Meer Freud

Categorieën: 2000, 1 januari – 2004, 31 december | Archief

Trefwoorden: apperceptieve massa | Freud (Sigmund)

Jaap Schot, 4 maart 2003

Hoezo meer Freud? Toevallig raakte ik aan het lezen in Bally’s ‘Einfuehrung ’ uit 1961.

Wat was het onderwerp van Freud?
Antwoord: Het gevoel, gepraat en gedoe van welgestelde Oostenrijkse stedelingen, vaak vrouwen. Wat uit de apperceptieve massa (de conditioneringen dus ook vooral) van deze lieden opborrelde en spoot was vooral gevoel.

En wat deed Freud?
Antwoord: Freud maakte verwachtgereedschap voor dat gevoel. Hij maakte daartoe een verhaal over wat ‘achter’ of ‘onder’ het waarneembare gedrag lag, er oorzaak, oorsprong, land van herkomst, van was.
Zoals ik spreek over mijn tekstaanmaker als ware dat een apparaat, gemaakt van een deel van mijn hersens of zo.
Zo sprak Freud van een terrein, een magazijn, waarin ‘wat bewust kan worden’ ligt opgeslagen als het niet bewust is. Van diverse mensen die ik gekend heb verblijven (‘bewaar ik’) herinnerbare poppen, die een rol kunnen spelen in mijn dromen. Die poppen worden nooit ouder dan ik deze personen voor het laatst gezien heb.

In voorraad in dat magazijn zijn niet alleen die spelers, maar ook rekwisieten, en scènes. En elk van die ‘dingen in de voorraad’ wordt tot een dadertje. Een dadertje met eigen wil en strevingen, naast en tegen de wil van de regisseur. De dingen dringen zich het toneel, het beeldscherm, ‘het bewustzijn’ op, al of niet ‘wakker geroepen’ door een opgemerkt gebeuren buiten de persoon of binnen de persoon buiten het magazijn.
Aan elke speler, elke scène, elk decorstuk zit gevoel vast.

Als studieobject van Freud zijn de betrokken mensen los van anderen en los van ‘de maatschappij’, los van hun (stedelijk, artificieel in tegenstelling tot biologisch-natuurlijk) milieu (sociaal milieu, over schoon drinkwater en voldoende eten en slaap en rust en beweging wordt niet gesproken). Het gaat over het beschaafde sociale milieu, fysiek vechten komt niet voor en seks valt buiten het vanzelfsprekend bespreekbare, dat is het hem nou juist: seks is biologisch-natuurlijk, maar (daar, toen, Wenen, 1900) niet ‘vrij gegeven’ en/of ongevaarlijk geregeld, en daartoe gecultiveerd, zoals bij eten of in private, eenpersoons afzondering verricht, zoals al die dingen ‘in the bathroom’.

Die mensen die Freud bestudeert, zíjn niet los, anders waren ze geen patiënt. Is dat zo? Is Robinson Crusoe meteen ‘gezond’ als hij alleen is?

Ik schrijf ononderbroken zo antipropagandistisch als zonder liegen (en zonder wezenlijks weg te laten) mogelijk is juist niet over de concrete enkelingen in hun uniekerigheid, hun toevallig zo-zijn, hun eenmaligheid. Ze zijn ook allemaal zo toevallig als ik en dus net zo onvoorstelbaar oninteressant als ik in mijn eenmaligheid van ‘genencombinatie maal apperceptieve massa’ ben. Volstrekt, restloos oninteressant, juist ook voor MIJZELF. IK stel geen belang in mijn genen en/of mijn memen [zoek op internet via zoekwoord memetica, enzovoorts, enzovoorts]: “de goede en boze geesten waarvan ik bezeten ben” in Bijbelse termen gezegd. IK ben daarvoor ongrijpbaar, zoals zij dat voor mij zijn. IK hoor met MIJN geestesoor mijn tekstaanmaker ook hen bespreken en soms voor hen spreken. En wat IK met mijn geestesoor hoor, dat schrijf IK uit, met mijn handen als gereedschap.

Mijn tekstaanmaker levert afstandelijke verhalen over de mensen die met anderen vooral tégen vrijwel elk ander bezig zijn, vechtend om te scoren. ‘SCOREN’ is tegenwoordig HET doel. Het loon voor scoren is applaus, erkenning, populariteit, faam voor de duur van een kwartier. De beroeps krijgen er geld voor en het oude, - zoals alle ouds nog niet uitgestorven -, systeem levert ook voorrechten in niet-financiële vorm en in het heel oude systeem gaat wie voorrechten heeft een dynastie beginnen of voortzetten. Spullen en voorrechten worden dan geërfd. Wie in zo’n dynastie zit, heeft een opdracht te vervullen, is geplaatst, heeft vele problemen van de losse enkeling niet.
De losse enkeling eindigt op zijn vel en met zijn dood, maar ontkent dat, dat feit dat hij kent, nu ja, voor enig alternatief heeft hij geen bewijs of aanwijzingen, alleen een stortvloed van suggesties.

Nu eerst het oudere deel van dit opstel.

Auschwitz was niets bijzonders. De geciviliseerden zouden wel willen. Het verschil tussen het bouwen van een hut door Robinson Crusoe en het bouwen van het Empire State Building is niet wezenlijk. Het woeden van Dzjengis Khan is niet wezenlijk anders geweest dan dat van Adolf H. te B. De verschillen zijn technisch, tijdgebonden technieken worden gebruikt.
Doorgankelijkheid is de centrale eigenschap van ‘de mens’ door de millennia heen. Wie niet in slavernij gingen en overwonnen werden, verdwenen spoorloos. Wie in opstand kwamen gingen verloren. Verhalen over volkeren die ontsnapt zijn, zijn mij niet bekend. In de Bijbel staat het verhaal van dat volk dat ontsnapte, maar ten slotte als natuurwezens verloren bleken en terug verlangden naar de vleespotten die ze als slaven af en toe vol hadden en die later een koning wilden, zoals de andere volkeren in hun buurt. Eens geciviliseerd, voorgoed verloren: voor het paradijs ( en dat is ongelijk aan: de couveuse, het paleis vol dienaren, luilekkerland), voor het LEVEN ( = volledig en harmonieus, met en in alle organen en bij mensen ook nog: in kleine groepen, FUNCTIONEREN). Verloren als volk, niet slechts als individu, als tijdelijke ‘bemanning’ van dat volk: de geciviliseerdheid wordt aan de kinderen doorgegeven. Voor het overgrote deel via de begrippenapparatuur en de verhalen: via de taal die het in de woestenij afwezige toch aan de kinderen doorgeeft, waardoor die er rekening mee gaan houden, er over doorpraten, er naar gaan uitkijken, verlangen en zelfs streven.

De vorm waarin

  • het bewonderen van de koning, en
  • het als bewonderde ooit aan de beurt willen komen,

wordt doorgegeven, verandert in de loop van de tijd. Nu hier is de klant koning en wel de superconsument, die steeds het duurste van het nieuwste tijdelijk gebruikt om zijn macht en luister ter bewondering te vertonen.
Deze bewonderenswaardige leeft hier nu en zijn paleizen en zijn consumptief gedrag worden op televisie dagelijks en in glossy tijdschriften wekelijks in de supermarkten, over de hele wereld, aan de gebruikten/ geciviliseerden te koop aangeboden. En de gebruikten kijken en vergapen zich graag.

Om de kathedraal te zien moet men er buiten zijn. Het heeft geen uitputtend, voldoende inzicht te weten dat de stenen ervan op hun plaats blijven door hun vorm, onderlinge gewichtsdruk en wrijving. Of deze bouwstenen trots zijn deel uit te maken van zo’n groot gebouw dat zoveel betekent voor de volstrekt andersoortige levenden, hun scheppers (de mensen die met hen als dingen bouwden en nu nog reparerend overeind houden), dat is eventueel een mooie prestatie van steenpriesters, maar het helpt niets, het blijft zonder gevolg naar buiten.
Sommige bouwstenen zullen bijna breken onder de druk van wie boven hen liggen. Andere ondervinden geen of vrijwel geen druk. Dat is een gevolg van hun positie, hun ligging, hun plaats, hun geplaatst zijn, het is geen eigenschap.
We kunnen ook bewegende beelden kiezen: de falanx en de in formatie varende schepen.
Van buitenaf bezien (beschouwd, beschreven, besproken) zijn ze anders dan voor wie er in zitten. Het geheel blijft zolang ze op hun plaats blijven, de delen, en de delen worden door druk en wrijving op hun plaats gehouden door de andere delen. De dat geheel vormende daders zijn allang elders bezig of dood. Buiten het geheel heeft niemand meer enig voordeel boven enig ander en de vrees is dat wanneer niemand meer anderen onder zich heeft, allen in de positie van de ondersten nu zullen zijn (zullen verkeren). Slechts aan wie op anderen liggen (en dus drukken) is enige hoogte gegeven.
Al zijn de goden die in de civilisatie wonen dan verzinsels, de gelaagde massa, de allen met meerderen en minderen opgescheepte, gestapelde enkelingen, vormen een angstproduct: de ‘beschaving’ waar ze dan maar het beste trots op kunnen zijn, ze kunnen toch, door de anderen die hen daarvan weerhouden, toch niet weg.

Wie geen plaats heeft en zijn functie (zelfs al is die puur enkel en alleen: vertonend onnodigs verbruiken, het dure en het modieuze) niet vervult, wordt niet bewonderd. Ook die mannen in India die naakt lopen te tonen dat er zonder bezit te leven valt, naar eigen vrije keuze, maken deel uit van de ‘eigen schuld’ suggererende civilisatie daar.

De apperceptieve massa van elke aparte enkeling is toevallig, evenals zijn genencombinatie. Het is niet de moeite waard enige enkeling te kennen, ook zichzelf niet. Het is veel verstandiger en wel doeltreffender als bevrijdingswijze om de eigen maatschappelijke positie als zodanig te herkennen: als het ergens liggen van een steen, op z’n plaats gehouden door wrijving en onderdrukking. Het hebben van de gelegenheid om in het flottielje een andere plaats te verkrijgen door toestemming (license, no freedom) en die verkregen door de voordelig geplaatsten eerst te dienen, die opwaartse sociale mobiliteit is poeha, is geen bevrijding, is ‘onder enige of veel druk uit geraken. Dat is mooi, voor de enkeling in kwestie, maar verandert NIETS aan het systeem.

Met woorden en daden dringen de als bouwstenen in het gebouw ‘de maatschappij’ gebruikte mensen er bij elkaar op aan te blijven wat er van ze geworden is, wat er van de kinderen die zij waren gemaakt is, door omstandigheden, door omstanders, de mensen aan wie zij raakten, die hen raakten. Blijf wat er uit ‘jou als kind’ gegroeid is. Dat aandringen is hetzelfde gebleven ook nu velen aangeleerd is te streven ‘zich te verbeteren’, wat vroeger heette: ‘het tot iets, liefst vér, brengen’. In “onze dynamische open samenleving” is de centrale instructie, het centrale bevel: “overtref, opdat het geheel voortbewege”. Vroeger in culturen en (deels!) statische civilisaties was het bevel: “blijf op je plaats”.

IK heb met het zo-zijn van mijn genencombinatie, noch met zo-zijn van mijn apperceptieve massa, noch met wat die twee, die anders waren dan nu en die zich ‘ik’ noemde toen, vroeger, door interactie met elkaar mee deden, mee maakten, in hun omgaan met hun omgeving, toen daar. IK ben het onderwerp bij het werkwoord merken, opmerken. IK merk wat er door “mij” [die combinatie van mijn lijf en wat dat lijf heugt uit vroegere ervaringen, met andere woorden: wat het heeft geleerd, hoe het is geconditioneerd geraakt] gebeurt. Gebeurt, er is van ‘doen’ slechts sprake.

Wie zich anders definiëren, zich, op bevel, gehoorzaam identificeren met wat er uit hen groeide, c.q. werd gemaakt, hebben de gewone mensenproblemen.

Wie zich zo los definiëren van wat volgens de anderen “hún” zo-zijn is, c.q. dient te zijn, zij die ongehoorzaam zijn dus, die noch op hun plaats blijven, noch streven, hebben ook moeilijkheden, maar die ervaren ze (vatten ze op) zoals ze, al fietsend, tegenwind opvatten. Op die manier en niet anders heb IK te maken met druk en wrijving vanwege (zeg maar: via) die anderen die mij raken, bij wie ik leef, met wie ik omga, die jegens mij de maatschappij vertegenwoordigen.

De relatie die IK heb tot ‘wat er van mij geworden is’, is dezelfde als die welke deze computer, waar ik nu mee werk, heeft tot de programma’s en teksten die hij op z’n harde schijf heeft gekregen. Hij (de computer) heeft er alles mee te maken, maar hoeft er geen IK tegen te zeggen, kan er niet terecht met IK naar verwijzen. Hij kan er geen verantwoordelijkheid voor nemen: de hardware is hij, heeft hij niet zelf gemaakt, gekozen, ontworpen, de programma’s zijn van Microsoft en de teksten zijn van mij. Als mijn computer IK zegt, bedoelt hij een gepostuleerd onstoffelijk iets, dat het feit kent dat het opgescheept zit met deze hardware, deze programma’s en deze teksten. Buiten zijn schuld en toedoen. Tegen zijn wil? Nee, er is niet zoiets als ‘een wil van dat IK’.
Zo is het met MIJ ook: mijn lijf en mijn apperceptieve massa [ = alles wat dat lijf heugt] daarvan ben ik niet de schepper, niet de maker, niet de leider, niet de gebruiker. Wat ben IK dan wél?

IK besta niet, ik gebeur niet, er is van MIJ slechts sprake, ik ben er alleen bij wijze van spreken en daardoor bij wijze van ‘denken’ (= ‘inner speech’) en daardoor is het alsof in de taal, dus ook voor anderen, ik er ben als bespreekbare aanspreekbare waartoe die anderen zich kunnen verhouden, die zij als bondgenoot of tegenstander kunnen opvatten.

IK ben vrij van mijn apperceptieve massa, dus niet de dienaar van diegenen die daarin hun bevelen en suggesties in de taal en in wat mij heugt hebben ingebracht, geëtst, ingebrand. Ik ben daar zo vrij van als die fietser is van de tegenwind. Dat moet steeds helder bedacht blijven: er verandert niets aan het gebeuren beschreven als natuurgebeuren, wat tot nu toe de beste beschrijving is die wij hebben. Die heugenissen, die nachtmerries en die wakker geroepen ‘dingen die gebeurden’, die kan IK niet wissen.

Heb IK enige handelingskracht, heeft mijn ‘er zijn als begrip’ enig gevolg? IK weet het niet en MIJ valt geen methode in, hier nu, om er achter te komen.

 

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *