Jaap Schot, 7 november 1991
Het spel
Ik ga uit van de vooronderstelling dat het in de wereld gaat om de ongelijk te verdelen voorrechten. Voorrechten waarvan het eigendomsrecht er een is onder vele andere, maar wel een zeer voorname. Het gaat er dus om dat er ongelijk-verdeelbare diensten worden verricht. Diensten waarvan het aanmaken van bezitbare goederen er slechts een is onder vele andere, maar wel een zeer voorname. Iedereen kan waarnemen dat vele, waarschijnlijk de meeste, mensen om hem heen mee willen doen aan dat ongelijk-verdelen. Dat komt neer op het willen deelnemen aan een gezelschapsspel dat als één van de grondregels heeft: verkrijgen doet een speler als loon voor presteren.
De deelnemers, de spelers, zijn dan ook bereid tot toppresteren. Dat wil zeggen, zowel tot hun best doen als tot streven anderen te overtreffen. We kunnen het spel in kwestie dan ook treffend benoemen als "Overtreffertje met bezit". Bezit van ongelijk verdeelde rechten, oftewel bezit van voorrechten.
Overbevolking
In beginsel is er bovenste grens aan het aantal spelers dat kan deelnemen. In feite worden er minder wedstrijden georganiseerd (met andere woorden bestaan er minder concurrerende ondernemingen) waarin mensen zich met elkaar kunnen meten dan er nodig zouden zijn om allen die willen te plaatsen. Dat kan men net zo goed de onderontwikkeldheid van de wereld noemen als haar overbevolking. Het komt beide op hetzelfde neer: op het eenzijdig benoemen van het gebrek aan plaats op het speelveld (dat is, in de wereld).
Buiten de wereld is er op aarde ook niet veel plaats meer.
Op aarde is nu wel zo ongeveer alle bezitbaars in beslag genomen, tot iemands eigendom gemaakt. Zelfs de zeedieren, die toch van elkaar, van zonlicht, lucht en zeewater leven – onbezitbare, vrije goederen dus – zijn niet veilig voor de mensen van de wereld.
Onvoldoende ruimte
De ruimte op het speelveld is te klein voor de velen die willen deelnemen en daartoe bereid zijn bij te dragen. Ze willen een deel nemen van de rechten waar om gespeeld wordt en ze zijn bereid om die rechten te verdienen (ervoor te dienen, te presteren). Dat dienen is vaak het dienen van een onbekende, het produceren voor de markt. Menigeen ziet nooit degene(n) die hij dient. En andersom.
Wie begeert deel te nemen en geen gelegenheid tot verdienen krijgt, kan buiten spel bezig gaan: stelen, roven, stropen. Met andere woorden, overgaan tot ongevraagde – eenzijdig ondernomen – eigendomsoverdracht. Een wat omvattender vorm daarvan heet wel (burger)oorlog of revolutie. Deze vormen van – zonder een plaats te hebben – aan het spel meedoen, gaan vrijwel altijd gepaard aan verwoesting van veel bezit, deels per ongeluk, deels met opzet (vandalisme).
Er zijn deelnemers met een plaats die groot voordeel hebben van deze 'misdaden', 'overtredingen', 'ongeregeldheden' enzovoort. Er wordt verdiend aan het leveren van de wapens en andere werktuigen, zowel aan die erbij gebruikt worden als aan die ertegen gebruikt worden. En verder wordt er veel verdiend aan de herbouw van hetgeen verwoest werd. Een deel van het spel draait op het verwoestende fysieke geweld van, en tegen, degenen die buiten spel gehouden worden.
Niet weinigen verdienen ook de kost met het goedpraten van het spel en van het velen erbuiten houden. Het is een goedbetaalde bezigheid de mensen af te houden van het NEMEN van hun (officieel verklaarde mensen-)recht op gelegenheid om hun tijd, aandacht, energie, vaardigheden, toewijding, begaafdheid enzovoorts te besteden aan deelname/bijdrage in het spel.
Iets naast dienen?
De deelnemers/bijdragers/spelers in het spel dienen elkaar voor geld, met als doel (zie de lofzangen op ons economisch stelsel) om met meer buit – (voor)rechten, waaronder spullen – uit het spel te komen dan ze ooit voor zichzelf hadden kunnen maken.
Ik stelde: Een deel van die diensten worden gevraagd en geleverd in het kader van het handhaven van de spelregels en van het buiten spel houden van die mensen die men kansarm of kansloos noemt.
Een ander deel van die diensten bestaan uit het herstellen van de schade die door overtreders en buitenstaanders werd aangericht.
De hierboven bedoelde diensten kosten geld. Ze leveren niets extra's of nieuws op. Het buiten houden en koest houden van velen, beperkt echter wel het aantal dergenen die deelnemen. Vele varkens maken de spoeling dun, weinig varkens houden de spoeling lekker dik. De rijken zijn rijk omdat ze met (betrekkelijk) weinigen zijn. De hoeveelheid produceerbare en consumeerbare diensten kan nog worden opgevoerd, door armen voor armen te laten werken. Daar is geen bezwaar tegen, ja zelfs (die) reden voor, zodra, zolang en in zoverre ondernemers daarmee (ongelijk meer) kunnen winnen.
Of dat – daarmee winst kunnen maken – het geval is, is niet van tevoren zeker, en ermee beginnen is dus een gok. Proefondervindelijk blijkt dat die gok in grote mate uitblijft. Anders gezegd: dat er zoveel mensen geen plaats in de wereld hebben, bewijst dat de ondernemers niet geloven dat ze iets kunnen winnen met het erbij betrekken van deze 'overbevolking'. Nog weer een andere manier om dit verschijnsel te beschrijven is: zeggen dat de koopkrachtige vragers naar diensten – respectievelijk goederen – echt genoeg hebben, niets meer weten te verzinnen wat ze nog zouden willen hebben. Ook de aanbieders zitten aan diezelfde grens.
Leren naast dienen!
Als er nu niet voor iedereen een plaats als dienstverlener is, kan er dan niet een andere soort plaatsen worden geschapen? Plaatsen dus waar mensen geld krijgen voor het besteden van het vermenigvuldigingsproduct van hun tijd, aandacht, energie enzovoort (hun TxAenz) aan iets anders dan het dienen van anderen? Dat andere zou dan kunnen zijn: leren. Het leren van het geeft niet wat. Zoals ook bij het dienen, het niet geeft wat.
Bij het dienen hebben de betalers invloed op wat hen aangeboden wordt, via hun geld. Die invloed is niet honderd procent. Ook bij het laten leren voor geld kan de betalende maatschappij (gemeenschap/samenleving) invloed uitoefenen, maar ook hier geen 100%. Want de keuze van wat hij leert, moet (motivatie-technisch!) gelaten worden bij degene die ervoor kiest voor geld te leren, in plaats van ervoor te dienen. Om daarvoor te kunnen kiezen moet je de gelegenheid tot die keuze hebben, en het vermogen (het talent, de vaardigheid) om te leren. Bij iedereen is dat vermogen begrensd.
Er komt dus bij vrijwel iedereen een tijdstip dat hij overgaat,
van leren voor geld naar dienen voor geld.
Belangen
Wie belang heeft bij het aanbod van deze of gene deskundigheid op dat tijdstip van overgang, kan het aanleren van die deskundigheid waarschijnlijker maken door dat aanleren extra te belonen boven hetgeen de gemeenschap ervoor betaalt.
Geld maakt het leren waarschijnlijk,
meer geld maakt het waarschijnlijker.
Het mogelijk maken om aan geld te komen, rechtstreeks door leren, daar kunnen ondernemers winst bij maken. Dat kan als hetgeen voor het geleerd-worden wordt uitgekeerd, verdeeld wordt onder
- wie leert,
- wie onderwijst, en
- wie de leermiddelen (onder andere, lokalen) verschaft.
