Korte roman over een negertje

Categorieën: 2005, 1 januari – 2009, 31 december | Archief

Trefwoorden: censuur | geredigeerd | Jezus | Mozes | slavernij

Jaap Schot, 20 mei 2006

Laat iemand die dat goed kan een lang verhaal vertellen, dat boeit en spannend is, en onthouden wordt, en tijdens en na het aanhoren doorleefd.
Over een negertje dat op een plantage in Suriname geboren wordt uit een slavin. Het hoort en ziet om zich heen dat negers slaven, en blanken meesters zijn.
Een blanke juffrouw drijft 's zondags de slaven en slavinnen bijeen en leest ze de Bijbel voor. Over Mozes die zegt dat er een god is, die tegen het ‘slaaf zijn’ van die mensen van Mozes is, en tegen de slavenhouders tekeer gaat en wint. En ook dat er geen goden zijn, staat in dat boek.

En die juffrouw leest ook voor van een man, Jezus. Die man Jezus leefde, zo gaat het verhaal, lang na die Mozes. Hij vertelde aan de mensen om hem heen, dat – wat er aan wetten en zo geschreven zijn om die bevrijde mensen te laten leven, zoals die bevrijdende god wilde – werden gebruikt om de mensen weer te gebruiken.
En die man Jezus was daar boos om, en riep de mensen op om dat 'gebruikt worden' niet te aanvaarden. Om hun priester-leiders gewoon niet te geloven. Om gewoon te weigeren volgens die misleidende gebruikersverhalen te leven (= hun txaenz te besteden). Hij riep hen op te weigeren die misleiders te dienen. Dat staat in die bijbel die deze juffrouw voorlas.

Een vertekend beeld van de bevrijdende god

Het slaafje wordt een slaaf en houdt daarmee ook op, want hij heeft de boodschap verstaan. Die god die de blanken tot meesters benoemt, is een vertekend beeld van de bevrijdende god, die Mozes achter de plagen aanwees.
Er was geen god te zien en dat zei Mozes ook, na de uittocht tot zijn volk. Maar dat volk kon het gewoon niet geloven. Bevrijd door een gedachte, een truc. Ongelooflijk!
Veel gemakkelijker viel het dat volk om te geloven in het bestaan van die bedachte god. Om die god te aanbidden, om aan die god te offeren. Zonder te zien, dat die offers alleen maar geld (→ een tempel, eten en kleren en huizen en zo) voor de priesters waren.

Het bedrog van de blanke handelaren

De neger van de roman begreep dat. En hij begreep ook dat de blanke handelaren, die de producten van de plantage kwamen opkopen, heel onterecht bezig waren door tot de blanke slavenhouders te zeggen

  • dat iedereen mocht geloven wat hij wou.
  • Ook dat die god bestond, die achter de blanken stond bij hun in slavernij brengen, en houden, van die negers.

Ja, die handelaren gingen zo ver, dat ze zeiden dat die slavenhouders * , als dat hun democratische wetten waren, negers mochten doodmaken. Dat wil zeggen, de negers die zich niet meer lieten gebruiken. Omdat ze dat religieuze verhaal botweg doorzágen. Zoals die Jezus toen, daar, dat ándere verhaal – van de priesters van zijn tijd en land – doorzag.

Dat doodmaken mocht volgens die handelaren, omdat er vrijheid van godsdienst en zo, moest zijn, voor iedereen. En soevereiniteit, liefst: vólkssoevereiniteit. En eigendom: wat je gekocht hebt, zeiden ze, dat is van jou. Dat mag jij met geweld van wapens aan anderen voor gebruik onthouden. Ook als die anderen het voor hun leven en welzijn nodig hebben. Als ze het niet betalen kunnen, gaan ze maar dood. Of consumeren ze maar werkgelegenheid. Zij die bezitten, hoeven niet af te geven. Zij die nodig hebben, mogen tóch niet plunderen. Aldus de handelaren.

En hij sprak met grote vreze

En die neger ging weg van de plantage. Mentaal, niet fysiek! En hij sprak uit wat hij inzag: die vrijheid – van godsdienst, democratisch beslissen, enzovoort – van die handelaren was geen goede vrijheid, maar een goddeloze truc om het binnensoortelijke parasiteren van mensen te laten voortduren. Ook zónder geloof in goden.

En de neger sprak, en publiceerde schriftelijk, met grote vrees in zijn hart. Vrees dat het hem zou vergaan als die Jezus uit dat verhaal. Nou, niet met kruisiging, maar wel met fysieke vernietiging. Of minstens verguizing.
Vrees ook dat zíjn volgelingen van hun leer beroofd zouden worden. Na enige honderden jaren, als het betere weten weer merkbaar zou worden door het onbruikbaar worden van vele, vele mensen voor hun parasitaire soortgenoten. Dat ook dán weer een nieuwe editie van de Roomse Kerk zou worden gemaakt, die de boodschap vertekende tot een leer. Een leer, die niet meer bevrijdend en ‘helder denken zonder verzinsels’ was, maar een neuzelverhaal over de goddelijkheid van die neger. En meer van die onzin, zoals ook Jezus overkomen is.

Mentaal kun je ontkomen aan de slavernij

In 750 woorden heb ik nu deze roman verteld. Zó beluistert en leest die, vrijwel zeker, niemand. En alle extra woorden die een goede verteller toevoegt, zijn alleen maar schadelijk voor het inzicht, voor de boodschap.
Maar dát is nu de pest van de gewone mensen. Ze zijn zó denklui, dat ze niet luisteren naar hun bevrijders. Ze willen geboeid en geamuseerd worden, zoals de koningen en de adel vroeger. Je zult, aan die mohammedanen en die liberalen en democraten, die verhalen zoals boven, voor moeten lezen. Als het nog lukt hen tot luisteren te verleiden.

Dat die neger zich bevrijdde, kwam doordat hij die verhalen had gehoord. Naast zijn ervaring dat er aan de slavernij fysiek geen ontkomen was, was er dat verhaal dat er mentaal aan te ontkomen is. Want dát is de boodschap van die evangeliën, die romans, waarin Jezus de hoofdfiguur is. Vooral klinkt er inspirerende hoop in het héle Nieuwe Testament, dat – als geheel gelezen – nu juist vertelt dat het met Jezus niet goed afliep. Wél met zijn boodschap, zijn constateringen en ontsnappingsaanwijzingen.

Pas na de dood, vrij en gelukkig

Tót de Romeinse keizer die ontsnappingsaanwijzingen tot heilige geheimen verklaarde, en er alleen nog onbegrijpelijke losse stukken uit werden voorgelezen door priesters. Priesters, die dienaren van de keizer waren. Priesters, die – als aan kinderen – vertelden aan de gelovigen, die als 'beminde gelovigen' hun priester aanhoorden. De priesters vertelden dat het binnen­soortelijk parasiteren, dat op hen, de gelovigen, gebeurde, Gods wil was. Dat het Gods straf was voor hun zonden. Dat wie hen gebruikten en verdrukten, dus uitvoerders van de wil van die god waren.

En dat ze láter, ná hun dood pas zouden vrij zijn. Ze zouden vrij zijn, op voorwaarde dat ze ‘in dit leven’ zoet, mak, gedwee, gehoorzaam waren. ‘In dit leven’: de suggestie was dat er voor hen nog een leven kwam. Ze zouden dan vrij en gelukkig zijn. Na hun dood, in de hemel, door hun geloof in het verlosserschap – het verzoenend lijden – van die Jezus van ze.

De moord op Jezus

Het ging, zo stelden de priesters, niet om wat Jezus had gezegd (zeker niet om dat begrijpelijke, ontmaskerende deel), maar om wat de moord op hem was geweest. Dat was, het ondergaan van de wraak van die god vanwege de zonden van de beminde gelovigen, tot wie de priester nu sprak.
Die Jezus, die was een afsplitsing van die wrekende god. Een deel (zoon) van die drie-enige god. Die god die voluit achter het txaenz-vampirisme en de vampiers van elke plaats en elke tijd stond, en staat, en staan zal. Zo spreken, en spraken, de priesters. Eerst voor (= in dienst van) de keizer, later voor de handelaren.

Het is de leer van de handelaren, dat elke verzameling verzinsels, verhalen en roman­figuren, waarmee massa’s mensen in gebruik van binnensoortelijke parasieten worden gehouden, onbestreden dient te blijven. Dat noemen ze ‘vrede’. Dat noemen ze ‘de boel bij elkaar houden’.
Die leer van de handelaren wordt gediend door de – soms democratisch, door de gebruikten, gekozen – politici. Die zien geen andere mogelijkheid om zoveel mensen bezig te houden en elkaar van het nodige te (laten) voorzien, dan door het behouden van de geïnstitutionali­seerde, georganiseerde mensengebruikerij. Die mensengebruikerij kent echt niet langer meesters en slaven, maar flitskapitalisten (een volstrekt "nietsdoende klasse", zie Veblen) en werknemers. Entrepreneurs en werknemers zijn slaven in zelfbezit: in duizend rangen, vechtend om ongelijkheid. Vrij vechtend, vrij om te vechten.

De taak van de lezer

Langer hoeft mijn melding niet te zijn. De rest moet de lezer zelf doen: in de media deze melding geïllustreerd zien, horen, lezen. De tijdgenoten gaan óp in de ruzies van de dágen. Ze voelen zich al hele pieten als ze opgaan in de ruzies van hun eeuw en van hun wereld. De gegevens voor de bredere visie, met dus ook veel minder details en zonder enige belang­stelling voor personen en andere eenmaligheden, zijn beschikbaar.
Maar de lezer moet zelf, actief, afzien van de altijd wél vertelde eenmaligheden. Want die theekransjesbenadering van álles, flaptekstbelangstelling voor alles, is alomtegenwoordig. Eigennamen bij de vleet. Bijzonderheden over de techniek van vermoorden, bij de vleet. Relaties tussen personen, alsof het er ooit toe deed, massaal geponeerd en besproken. Het is deze rommel, waar de lezer later weer van af moet zien. Teneinde het inzicht dat erin verpakt (verhuld, te slikken gemaakt) is, zich eigen te (kunnen) maken. Assimileren heet dat bij spijsverteren.

Het gaat om de medicijn, niet om het suikergoed

Eigenlijk bedoel ik: goede vertellers – als koks met voedsel – bezig met meldingen, blijf met je techniek (je poten) áf van deze melding. Maar ik besef dat er in deze melding, in de taal waarin ik die moet uiten, veel verhalen verpakt zitten, waar ik naar verwijs: de Bijbel, Veblen, Orwell’s boerderij, Robinson Crusoe, De negerhut van Oom Tom enzovoort.
Allemaal van dat suikergoed, waarmee de medicijn werd geslikt. De medicijn die het tegengif is tegen de ervaring, die we opdoen in het concrete leven van alledag.
Jawel, zo is het bij mij en vast wel ook vele anderen, gegaan. Alleen, ik heb wel erg veel tijd (txaenz) gehad om het uit de suiker te pakken en kaal op te schrijven. Na het slikken moet het lijf het bericht hebben dat het niet om de suiker, en niet om de smaakstof, maar om het eiwit (het inzicht) ging, en gaat, en zal gaan. En dat dat eiwit om gebruikt te kunnen worden, nog weer ontleed moet worden.
En dan is er die gelijkenis van de zaaier. Af en toe is er ergens bloei en vrucht. Veel zaad en zelden een ‘ideale plant’ (= volledig gebeurde entelechie).

