A>b:
B>type wildleve
.pl50
.mt2
.mb0
.hm1
.he over leven in het wild blz. #
schijf 34; titel:wildleve
19 april 1985
In het wild is hetgeen gedaan moet worden om te kunnen leven
voldoende bewerkelijk en voldoende gevarieerd. De dagen worden
gevuld met het doen wat nodig is, plus wat spelen, plus wat
rusten. Hetgeen gedaan moet worden voor zijn leven en welzijn is
aan iedereen duidelijk en hij moet het zelf doen. Het wordt
bepaald door de stand van zijn technisch kunnnen, door de
omstandigheden en door wat hij nodig heeft. Wat de mens van
nature nodig heeft (lucht, eten, water, rust, bezigheden-om-in-
te-functioneren enz.), heeft hij telkens weer nodig. Er zit geen
lijn in het natuurlijke leven, het is een voortdurende en
onderbroken herhaling: er is geen opgang en geen neergang, er is
alleen een begin (de conceptie) en een einde (de dood). Verder is
er niets om het leven heen, niets erboven, niets ermee bedoeld,
het heeft geen onderwerp, het vindt niet in een kader plaats
waarin het 'zin' heeft.
=
Er is geen zin, geen vergelijking, en geen ontwikkeling in het
oorspronkelijke bestaan van het schepsel mens in de gehele
schepping (in het paradijs).
Die afwezigheid is de reden voor de verachting van de
schepping door de geciviliseerde mens. De civilisatie
is de van vorm veranderende roofmoordtocht. De
civilisatie is het uitvloeisel van de reactie 'roven'
op de actie 'bezitten'. Mensen in cultuur bijeen legden
zich ooit voorraden aan, buurmensen met pech hadden een
keer geen voorraden en werden door de bezitters niet
geholpen. Als de roof niet noodzakelijke goederen
betrof, dan lag de fout ook bij de bezitters, want het
niet noodzakelijke is de moeite van het met geweld
verdedigen niet waard. Ooit begon de civilisatie, ooit
overvielen niet-bezitters de bezitters en overwonnen en
vestigden zich bij de zich onderwerpende bezitters. De
onderworpen geknechten zetten de vooruitgang in, gingen
gespecialiseerde diensten verzinnen om aan de ex-
overwinnaars, de hoger staanden, te verlenen. De
technologie en de dienstverlening kwamen in een
versnelde verandering: verfijning, verfraaiing,
cultivering, veredeling, onderscheiding, het aanbrengen
van kunstmatige verschillen tussen mensen enz. enz., de
hele civilisatie. Dit alles, deze hele ONTWIKKELING
resulteerde in verachting van het wilde,
oorspronkelijke, onbeschaafde (/ grove !), vrije,
ongekunstelde.
In het wild levende mensen hebben niets anders te onderwijzen dan
de vaardigheden die bruikbaar zijn in de natuurlijke omgeving.
In het wild is het leven volledig, het put zich uit in het doen
wat nodig is om te voorzien in het nodige, plus wat spelen,
genieten en rusten. Er zijn ziekten en ongelukken en de mensen
genieten en rusten. Er zijn ziekten en ongelukken en de mensen
en civilisatie dat de wilden ongezond en kort geleefd zouden
hebben. Culturen en civilisaties en in nog sterker mate de
combinatie van die twee, zijn gevangenissen; voor het psychsich
evenwicht der gevangenen is het gunstig elkaar te vertellen dat
er buiten de gevangenis niets aantrekkelijks is:
-in het wild leven wordt voorgesteld als kort en met ziekten en
honger en gebrek leven,
-het leven als kind, dat nog geen meedoen in cultuur en
civilisatie kan zijn, wordt kunstmatig onaangenaam gemaakt: het
kind mag niet wat de groten wel mogen: zelf bepalen wanneer het
eet, slaapt, opstaat, weggaat enz. enz..
Hoe meer je meedoet aan de cultuur/civilisatie, hoe meer
voorrechten je krijgt boven wie minder of niet meedoen. Meedoen
is voorwaarde voor het hebben van die voorrechten, waarvan er
slechts een deel zijn uitgedrukt in geld. Eenmaal door meedoen
verworven (voor)rechten worden niet meer afgenomen van wie 'op
een eerbare manier' ophielden met deelnemen:
- "buiten hun schuld" werkeloos werden of
- gepensioneerd werden of
- obsoleet werden, d.w.z.: wier type / karakter / opleiding
verouderde en / of
- wier lichaam en brein versleten raakten.
0 Reacties