Dat kan wanneer het nu bestaande monopolie wordt gebroken van de staat, het rijk (ambtenaren), om onderwijs en leermiddelen te verschaffen. Het blijkt dat in dit voorstel de belangen van onderwijzers, leermiddelenverschaffers en leerlingen evenwijdig en financieel worden. Die evenwijdigheid is nieuw, die bestaat nu niet (bij de huidige regeling, stand en gang van zaken 'in het onderwijs').
Jaap Schot, 27 september 1991
Waar is het voorstel goed?
Het voorstel om van leren een manier om aan geld te komen te maken, is ergens een goed voorstel. Waar dan? Antwoord: in het spel van bezittende mensen waarin deze elkaar trachten te overtreffen.
Dat spel wordt gespeeld. Vrijwel allen die dit kunnen lezen doen aan dat spel mee, want lezen leert men in school en op z'n laatst daar ook leert men, vooral op het schoolplein in de pauzes, spelend met zijns gelijken dat – en hoe – men zich rangschikt: meerderen erkent en zich uit zwakkeren minderen (lager geplaatsten) aanmaakt.
Daar, in de maatschappij, in de wereld waar heersen met het gebruiken van geld gepaard gaat, daar is dit voorstel een goed voorstel.
Waar is het voorstel fout?
Waar is het een fout voorstel, een miskleun? Antwoord: in de cultuur en in de natuur.
Dat wil zeggen, daar waar geen ongelijkheid tussen mensen wordt nagestreefd, waar niet kunstmatig ongelijkheid wordt aangemaakt, daar waar de mensen niets hoeven te doen naast het voorzien in het voor hun leven en welzijn nodige.
Daar waar
- men niet, zoals in de maatschappij, een gezelschapsspel speelt.
- iedereen die daar leeft, onveranderlijk en onbetwist 'iemand van ons' is.
- niemand iets anders is dan 'iemand van ons'.
- die uitdrukking, dat begrip 'iemand van ons' niet bewust gemaakt wordt. Zomin als men zich het feit dat men adem haalt, bewust maakt. Pas bij ademnood wordt men zich het ademen bewust.
Het nodige
Pas dan en daar waar het spel "Overtreffertje"
- zowel het voorzien in het nodige voor aller leven en welzijn
- als het samenleven
heeft overwoekerd, verstikt en stukgebroken, zal men zich bewust maken wat er inmiddels niet meer is: samenleven.
In een samenleving betaalt men niemand voor welk gespecialiseerd bezig zijn dan ook. Wat er aan gespecialiseerds wordt gedaan, wordt niet voor enig aanwijsbaar iemand gedaan. Het wordt gedaan omdat het nodig is. Nodig voor wie van ons, dat doet niet ter zake, het is nodig voor één van ons, voor velen van ons of voor ons allen of voor ons allen samen. Hoe dan ook, het is nodig. Het is nodig en dus doet, wie het kan, het.
Regulier spelen, of niet
Wie nooit iets anders onderging dan het leven in een onbesproken deelnemen aan "Overtreffertje", vat het begrip 'samenleven' niet, want hij heeft er geen kennis van. Dat wil zeggen, geen ervaring mee. Voor zo iemand is het volkomen in orde als een vader zijn kind betaalt of zijn vrouw betaalt, voor wat dan ook. Binnen dat spel is dat ook volstrekt in orde. Zo is de orde van het spel: niets voor niets, niets voor allen, niets voor niemand, niets zomaar. Alles in ruil, alles in antwoord op – respectievelijk, in hoop op – koopkrachtige vraag.
Slechts het hebben van (en/of voldoen aan) koopkrachtige vraag is 'regulier' spelen. Dat wil zeggen, het speldoel (= ongelijkheid, oftewel rang- en standsverschil, tussen mensen) nastreven. Hier brengt het spel het zich specialiseren en het toppresteren voort, dat door zovelen zozeer geprezen wordt.
Daarnaast, naast dat reguliere spelen, is er het irreguliere spelen. Dat is, het proberen aan geld (dus rang, dus stand) te komen anders dan door ruilen: stelen via ontelbare vormen van bedreigen en bedriegen. Uiteindelijk wordt alle irregulier verkregen geld zo nodig weer witgewassen en geld stinkt nooit en nergens.
Het irreguliere vindt en noemt men wel, 'kwaad' binnen het spel. Het reguliere spel echter, door alle spelers aanvaard en behoudenswaardig geacht, dat reguliere spelen veroorzaakt reeds dat wat van erbuiten als 'kwaad' wordt herkend: onnodig afwezig nodigs. Met opzet aangemaakte, door en voor het spel bedoelde, schaarste.
Tegen "Overtreffertje" spelen
Ik was vroeger tegen het kinderen betalen voor hun presteren op school, voor hun rapport. Nu begrijp ik dat ik daartegen was omdat het een onderdeel is van het als "Overtreffertje"-spelenden met elkaar bezig zijn.
Ik was en ben tegen het feit dat dat spel gespeeld wordt. Velen zijn
- tegen het verloop, en
- tegen de stand van het spel,
- en tegen hun positie erin, en
- tegen die gevolgen ervan die (voor hen, of anderen) schadelijk zijn.
Maar ze willen het spel gespeeld zien, en ze willen er zelfs in meespelen.
Ik ben nu zo alleen dat het mij niet meer kan schelen wat er gebeurt. Ze doen maar. Ik ben uitgestoten. Het zij zo. Ik ben dood voor hen, zij zijn dood voor mij. Spelen is geen LEVEN 1 . Zij LEVEN niet, ik heb geen LEVEN, geen gelegenheid daartoe.
Spelen is geen LEVEN
Ook leren voor geld, oftewel 'van leren leven' zou geen LEVEN zijn. De gelegenheid om met behulp van het geleerde onmiddellijk, rechtstreeks, zonder tussenkomst van anderen, te voorzien in eigen nooddruft blijft immers de geleerde ontzegd. Het nodige materiaal en gereedschap voor die toepassing is en blijft immers het bezit van anderen.
Iets bezitten is het, aan het gebruik door anderen, onttrekken.
Dat blijft gebeuren, met evenveel als nu, met alles dus. Of je nu een doe-het-zelf-cursus bij het onvoldoende beschikbare nodigs kunt volgen of niet, is geen doorbraak. Daarom,
- omdat het geen doorbraak is,
- omdat allen gevangenen blijven,
kan dit voorstel gerust worden aangenomen. Dat aannemen schept geen nieuwe industrie. Het aannemen van dit voorstel verandert en vergroot een industrie die nu reeds bestaat: 'het onderwijs'.
Het doel in een industrie
Een industrie is een geldverdelingsorganisatie. Het doel dat de werkers, met hun werken erin, hebben is: dienen voor geld, geld verdienen. Dat doel is niet het enige dat ze met het daar werken hebben, zelfs niet het doel dat ze als eerste en belangrijkste noemen. Maar wie in de loterij het grote lot trekt en miljonair wordt, houdt toch echt op met werken in die industrie.
Op een enkele uitzondering na, die slechts bewijst
- dat we tot waarschijnlijkheidsuitspraken gereduceerd zijn,
- dat elke veralgemening strikt genomen onjuist is, ook deze.
Het dienen van de werkers
De werkers dienen voor geld om daarmee (met werk hebben en met dat geld) rang en stand te verwerven en te behouden. Van wie in een andere industrie – andere doelen mede verwerkelijkend – meer geld kan verdienen, wordt gezegd dat hij 'zich kan verbeteren'. 'Zich', want de speler valt samen met zijn positie in het spel. 'Verbeteren', want de koopkrachtige vraag ernaar legitimeert elke dienst. De enige – binnen het spel, geldige – waardeverschillen tussen diensten komen tot uiting in hun prijs.
Een eventueel genoemde, dwars op deze materiele inschatting staande 'ideële' waarde heeft haar plaats in een of ander anti-materialistisch richtverhaal voor het besteden van de eigen txaenz. Wat men 'religies' noemt, zijn van die dwarse verhalen. Ze zijn tegenverhalen die binnen de civilisatie gebruikt worden. Zo krijgt men, zonder koopkracht aan te wenden, het nodige toch nog gedaan van wie in de civilisatie
- het spel "overtreffertje" spelen, en/of
- daarin gebruikt worden.
Volgens de statuten en volgens de propaganda voor onze maatschappij is een industrie ervoor dat wat de werkers erin, voor geld, aan diensten produceren. In die propaganda is er geen sprake meer van 'nodig' en 'onnodig', maar slechts van 'koopkrachtige vraag', die men soms – ter meerdere verwarring – 'behoefte' noemt.
De diverse industrieën verschillen van elkaar voor wat betreft de herkomst van het erdoor stromende geld en degenen aan wie het wordt uitbetaald. In alle industrieën wordt het ongelijk verdeeld over de deelnemers die er hun txaenz in besteden.
Het onderwijs als industrie
'Het onderwijs' is tot op grote hoogte een industrie als alle andere. Er wordt een product gemaakt, oftewel iets aan iets veranderd. Zoals in de videofilmindustrie op banden software wordt aangebracht, wordt er in het onderwijs software op het zenuwstelsel van de leerlingen aangebracht: door henzelf, met medewerking van wie hen onderwijst. Die software die in het zenuwstelsel van de leerling is aangebracht, is en blijft zijn bezit. Slechts het gebruiken ervan – het er gevolgen mee veroorzaken – kan hij doen voor een ander, bijvoorbeeld als dienst voor geld. Veel van dat gebruiken kan slechts gedaan worden met gebruikmaking van spullen die in bezit zijn van anderen. De bezitters van deze spullen hebben door hun bezitten macht over degene die deze afhankelijke vaardigheid heeft verworven (geleerd). Dit leren maakte de leerling bepaald niet vrij.
Integendeel, hij leerde andere dingen niet, die hij wel zelf onafhankelijk had kunnen doen. Hij liep in een val, hij raakte gevangen. Hij liep in een val, want voor zijn leren werd hij niet betaald. Ware hij daarvoor betaald, dan was hij in de positie geweest van de gewone loonarbeider in onze ideale vrije markteconomie. Ons onovertrefbare kapitalisme!
Dat wat de arbeider aan txaenz besteedt, is dienen voor geld. Hij doet ervaring op, maar dat is een bijproduct. Zoals hij merkt bij sollicitaties, heeft dat alleen nut voor deze – of, een andere – baas van hem.
De leerling is dus – binnen de spelregels gesproken, ten onrechte – niet betaald. De onderwijzer is een gewone loonarbeider die betaald wordt – met het Rijk als tussenpersoon (onderaannemer) – door de bazen, de mogelijke gebruikers van zijn product. Zijn product: uit kinderen gemaakte – van door bazen gebruikt worden, afhankelijke – lieden. Lieden die nog slechts als gebruikten de schijn, van voor zichzelf zorgen, kunnen ophouden jegens zichzelf en anderen.
Ten onrechte niet betaald
Het kan best zijn dat het leerlingen zo – van gebruikt worden, afhankelijk – maken, onvermijdelijk is. Binnen het spel is het dan onterecht hen niet te betalen voor de txaenz die zij besteden aan dat leren. Zij zijn gewoon in gebruik bij het geheel der spelenden-om-rang. Zij winnen bij dat gebruikt-worden niets, want ze kunnen niet nalaten zich te laten gebruiken. Ze kunnen het spel immers niet verlaten.
Dat leren niet gewoon loonarbeid is en dus niet wordt betaald wordt, zo al, dan goedgepraat met zo'n dwars op het spel – preciezer, op de religie in (of, achter) het spel: het materialisme – staand waardeverhaal. Met een beroep op de gemeenschapszin, op het woekeren met de – je, Godgegeven – talenten, en dergelijke. Dat is bedrog. Dat is dan ook oorzaak van wrok en van weerstand en van het later als gebruikte alsnog schadeloosgesteld willen worden. Hoe langer het aldus bedrogen worden – 'de opleiding' heet dat – heeft geduurd, hoe meer schadeloosstelling wordt verlangd.
En de manier van bedriegen wordt door hen, zo mogelijk, tegen anderen, jongeren weer gebruikt. Het van onderaf laten beginnen van wie voor gebruik op hoog niveau bestemd worden, heeft als doel hen de wrok bij te brengen, het vaste voornemen om op hun beurt aan jongeren wraak te oefenen voor hun eigen – nu, oneerlijk – gebruikt-worden. Dat is een werkzaam opvoedingsmiddel.
Een vreemde industrie
'Het onderwijs' is een vreemde industrie. Wat ze aan leren bij de leerlingen 'veroorzaakten' wordt door de werkers zelf – op, bewezen, slechte wijze – gemeten en hun loon is van die resultaten onafhankelijk. Elders in de markteconomie zijn er steeds betalende klanten aanwezig, in het onderwijs zijn die er niet. Het is echt een vreemde industrie.
De staat treedt op als betalende, nooit het geleverde werk controlerende, klant van de werkers in deze industrie. Het Rijk betaalt zonder enige controle. Dat valt totaal uit het schema van de markteconomie. Ook het niet betaald worden van de leerlingen, valt uit het schema. En daardoor voedt de school ook zo slecht op voor het leven daarin. In die markteconomie, waar men beurtelings, deeltijds, klant en dienstverlener/leverancier/werknemer is.
Gevolgen van aannemen voorstel
Het voorstel maakt alleen maar een einde aan deze, niet in het systeem passende, geldverdelingswijze in de onderwijsindustrie. De staat blijft betalen, maar laat de onderwijzenden – met elkaar in concurrentie – diensten verlenen aan een soort consumentenbond,
- waar de lerenden per definitie lid van zijn, en
- die alle geleverde waren op kwaliteit controleert.
Die waren zijn tegelijk onderwijsprestaties der onderwijzenden en leerprestaties der lerenden. De onderzoeken van deze controle zijn proefwerken, waar wie deze proefwerken maken ('afleggen'), bewijzen dat ze iets (verkregen) hebben. Namelijk, het beproefde kennen, het beproefde kunnen, het beproefde weten. Dat hebben is niet aangeboren, dus verkregen. Al of niet door dat onderwijs, dat is en blijft – "filosofisch" gezien – altijd onzeker, maar die onzekerheid is niet van praktisch belang.

Door het aanvaarden van dit voorstel komt er in het onderwijs, net als in de bestaande industrie van spullen en van bewustzijn,
- keuzevrijheid, je kunt als leerling leren wat je wilt,
- product-controle,
- concurrentie tussen – en dus, kwaliteitsoptimalisering van de didactiek bij – onderwijzenden,
- bewustzijn van de ruimte in het systeem voor het nutteloze. Die ruimte is er nu ook al en daar lijdt men ook nu niet aan,
- gelegenheid om via geld te leven van het in die industrie gebruikt worden als txaenz-gever, ook voor de leerling,
- zichtbaarheid/ beleefbaarheid/ ervaarbaarheid van het spel dat in de maatschappij gespeeld wordt.
De plaats van het gezin
Als ouders hun kinderen voor hun presteren op school betalen, vertekenen ze de gang van zaken in het spel waar de kinderen binnengeleid worden. Het gezin is geen economische eenheid, dat niet, dat blijkt uit verschijnselen als zakgeld en huishoudgeld. Het gezin is wel de enige plaats waar, naast het begrip 'maatschappij-zoals-die-hier-nu-is' (het spel), het begrip 'samenleven' kan worden geleerd. Dat samenleven gebeurt zonder geld, of het gebeurt niet. Vandaar dat binnen het gezin niemand door een ander gezinslid betaald mag worden. 2
Klik op afbeelding om te vergroten.
Jaap Schot, 28 september 1991
WAT is er bedoeld met 'leren voor geld'?
Antwoord: Hier te lande heden ten dage wordt wie leert, niet opgevat als iemand die daarmee een dienst verleent en dus voor die dienst betaald dient te worden.
Integendeel, men wordt als lerende opgevat als iemand die consumeert, zich diensten laat verlenen (namelijk het onderwijs en/ of het gebruiken/lenen van leermiddelen). Zo wordt dan ook van de lerende verwacht/ geëist dat hij daarvoor zal (laten) betalen. Er wordt veel onderwijs gevolgd door kinderen en voor hen betalen de ouders en het Rijk.
Met leren voor geld is nu bedoeld dat er aan wie leren betaald wordt voor het feit dat zij hun tijd, aandacht, energie enzovoorts aan dat leren besteden. Dat doende maken zij, met zichzelf als grondstof, geleerde aan. De maatschappij heeft in haar concurrentiestrijd met andere maatschappijen geleerden, wetenden, technisch bekwamen, nodig.
Wie leert, maakt (met zichzelf als grondstof)
iets – voor de maatschappij, onmisbaars – aan.
Daarvoor dient hij dan ook betaald te worden. Hij dient daarvoor onverwijld betaald te worden, zodra hij bewijst geleerd te hebben. Zodra hij bewijst te kunnen – zeg maar, zodra en in zoverre hij de examenopgaven goed uitvoert.
Als men de lerende wil beschouwen en behandelen als een vrije ondernemer die leert voor de markt, dus produceert met de kans op verkoop van zijn product, dan moet men hem ook de keuze laten welk product hij op de markt brengt: wat hij aanmaakt – in dit geval, van zichzelf maakt. Bij die visie – de lerende is een vrije ondernemer – past geen leerplicht en passen geen voorgeschreven te bestuderen onderwerpen (leerstof/ curriculum).
WIE?
Antwoord: Het bedrijf dat "het onderwijs' genoemd wordt, produceert iets dat voor de maatschappij onmisbaar is en de maatschappij moet voor iedereen zichtbaar/ ervaarbaar, allen die in dat bedrijf werken, betalen.
Dus:
- zij die voor leermiddelen en gebouwen zorgen
- zij die onderwijzen
- zij die leren, en
- zij die 'examineren'. Dat is, de kwaliteit van het product meten, controleren en rapporteren. Het product is in dit geval: het kunnen, de kundigheid van zij die leerden.
Alleen bij het produceren betrokken/gebruikte dingen worden niet betaald.
Lerende mensen zijn geen dingen, hoe jong ze ook zijn.
WAAROM?
Antwoord: om meer recht te kunnen doen.
Zich in deze maatschappij bevinden, betekent geld nodig hebben. En dus de gelegenheid nodig hebben om door het besteden van zijn tijd, aandacht, energie, vaardigheden enzovoorts legaal aan geld te komen. Dat is wat men wel 'het recht op arbeid' noemt. Dit recht is niet aan alle ingezetenen van de maatschappij te garanderen zodra en zolang men onder 'arbeid' slechts verstaat: 'het voldoen aan (= met dienen, antwoorden op) een koopkrachtige vraag van anderen'. Er is meer nodig en constructief, dan dat waar koopkrachtige vraag naar is. Veel nodigs en constructiefs blijft ongedaan omdat het geen plaats krijgt in het koopkrachtig gevraagde. Het koopkrachtig gevraagde omvat veel destructiefs en veel onnodigs.
In de, altijd nog sterk propagandistisch gekleurde, bespreking van de stand en gang van zaken in onze maatschappij blijft het destructieve tegenwoordig niet meer onbesproken. Maar het onderscheiden van 'nodig' en 'onnodig' gebeurt nog steeds volledig in propagandatermen:
- het nodige is geen bespreking waard,
- wie onnodigs aanschaft en heeft, begint men pas mee te tellen. Het onnodige is luxe, voorrecht, weelde, begerenswaard, uiting van ons vrij-zijn.
Het voorstel iedereen rechtstreeks te betalen voor het besteden van zijn tijd, aandacht, energie, enzovoorts aan leren (= geleerde, kundige, vaardige worden) komt neer op het voorstel meer gelegenheid in de maatschappij te brengen om, constructief en nodigs doend, legaal aan geld te komen. Het komt neer op het openen van een nieuw kanaal waarlangs txaenz legaal kan stromen voor geld.
Het voorstel komt erop neer ook leren 'arbeid' te noemen en zo meer recht op arbeid te kunnen garanderen. Er hoeft dan minder dat recht afgekocht te worden met uitkeringen.
BETALEN IS HET CENTRALE.
Het betalen aan hen die leren,
is het enig nieuwe in het onderwijs.
De genoemde anderen worden al betaald.
Waar moet het geld vandaan komen dat gestuurd moet worden naar degenen die voor enig deel van enig examen geslaagd zijn?
Antwoord: voor het nodige voor het leven en welzijn van hen die van deze gelegenheid (txaenz aan leren besteden) om aan geld te komen gebruik gaan maken, wordt ook nu sowieso gezorgd.
In dit voorstel spreken wij niet van het binnenhalen van grote contingenten vreemdelingen teneinde deze te scholen. Waar het geld voor dat nodige nu vandaan komt, kan worden nagegaan. Dat geld kan worden omgeleid teneinde er een zelfstandig inkomen van wie leren van te maken.
Zelfstandige inkomens scheppen, is het doel met dit voorstel.
Een deel van de txaenz die nu niet aan loonarbeid en niet aan leren wordt besteed, wordt besteed aan illegaal aan geld komen en aan vandalisme en dergelijk destructief uitingsgedrag. Waar misdaad wordt (uit getallen, blijkt te zijn) voorkomen door het uitvoeren van dit voorstel kan het bedrag der voorkomen schade ter financiering van het betalen voor leren worden gebruikt.
Het uitvoeren van dit voorstel hoeft geen winst op te leveren.
Wie moet het geldbedrag dat overgemaakt moet worden, vaststellen?
Antwoord:
- zij die berekend hebben hoeveel geld om te leiden valt, en hoeveel schade er voorkomen is. Ik stel hier maar niet dat er voor het kunnen doen van meer recht wel enig geld over zou behoren te zijn. Dat staat nergens.
- zij die voor het geleerd-zijn van hetgeen geleerd werd iets over hebben, omdat ze er belang bij hebben, of in stellen. Dat chemische industrieën scheikundeopleidingen met geld steunen is nu al hier en daar het geval. Ik kan me voorstellen dat een kerk een cursus Bijbel-kennen subsidieert: als iemand weet wat hij niet gelooft, is hij zelden een gevaar. Als iemand niet weet wat hij gelooft, is hij misschien een gevaar voor de kerk en hij is zeker geen steunpilaar ervoor.
- zij die andere geldbronnen (fondsen, legaten en dergelijke) beheren.
Wie moet met welke criteria vaststellen of er geld moet worden overgemaakt, of er opgaven goed gemaakt zijn?
Antwoord: In ieder geval moeten de examinatoren nooit de onderwijzenden en/of de lerenden zijn. En de examinatoren dienen niet te weten wiens werk zij beoordelen. Het werk worde beoordeeld zonder aanzien van de maker.
Wanneer moet er betaald worden?
Antwoord: Onmiddellijk na het vaststellen van het goed gemaakt zijn van opgaven. Betalen volgt onverwijld na levering der diensten. Dat is gewoon "in de economie"/ "in de handel".
1) [red.] Die hoofdletters staan in Jaap's teksten niet voor niets! LEVEN is niet hetzelfde als leven, WETEN wordt onderscheiden van weten, enzovoorts.
2) [red.] Met deze alinea over het gezin eindigt het middenstuk van dit opstel. Onderaan een uitgeprint exemplaar heeft Jaap de tekst geschreven, die als afbeelding is tussengevoegd. Bij wijze van uitzondering, geef ik hieronder de transcriptie.
Tegen het voorstel pleit dat de leerlingen moeten ervaren dat ze spul, dingen, zijn voor het systeem. Dingen, in bewerking door wie onderwijzen. Ze moeten dit feit kennen, maar ze mogen het niet weten. De leerstof is er grotendeels voor in gebruik om hun aandacht af te leiden, hun bewustzijn met alles behalve hetgeen hen hier nu overkomt te vullen. Vandaar: controle onnodig.

0 Reacties