Aan dit opstel moet nog een staart

  1. Het is mijn bedoeling de lezer begrippen, onderscheidingen, bewoordingen en verhalen aan te bieden, om mee te spreken bij zijn waarnemingen en ervaringen.
  2. Als hij oplet, zal hij merken dat de mensen om hem heen te oppervlakkig (met, en tot hem) spreken bij ‘wat er gebeurt’. Zo sprak men in mijn buurt nooit duidelijk uit wát er dan in het kapitalistisch systeem was gesystematiseerd. Daar moest ik zelf achter komen. Nu is ‘ergens achter komen’ heel erg leuk en lonend, dat wel. Maar ‘je’ komt achter dat waarachter je niet bent gebracht.
    Men hoeft geen geheimen achter te houden om de jeugd nog wat te vinden te laten.
  3. Waarom groeit een berkenkiem in de tropen niet gewoon uit tot een palm? Voor palmen is het klimaat daar immers zeer geschikt. Daartoe is alle gelegenheid. Ja, maar de berkenkiem is er niet toe in staat. Het worden van een palm, valt niet binnen de ‘bandbreedte’ van zijn entelechie.
  4. Men spreekt over de natuur van de mens steeds alsof hij zo’n groeps-aap is, chimpansee of bonobo.
    Maar misschien is het wel zo dat bij sommigen van ons, mensen, de bandbreedte van de entelechie de mogelijkheid omvat om veel meer op de Orang Oetan te lijken. Die is solitair. En dat scheelt een slok op zowel de agressieborrel als de seksborrel.
    En de politiek – met bedreigen, mishandelen of bedriegen – is ook geen zaak van solitairen.
  5. Op basis waarvan zou ik iemand – wiens DNA ik niet kan ‘lezen’, wiens entelechie ik niet kan kennen – voorstellen, of proberen, te bewegen om anders te gebeuren dán hij gebeurt?
  6. Het is totaal oninteressant en niet ter zake of het historische in bovenstaand verhaal
    • anders gebeurd is,
    • anders in de boeken staat,
    • anders bedoeld is,

    dan ik suggereer.
    Het hele verhaal is alleen maar verpakking. Het gaat om de voedzaamheid en verteerbaarheid van het eten. Niet om de smaak en het aanzien en de genoeglijkheid van de maaltijd. Die ‘aspecten’ zijn allemaal aangeleerd, en de één smult van dat waar een ander van gruwt.

  7. Wat ik vertel is begrijpgereedschap voor wie zich willen bevrijden uit deze mensen­gebruikerij, waarin wij geboren en getogen zijn. Een soort vijl dus, om tralies mee door te vijlen.
  8. Er is geen censuur meer.
    De vijl hoeft dus niet, in een taart verwerkt, te worden aangereikt.
  9. Zij die zich in deze gevangenis thuis voelen – en veilig tegen de boze buitenlanders en buitenlanden, buiten – zullen die vijl niet gebruiken. Ze kunnen die levenslang ‘op cel hebben’, zonder dat ze enige poging tot ontsnappen doen.
    Het is nog erger! Alle binnendeuren zijn open, en alle buitendeuren zijn alleen van buiten gesloten. Slechts wie (à la Von Braun) het hem ontvangende buitenland iets te bieden heeft, is echt welkom.

*) Mensengebruikers, parasieten, txaenz-vampiers.

2 Reacties

  1. Rineke Hofman

    Ik ben inderdaad getroffen door het gebruiken en gebruiken laten. En ook door het medicijn en het suikergoed. Heb nog wel even tijd nodig om dat te vertalen naar de praktijk van vandaag.
    Met de trieste werkelijkheid van Musk, Bezos en Zuckerberg. Gebruiken ze Trump met suikergoed, of is het andersom?

    Antwoorden
    • Jan Schot

      Het suikergoed is de verpakking, het verhaal dat zo ‘pakkend’ is verteld, dat de medicijn “die het tegengif is tegen de ervaring, die we opdoen in het concrete leven van alledag” binnenkomt.
      Zo gaat het er, in Orwell’s ‘Animal Farm’, niet om de lezer te laten geloven dat er sprekende dieren bestaan. De boodschap is, kort geformuleerd, dat macht corrumpeert.
      Vóór de revolutie zijn er allerlei fraaie vergezichten, beloftes. Na de revolutie glijdt de machthebbende elite af richting dictatuur.
      Met die USA-miljardairs is niet helemaal duidelijk wie welke agenda heeft, wie de ander ‘dient’.

      Antwoorden

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *