie ons niet met de paplepel is ingegeven, is dat gepraat zeer herkenbaar als ‘vreemd’, zonder enig bewijs, goedpraterij, bangmakerij en zo meer. De God of goden die wij wel met die paplepel binnen geschept kregen, hebben we meestal in gebruik genomen om onszelf te troosten of zo. Die willen we dan niet meer kwijt, waarom ook, er kan een tijd komen dat we het verzinsel in kwestie nodig hebben of minstens kunnen gebruiken.
Wanneer dan wel? Antwoord: als het ons niet lukt binnen die daderloze besprekingswijze te blijven in het opvatten van wat ons raakt

  • uit onze omgeving,
  • uit het verloop van onszelf als genencombinatie in deze omstandigheden,
  • uit en via onze apperceptieve massa (= uit de sporen in ons van ons verleden).

Wat kan één exemplaar van deze soort weten?
Ik weet één ding volstrekt zeker: ik KEN mijn omgeving en dat wat daarvan mij raakt en mijn lot veroorzaakt NIET. Het geheel, ‘mijn omgeving’, is voor mij onkenbaar. Ik kan ‘hetgeen voor mijn lot ter zake doet’ buiten mij, om mij heen, evenmin zien als het dito binnen mijn vel. Pas na een heleboel gebeurtenissen en processen die ik niet kon opmerken, dringt zich ineens een verschijnsel aan mijn bewustzijn op. Ineens voel ik een scheut pijn, bijvoorbeeld.
Goed, als ik dus niet kan weten, dan moet ik dat als KENNIS aanvaarden en koesteren. Ik ben vrijwel blind ten aanzien van wat er in mijn omgeving gebeurt. Dat is het feit. Hetgeen ‘voor mij als mens’ waarneembaar is, is in de loop van het grote veranderen – de evolutie – voldoende gebleken. Voldoende om bij voldoende exemplaren van mijn soort het doodgaan voordat ze zich voortgeplant hadden te verhinderen, en/of om dat doodgaan niet te veroorzaken. Het is niet ‘goed’ of ‘het beste’ gebleken en het is niet ‘volledig ter zake’ gebleken, alleen dit bleek: het voortbestaan van de soort ging hiermee. Dat is alles.

Waarom wensplaat averechts werkt
Ik ben alleen mijzelf. Eén enkel exemplaar. Ik kan niet alle ter zake doende gevaren zien en als zodanig herkennen en dus overkomen mij ‘ongelukken’, op den duur zelfs een dodelijk ongeluk. Het loopt met iedereen slecht af, als doodgaan ‘slecht’ wordt genoemd.
Als ik zo weinig kan zien van mijn omgeving als veroorzaker van wat goed en slecht voor mij is, dan kan ik er ook niet een wensplaat naast houden. Laat mij niet mijn lot – en daartoe mijn omgeving – kiezen, ik KAN geen enkele keuze funderen.
Als ik geen wensplaat naast ‘wat gebeurt’ – in dit geval, ‘wat mij overkomt’ – houd, dan zal teleurstelling en ontevredenheid niet optreden. Evenmin echter goedkeuring of ‘opvatten als zegen van boven’ of zo. Er wordt niet gekeurd, niet gewaardeerd, als er geen wensplaat wordt gehouden naast ‘wat gebeurt’.

De vrije wil is een illusie
Om precies te zijn val ik zo ontspannen als een regendruppel met bewustzijn, dat bewustzijn is het verschil: ik WEET dat ik te pletter zal vallen. Mijn vrije val is tijdelijk, maar tijdens die val weegt er niets iets.
Alles is gedetermineerd, ligt van te voren vast, de vrije wil en de beslissing en de uitvoering daarvan, dat is een illusie, het gedrag van de mensen is net zo vast volgens oorzaak-gevolg als het verloop van een mechanische opeenvolging. Zo is het model.
Denken we daarbij aan zo’n op televisie wel eens vertoond geheel van rollende dingen, brandende kaarsen, omvallende vaatjes met brandstof, enzovoorts, enzovoorts. Ik weet niet hoe die oorzaak-gevolg-ketens heten. Deze ‘dingen die gebeuren’ echter – waar we ook soms diverse oorzaak-gevolg-ketens bijeen zien komen en elkaar zien raken en beïnvloeden – zijn het model voor de objectieve, daderloze, willoze, levenloze opvatting van ‘wat gebeurt’.
Ik kan mijn omgeving niet voldoende kennen om alles wat mij raakt, of dreigt te raken, op te merken en te pogen het te ontwijken. Ik kan niet gefundeerd een wensplaat naast wat mij overkomt houden. Met wat mij niet overkomt, moet ik me natuurlijk niet bemoeien, als ik voor mijn eigen ‘beheer’ en ‘wensplaataanmaak’ al onvoldoende gegevens heb, wat moet ik dan mij bemoeien met nog meer?  Dat is toch onuitsprekelijk aanmatigend.

Geloven is fout
Als het me lukt om binnen die objectieve opvattingswijze te blijven en niet terug te vallen tot het niveau van ‘stoute kachel’ en ‘boze goden’ (geprojecteerde tirannen/vorsten/schrikbewindvoerders), dan voorkom ik het centrale lijden van de mensen om ons heen: het gevoel, de emotie.
Het verbiddelijk zijn is een vernederingstechniek van de hoger geplaatsten. Zo’n heerser in de hemel projecteren was nu niet bepaald het slimste wat men doen kon. Een godsbeeld, verboden dus, de straf zit in het gedrag gebouwd: de slaaf die zich zo’n god ‘denkt’, kronkelt en lijdt.

Wat mij overkomt, is niet voor mij bedoeld, voor zover ik WEET.

Ik kan dat ‘bedoeld zijn’ wel geloven, van iemand die dat beweert, pratend over zijn god, maar geloven is fout. Geloven is wat je niet kent, niet waarneemt, behandelen, verwerken, als basis voor je doen en nalaten gebruiken, alsof je het wel kende. Dat moet een mens niet doen. Waarom zou hij?

Je beperken tot waarneembare kennis
Wat gebeurt, gebeurt. Of er nu wel of niet iemand is die denkt het te doen of die denkt dat het gedaan wordt. Waarneembaar (= te KENNEN) is: dat het gebeurt, het gebeuren. Laat ik mij tot die KENNIS, die mij gegeven is, beperken. Laat ik vooral ook mij beperken in mijn denken tot wat mij gegeven is, tot de symptomen, laat ik niet geloven in de diagnose van de dokter, als ik die niet zelf kan volgen, kan mee-stellen.
Als ik vertrouw en mij laat behandelen, gok ik. Vaak moet ik gokken, eigenlijk erg vaak. Zeer vaak is mijn welzijn in handen van anderen en tot nu toe ging dat goed. Kun je nagaan hoe weinig kwaad er op aarde mij raakte.
Blijven beseffen wat ik KEN en wat niet. Daar gaat het om.
Blijven beseffen dat ik beelden/films maak van veranderingen in de patronen op mijn televisiescherm. Ik zie niet door een verrekijker heen het gebeuren daar, ik zie een televisieprogramma. Ik zie niet ‘het gebeuren zelf’, ik zie flarden van het oppervlak ervan: ik zie (een deel van) wat mij zintuiglijk en anderszins gegeven is.

Het goddelijk plan
Ik KEN geen groot eeuwig, goddelijk plan, waarin mijn bestaan (= het gebeuren met bewustzijn dat ik ben) een plaats heeft, een taak. Ik heb zo’n plan niet als zintuiglijk gegeven, het is denkbaar en gedacht, door anderen, en dat bedenksel is overgeleverd, doorverteld. Maar ik hoef me daar niet druk om te maken. Zo min als over volgende en vorige incarnaties van mijn verzonnen ‘ziel’. Het kan allemaal best waar zijn, maar dat zien we dan wel. Nu ben ik mens en dat betekent: nu ben ik zonder gegevens (KENNIS) daaromtrent. En zo, zonder dus, moet ik nu leven (= mijn txaenz besteden).
Ik moet echt zijn, mens zijn dus. Ik moet geen spelletjes spelen. Dat wil zeggen, niet mijn txaenzbesteding vorm geven met gebruikmaking van – andermans, of eigen – verzinsels.

Het zelf gekozen model
Ik KEN het feit dat het mechanische gebeuren – zoals beschreven – als model wordt gebruikt, bij dat ‘objectieve opvatten’, dat ‘subjectiviteit’ en ‘subject zijn’ mijden. Een model is geen beschrijving. We hebben geen beschrijving, want we hebben onvoldoende gegevens. We moeten het (bespreken) dus met een model doen. Bij gebrek aan beter.

Dan is het zaak dat model te kiezen dat het minste lijden veroorzaakt.

En dat model is het ‘objectieve’, dat van de ingenieur – zonder verzinsels aan de gang – en van Robinson Crusoe. Exacter, van wie als Robinson alleen is. Dat wil zeggen, onbetrokken op medemensen: niet aan het rangschikken, niet met z’n EGO aan de gang.

Lees meer

 

Hieronder kunt u een reactie geven op bovenstaande tekst.
Het kan enige tijd duren voordat uw reactie geplaatst wordt.