Literatuur en onderwijs

Categorieën: 2005, 1 januari – 2009, 31 december | Archief | Kapitein Veerdonck | Opstellen

Trefwoorden: bovendierlijkheid | geredigeerd | onderwijs

Jaap Schot, 13-21 maart 2007

Aansluitend bij de inleiding.
Uitgelegd moet worden wat op deze weblog wordt bedoeld (aangeduid) met ‘onderwijs’ en wat met ‘literatuur’.

Pogen te onderwijzen is: de leerling in aanraking brengen met iets wat hij kan ervaren. Aan blinden zijn lichtverschijnselen niet te onderwijzen.
Onderwijzen vindt plaats als de leerling inderdaad kennis neemt van dat ervaren, er zijn aandacht bij krijgt.

Schoolvoorbeeld.
In "Van het westelijk front geen nieuws" zit een soldaat aan het front aandachtig een vlinder te bekijken, als hij door een scherpschutter wordt doodgeschoten.
Als er een trommelvuur was geweest, had de soldaat wel dekking gezocht. Hij had zijn aandacht echt niet bij een vlinder gekregen.
De onderwijzer/ leraar/ docent van tegenwoordig poogt te onderwijzen in een uiterst prikkelrijke omgeving. In concurrentie met de seks, de televisie, de amusementsindustrie. En de hele rest van de bewustzijnsindustrie, waarvan de prediking van de vele ideologische en religieuze geloven/ doctrines ook deel uitmaakt.

Leren gebeurt

Als de aandacht eenmaal bij het onderwerp is (= eraan besteed wordt), dan gebeurt leren. Leren gebeurt, het wordt niet gedaan.
‘Gedaan worden’ impliceert dat de dader hetgeen hij doet, ook kan nalaten.
Dat er zo’n ‘doen’ bestaat is de centrale juristensprook. Het teistert de mensen in de wereld te zeer om van een sprookje te spreken.
De mensen geloven er echt in, waarmee ik zeggen wil dat ze niet in de gaten hebben dat het een geloof is.
Schuld en verdienste kunnen toewijzen, was het doel met het invoeren van daderschap.
Om te kunnen rangschikken en om de gebruikte mensen in de civilisatie te kunnen verwarren om ze niet steeds verschrikt en bang (in de vreze der heren) te hoeven houden.

Daderschap bestaat niet

Zoals niemand ooit (een) god gezien heeft, zo heeft ook niemand ooit iemand iets zien doen. Hij heeft iemand zien bewegen, heeft een kat een muis zien vangen. Maar is dat ‘doen’?
Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de context.
De gewone geciviliseerde debatteert ononderbroken.
Nu ik erop wijs dat je ‘doen’ en ‘gedaan worden’ nooit kunt waarnemen, is hij geneigd te zeggen dat die kat dat vangen doet.
Zou ik hem op een ander been gezet hebben, door het te gaan hebben over de 'bovendierlijkheid' van ‘de mens’, dan is de gewone geciviliseerde er moeiteloos toe te brengen te zeggen dat dat van die kat ‘alleen maar instinct’ is.

De biologie heeft de goed geschoolde afgeleerd een extra ziel in een organisme te veronderstellen: complexe biochemische (= koolstofchemische) processen, met tevoorschijn gekomen mogelijkheden.
Het is nog even doorwerken, maar dan maken ‘we’ ‘ons’ eerste organismetje. Een synthetisch virus wellicht. Uit elementen die we van buiten de biomassa namen. Dát zal het bewijs leveren.
Zolang dat bewijs nog niet geleverd is, neuzelen de religieuzen en juristen door met hun daderschap en hun zielige en geestige en geestelijke extra’s.
Woorden met slechts gebruiksgewoonten, de aanmaak mogelijk makend van: ‘alles waarvan slechts sprake kwam, was of is’.

Schoolvoorbeeld

Het is Mozes niet gelukt de door hem uit Egypte ontvoerde Israëlieten uit te leggen dat hij die god achter die plagen verzonnen had om hen vrij te krijgen. En dat ‘je’ dat zélf ook kunt doen: ‘een god verzinnen ergens achter’, als het zo uitkomt, - niet zomaar, als je het te vaak en te openlijk doet, werkt het niet meer, dan krijgen de heidenen (= godengelovigen) het ook in de gaten, dat je ‘wat je vertelt’ verzonnen hebt.
Later hebben de stichters van de roomse kerk die truc: ‘ergens een god achter verzinnen’ opnieuw toegepast. Een god die vierkant achter de keizer (→ achter de wereldse machtige daar dan, waar dan ook, wanneer dan ook) stond. Dieu et mon droit.
Precies die twee verzinsels. Niemand heeft ooit een god, een recht of een plicht of een daad gezien. Er is alleen sprake van.

Effect van ander onderwijs

Daarom maakt dit alles ook geen deel van het verplichte onderwijs uit.
Als je kinderen bij biologie, natuurkunde en scheikunde leert kijken en noteren en zindelijk doordenken over het gevondene, geïnspireerd door hetgeen Einstein deed: oude vanzelfsprekendheden (zoals de vormvaste ruimte en de rekvrije tijd) laten vallen ten gunste van aangetroffen verschijnselen (die vaste lichtsnelheid), dan kun je het wel vergeten met ‘dat waarvan slechts sprake is’.
Geen voorrechten, vaderlanden en rechtsstaten en geen religieuze doctrines zijn meer te ‘verkopen’.
Zulke zó 'ontwikkelde' leerlingen zien de geweerlopen waaruit de macht komt, zowel als de taaltrucs waarmee kinderen verward worden:

  • eigennamen suggereren dat er losse dragers daarvan benoemd (← aangetroffen, in tegenstelling tot gesuggereerd) werden
  • doen, bedoelen, willen e.d. werkwoorden suggereren dat er wat gedaan wordt, dat op fietsen lijkt, het wordt immers met een soortgelijk woord (een werkwoord) benoemd (aangeduid, gesuggereerd)
  • de moed, de wil en het geweten zijn zelfstandige naamwoorden, zodat ermee gesuggereerd kan worden dat wie naar de betekenis vraagt of wie ze niet in zich aantreft een oerdom iemand met morele en ethische gaten in zijn ‘wezen’ is.
    Nou, zó, onder die suggestie, laat men het doorvragen wel na. Men laat het wel gebeuren dat men een identiteit en/of een cultuur toegeschreven krijgt als ware het een eigenschap zoals de kleur van de ogen.

Literatuur is kunst

Ach, het is allemaal zo plat. De tegenwerping “je kunt gewone leerlingen toch geen literatuur laten schrijven”, als uit het voorgaande volgt dat dát nodig is om hen in aanraking te brengen met dat waarvan ze kennis moeten nemen, wil er van ‘literatuuronderwijs’ terecht gesproken kunnen worden. Van gehakt smullend word ik geen slager. En slager worden is toch de enige manier om te weten te komen wat ‘gehakt’ nu eigenlijk ís.
Literatuur is kunst. Kunst maken is moeilijk. De uniciteit van de (hand, stijl, woordkeus, van de) kunstenaar is dezelfde uniciteit die ook elke oude, gedragen, schoen heeft. Kul dus. Door wat hij heeft aangeleerd (buiten zijn schuld, verdienste en toedoen, daderschap is een suggestie) reageert de kunstenaar zó op zijn omgeving. Nou én? Die apperceptieve massa aangeleerds van de kunstenaar is niet van hoger waarde dan de vuilstortplaats bij stad X. Ook héél kenmerkend en eenmalig.

Maar kunst is moeilijk. Rembrandt, ik zou het zo niet kunnen. Let wel: de verdedigers van de moderne kunst zijn nu afgehaakt. De kunstenaar die een fototoestel na kan doen is even obsoleet als Shakespeare: een toneelschrijver die rijmelde en versvoeten had. Rembrandt en Shakespeare zijn wereldse heiligen. Kunstvoorwerpen (en uitgevoerde toneelstukken) van zulke heilig verklaarden zijn relikwieën, pelgrimages naar relikwieën zijn toerisme (en dat is een industrie, dus……).

O.K. kunst is moeilijk te maken

Moeilijk is op zich ongelijk aan ‘de moeite waard’. Elke moeilijkheid is een dimensie waarop je je met een ander, en met je vorige prestatie, kunt meten en: overtreffen.
Overtreffend bezig gezien worden, wekt bewondering en die levert voorrechten en aanzien. Daaruit vloeien veiligheid en paringsgelegenheid voort, of toch minstens geld.
Voor geld is alles waarvan Maslow in zijn piramide melding maakt te koop. Moeilijks openlijk doen is dus vaak lonend.

De kijker maakt deel uit van de civilisatie, dat wil zeggen rangschikt zich en wordt gerangschikt. De beoordelaar staat in rang boven de beoordeelde en diens werk. Zie de reacties van ‘performers’ [ = wie zich ter beoordeling (→ verering → beloning → betaling) ten tonele voeren (ten toon stellen, hun kunsten vertonen)] op critici (die het publiek beïnvloeden).
De kunst past in het (top)presteren, is een rangfabriek, is deel van de rangschikkerij (de civilisatie).

Sociologisch is een overeenkomstig verhaal te schrijven over de huidige wetenschapsbeoefening. En over de sport.
Dat is één en hetzelfde gebeuren. De god van het geld trok kunst, sport en wetenschap binnen zijn rijk en heerst nu over hen.

Waarheid literair noteren

Wás er ooit vrije kunst, wetenschap of sport? Ik was er niet bij. Hier komt de literatuur te hulp.
Defoe vond – of, nam van anderen over – het idee van ‘een man alleen zetten en dan kijken wat er met en door hem gebeurt’. Defoe werkte dat idee uit en wat hij – al uitwerkend – schreef, moeten wij niet hebben, om ons in aanraking te brengen met ons onderwerp.
Ons onderwerp is: het wezenlijke gebeuren van het – slechts introspectief gegeven – verschijnsel waarheid literair noteren. Waarheid is hier niet de anekdotische waarheid, van het eenmalig kortstondig aan de oppervlakte zó zijn van de werkelijkheid. Zoals de mededeling "ik pompte mijn fietsband op”, hóe nauwkeurig ook uitgewerkt, niet in het natuurkundeboek kan worden geplaatst. Daarin past de wet van Boyle-Gay Lussac.

Geen anekdotische verhalen

Verhalen in de echte literatuur zijn dan ook geen anekdotische verhalen. Mozes heeft niet echt water uit een rots geslagen. De ezel van die profeet heeft niet echt gepraat. Jezus heeft niet echt met die vrouw aan die waterput staan praten. ‘Animal Farm’ is nergens te vinden. Eenden en ganzen praten niet.

Verhalen in de echte literatuur zijn wat de theorieën in de wetenschap zijn: hulpmiddelen. Hulpmiddelen bij

  1. het onthouden van verschijnselen en hun omgeving (resp. als elkaars omgeving) en bij
  2. het aanmaken van gedisciplineerde (= niet door hoop, angst en andere gevoelens mede gegenereerde en gestuurde) verwachtingen.

Het is zo dat woorden zoals theoriebouwers die aanmaken (schoolvoorbeeld ‘minderwaardigheidscomplex’) met opzet worden stukgemaakt:

  1. door grappenmakers,
  2. door het gepeupel en
  3. door de tegenstanders van het begrepen worden van de zaak waarover die theorie gaat.

Verhalen zijn wat beter bestand tegen dat vandalisme. Zeker als ze gedrukt, en ongewijzigd herdrukt, worden. En als ze worden gelezen.
In plaats van doorverteld of mét commentaar voorgelezen. Met commentaar voorlezen is wat de roomse priesters deden, en later1 zelfs de protestantse dominees.
Zó werd de bijbel onleesbaar voor gelovigen, en zelfs voor onze atheïsten. Die weigeren iets anders te doen dan reageren op die misleide gelovigen, die die pratende ezel als een wonder opvatten, zoals de priester hen dat beveelt. Wat een leed, hè.

Neem nou dat verhaal van die haas en die schildpad, die beiden het bericht hoorden dat er een flink einde verderop een voor hen voedzame maaltijd te vinden was. De weg erheen was voor beiden even lang, de schildpad had meer looptijd nodig en begon meteen. De haas had veel minder looptijd nodig en begon door overmatig zelfvertrouwen te laat te lopen.

Wie hongert naar wijsheid, gaat op pad

Zoals met die voedzame maaltijd is het ook met de wijsheid. De afstand is voor iedere baby dezelfde, maar de intelligentie en de pech-geluk verhouding van de levenswegen erheen, kunnen zeer verschillen. Het is dus zaak nú doelgericht op weg erheen te gaan en je niet meer te laten afleiden of omleiden of gezellig koutend te blijven staan.
Wie niet hongert naar wijsheid en tevreden is met wat hij aangeleerd heeft, zal niet lopen, omdat hij er geen reden voor in zich vindt. Het zij zo.

Wie echter graag leert, hongert naar wijsheid of terecht niet tevreden is, hij beginne nu te lopen. Niemand weet hoeveel tijd hij nog heeft en welke barrières hij zal moeten nemen op zijn weg. Er is geen reden voor haastig rennen, er is (maar alleen voor wie “uitverkoren is”) álle reden om te gaan, voort te gaan, vol te houden.
Probeer niet om anderen mee te nemen. Iedereen moet zelf gaan en op eigen initiatief.

Hou ook niet geheim waarheen je op weg bent, waaróm je je tijd, je aandacht, je energie, je vaardigheden, enz. niet aan gewoon meedoen verdoet.
Hou niet geheim, maar wie niet tot lopen kómt, laat hem geen blok aan je been worden. Loop, gá. Je tijd is beperkt en voor dít doel gegeven.

Gegeven, zij het NIET door mensen. Het is niet je eigen maaksel én niet door mensen gegeven: het is een geschenk van de natuur of een gave Gods.
Dat (natuur of God) is een keuze van manier van spreken over dit feit.
Geloven in de suggestie dat er een Gever of Gevende te vinden is, aanspreekbaar is, leeft, gebeurt, bestaat, dat is wat ik ‘talig primitivisme’ noem.

Schuld bestaat alleen in het maatschappelijk spel

Voor dat waarvan hij niet weet dat het strafbaar is gesteld, voelt geen mens zich schuldig. Door de strafbaarstelling via een alziende en na de dood afrekenende, straffende/ lonende god te laten lopen, ontlastte de Romeinse keizer zijn opsporingsapparaat.
Schuld is dus gewoon omgevormde (anders benoemde angstige ongerustheid).
Wij kunnen niet waarnemen wie het deed, dat is: wie schuldig is, we moeten daar door redeneren achter komen, op basis van sporen. Een geweten hebben = geweten hebben dat het strafbaar gesteld was, dat wat door je (heen) gebeurde, door jouw zó bewegen gebeurde en/of door jouw ‘deze zet doen in het maatschappelijk spel’. Dat maatschappelijk spel wordt gespeeld met geld en met het – door dwang en/of verlokking – te koop zijn van het bewegen van anderen.

Buiten dat spel is er geen schuld en geen verdienste, geen straf ook.
Er zijn wel gevolgen van wat je doet, (= van de bewegingen die je maakt). Die gevolgen kunnen gunstig zijn voor jou (jouw entelechie), of ongunstig.
Het is niet nodig, je achter die natuurwetmatig op te vatten gevolgen, nog weer eens een doende God te denken. Dat verheldert niets.
Door God met longkanker gestrafte rokers zijn niet anders ziek dan atheïsten-rokers.

Leren van fouten

Het hele invoeren van daderschap maakt niets er beter op. Het verleden is voorbij, spijt hebben is onzin. Straffen is ook nutteloos.
Recidive voorkomen, leren van fouten, ook van die van anderen, dáár gaat het om. Het is een centrale bouwfout in het maatschappelijk spel dat er op het niet leren van falen wordt aangedrongen.
Dapper doorzetten. Vasthouden aan nationale staten en het onderscheiden van culturen en het aanhangen van wat je toevallig hebt aangeleerd.

Dát, in plaats van iedere dag verse – en niet te bewaren – manna verzamelen: kennis nemen van wat je nodig hebt (piramide van Maslow) en van wat er zoal in je omgeving voorhanden (→ voor wie zoekt te vinden) is om in dat nodige te voorzien en daar dan het ‘minst schadelijke’ van te nemen. Te nemen als middel tot dat énige doel van je: je entelechie, je in je genen voorgeschreven gebeuren; zo goed mogelijk. Zoals in je genen geschreven, voor zover in deze omstandigheden mogelijk.

Dat is wat iedere los geschreven ('geschapen') genencombinatie als enige plicht heeft, als men die uitdrukking wil gebruiken. Er is in onze genen geen enkele sociale verplichting waaraan wij herinnerd hoeven te worden. Aan ‘dat we moeten ademen en slapen en zo’ hoeven we ook niet herinnerd te worden.
Ja, we moeten wel leren, maar ook daaraan hoeven we niet herinnerd te worden. Niet door gebrek aan neiging om te verkennen, blijven kinderen van veel nuttigs onwetend. Maar doordat ze niet weg mogen, geen toegang hebben. Zie maar om je heen. Vragende en rondneuzende en proberende kinderen, dat is nog eens wat anders dan hangjongeren.

Men noemt dus van drie dingen 'waarheid':

  1. ‘wat gebeurt’, de eigen Umwelt, beschreven met de eigen taal de manna, de eenmalige stand van zaken: de processen verbaal, de reportages, de documentaires
  2. de regelmatigheden onder of achter ‘wat gebeurt’: dat is oppervlak van de werkelijkheid; de natuurwetten
  3. van de leer van staat en kerk (religie): dat er daderschap (= kunnen nalaten wat je doet, vrij kunnen kiezen) is, dus schuld en verdienste. Omdat de criteria voor wat mag en niet mag, waar (← godgegeven, eerbiedwaardige traditie, democratisch besloten) zijn. Wat dáár dan weer de criteria bij, achter en voor zijn, om dat te kiezen.
    Dat is er allemaal niet, maar het gaat niet aan de geweren aan te wijzen waarop dit hele hoogdravende gewauwel berust.
    “Doe nou maar gewoon mee, het gaat toch redelijk goed en goed rédelijk”. Nu ja, soms zijn er oorlogen en 'doen' we met z’n allen iets tegen de ozonlaag en tegen de chemische vorm waarin veel koolstof is (broeikasgassen).
    Maar al wáren we schuldig, ons dient vergeven te worden. Want we wisten niet wat we deden, of konden het niet laten, of het was nog niet verboden (→ geen geweten → geen zonde/ schuld). Dan is de klimaatsverandering dus ook geen straf. En geen enkele religie stelde al verantwoordelijk voor het klimaat of voor het veranderen van de ecosystemen (waar we ook over horen, maar nog niet van de regeringen).

Niets meer aan te doen?

Door het elkaar machteloos te maken tegenover het geld, zorgen de nationale staten ervoor dat er aan het schaden van klimaat en ecosystemen geen einde – of zelfs maar een vermindering – komt.
Tenzij er meer aan te verdienen is, dan aan ‘zo doorgaan’. Om dat zo te laten worden, moet het volk bereid gemaakt worden ervoor te werken (indirect, en niet allemaal) → meer belasting te betalen, meer te werken, txaenz te offeren. Dat is het kader waarbinnen dit ‘gebeurt’.
Er is wellicht allang niets meer aan te doen.
Misschien is de bijdrage van ‘de mens’ wel te verwaarlozen klein, of zelfs nul, of negatief. Wie zal zeggen in welke – onze inspanningen futiel makende – toekomst al dat gestreef zal plaatsvinden?
Er is maar één “plaats” waarin meedoend niet te zondigen valt: in het paradijs vóór de zondeval.

Echte literatuur is subversief

Spelregels zijn niet aangetroffen en als waarheidsfactor gebruikt in 'waarneming maal taal is tekst'.
Politieromans zijn geen echte literatuur, omdat ze spelregels als waarheid invoeren. Als vanzelfsprekend.
Echte literatuur is subversief, spelregelvanzelfsprekendheid ondermijnend.

Wie recht spreekt (= beoordeelt, keurt, prijst, laakt, de voorkeur geeft, enzovoort, enzovoort) spreekt geen waarheid.
Hij spreekt nergens bij. Hij meldt verschillen tussen ‘in beschouwing genomen constateringen’ enerzijds en ‘een of andere verzameling wensen, eisen, wetten, voorschriften’ (≈ een wensplaat) anderzijds.

Rechtspreken is geen waarheid spreken

Wie recht spreekt (= beoordeelt, keurt, prijst, laakt, de voorkeur geeft, enzovoort, enzovoort) spreekt geen waarheid.
Hij spreekt nergens bij. Hij meldt verschillen tussen ‘in beschouwing genomen constateringen’ enerzijds en ‘een of andere verzameling wensen, eisen, wetten, voorschriften’ (≈ een wensplaat) anderzijds.

Ter illustratie
In Nazi-Duitsland was het schaden, tot en met doodmaken, van communist of een Jood praktisch geen reden voor enige veroordeling door een officiële rechter.
Bij ons hier nu zijn dieren nog steeds zaken, geloof ik gehoord te hebben.
Zo’n detail is niet van belang. Iedereen weet nu zo langzamerhand wel dat er verschillende landen en culturen zijn. Met verschillende wensplaten om naast het gedrag van hun mensen

  • (= hun gevangenen,
  • hun menselijk gebruiksvee,
  • hun slaven in zelfbezit,
  • hun burgers met vrijheden)

te houden.
Dit dus los van de bevoorrechting (= achterstelling) in elke massa mensen, in civilisatie bijeen. Dit ook los van de vraag of er, door de ingezetenen, om voorrechten gestreden mag of behoort te worden. Of dat de voorrechten vastliggen – in het rasgebonden, blauwe, feodale bloed – zoals in Zuid-Amerikaanse landen. Ach, zoals nog op een groot deel van het aardoppervlak.

Dé vijand van de waarheid

Dat de rechter geen waarheid spreekt, maar recht, verklaart de absurditeit van het niet toelaten in zijn beschouwing – of, in die van de jury – van onrechtmatig verkregen bewijs. Dat is dus hét bewijs van het bovenstaande: de wensplaat gaat boven de waarheid.

Dé vijand van de wetenschap en de waarheid
is niet de religie, maar het recht.

Niet de priesters en dominees, maar de juristen. Niet atheïsme is subversief, maar anarchisme (“de wet is een bundel leugens”).

Zodra Robinson Crusoe alleen is op zijn eiland, is alle recht weggevallen. Evenals alle onrecht.
Waar geen anderen zijn is geen recht, geen onrecht, geen schuld, geen verdienste, geen eer, geen belediging, geen wraak.

Menigeen zal in zijn “Mijn Robinson” dieren daderschap gaan toeschrijven, hén gaan kwalijk nemen wat ze ‘doen’. Ineens is het dierengedrag dan niet meer ‘alleen maar instinct’, zoals het altijd gezegd wordt in het stellen van de 'bovendierlijkheid' van ‘de mens’.
En God zal menigeen, net als de Robinson van Defoe, als dader van al het andere gebeuren gaan opvatten.
Dat is zielig, dat is het niet 'opmerken en dus afleggen’ van de 'ama'.
In religieuze termen: dat is het nalaten zich te reinigen in het gebeuren. Gesymboliseerd als stromend water van de Ganges, of de Jordaan, of uit handen van de dopende.

De geciviliseerde mens die meedoet, is de eeuwige debater. Zich eruit praten. Slagen om de arm houden. Al die 'duizend' retorische trucs en foefjes. Het oordeel als doel, waarheid als speelbal, als munitie.
Juist bij de rechtspraak heeft men die formule: de waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid. En meteen daarop volgt dan die absurditeit van "niet toegelaten bewijs". Een bron van verwarring, onrust, onzekerheid bij de gewone mens, die niet meespeelt, maar gewoon gebruiksvee is.

Eerst je AMA opmerken!

Vee zijn is geen eigenschap. Zo min als gevangenschap, dat aan vee zijn ten grondslag ligt. Er bestaat verhuisdierlijking. Maar die is nog niet aanwijsbaar en/of aanwezig bij alle mensen die nu als vee (gevangen) gehouden en gebruikt worden door soortgenoten via het systeem.

Wie over zichzelf iets waars wil uitzeggen, zal eerst zijn 'ama' moeten opmerken. Niets kan ik zeggen zonder een aangeleerde taal te gebruiken. Een mij vreemd iets – die taal, die begrippenapparaten, die verhalen, die beelden, die Kantiaanse blindheid voor wat nog niet is aangeduid in wetenschap of literatuur – is factor in de formule: 'constatering x taal = melding'.

Het vechten der anderen

Iedereen moet levenslang overal afblijven, mag nergens aan komen, omdat alles andermans eigendom of andermans bevoegdheid of andermans werk (loonarbeid of erebaan) is.
Wie zich niet aan dat verbod houdt, vergrijpt zich. De niet agressieve vormt geen bedreiging, de strever, de ambitieuze is bruikbaar tegen derden, maar een gevaar.
Wie zich wel aan dat verbod houdt en het vechten der anderen ondergaat en opvat als:

  • het sociale klimaat,
  • het klimaat van het sociale systeem,
  • dat systeem zijnde de systematisering van het binnensoortelijk streven naar maximalisatie van de (‘winst’ genoemde) gezogen txaenz. Winnen is txaenz van een ander voor jóuw (spel)doelen gebruiken, van zijn bestemming vervreemden dus.
  • Het blijkt dat veel mensen meer txaenz van nature tot hun beschikking hebben, dan ze in deze civilisatie nodig hebben of zelfs maar kunnen gebruiken om entelechisch optimaal te LEVEN. Niet dat dat feit ertoe leidt dat ze zo LEVEN, nee, ze zijn (dat verhult de roof) niet bewust gemaakt van entelechie en van txaenz. Ze hebben geen taal in gebruik om op wat ze onzichtbaar aan het doen zijn (met name zich laten uitzuigen) te reflecteren: zich áls in een spiegel daarmee bezig te zien. Ze willen niet iemand horen zeggen: “moet je jezelf bézig zien”. Nee, het spelresultaat van wie winnen dient de volle aandacht te hebben en voor de ongetelden die niet winnen is er de taak zich met de held te vereenzelvigen, hem op hun schild te hijsen, zijn fan te zijn. Langs zijn route, met vlaggetje, hoedje en toeter.
  • Die ongetelden kunnen niets samen doen, zij zijn alleen, door het verstrekt gekregen hebben van een identiteit, een eigennaam die veel meer dan een etiket, een leidsel is waarlangs
    • de rechten en plichten inwerken en
    • verantwoordelijk wordt gesteld.

'Wij Nederlanders' zijn slechts bijeen geadministreerd

‘Je’ ziet dit niet anders dan zó om je heen gebeuren. Niemand doet het, aan niemand wordt het zo-zijn van het maatschappelijk spel als blaam of verdienste toegeschreven. Iedereen weet dat het niet de koningin is, die het bracht of handhaaft.
Het ‘wij’ dat door sommigen achter deze regeling wordt geplaatst, wetten als afspraken benoemend, is een wilde greep in de leegte.
Dat ís het ‘m nu juist. In ‘wij Nederlanders’ zit geen samen, slechts: bijeen, bijeen geadministreerd. Die administratie is ons aangedaan, hebben wij niet aangevraagd.

Het is ermee als met de betekenisloze kinderdoop van de roomse kerk. Een argumentatie als die van de Wederdopers daartegen, zou men kunnen houden tegen het inschrijven van pasgeborenen in het gemeenteregister als burger. Zich laten dopen is uitdrukkelijk en vol verstaand zich van de 'ama' ontdoen, worden als een kind, niet meer bij de wereld horen. En omdat we geen Teflon®laag hebben, zullen we ons herhaaldelijk moeten wassen, of ons door gemeenteleden láten wassen (← aankleefsels van wereldlijkheid laten aanwijzen).

Maar dat is niet aan de hand. Er is in de maatschappij een legervormige (hiërarchische) organisatie, een organisatie met posities die macht (= door geweldplegenden gehoorzaamd worden) leveren. Zelfs wie met zijn tijdgenoten – soortgenoten het beste voor heeft, moet zo’n positie willen hebben, om iets voor (= ten gunste van) hen te kúnnen doen. Er is geen positie of positieverzameling vanwaaruit deze hele organisatie(structuur) vernietigd (opgeheven, als kwalijk verzinsel ontmaskerd) kan worden. Ontmaskeraars zijn altijd mensen die buiten de posities staan. Jezussen, geen Kajafassen.
Zonder werkende structuur zijn wij de aanwezigen een weerloze massa: zo weerloos als de Joden in Nazi-gebied.

Een constatering is geen mening

Ik kan niet ‘zeggen’ (stilzeggen) → uitschrijven dat ik méén nu aan het schrijven te zijn.
Dat kan ik niet menen, dat ís zo.
Dat kan ik dus slechts constateren als feit en die constatering is (een brokje) kennis, kennis die ik neem van wat aan de hand is.
Van wat niet aan de hand is, kan ik geen kennis nemen.
Een deel van de kennis die ik neem, kan ik in tekst “verpakken” = “onder woorden brengen”. Dan is die tekst uit te zeggen, uit te schrijven, te laten horen, ter lezing te geven (te publiceren).

Een deel van de kennis die ik aan het nemen ben, kan ik beschrijven. Een deel, om twee redenen:

  1. het beschrijven van alle kennis die ik neem zou me zoveel tijd nemen, dat ik hopeloos achter zou raken en voor niets anders meer tijd zou hebben
  2. er zijn niet voor alle kenbare dingen passende woorden en verhalen, er is niet voor alles passende taal om te beschrijven.
    Let op! Er zijn ons gegeven:
    • de taal als woordaanmaker en de taal als volzinaanmaker (analoog aan blikopener aangemaakte woorden) geven, gepaard aan
    • het vermogen verhalen te verzinnen en
    • het vermogen om gelijkenissen (a:b = c:d) te zien,
      ‘in verschillende verhalen onderling’ en ‘in verhalen en beschrijvingen’.

a, b en c gebruikend, laten de besten onder ons taalgereedschap groeien (toenemen in variatie).

Nieuwe woorden aanmaken

Als iemand maar lang genoeg bezig blijft te proberen te zeggen wat hij kent, oftewel te melden wat hij dagelijks opmerkt, zonder dat het wordt besproken, dan is de kans groot dat het hem uiteindelijk lukt, met gevonden woorden en verhalen, aangevuld met eigengemaakte woorden en verhalen.
Zo iemand, zo bezig, bedrijft wetenschap. Dat kan namelijk zonder dat vereist is dat er gemeten wordt en/of dat het NIET over het sociale als over ‘dat daar van die apensoort “mens” ’ gaat. Het hebben over ‘dat daar van die apensoort “mens” ’ wordt meestal ‘literatuur schrijven’ genoemd. Science fiction, vertellen aan buitenaardsen.
Dit ‘het hebben over ‘dat daar van die apensoort “mens” ’, IS echter ook ‘reflecteren’ (= zichzelf voor wat betreft het slechts introspectief gegevene beschouwen als in een spiegel en beschrijven wat je “ziet”).

Het aanmaken van nieuwe woorden binnen de kennelijk bestaande regels en idem van volzinnen en verzonnen verhalen, zien we, lang voordat ze reflecteren, in kinderen en schrijvers optreden.
Een peuter wees met haar vingertje het weiland in en zei ‘koepaard’. Waarop de moeder en ik keken waar dát nu weer op sloeg.
Maar ja hoor, er stónd daar een zwart-wit gevlekt paard te grazen, niet beter dan met ‘koepaard’ aan te duiden.

Zonder dit verhaal eromheen kan een inkijker van een concordantie op mijn werk, bij het zien van het woord ‘koepaard’ denken dat ik dan ook wel over de eenhoorn en de zeemeermin zal schrijven.
En ja hoor, hij víndt ze. Zie je wel: geloofde in paarden met horens.
Dit alleen terzijde, omdat het hier wel past. En waar krijg je anders de kans om te wijzen op de rampzaligheid van ‘bij gebrek aan tijd, maar even inzien' i.p.v. LEZEN (≈ BESTUDEREN).

Waarheid valt uiteen in

  • eenmaligheden verslagen, de anekdote:
    • waar gebeurd,
      dus het vermenigvuldigingsproduct van taalvaardigheid, oplettendheid en zintuiglijke begaafdheid van de verteller
    • verzonnen:
      puur ambitie om te boeien maal taalvaardigheid maal fantasie
  • verzonnen werkelijkheid of wil achter of onder ‘wat waargenomen werd’:
    • theorieën
    • hulpverhalen bij het beschrijven
      dus: aanwijzen zonder waarderen (beoordelen), nodig waar de woordenschat tekortschiet of versleten/ kapot gemaakt is
      • (a:b = c:d) – verhalen
      • à la Robinson en Robots (Defoe/ Asimow)
      • à la ‘Animal Farm’ van Orwell
      • à la Walden II
    • fantasieën met daders
      • schijnwetenschap met genen en memen en ‘homo economicus’
      • C.G. Jung minnend gereutel over elfen, goden, engelen en kabouters.
        Voort laten duren van allang betekenisloos geworden gepraat, ooit gespreek.
        Schoolvoorbeeld hiernaast: de feodale woordenschat van de zingende protestanten. En het feodale schrijven over god in de bijbel(vertaling).

Echte literatuur is

  1. niet anekdotisch.
    Het eenmalige dat beschreven is, is evenals het onbeschreven gebleven eenmalige, voorbij en zonder enige kracht in het heden.
    De zwerfkei ligt nu daar deksel van een hunebed te zijn. Boeiend verhaal hoe dat zo tot stand kwam, maar nu alleen stand (van zaken).
    Alleen een (als criterium voor gedragskeuze) bruikbaar verhaal dat dreigt met (waarschuwt voor) herhaling is in theorie of echte literatuur op zijn plaats.
  2. niet om (in, of aan) te geloven.
    Zo min als wetenschappelijke theorieën er zijn ‘om te geloven’.

Lege gebaren en formules

Rituelen zijn er voor mensen in wie weinig taalgebeuren is (toegestaan te groeien). Hou ze taalarm en laat ze dopen, prevelen (gebeden opdreunen), reciteren, met feodale onderwerpingsbewegingen bidden, gebedswielen draaien, kaarsjes opsteken, huwelijksrituelen (door deskundigen láten) voltrekken, missen láten lezen, voorbede kopen.
Gebaren en formules, zoals de volkomen voorgevormde geloofsbelijdenis.
Leeg, maar doelgericht: het doel is het voorkómen dat je opvalt en agressie naar je toe trekt: de agressie die "het doorgeven van de angel van het gebruikt worden" is (Canetti "Macht en massa").

Voorbij de technieken

Lezen, schrijven en sommen uitrekenen (cijferen) zijn ongelijk aan LEZEN, SCHRIJVEN (wetenschappelijk en écht literair) en BEREKENEN (← meten ← vaststellen van wat wel en wat niet telt, eenheden scheppen, zoals de Joule en de Ohm // meter maken, tellen, aflezen //).
Lezen, schrijven en sommen uitrekenen zijn losse, nog betekenis buiten beschouwing latende, technieken. Met die technieken alleen kun je Lingo en Scrabble spelen en meedoen aan Tien voor Taal en Eindexamen.
Een, ‘intellectueel’ te noemen, niveau bereikt men pas met LEZEN, SCHRIJVEN (= verwoorden van wat – áchter of onder het waargenomene geacht – passend doet verwachten; de niet aangetroffen, maar geschreven natuurwetten, want beschrijven slaat op ‘schetsen, tekenen, fotograferen met woorden, van het eenmalige, de anekdote), en BEREKENEN (formuleren).
Ook het schrijven van boeiende romans en verhalen en van gedichten (sonnetten en haiku’s zijn schoolvoorbeelden) is spelen, met woordjes en met vormpjes.

Woordvechten

Ook debatteren, twistspreken, disputeren, discussiëren zijn spel. Men gebruikt de taal als wapen, men spreekt zélf van ‘de degens kruisen’.
Een kernonderdeel van het parlementaristisch democratisme is nu juist dat niemand die daartoe de gelegenheid heeft, geacht wordt zich aan de democratisch gestelde regels te houden. Wie dat wél doet is een dwaas, die serieus als criterium bij gedragskeuze en gedragsvormgeving neemt: de uitslag van een wedstrijd (≈ een compromis, door geen der deelnemende partijen gewenst; laat staan, degelijk doordacht op gevolgen in de praktijk).
Ook de, ‘volksvertegenwoordigers’ genoemde, deelnemers aan het politieke debat zelf nemen de uitkomsten niet serieus. Want ze voegen nooit het nodige geld voor invoering en handhaving bij het afsluitende woord (= de nieuwe wet).

In de democratistische [= met de retoriek van democratie (=volkszelfregering), het volk belazerende] landen wordt de rechtsprekende macht niet opgevat als een verzameling fabrieksarbeiders, die recht aanmaken. Zoals jamfabrieken jam. Toch is dát de enig juiste opvatting in deze eeuw van fabrieksgewijs produceren.
Een volk dat zijn záken regelt, en dat, zo’n volk ís er in een democratie, regelt zijn zaken. Je kunt niet als ‘zaken regelen’ zien: het aanmaken van niet-gehandhaafde wetten en het reageren met grote achterstand en zonder enige zaakgerichtheid (en volksinstemming) door ‘justitie’.

Volksverlakkerij

Ik erger me aan die lui die van wetten en regelingen zeggen dat ‘wij’ die met elkaar hebben afgesproken, waarbij iedereen die eronder valt, binnen dat ‘wij’ wordt getrokken.
Dat is inclusivisme, gevangennemen, net als die religieuze claim van ‘alle mensen jagen naar het hogere, naar God’.
Wie zich anders meent aan te treffen, dwaalt.
Introspectief andere gegevens? Des te erger voor de introspectieve gegevens (← werkelijkheid).
De gelovigen van de staatsreligie verklaren de ongelovigen voor gek, gestoord, gehandicapt.
In hun mond is ‘de democratisch tot stand gekomen wet’ precies hetzelfde als in de Middeleeuwen in Europa: ‘de godgegeven instelling’.
Onaanvechtbaar, boven alle kritiek gesteld, gevrijwaard van alle waaromvragen en van alle onderzoek naar gevolgen en van alle doordenking.

Staatsgodsdienst en staatsideologie (democratisme, bij ons tldisme) zijn volksverlakkende systematiseringen van het (uniek ménselijke?) binnensoortelijk parasiteren.

Teringherrie is gewoon andermans muziek

"Zoekt en gij zult vinden" betreft niet: Zoekt in teksten en gij zult, als eigen mening te gebruiken, citeerbare frasen vinden.
Nee, het betreft het – niet van woorden gemaakte – werkelijke gebeuren. Wat niet aan de hand is, is niet aan te treffen, niet te vinden.

Uitspraken die beschrijven ‘wat aan de hand is’, zijn geen meningen.
Beoordelingen zijn geen beschrijvingen, het zijn met oordeel gemengde verwoordingen.
Een rotkat is gewoon een kat. Een rotstreek is gewoon een ‘zet’ in het rangschikspel der geciviliseerden. Teringherrie is gewoon andermans muziek. Gewauwel is jouw eigen tekst voor wie die (nu even) niet kan gebruiken.

Terecht luistert de gewone burger naar ‘wat gezegd wordt’ (bijvoorbeeld op radio of televisie), zoals een sportliefhebber kijkt naar een bokswedstrijd.
Er is geen onderwerp. Er zijn slechts gladiatoren, die niet langer met dat woord worden aangeduid.
Wie zoekt, die vindt zeer, zeer zelden mensen op televisie die niet met elkaar – of, met anderen – in gevecht zijn. ‘Shownieuws’ komt daar tamelijk vaak dicht bij. En ‘Blauw Bloed’.

Antagonisme is het grondkenmerk van de chimpo’s

Het zien gebeuren van lijfelijk en ‘met de taal als wapen’ vechten is fascinerend voor chimpo’s. Boeiend en beangstigend (bang makend) is het.
De openbare slachtingen van gladiatoren en andere gevangenen door de beschaafde Romeinen en later de toernooien van de ridders en de debatten van de inquisiteurs, maakten dat het zo werd en bleef.
Toen de ‘Spelen’ ophielden na de oprichting van de roomse kerk en eeuwen later de openbare terechtstellingen minder werden na de overwinning van (= door) de reformatie, werd door de roomsen de schoonheid van hun kerken ten top gevoerd (barok/ rococo) en werd het romantische voelen (het wenen om de bloemen in de knop gebroken) gecultiveerd.
Tegenwoordig is er de harde porno en zijn er de drugs. Zodat zonder het bewerkelijke cultiveren, zonder énige scholing, de aandacht afgeleid, de txaenz verdaan, kan worden.

Zakgericht, niet zaakgericht

Opvallend was de leegheid van Wouter Bos: niet kwaadaardig visieloos pragmatisme, een beetje palliatieve zorg voor ‘de mensen’.
Het vigerende systeem (tldisme) zowel als het gesystematiseerde (binnensoortelijk parasiteren) blijven onbenoemd.
Niet slechts onbespróken. Ook bij (dat is hier: dóór) zijn critici.
De arme sukkel “denkt” natuurlijk echt niet dat de mensen (de kiesgerechtigden) op grond van ter zake doende criteria kunnen kiezen. Dan was er geen vrije keuze, dan zou hij het systeem van mannetjes (vertegenwoordigers) kiezen niet willen bemannen om het voort te laten duren, om erin mee te spelen.
Hij weet dat het dwingen tot het kiezen van vertegenwoordigers volk verlakken is. Maar hij houdt dat onbewust en niet slechts onuitgesproken.

Ware het anders, dat zou uit ‘anders spréken’ blijken: uit záákgericht spreken.
Het is totaal oninteressant of de hoorder het met je eens is of niet. Ook (nee: juist) als je die hoorder (in dit systeem) wilt vertegenwoordigen.
In dit systeem is dat juist niet ter zake, dat eens-zijn, omdat hier niet uit oplossingen voor onderwerpen wordt gekozen, maar uit vertegenwoordigende ‘lui die maar moeten zien wat haalbaar is’.
Als Wouter en de zijnen dat echt zágen, dan zouden ze het de mensen ook onverhuld zo zéggen.
Het gaat niet om de zaken, niet om de portemonnee, het gaat om de zák, de vent, de vertegenwoordigster zelfs moet ‘ballen hebben’ en daar bedoelen die seksueel overprikkelde chimpo’s testis mee. Écht.

Schertsfiguren

Onze politici zijn op het schip van staat wat het boegbeeld was op de oude schepen. Voorop, maar zonder invloed op snelheid, richting of welvaren.
Het schip van staat is een galei en wij, de gewone mensen zijn de roeiers (werkers voor loon, loon waarvoor wij elkaars werk kopen) en de reclame en propaganda doet ons roeien. En ja hoor, wij worden gezegend, door ons roeien, met dezelfde snelheid, die er ook is voor de levende boegbeelden die ons voorgaan (nu ja, voor ons blijven) en voor de parasitairen, die niet voor loon werken, maar ‘in de geldhandel’ zitten, coupons knippen, zoals de bijpassende uitdrukking in vroeger eeuwen werd geijkt, vóór de komst van het girale geld en van de computers.

Alleen zij, die niet op het promenadedek in luxe baden en toch niet roeien, worden als parasitair herkend. In ons, die roeien, wordt, via de media, gepoogd het verlangen te induceren naar verblijven op dat dek.
En de propaganda is dat wij vrijheden hebben, bijvoorbeeld om te ondernemen, dat is: onze tijdgenoten – landgenoten te lijf te gaan met verleidingen, zodat die zich tot een voor hen licht ónvoordelige ruil van txaenz laten brengen (motiveren, bewegen). Die anderen kiezen vrij. Dát is de heilige leer van het tldisme. Onnodigs wordt in vrijheid gekozen. Dat is de leer.

Wauwelvrijheid

Voor nodigs is er de entelechie en de ervaring van het lijf met allerlei dat ‘goed bekwam’.
En voor de keuze van het nodige hebben we (in beginsel de mogelijkheid tot het vinden van) keuzecriteria.
Voor het onnodige zijn die criteria er per definitie niet. En over het onnodige, onbewijsbare, dat wat met het verstand niet te vatten is, het onbegrijpelijke, dáár gaat die keuzevrijheid nu juist over.
En wie nu íetsje minder intelligent (← ontwikkeld, met wijzen in aanraking geweest en dus van hen geleerd heeft; leren gebeurt, wordt niet gedaan) is dan de aanbieder-ondernemer: die gaat die voor hem onvoordelige ruil aan. In volle VVD-vrijheid, wauwelvrijheid. Dát woord ‘vrijheid’ is een woord met slechts gebruiksgewoonten (een wmsgg).

Het lijf van de peuter heeft nog geen ervaring met spruitjes én met andijvie en kan dus nog niet kiezen tussen die groenten.
En voor die keuze worden peuters gesteld door de verdoolde moeders zonder hoofdletter (= vrouwen die een jong kregen en geen ervaring met grootbrengen zoeken, laat staan opdoen).
Zó vroeg wordt het aangeleerd, dit democratisme, dit leven met onverstand (≈ het besteden van txaenz, júist daar waar het verstand onbruikbaar is).

Geen vrijheid in de wetenschap

Deze systematisering van het binnensoortelijk parasiteren werkt met dit bedrog.
Vader, vergeef het hen, want ze WETEN niet wat ze doen.
Ze kruisigen niet het lijf van Jezus, maar wat hij is: weg, waarheid en leven.
Wat dát betreft hadden de gnostici het door. Maar het doorkrijgen is een prestatie: een txaenzbestedingsresultaat. Een resultaat, geen resultante.
Dieren zoals ‘de mens’, die aan jagen en/of verzamelen (c.q. naar eten en drinken gaan en zoeken) doen, zijn zó, dat er bij hén een verschil is tussen resultaat en resultante.

Zo bijspréken wij ‘wat via ons gebeurt’. Het is een spel, de wetenschap zal die vrijheid niet ontdekken.
De vooronderstelling van onze (aan alles wat tot nu toe was superieure) wetenschap is dat er geen vrijheid is (God dobbelt niet, wánt: dan is elk gedisciplineerd verwachten onmogelijk en is het verstand een illusiemachine). Er is volgens Heisenberg een principieel (= echt) niet van tevoren vastliggen door ‘wat was’. Dat is er op ‘individueel’ (één atoom of zo) niveau. Bij massa’s, een paar gram Al bijvoorbeeld, gaat alles zoals vanouds; wet van de grote aantallen.
Bij vrijheid is er een dader die vrij is. Maar daar gaat het in de wetenschap nooit over: waar daders zijn, daar is geen wetenschap, maar literatuur.

Terzijde. De grenzen van je voorstellingsvermogen zijn niet ter zake.
Dat is het, metéén te zeggen, tegenargument als iemand zegt:
“ik kan met niet voorstellen dat ...”
Meteen in de rede vallen.

Wetenschap gaat niet over het eenmalige

De wetenschap is dadervrij. De wetenschap dringt niet aan op geloven, maar op bijwijzen. Op wijzen bij wat je zegt en met wat je zegt. Wijzen op, en naar, ‘je onderwerp’. Dat onderwerp moet zijn: ‘iets wat gebeurt’. En dat moet  beschouwd worden als voorbeeld. Dus niet de eenmaligheid, de anekdote, het unieke.

Dát is de kern.

Op een bepaalde manier benoemd, zijn onderwerpen ‘van zich herhalende aard’. De leeuw, het lam, de tornado en de stapelwolk. Dus niet déze leeuw, déze stapelwolk, enzovoort.
Met één geval houdt zich de (scheids)rechter bezig, de spelregelaar. Als spreker-denker gaat hij óp in het spel. Hij is de aanmaker van tekst die zo vergankelijk is als al het eenmalige.
Hij spreekt geen recht, hij praat recht ‘wat krom is’. Noemt 'recht', wat dreigen met geweldplegen is. 'Recht' noemt hij de – uit de lopen der geweren, komende – macht.

Het zou zijn als had Jezus het gehad over de wisselkoers van de wisselaars bij de tempel. Dat zou 'rechtpraten' – of, (ver)oordelen – zijn geweest.
Maar dát werd Jezus niet in de mond gelegd door de evangelisten. Jezus sprak niet op het niveau van rechters. Het laten wisselen van geldig geld voor oud geld was een uitvloeisel (concretisering) van het letterlijk laten nemen van ‘wat geschreven stond’. Handelen vanuit de letterlijke tekst. In plaats van, de mensen uitleggen waar het over gáát.

Een dag of wat geleden was er een tekenfilm waarin dat misbruik van vertrouwen en geloof in tekst ten aanzien van Scientology werd gedaan (met S. als onderwerp werd voorgedaan en zo uitgelegd).
Zó plat is dit alles nu, tegenwoordig. En toch gaat het literatuuronderwijs door met vorm als onderwerp.

1) Het is een miskraam van een beweging geworden, las ik ooit over het protestantisme, bij een Amerikaan.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *