Jaap Schot, 28 februari 1985
Over de bezigheid louteren, uitzuiveren,
- van de betrokken grootheden:
- het historisch in je ontstane programma (karakter) annex informatievoorraad, en
- het deze voorraad ordenende begrippenapparaat, en
- de deze ordening verwoordende, de begrippen benoemende taalgebruiksgewoonten, en
- het de relaties tussen de onderscheiden respectievelijk verzonnen grootheden verbeeldende, in gelijkenissen, analogieën vattende:
de verbeelding, het voorstellingsvermogen,
- en, over de manier waarop dat te doen is:
het uitschrijven van wat door het eigen werkende brein, [in onderscheid en tegenstelling tot het geheugen] in je bewustzijn gebracht werd, "langs binnen", [in onderscheid en tegenstelling van wat vanbuiten, uit de bewustzijnsindustrie via de media daar kwam]. Uitschrijven in tegenstelling tot overschrijven (citeren), je uitspreken i.t.t. napraten, meepraten, tegenspreken, instemmen, debatteren, discussiëren.
Doorgangspunt,
- als lichaam:
De moderne natuurwetenschappen leren ons dat wij als lichaam besproken een doorgangspunt van materie zijn. Materie is een vorm van energie, is energie in een tijdelijke en veranderbare vorm. Wat nu mijn lichaam vormt, is over een jaar of 10 buiten wat dan mijn lichaam is. De structuren van mijn lichaam zijn ook veel minder constant dan het behoud van een enkele eigennaam van de wieg tot het graf doet vermoeden. De administratie van de samenleving wil graag een constantie en verworven rechten die behouden blijven willen we daartoe gedwongen door het nu eenmaal zo liggen van onze belangen allemaal. De constante is de naam die blijft gelijk en de benoemde mens verandert ononderbroken. - als geest:
Naast de voor ons binnen ter zake van ons leven doende tijd verandering van ons lichaam is er ook de binnen die tijdspanne veranderende SOFTWARE. Wij kunnen ons dingen van vroeger herinneren. Fout: wij kunnen ons omtrent dingen die vroeger ooit waren, soms iets herinneren, d.w.z. dat iets wordt ons weer bewust gemaakt. Al was er alleen maar het ophopingsproces ten aanzien van herinnerbaarheden, dan zouden we al met een steeds veranderende voorraad zitten. Het is echter veel gevarieerder: niet slechts feiten kunnen ons weer te binnen gebracht worden, ook bevelen, suggesties, bedreigingen, beloften, instructies en waarschuwingen, kortom: dingen die er zijn om er van uit te doen en te laten: gedragskeuzedeterminanten.
Karakter, persoonlijkheid, zelf,
noemt men die verzameling gedragsdeterminanten, die we schijnen (of blijken of zelfs slechts alleen maar geacht of gedacht worden) te gebruiken. Dezelfde lieden die ons voorzien van een enkele eigennaam voor ons hele leven, ondanks ons lichamelijk veranderen, wensen ook dat wij als karakter, als persoon, zelf eender blijven, opdat hun omgeving, waarvan wij deel uitmaken, gelijk, voorspelbaar blijven. Als de omgeving verandert, wordt het vroeger geleerde obsoleet, verouderd, ongeldig. Blijven bij een veranderende omgeving kost ons werk, werk dat een vermenigvuldigingsproduct is van tijd, aandacht, energie en vaardigheid, in dit geval: veranderingsvaardigheid: kunnen leren.
Wie een hekel aan leren heeft en/of zijn tijd, aandacht en energie liever aan iets anders besteedt, zal proberen zijn omgeving, inclusief zijn naasten, de mensen met wie hij omgaat, gelijk te houden. Als de omgeving gelijk blijft, hoef je zelf niet te veranderen. Niet dat dat ooit zo wordt uitgezocht, maar ik verdenk veel mensen er van dat ze liever anderen veranderen of gelijk houden, dan aan zichzelf knutselen, ook al zou hen dat evenveel of zelfs meer energie, tijd en aandacht kosten. Het aangrijpen van dat daar buiten hen ligt hen nader, dan het aangrijpen van wat er van vroeger in hen is achtergebleven. Wat er van vroeger in hen achterbleef, wat er van hen werd, noemen zij zichzelf en dat zichzelf verdedigen ze tegen verandering. We kunnen dat minstens gedeeltelijk herleiden tot trouw aan de opvoeders. Het schijnt er niets toe te doen of deze opvoeders, die bron waren van bevelen, suggesties, bedreigingen enz. sympathiek waren of niet. Het verschijnsel 'alloplastische weerstand tegen zelfverandering' doet zich voor, wat we ons er achter denken, waartoe we het proberen te herleiden, is niet zo boeiend. Iedereen kan zelf zien dat hij de keuze heeft tussen zelfverandering en verandering van dat wat daar buiten hem is.
Er is geen zelf, als software, heilig.
Er is zelfs geen zelf als software nodig buiten de civilisatie.
Buiten de civilisatie zijn de cultuur en de natuur.
Terzijde: de maatschappij is binnen de civilisatie.
In culturen hebben de mensen geen herkenbaar zelf als software nodig, wat mensen in een cultuur doen is voorgeschreven, ligt traditioneel vast, is geen persoonlijke uiting, niemand moedigt hen aan zichzelf te zijn, zich een unieke persoonlijkheid te tonen. Uniciteit is overigens de kenmerkende eigenschap van oude schoenen: geen andere schoenen werden op die zelfde manier door diezelfde mens, op diezelfde plaatsen in diezelfde tijd versleten. Kortom: uniciteit, eenmaligheid, is een volstrekt niet positief op te vatten iets, het stelt niets voor, het onderscheidt niets van iets anders. Het is een propagandakreet vanuit de civilisatie.
In de natuur is er vanzelfsprekend ook geen zelf nodig, zodra, zolang en in zoverre je natuurlijk leeft, voel je als drang wat je doen moet en weet je door wat je kent van je omgeving hoe je dat kunt doen, hoe jij dat kunt doen in onderscheid van en in tegenstelling tot 'hoe dat gedaan kan worden', door wie verschillende technische mogelijkheden hebben, kunnen doelen langs verschillende weg bereikt worden: het luipaard kan het met hardlopen op de korte afstand proberen tegen een gazelle, een mens zal moeten besluipen en moeten schieten of wat ook: een andere techniek in ieder geval.
Natuurlijk leven kan een mens ook in een volstrekt artificiële omgeving, in de wereld dus, in de moderne industriële samenleving zelfs. Wat in zo'n artificiële omgeving niet kan is: gebruikmaken van van nature, "als instincthandelingen" ingebouwde gedragspatronen. Leven vanuit drangen die wel als instincten zijn beschreven (zorgen voor kinderen) kan wel, maar de uiterlijke, zichtbare gedragingen zijn dan verschillend van die in natuurlijke omstandigheden. Dat komt omdat dat handelen steeds passend gemaakt is aan de omstandigheden; die verschillen en daardoor verschilt het aangepaste handelen. Dat handelen dient dan echter als natuurlijk aangemerkt te worden. Het is namelijk het handelen van het individu, niet van zijn artificiële omgeving. De natuurlijkheid van het individu maakt dat zijn handelen natuurlijk is; het handelen van de natuurlijke mens in een artificiële omgeving past aan de onnatuurlijke omgeving, maar is niet van die omgeving. Wie handelt vanuit zijn persoon, zijn historisch gegroeide, als cultureel of geciviliseerd herkenbare zelf of karakter, die handelt vanuit een artificieel iets. Zijn handelen, persoonlijk handelen, is artificieel, ook als het in de ongerepte natuur plaatsvindt, aangepast aan die ongerepte natuur, d.w.z. om bomen heen lopend, voor lage takken bukkend enzovoort, enzovoort.
Wat is nu louteren?
Met behulp van de in het voorafgaande ingevoerde begrippen antwoordend: laten we er eens even van uit gaan dat we natuurlijk willen leven: voor wie natuurlijk wil leven is geen zelf nodig als gedragsdeterminantenverzameling (gdv). Wat we ons kunnen laten invallen, wat we ons uit ons brein aan suggesties en herinneringen kunnen laten bewust worden en waaraan we daarna aandacht kunnen besteden, kan slechts dienen als gereedschap. Hetgeen ons invalt kan nooit dienen om ons te leiden, om ons gedrag te kiezen. We moeten wat ons invalt als gdv verwerpen. We beperken ons tot het voor ons leven en welzijn nodige, waartoe we in ons een drang voelen. Vraag: Hoe onderscheiden we tussen drang (van nature moeten) enerzijds en dwang, gewoonte, nawerkende vroeger ontvangen bevelen en suggesties, kortom: persoonlijke wensen anderzijds? Tussenvraag: meteen er overheen de vraag, -waarom zouden we onze persoonlijke wensen laten vallen? Het antwoord daarop is: -wanneer we niet ophouden persoon te zijn, blijven we doorgangspunt voor historische krachten en daardoor ook voor krachten van opzij, van anderen. Ik wil geen doorgangspunt zijn voor de nawerking van wat men mij in mijn vroeger jaren heeft aangedaan en ik wil ook geen speelbal zijn, geen gebruiksvoorwerp ook, voor mijn tijdgenoten. Dat is de reden waarom ik geen persoon wil zijn, maar alleen individu. Alleen individu, dat wil zeggen: natuurlijke mens. Wanneer ik al geen persoon wil zijn (in de civilisatie passend), dan wil ik des te minder een functionaris zijn, die zich identificeert met de instelling waarbij en waarbinnen hij loonarbeid verricht, dient voor geld, geld verdient. Zo'n zich identificerende functionaris is een IETSonderdeel. [n.b.: Er zijn meer soorten IETSonderdelen.]
Hoe onderscheiden we, dat was de vraag, tussen hetgeen we van nature willen enerzijds en dat wat we geleerd hebben te willen anderzijds? -Voor wat we van nature willen geldt : als je wilt, dan moet je wel en andersom. Als je moet eten, dan wil je wel eten, je hebt dan namelijk honger, je bent aan eten toe, en als je eet smaakt het je en als je gegeten hebt voel je je opgelucht en verzadigd. Bijna alle termen zijn zowel voor het willen als persoon als voor het willen als individu in gebruik. Dat is een van de technische hulpmiddelen bij het verwarren van mensen, zodat ze individu-zijn niet langer kunnen onderscheiden van persoon-zijn. Als ze al eens het onderscheid waarnemen en ervaren, dan missen ze de woorden om wat verschilt ook verschillend te benoemen. Ik kan echt niet uitleggen hoe ik dit onderscheiden doe.
Evenmin als ik kan uitleggen hoe ik kleuren ziende zie. Niet slechts aan een kleurenblinde kan ik dat niet uitleggen, ook aan een andere kleurenziende kan ik dat niet. Een andere kleurenziende heeft echter totaal geen moeite om kleuren te zien, als hij wil, zelfs al zou hij het nooit eerder gewild hebben en geen namen voor verschillende kleuren kennen, dan nog is zijn vermogen onmiddellijk bruikbaar. Daar is vast wel al onderzoek over, er zijn blindgeborenen door operaties ziende gemaakt en dergelijke dingen meer.
Wie in staat is hier te onderscheiden kan dat meteen gaan doen. Ik werk zelf met vragen als :'doen wilde dieren dat ook?' en 'wat gebeurt er als ik het enige tijd nalaat?' Ik kan me niet voorstellen dat iemand ooit echt ook maar een ogenblik in het ongewisse zou kunnen zijn omtrent de vraag of iets waartoe hij de neiging voelt van nature nodig is, of een andere oorsprong heeft. Veel fundamenteler is de beslissing zich niet langer te laten brengen tot onnodigs en onnatuurlijks. Zich daartoe niet langer en niet weer te laten brengen door wie of wat dan ook. Het gaat er om te beseffen: ik hoef niet te roken, ik hoef geen alcohol te drinken, ik hoef nergens aan verslaafd te zijn. Miljarden mensen zijn en waren niet-rooms, ik hoef dus ook niet rooms te zijn. Voor rooms kan men in het bovenstaande elke andere verzameling waanideeën invullen, alle doctrines, alle levensbeschouwingen, alle '-ismen en alle -ocratische overtuigingen onder andere.
Stel dat je iets wilt hebben, een auto b.v., dan kun je je verscheidene vragen stellen: -hoe kom ik aan een auto? antwoord: door ervoor te betalen, in geld of in natura (spullen of diensten). -nieuwe vraag: hoe kom ik aan het geld daarvoor? antwoord: door dat geld te verdienen, door anderen voor dat geld te dienen. Alternatief: door onder en ondanks de dreiging van geweldpleging aan jou, die ze 'straf' noemen, het ervoor gevraagde geld te stelen b.v., in ieder geval het te nemen zonder ervoor te dienen. -andere vraag, de vraag die men de psychologische noemt: hoe kom ik er toe een auto te wensen, vanwaar die begeerte in mij? Het beantwoorden van deze vraag levert niets op, tenzij als voorbereiding bij het beantwoorden van de volgende vraag: -is mijn afkeer van het dienen van anderen voor geld, resp. mijn angst om betrapt en "gestraft" te worden niet groter dan mijn begeerte?
Ik spreek hier van begeerte om het verschil aan te geven tussen het willen hebben van iets wat van nature nodig of door de anderen qua bezit afgedwongen wordt, zoals een broek, enerzijds en het willen hebben van iets wat je missen kunt, resp. waarvan het niet hebben en niet gebruiken ervan niet met straf bedreigd wordt.
Gestraft worden is mishandeld worden, terwijl degenen die jou mishandelen zich daarbij goed voelen, moreel verantwoord voelen. Doordat ze zich zo voelen en doordat ze weten dat ze niets te vrezen hebben van hun medeburgers, zijn ze ook onaanspreekbaar en ben je aan hen overgeleverd.
Als je, zoals ik, het dienen van anderen haat, of dat nu is voor geld of onder morele druk (zachte terreur van de soort: je moet toch van je vader houden en het gezin willen bijeen houden en dus met je vader seks willen bedrijven), dan moet je al een enorme begeerte hebben wil die tegen die haat opwegen. In deze aan alle andere voorafgaande keuze tegen het dienen liggen alle verdere al in de kiem gereed. Ik haat het dienen inclusief het gediend worden. Ik haat het evenzeer om over iemand de baas te zijn als ik het haat om iemands knecht te zijn. Ik haat het heersen, dat is: het knechten. Het onnodige is de bron van de knechtschap, want het onnodige dat door mensen voor geld gedaan wordt, onder dwang dus, binnen het economische systeem, binnen de civilisatie, dat onnodige is op geen enkele manier goed te praten als passend in het kader van de ruil van bezigheden (arbeid) om der wille van de kwaliteit in specialisme bedreven. Het onnodige kan alleen verklaard worden door de dwang en/of door de gezamenlijke begeerte van luxe van consument en producent.
Onschuldig aan het in stand houden van de heersende/knechtende samenleving blijven slechts wie zich beperken in hun consumptie tot wat nodig is voor hun leven en welzijn, inclusief de noodzaak om spelend alsnog te functioneren op die wijzen welke ditmaal voor het verwerven van het nodige in onbruik bleven. Ik spreek van onschuldig omdat ik die samenleving van heersen en knechten moreel en emotioneel verwerp. Er is geen garantie dat wij mensen elkaar niets onaangenaams meer aan zullen doen als wij ons tot het genoemde nodige beperken. Wel is zeker dat er dan geen sprake meer zal zijn van schuld. Het optreden van negatiefs zal dan voor de veroorzaker zowel als voor de erdoor getroffene een vraagstuk, geen probleem meer zijn. Wie zich tot het nodige beperken maken zich voor elkaar en voor anderen tot onpersoonlijke omstandigheden. Voor zulke onpersoonlijke, zelf niet soevereine, omstandigheden hebben wij, mensen een bijpassende manier van reageren. Die manier kan men zien in de wijze waarop de mensen het weer, het klimaat, ervaren. Bij het feit dat er in Nederland een afwisseling van seizoenen is, heeft geen zinnig mens een emotionele, probleembeleving. Even onpersoonlijk en niet op de getroffene/natgeregende/benadeelde gericht zijn tijdgenoten die zich beperken tot het natuurlijke leven, d.w.z. het leven met het nodige als grens. De keuze tegen deze beperking en voor alle extra's doet de civilisatie bestaan: de wedstrijd in bezitten, die maakt dat er geen eind komt aan wat de mensheid aan de natuur wil onttrekken (inclusief: eisen van anderen als natuurwezens, als individuen wil afdwingen aan tijd, aandacht, energie, leerprestaties en dienstverlening in gehoorzaamheid.). Voor wie binnen de maatschappij leven stelt zich de bovenbeschreven afweging van begeerte enerzijds en tegenzin tegen gebruikt worden anderzijds. De afweging is voor iedere enkeling verschillend voor wat betreft de voor hem niet beïnvloedbare gewichten, zoals de hoogte van zijn uurloon b.v.. Deze afweging is echter een manier waarop iemand tot het besluit kan komen zich te beperken; het is een andere manier dan het brengen van een offer aan de waarde 'de wereld ontdoen van de heerschappij van de ene mens over de ander'. Deze afweging betreft de eigen tegenzin tegen gebruikt worden enerzijds en de begeerte anderzijds. Twee gegevens binnen het individu. Elk individu dat deze afweging uitvoert en er uit handelt, zal minstens ertoe komen zijn tijd enz. zo duur mogelijk te verkopen.
Als gereedschap bij dat louteren heb ik mijn woordenboeken
en de Algemene Nederlandse Spraakkunst.
Voorbeelden van louteren:
- Het gaat er namelijk ook om dat ik onnodig vage termen vervang door informatierijkere, bij voorbeeld: "hij ging naar K.", kan soms vervangen worden door "hij fietste naar K."
- Een ander voorbeeld: als ik een bijwoord gebruik dat een ruimtelijke relatie suggereert (b.v. 'daarenboven', je ziet het stapelen als je er de tijd voor neemt het tot je door te laten dringen, maar de lezer is in de wereld druk bezig en leest over zulke verpakte en in de wereld uit tijdgebrek niet langer bewuste en bedoelde taal heen) dan moet ik als dienstverlener/publicist de lezer afremmen door die relatie die ik suggereer en bedoel in een tekeningetje weer te geven. Een tekeningetje, een schemaatje.
- Het werkwoord kunnen wordt gebruikt voor ' de gelegenheid hebben' zowel als voor 'in staat zijn' en bij nadere beschouwing is er pas sprake van kunnen als aan beide is voldaan. Maar dan wordt de uitdrukking 'niet kunnen' plotseling tweeduidig, nee zelfs drieduidig. Bij deze manier om 'kunnen' te gebruiken is 'niet-kunnen' de ene keer 'buiten staat zijn' (de vaardigheid niet hebben) en de andere keer 'niet de gelegenheid hebben' en in nog weer een ander geval: die twee samen. Nog weer een andere mogelijkheid is : de nodige gereedschappen of materialen missen. Het is duidelijk dat elke keer dat ik het woord kunnen gebruikt heb, ik wel heel goed uit moet werken wat ik eigenlijk, bij nader inzien, doordenkend, bedoelde te zeggen.
Centraal staat: ik moet de remming aanbrengen in het lezen van de lezer. Menig lezer is opgejaagd, daar ga ik van uit, dat vooronderstel ik veiligheidshalve. Zelfs als hij het zou willen zou zijn brein niet in staat zijn hem doordenking te leveren (in tekst in zijn bewustzijn te brengen). Van de duizenden andere recente sporen van prikkels van buitenaf zou 's lezers brein hem het een en ander bewust maken.
De rust moet in de tekst zitten,
omdat ze niet in de lezer zit.
Aan publiceerbare tekst moet ik, gezien mijn doel met publiceren, de eis gesteld worden dat ze AAN DE LEZER DATGENE IN HET BEWUSTZIJN BRENGT WAT ik met zorgvuldig bewerken maakte uit dat wat MIJN BREIN MIJ IN HET BEWUSTZIJN BRACHT. Van wat mij inviel maak ik met heel veel bewerkingen, in heel veel tijd PUBLICEERBARE TEKST.
Dat proces wat ik 'het aanmaken van publiceerbare tekst' noem heeft het ontstaan van die tekst niet als enig gevolg. Dat proces maakt mijn geest ook helderder, minder verward, het is louteren. Mijn begrippenapparaat is als een niet-roestvrij-stalen mes, dat in het gebruik (b.v. aardappels schillen) scherper wordt en afslijt. Ik merk dat mijn begrippenverzameling ook afslijt.
Soms is er nut in het gebruiken van onderscheidingen, zoals in het bovenstaande geval van het werkwoord 'kunnen'. In de loop van onder andere 21 jaar dagonderwijs en veel lezen heb ik ook talloze begrippen aangeleerd, die ik nu weer vergeet. Ik stel niet dat die begrippen niet goed waren, ik merk alleen op dat het de mijne niet zijn.
- Zo merk ik bij het lezen van Neerlandici over taal b.v. op dat hun gerichtheid op de vorm een onvruchtbare benadering is.
- Zo merk ik bij Hannah Arendt b.v. op dat ze in haar 'Vita Activa' hetzelfde onderwerp bestudeert en bespreekt als waar ik over schrijf, maar door het weglaten van diverse onderscheidingen en verschijnselen een indeling kan handhaven, die ik als een kunstmatige, van buiten aangebrachte ervaar. Het is alsof zij de diamant sleep, die ik wilde splijten. Ik wil mijn onderscheidingen niet aanbrengen maar aantreffen.
Ik laat me er niet van weerhouden uit te schrijven dat het creatief bezig zijn een reactie van geknechten is, geknechten die of ontkomen willen aan het sloven van de massa der onderworpenen of die (ZOALS IK) bang zijn dat het vangnet der sociale voorzieningen niet sterk genoeg kan blijken.
0 Reacties