Leven in civilisatie

Categorieën: 1986, 1 april – 1989, 31 december | Archief | Overige teksten

Trefwoorden:

Jaap Schot, 20 april 1987

Overzicht formulerend opstel over het leven (txaenz besteden) in civilisatie.

Het is kenmerkend en wezenlijk voor het leven in een gedemocratiseerde geciviliseerde samenleving dat iedereen die meedoet zich vergelijkt met en meet aan andere ingezetenen. Het zakelijke gebeuren is van dat zich meten met de anderen een bijwerking, een niet of nauwelijks bedoeld gevolg van wat er gedaan wordt om zich te rangordenen. Iedere ingezetene wil aan de anderen gelijk zijn voor wat betreft de noodzakelijk gemaakte voorwaarden om als deelnemer te gelden (mee geteld te worden). Als die gelijkheid is bereikt (verwezenlijkt) dan komt het zich met elkaar meten en het elkaar pogen te overtroeven voor wat betreft de rest van wat iedereen voor zich gezien nog meer kan opbrengen (aan txaenz) en aan gelegenheid heeft om deze txaenz om te zetten in wat toonbaar en in het spel als verschil aangevend geldig is, gemeten en gewogen en geacht wordt.

Iedere deelnemer is bezig anderen te schaden waar hij kan en zichzelf te bevoordelen, te bevoorrechten waar hij kan. Wanneer iemand kan worden doodgezwegen is dat al een hem schadende daad, die verder geen txaenz kost van wie negeert, doodzwijgt, verwaarloost. Wanneer iemand steun zoekt blijkt de ander een drijfzandkarakter te vertonen of een spinnen-opstelling: op den duur blijkt wat steun leek te binden, vast te houden. Wie ooit enige steun of hulp nodig heeft, wordt gevangen. De barmhartige Samaritaan in de gelijkenis heeft het fatsoen spoorloos te verdwijnen uit het leven van de geholpene, dat fatsoen hebben zeer weinigen.

Ik walg van mijn tijdgenoten in deze gedemocratiseerde geciviliseerde samenleving, deze erfenis van de militaire dictatuur die de Romeinen hier vestigden. Ik walg van de miljoenen die voor soeverein, voor keizer en koning spelen en van de nog talrijker massa die dat gedoogt en zelfs bewondert. Ik kan er niets positiefs meer bij voelen, bij deze samenleving, deze mensenplaag. Ik ervaar mijn tijdgenoten als onaanspreekbaar, mezelf als een gevangene, op een niet te verlaten planeet, tussen mij vreemde wezens, zonder verwante wezens om mij heen. "Verwant' hier in de betekenis van 'met die gelijke vooronderstellingen, waardoor gesprek en contact mogelijk worden.

Ik ervaar mij als volstrekt alleen. Samen met het eindig zijn van het bestaan is dat nog net uit te houden, maar het is zonder vreugde dat ik het leven leng. Tussen mij en de anderen is een afstand en een isolatie die te vergelijken is met een doorzichtige glazen stolp: ik zie ze, ik hoor ze zelfs, maar zij zijn daar en ik ben hier en nooit is er enig contact. De stolp in kwestie is van reflexiviteit gemaakt, is er sterker naarmate ik meer afstand neem tot wat ik doe. Ook komt er afstand tot de anderen voort uit het uitschrijven, waarmee ik gesprekken vervang door een surrogaat dat beter is dan het oorspronkelijke voor mij verkrijgbare gepraat dat voor gesprekken door moest gaan.
Mijn teksten zijn niet langer tot anderen gericht. Ik ben bezig met mijn onderwerpen en met de taal, niet met een eventuele hoorder/lezer. De ander, als hoorder / lezer stelt zich niet, ja, erger, bleek en blijkt afwezig zodra ik spreek of publiceer(de). Ik kan het nog een enkele keer proberen, antwoord te krijgen uit de duisternis, ik kan nog een keer het zwarte gat uitdagen door 'echt' te publiceren. Dan zal ik het bewijs hebben, dat er geen gevolgen, geen weerklank en geen antwoord komen. De weerklank zou zijn dat anderen "mijn" begrippen ook gingen gebruiken. Antwoord zou zich tot mij richten, mijn bestaan niet langer negeren. Gevolgen zouden bestaan uit het komen tot en veranderen van doen en laten der mensen.
Ik voel me neerslachtig, alles lijkt negatief, mij negerend. Het leeft en sprankelt niet. Hetgeen via de televisie, radio en krant tot mij komt is somber aanwijzen van de komende en gekomen rampen en van de mateloze waanzin der burgermassa. Men komt geen stap verder: de aanbouw van nieuwe kerncentrales wordt uitgesteld, opgeschort, wat nu bang maakt gaat even in de ijskast en zo voorts. Er treedt geen leerproces op, de maatregelen zijn spectaculair maar halfslachtig en oneigenlijk.
De misbruikers van het begrip 'democratie' wachten tot de meerderheid voor het goede ingrijpen stemt, met name: hen als uitvoerders aanwijst. Democratie was verdedigbaar zodra, zolang en inzoverre ze ertoe leiden zou dat de beste voorstellen, van wie ook afkomstig, als zodanig zouden worden herkend, erkend en uitgevoerd. Meer denkers en voorstellers de gelegenheid geven zich met de vraagstukken van het collectief bezig te houden is zinnig als dat leidt tot beter handelen in naam van en voor het collectief, (georganiseerd handelen, in en als organisatie = collectief).
Het collectieve handelen moet meer zijn dan het spontaan gesummeerde handelen der ingezeten enkelingen. Voorbeeld: Neerlands kopen van Japan is een spontaan gesummeerd kopen van Japanse producten, het is geen politieke daad van een collectief (in casu ons volk), bezig Japan te steunen door het exportgelegenheid te bieden. Het gebeuren door gedemocratiseerde geciviliseerde samenlevingen ('landen', 'volkeren' genoemd in gewone taal) is een gebeuren, geen doordacht doen, geen handelen, er zit geen gedachte achter en er zitten geen gedachten omheen (overwegingen, doelen, inzichten enz enz).

Het collectieve omgaan met elkaar binnenslands is evenals het genoemde voorbeeld (het omgaan met het buitenland) een toevallig product van spontane samenvloeiing, samenkomen en interactie van 'factoren', een onbedoeld gebeuren. Gedemocratiseerde geciviliseerde (in verdeelde, strijdende IETSen georganiseerde, technologisch geavanceerde) samenlevingen "handelen", veroorzaken, als kippen zonder kop: de toevallige delen (splinters, zandkorrels) geen gebruikte, geordende basis-elementen nee, uitdrukkelijk niet: de voor doordachte bouw gebruikte stenen) van wat er gebeurt, zijn hoogstens door een enkel brein doordacht. Het gemiddelde IQ is 100 en bovendien heeft echt niet iedereen zijn volle aandacht en de relevante overige benodigdheden (zoals kennis van zaken en een zakelijke instelling) bij zijn beslissing. Hoe "vrijer" de gedemocratiseerde geciviliseerde samenleving, hoe dommer, hoe onverstandiger de output van dat collectief (de "daden" ervan, het erdoor veroorzaakte gebeuren).

Het alternatief voor volkssoevereiniteit door enkelingen-bevoorrechten- soevereiniteit (waarin democratie is ontaard) is niet dictatuur van een gesloten elite. Het wedijveren en wedstrijden van allen tegen allen moet ophouden, opdat het verstand kan functioneren (naast het hart, niet naast en in concurrentie met het onverstand en met het niet op de zaak gerichte beinvloeden van de zaak).
Het is zo zonde van mijn tijd dit uit te schrijven, zo lijkt het, maar mijn negatieve stemming gaat een beetje over door dit uitschrijven. Wel, dat is dan toch een positieve uitwerking.
Goed, ik beken, ik doe ook niets aan politiek. Ik hou me stil en ik kijk toe hoe de wereld vergaat. Als Jonah, ongeneigd openlijk te zeggen wat ik inzie. Ik kan me er niet toe krijgen. Ik ben volstrekt ontmoedigd. Dat ben ik niet van huis uit, maar door de negatie, de zwarte-gat-werking van allen met wie ik in aanraking kwam in de afgelopen vijftien werkjaren. Ik zeg niet dat ze nalieten wat ze hadden kunnen doen, de gevolgen van niet kunnen zijn gelijk aan de gevolgen van niet willen: die gevolgen zijn ook dan: niet doen. Dat is het dan. Meer is er niet over te zeggen. Voor de werkelijkheid (de variabele doen -- niet doen) maken niet kunnen en niet willen geen verschil.

Het zich een oordeel laten vormen over voorstellen door een hele massa stemgerechtigden is pure onzin zodra men er van uitgaat dat er te kiezen valt tussen dwingende en niet-dwingende argumenten, redenen. Al die soevereiniteit is alleen maar passend waar niets zinnigs in onderscheid tot onzinnigs te zeggen is. Daar waar het lot, het toeval, de random-tabel zonder schade de neuzentellerij na propaganda zou kunnen vervangen.
Hoe is het toch mogelijk dat iedereen dit dwaze, deze volkssoevereiniteit aanvaardt en zelfs verdedigt, als 'vrijheid' aan zich en anderen laat verkopen, er nergens een grens aan herkent, een grens die samenvalt met de grens aan wat van enig belang is.
Alleen voor het vaststellen van de nationale vlag is volkssoevereiniteit een passende methode, slechts daar en nog op enkele, weinige andere punten is het onbelang 100%.
Waarom doen ze toch allemaal mee aan het zichzelf en anderen bedriegen door propaganda voor 'dat moet je zelf weten, het is je eigen tijd, je eigen leven, je eigen geld, je eigen txaenz'?

Ik kan het niet begrijpen, ik kan het niet navoelen, ik kan het niet helder krijgen, ik zie het niet in. Ik zie het om mij heen gebeuren. Ik weet dat iedereen de gelegenheid heeft zichzelf en de zijnen van deze propaganda, van deze waanzin te ontdoen, te bevrijden. Ik merk dat ze het niet doen. Ze hebben er geen greintje txaenz voor over, voor dat zich bevrijden.
Dat snap ik niet.
"Dat weegt niets voor mij" hoor ik iemand (velen) al zeggen.
Dat betekent dan wel, dat komt dan wel neer op: mijn meedoen en de gevolgen daarvan laten me koud. Wat er gebeurt kan mij uiteindelijk niet schelen, ze zien maar, dan, later, daar, voor zichzelf, dat doe ik nu hier voor mijzelf ook.
Onverschilligheid, het er niet op gericht zijn, dat (ook voor televisie zei iemand dat enige tijd geleden al eens) is de ""reden"" voor het nalaten. De term 'reden' kan hier volstrekt niet passend gebruikt worden, deze hier beschreven mensen zijn geen rationele wezens, er is hier geen rationeel gedrag als verschijnsel onderwerp van bespreking.

De burger is niet redelijk en daar nemen we genoegen mee, de mens wordt als analfabeet geboren en spreekt niet vanzelf, daar nemen we geen genoegen mee. Ik kan dat niet volgen. Ik snap het niet. Ik voel me alleen, ik voel me tussen niet-verwante tweebenigen.
Geen enkele vooronderstelling of overweging die voor mij gewicht heeft als ik over dat onderwerp schrijf (denk, spreek, voel) blijkt ook maar publicabel in de zin van bespreekbaar (wat meer is dan even terloops te noemen) te zijn. Aan bespreekbaarheid in het openbaar heb ik overigens nog niets, want er bestaat bij de burgermensen, de gewonen, geen verbinding tussen wat ze zeggen en wat ze doen. Geen verband, niet: een ingewikkeld, voor-mij-onkenbaar verband. Ik geef mijn tijdgenoten niet langer die onduidelijke diepte en samenhang, dat onbewuste, private en onkenbare, dat geheim ten geschenke: ze hebben geen geheim, niet alleen niet voor anderen, ook niet voor hun bewustzijn. Hun breinen zijn niet uitgerust met begrippenapparaten die ten aanzien van die onderwerpen waarheid scheppen, verrekenen bij het kiezen van handelen en eventueel ook bewust maken.
Hen valt niet alleen niets in, hen wordt niet alleen niets bewust.
Er wordt in hen ook niet enig gedrag gekozen, er worden geen alternatieven naast elkaar gedacht, overwogen en gekozen. Er wordt door hen / in hen geen greintje txaenz besteed aan deze zaken. Ook het oordeel ' dat laat mij koud' wordt niet gevormd, laat staan bewust gemaakt of uitgesproken, opgemerkt en doordacht en overdacht. Niets van dat alles. In plaats daarvan vullen ze langs buiten hun bewustzijn met wat uit anderen (beroeps-bewustzijnvullers) via media (ongeadresseerd, op hun initiatief, naar hun keuze, ook tot hen) komt. In een volkssoevereiniteit, in een massa soevereine klanten, verenigingsleden en kiezers komt geen enkel voorstel aan de macht, ook niet al wordt het wet doordat het een meerderheid kreeg, ergens, om veelal ook niet ter zake doende redenen. De massa der op macht van anderen lettende en voor overheersing door anderen beduchte enkelingen houdt de partijen, kerken, leren, strevingen en sociale bewegingen in evenwicht, houdt ieder van hen binnen perken. Iedere beweging roept na enige tijd een tegenbeweging op (IKV -- ICTO bijvoorbeeld).
Er is een markt van ideeen, er is een strijd gaande om de stemmen, contributies en bestellingen der ingezetenen. Waarheid en wijsheid zijn alleen maar naast alle alternatieven daarvoor ook op die markt in de aanbieding. De strijd gaat niet langer om geuite inzichten maar om verleende instemming, gestorte contributie, bestelde goederen en diensten. Aan de kiezer, de klant, de meeloper, het verenigingslid, de georganiseerde worden geen eisen meer gesteld, maar wordt slechts de gelegenheid gegeven zich, zijn macht te laten gelden, mee te tellen, blijk te geven van ongerustheid en andere gevoelens.

Tussen de vele om hen wervende partijen en kerken, leren en ideologieen willen de gebruikers van de chaos in de volkssoevereine staat verdraagzaamheid. Het is nodig niet actief over te gaan tot het voorkomen van wat je als misdaad hebt herkend. Voor het iets doen tegen wat fout verklaard is, ooit, is er de politie. Dat was tot voor kort de leer, de instructie in de massa. Nu doet de politie dat niet langer doeltreffend en goedkoop, want iedereen heeft nu wel de truc doorzien: niets is waar, alles is slechts geldig, alles is willekeur.

Niets is onjuist, er zijn alleen maar dingen (handelingen) waar sommigen tegen zijn, die sommigen hebben er echter weinig voor over om hun weerzin kracht bij te zetten: weinig geld voor politie, weinig eigen txaenz rechtstreeks ingezet ook. Wel, o.k., jammer dan voor die lui met weerzin. Hun pech.
Het onderscheid tussen wat wel en niet misdadig is, staat niet in de breinen, maar in de wetboeken e.d.. Iets is dan dus misdadig naar de mate waarin de weerzin ertegen bij anderen door die anderen kracht bijgezet wordt. De rijken en gebruikers van de civilisatie hebben dat altijd geweten, zij vertelden dat elkaar met behulp van latijnse spreekwoorden. Nu weten de armen en ongeschoolden het ook, ook zij kennen nu de waarheid omtrent de civilisatie: allen tegen allen om alles wat bezitbaar is, wie wint is de beste man, niet andersom, van werken komt geen rijkdom en voorspoed, diefstal is de naam die de bestolene scheldend geeft aan het slimme nemen van de kortere weg naar de welstand door de zogenaamde dief, de slimmere, snellere, de winnaar. Moraal is een poging om zonder kosten voor politie enz. de voorrechten, (inclusief het bezit) veilig te stellen. Godsdienst verkondigen en in gebruik houden is ook een besparingspoging op politiekosten, door priesters. Iedere gebruiker wil zich wel eens even nuttig maken. Ook wie van stelen leven zijn overigens erg voor het (voor anderen) heilig blijven van de eigendom. Ik beschreef de ontmaskering van de wetgeving (de Staat) en de godsdiensten (de Kerken) als trucs om de stand en gang van zaken in de geciviliseerde samenleving te handhaven, dat wil zeggen: het ongelijk verdelen en verdeeld zijn en verdeeld blijven van de voorrechten.
Die ontmaskering leidde daarop tot de volledige verwerping van de hele rechtsorde en van alles wat in godsdienstige termen was uitgezegd (verwoord). Het verbod op winkeldiefstal werd niet anders opgevat als het verbod op het mishandelen van dieren: een verbod is alleen maar iets waar sommigen tegen zijn en wat ze in de wet hebben weten te krijgen. Zoals een vak op school alleen maar een hoeveelheid leerstof is, waar sommigen hun brood mee kunnen verdienen en wat ooit sommigen op het rooster / in het aangeboden vakkenpakket of verplicht hebben weten te krijgen.
Er is alleen maar dwang, alleen angst voor gepakt, benadeeld worden is reden om na te laten, alleen (kans op of zekerheid van) beloning is reden om geboden op te volgen.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *