Kwadratische dwaasheid

Categorieën: 2005, 1 januari – 2009, 31 december | Archief

Trefwoorden:

Jaap Schot, 14 maart 2005

Overzicht

De vraag naar de zin van het bestaan van een persoon (= eigennaamsdrager) is kwadratische dwaasheid: verzinsel maal verzinsel. Zeer erg.
Het is de rationalist genoeg als er van zijn onderwerp sprake is. De wetenschapper – empirist wil er per se iets bij hebben dat niet van woorden is gemaakt en met de tekst in kwestie besproken wordt. Dat iets dat niet van woorden gemaakt is, het onderwerp. Bij dat onderwerp wordt gesproken en wat er gezegd wordt (<-- wat de tekstaanmaker in de taalgebruiker aan diens geestesoor laat horen) wordt (inhoudelijk) gevormd en begrensd door ‘wat die taalgebruiker van dat onderwerp opmerkt, een deel dus van wat hem gegeven is, zintuiglijk en anderszins, dat deel daarvan dat hij néémt’. Die tekst is het vermenigvuldigingsproduct van (’s sprekers deel van “zijn”) taal maal ’s sprekers constateringen. Dat onderwerp moet bovendien nog aan zowel spreker als hoorder zintuiglijk of anderszins gegeven zijn. Want de diepst ingeheide paal waarop het met elkaar eerlijk praten berust is: dat er geen geloof nodig gemaakt wordt, door geen van beide. En dat er ook niet (lui en afspraakbrekend zou dat zijn) geloofd wórdt door wie hoort.
Zo valt bijvoorbeeld ‘het gezag des konings’ als bespreekbaar onderwerp weg. Er is van koningschap en recht en plichten en schuld en verdienste (merite), van de zin van de bestaande regelingen en de eigennamen en verantwoordelijkheid der onderdanen (subjecten / burgers) slechts sprake, en dat is voor míj gelijk aan: dat is gewauwel, gewauwel dat bedoeld is om (de hoorder en de kinderen die de taal leren) te verwarren. Als, zoals de rationalist dat wil ‘dat waarvan slechts sprake is’ ook wordt opgevat als een melding (waarschuwing, lokroep, oproep) waarop gereageerd moet worden met iets anders dan controle, dat wil zeggen: eigen onderzoek van het gezamenlijke onderwerp door de hoorder, dan is het mis. Er is dan verwarring, het hebben van een woordenschat plus grammatica wordt voldoende om te menen ‘wat te zeggen’, ‘wat te melden’ te hebben. Dat is natuurlijk onzin, waar niks waargenomen wordt, daar is niets te melden. Exacter: wie niks waarneemt, heeft niks te melden. [Waarneemt: onvoltooid tegenwoordige tijd; wie wat waarnám, kan dat melden, dat hij iets waarnam naar hij zich nu meent te herinneren en wel dát, naar hij zich nu meent te herinneren. Wat niet daar dan dor de meldende waargenomen wordt, kan hij niet melden. Wat niet is, kan niet benoemd worden.
Spreken moet ergens over gaan. ‘Wat gezegd wordt’, moet bepaald worden door ‘wat gebeurt, met name wat daarvan door de taalgebruiker wordt waargenomen’. Tekst die nergens over gaat, waar geen besproken / beschreven non-verbaals bij is aan te treffen, is schijnmelding.
“Rationalist” is diegene die reageert op schijnmeldingen. Dit vals alarm wordt gegeven om het gehoorzamen uit angst te vervangen. Bedreigen wordt vervangen door bedriegen.
Het schoolvoorbeeld van de aanmaker van zulk een begrippensysteem waaruit slechts schijnmeldingen kunnen worden gevormd, is de jurist, de gebruiker van de truc der juristen, het verzinnen van zulke onzin als ‘schuld’, ‘vrije wil’, verdienste, eer, gezag, recht, plicht, wet, regeling.
========
14-3-2005 11:32:
De roep van de meeuw heeft noch geeft vat op de haringen in zee. Er is geen enkel meeuwvrij (= objectief) verband tussen kreet en haringen.
De bundels oorzaak-gevolg-ketens ‘haringen aan de oppervlakte’ (1) en ‘meeuw in opwinding’ (2) raken elkaar NIET in de werkelijkheid (= de massa evenwijdige oorzaak-gevolg-ketens) ‘onder’ het oppervlak dat ‘het actuele gebeuren’ heet (c.q. ‘is’). Het schijnbare verband ligt buiten de werkelijkheid, is illusie. Het is precies dezelfde illusie die bij de mensen te vinden is in hun gevoel bij ‘wat ze denken te willen en te beslissen’ en ‘wat er gebeurt door hen heen’, met andere woorden: ‘binnen dat wat ze met hun eigennaam benoemd achten’.
De actualiteit is het bewegende, ruimte innemends betreffende, gebeurende oppervlak van de werkelijkheid.
De werkelijkheid is de massa evenwijdige oorzaak-gevolg-ketens, waarin de potentialiteit steekt. [Schoolvoorbeeld van die potentialiteit: als over enige tientallen jaren de stijging van de temperaturen op aarde zover is dat de permafrost in de Alpen ophoudt, dat ijs ontdooit dat nu ononderbroken onder het oppervlak zit, dan zal blijken uit wat gebeurt, wat we nu al weten uit andere waarnemingen: dat de wanden der bergen en de toppen ervan, bestaan uit van elkaar losgevroren stenen, die nu als een ruimtelijke puzzel in elkaar passen en met ijs op hun plaats gehouden worden. Al dat gesteente zal bij dat ontdooien naar beneden komen als lawines. Zodra dat kan, zal dat gebeuren. Nu gebeurt het niet, omdat het niet kán gebeuren. Wat kán gebeuren, gebeurt. Nergens is een wil voor (nodig). Niet voor het slaken van een kreet door die meeuw, niet voor het vertellen van wat hij meemaakte door de thuiskomende en niet voor dat omlaagkomen van dat gesteente. Alles wat gebeurt lag enige tijd, hoe kort ook, gereed, zoals die stenen. Het wachten is en wad op het kunnen gebeuren, nergens anders op. Het zijn de gebruikers van de taal der juristen-bedriegers die spreken alsof dat bij het gedrag van de mensen anders zou zijn. Bedrog dus!
=========
Omdat ze elkaar producten (“eieren”) te consumeren (“als eten voorgeschoteld”) krijgen, voelen de batterijmensen (het menselijk productievee) zich koningen, boeren, edelparasieten: bouwstenen (samen stellende delen) van “Koning Klant”. De reclame mensen en de propagandisten van ‘ons huidige regime’ praten ononderbroken via de media tot de batterijmensen in díe termen, die dit gevoel opwekken, sterken en behouden.
Deze reclametaal en (politieke) propagandataal overlappen enigermate de bedriegerstaal der juristen, maar schuld en plicht zal men er zelden aantreffen: daar kan een koning niks mee voor zichzelf en zijn gedrag: want let op: sinds 1900 weet iedereen dat God dood is (= dat het concept ‘God’ niet langer functioneert in het denken van de welgestelde, dat is: toonaangevende burgerij van Europa). Nog een eeuw ongeveer heeft het fatsoen nageijld op deze ontdekking, maar nu hebben we dan een premier die smeekt of we toch willen doen alsof er wél een reden is voor fatsoen en zo. Maar dat kán niet: je hebt óf een feodaal óf een liberalistisch regime: ze spelen knechtje of koninkje, de batterijmensen. Nou, nu spelen ze koninkje. Punt uit. En een koning is soeverein, álles wat hij doet is goed, is boven alle kritiek verheven en is verontschuldigende basis voor iedereen die zich door de koopkracht die uitgeoefend wordt, laat brengen tot wat dan ook. Het uitmoorden van diersoorten en zo wordt gedaan door de allerarmsten en die worden verontschuldigd door het feit dat ze het als knecht voor een karig loon doen, zonder een alternatief te hebben. De managers – organisatoren worden doordat ze het spel van winstmaximalisatie spelen, in dienst van de aandeelhouders en in competitie met anderen die dat doen: zij kunnen niet anders en zijn dús onschuldig.
Alles gebeurt gewoon: het als religie vermomde vals alarm der juristen was en is bedrog onder het feodale regime: er was nooit ergens schuld of verdienste aan te treffen. Wie het verleden losliet was van de erfzonde áf. Dat was de blijde boodschap van bijvoorbeeld de Boeddha. Wie zich onthecht, blijkt door bezit en zo niet vastgehouden te worden.
‘Ons’ regime valt mét het loslaten van het “schone” en het “goede”. Slechts dat het nodige nodig is, is waar. Het onnodige is onnodig en hoeft niet. Dat is duidelijk en dus wordt het woord ‘nodig’ systematisch (systeemreddend) vooral ook te ónpas gebruikt (voor ‘technisch vereist’ en voor ‘door anderen geëist).
==========
Men heeft in het huidige regime het feodale concept ‘daderschap’ gered, want de koning (de klant met smaak) moet toch de dader van zijn voorbeeldig, bewonderenswaardig, onnavolgbaar, eerbiedwaardig, toe te juichen gedrag zijn.
=========
Alles gebeurt gewoon. Het voedsel zoekende dierlijke leven geeft de schijn van ongedetermineerdheid ( ? van buiten het gebeuren vallen). Dat is schijn. Alles (inclusief het gedrag van de levenden) gebeurt omdat het het enige is dat kan (men spreekt van: moet = wil= durft = mag van God = gedaan wordt, allemaal leeg gepraat, bedrog, spelletjes). Nalaten wat kan (genade) of ‘kunnen zonder te gebeuren’ (mogelijk zijn en dan niet gebeuren, dat bestaat niet, doet zich niet voor, daar is slechts sprake van. Bedrieglijk spreken. Om te verwarren.
Leeg gepraat. Díe soort ‘vrijheid’ is er niet. De mensen zíjn geen godjes. Al spelen ze dat ze het zijn, als beschuldigen ze elkaar van nalaten wat ze zouden moeten doen en van doen wat ze zouden moeten nalaten. Al nemen ze elkaar hun gedrag kwalijk. Totale verwarde dwaasheid. Ze gebeuren gewoon. We kunnen hen dus hun verward dwaas zijn ook niet kwalijk nemen of: ontnemen. Kónden ze anders zijn, dan wáren ze anders. Alleen aan de speler in een spelletje (zoals schaken, patience en ‘spider solitaire’) staan alternatieven ter keuze voor hem. Niet in feite want in feite heeft ook de speler als gebeurende genencombinatie niks te willen, maar in de juristentaal. De juristentaal waarin de spelregels zijn geformuleerd, opdat het reageren op juristentaal voor de spelende batterijmens aan het plezier van spelen en winnen gekoppeld zou worden. Wat de heilige mis is voor de roomsen is het spelletje voor de humanisten: het onopgemerkte rituele inpeperen van het feit resp. in de mis: dat de beminde gelovige afhankelijk is van genade en in het spelletje: dat het door juristenpraat te leiden zijn, móet (= geëist wordt). Opvallend is dan ook dat in al die spelletjes de speler onder druk wordt gezet (zo snel mogelijk, of in zo weinig mogelijk zetten of zo lang mogelijke rijen, of wat ook dat te meten en te overtreffen, dus te scoren is) en dat het winnen voor de sportieve amateur niks oplevert. Dat is wat de productiemens / productiekip moet aanvaarden: het ei is niet van wie het legt, het product niet van wie het maakt. Het zou volkomen ontregelend werken als in de spelletjes iets gemaakt werd, dat eigendom van de speler werd. Dát is maken, dat heet en is geen ‘spel, dat werkt niet als ‘middel’ [als onderwijsleersituatie voor] gewennen en gewend blijven aan het als productievee gebruikt worden.
=======
En die kreet van die meeuw bij het opmerken van die haring aan het wateroppervlak, hoe zit dát vast aan het gespreek dat geen bespreken is, aan het gesprek dat nergens over gaat? Aan het aanmaken van tekst met behulp van verzinsels en grammatica en logica en consistentie en stijl? Wel: die tekst wordt geaccepteerd om er op te reageren, door wie die tekst leest of hoort. Dát is het wat alle media ons ononderbroken onderwijzen: op tekst reageren waarbij we zelf NIETS waarnemen. De term ‘reality-tv’ impliceert dat die andere programma’s irreëel (vertekend, gereduceerd, vereenvoudigd, aangedikt, enz.) zijn, de gebruiker van die term geeft dát al toe.
Wij horen / lezen een tekst en wij reageren daarop met ‘emoties voelen’ en ‘een mening vormen en formuleren’ en ‘partij kiezen’. En ook met de tekst rangschikken (scoren) op stijl, vorm, relevantie voor onszelf, of voor enig onderwerp en op consistentie of wat ook. Alle mogelijke reacties behalve zelf naar de zaken zelf te gaan óf vast te stellen dat het ‘je blijkbaar niet raakt, want niet gegeven is. Wat je raakt heeft in ieder geval de eigenschap je (zintuiglijk, als iets wat je verhindert weer in te slapen of anderszins, bijv. als ‘symptoom’ of ‘klacht’ genoemd ongemak) gegeven te zijn.
Wat je niet gegeven is, raakt je niet, betreft je niet, wat er over verteld wordt hoef jíj niet aan te horen. Wat uit de media stroomt, wordt door zeer velen opgevangen en daarna “geweten”: het moge duidelijk zijn dat het overbodig is dat ik dat ook nog eens weet (ga weten, aanhoor). Nee, ze kunnen mij wat dat betreft (ook wat dát betreft) gerust missen.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *