Mein Kampf

Categorieën: 2010, 1 januari – 2014, 31 december | Archief | Overige teksten

Trefwoorden: geredigeerd | Hitler (Adolf) | Mein Kampf

Jaap Schot, 5 februari 2010

Een groep geleerden in München schijnt het plan te hebben voor een heruitgave van Hitlers hoofdwerk "Mein Kampf". Met kanttekeningen, commentaar, verklaringen, enzovoort.
Ik verwacht dat ze er niet toe komen onpartijdig, wetenschappelijk tewerk te gaan. 1 Daderschap is een verzinsel, ook als het Adolf H. te B. betreft.
Ieder mens is een doorgangspunt van werkingen en wat hij aan gelegenheden heeft. Gelegenheden via zijn maatschappelijke positie, of door de reacties van anderen op hém of die positie.

‘Op hém’, dat is op wat er in hen wakker geroepen wordt door wat ze opmerken van ‘wat er via hem hen raakt’.
Actueel schoolvoorbeeld: in de teksten voor het gepeupel, die via de media voor mij aan te treffen waren, stond heel vaak dat ene Geert W. hier tegenwoordig aan het haatzaaien (ja, aan elkaar geschreven) zou zijn.

In de Bijbel staat een gelijkenis over het spreken tot mensenmassa’s: een zaaier ging uit om te zaaien en van de eigenschappen van de plaats waar een zaadje terechtkomt, hangt het af wat er van dat zaadje wordt.
En dan staat daar, niet ver vandaan, nóg iets wat aan Jezus Christus (analoog aan: aan Karel de Grote, die hoofdfiguur van de Karelromans) in de mond gelegd wordt: "Ik spreek niet tot de niet-Joden, puur voor de kinderen van Israël".
In de context van wat in die heidenen aan aangeleerde begrippen en verhalen actief is, weet ik niet wat mijn woorden kunnen wakker roepen. Ik ben aan het zaaien. Ik gooi het graan niet in het moeras, dat aan de akker grenst.

Wat er aan gedachten, gevoelens en neigingen in een mens opkomt, is de output van ‘wat hij in de loop van zijn voorafgaande leven leerde’. Je kunt als lerend dier niet leren zonder waarnemen. Je kunt niet waarnemen wat niet aan de hand is. En ook niet wat jou niet, zintuiglijk of anderszins, gegeven is. Het moet in je buurt aan het gebeuren zijn.

Indirect waarnemen – door een ander voor jou waargenomen krijgen, via een ander, ‘door andermans ogen’ – bestaat niet. ‘Horen melden dat’ is ongelijk aan ‘kennis nemen van’. Uit informatie valt geen kennis te nemen.
Maar, wij stammen af van die mensengenencombinaties die te waarschuwen waren. Niet te waarschuwen zijn, is dodelijk. Lang voordat het tot voortplanten komt. Nooit iemand geloven of vertrouwen, is dodelijk. Vertrouwen, imiteren, meedoen met het gebruiken van begrippen en verhalen die om je heen in gebruik zijn – en doen alsof je daar trots op moet zijn, omdat het je ‘identiteit’ is – is net zo dodelijk.

Wat ik in mij hoor als “mijn” gedachten, dat (die tekst) maak ik niet aan. “Mijn” taal gebruik ik niet, “mijn” apperceptieve massa aangeleerds brengt de tekst ten gehore. De tekst die volgens mijn ervaring hoort bij ‘wat ik zie, nu, in mijn omgeving’.
Wat met ‘ik’ ook bedoeld wordt: het is een illusie, zodra het iets anders is dan het levende lijf, de gebeurende mensengenencombinatie. Het actief zijn van die hersencellen binnen mijn schedel gebeurt. Ik doe het niet, er is geen dader van dat gebeuren.

De oude Grieken en zo dachten dat ze een dader in hun lijf hadden wonen. Enthousiast: een god. Geïnspireerd: een geest.
En dan de vele collega-daders van die goden en geesten. Tot en met de god van diegenen die, volgens rooms staatskerkelijk bevel, de Bijbel “orthodox” lezen.
Orthodox lezen is: geloven dat er ergens ooit echt een sprekende kater bevriend was met een sprekende beer. Een beer die in een kasteel woonde als een Heer en een Bommel. Wie zo leest, staat blijkbaar totaal op buitenbesturing. Oftewel, onder bevel van anderen. Hij is een subject, een onderworpene.

Lijfeigene en lijfeigenaar

Door het gebeuren van de Europese geschiedenis was ook de kleine Adolf genoteerd als lijfeigene. Lijfeigene van de verzonnen persoon die de eigennaam droeg, waarmee dit lijf levenslang zou worden benoemd.
Die persoon, de lijfeigenaar van Adolf, werd als leenman van de Staat verantwoordelijk voor wat “hij” (die lijfeigenaar) zijn lijfeigene liet doen. ‘Liet doen’ in die beide betekenissen van

  1. ‘toestaan/ niet verhinderen’, en
  2. ‘dwingend voorwaardelijk stellen om aan nodigs (toe) te komen.

Schuldig, verdienstelijk en bewonderenswaardig is steeds het verzinsel ‘persoon’. Die persoon is

  • ongelijk aan de levende,
  • geen afscheidingsproduct van de levende,
  • een product van onze macro-omgeving.

Die macro-omgeving van ons, nu, is door veranderen voortgekomen uit de toestand van vlak na de overwinning van de a.s. bezetters. Dat is, de nederlaag van de a.s. (ge)knechten/ slaven. De overwinnaar heerst dan ongeremd over de verliezers. En guttegut, wat zijn we trots op de rem die opgeschreven is: de rechten van iedereen, burgers, mensen.
En guttegut, wat is het gelukkig dat we anderen kunnen verwijten dat al dat moois en goeds, in al die wensteksten, niet gehandhaafd en niet tot gelden gebracht wordt. Die wensteksten zijn lege onzin, maar ‘we’ kunnen ze heiligen. We worden daartoe aangezet door alle beschaafden.
Het daderschap van alle anderen voorkomt

  1. de cognitieve dissonantie van ‘idealen’ (→ verheffende wensteksten), en
  2. het kritiekloos meedoen in de civilisatie.

Om onwetenschappelijkheid te vermijden, moeten ze – daartoe gemotiveerd door deze kennis – de tekst van Hitler gaan meten. “Meten is weten” en wetenschap is geen kennis. En hun emotionele en actieve reactie op het horen van de woorden die ze aantreffen in Hitler's tekst

  • maakt géén deel uit van die tekst, en
  • kan niet, als handelen van Adolf, aan hém toegeschreven worden.

De zaaier strooit zaad, geen andijvie.

De spreker brengt ten gehore: woorden (volzinnen, verhalen die relaties en samenhangen bevatten tussen ‘dingen en figuren, die staan voor’ waar hij naar verwijst). Die woorden roepen in de hoorders wakker wat in die hoorders is gekomen door leren. In tegenstelling tot ‘in het bloed gegeven’.
Dat gewauwel over die gegevenheid in bloed en bodem is niet door Adolf verzonnen/ uitgevonden. Doe (= reageer) dan ook niet alsof dat wel zo is. Neem hem niet kwalijk wat niet zijn werk is.
Net zoals je niet moet doen alsof Churchill de oorlog gevoerd heeft.
Dat geklets in termen van schurken en helden, laat dát nou eens na. En let ook op het invoeren van ‘niet natuurlijke personen’ als daders. Als je Hitler hoort, lijkt het wel of hij krantenkoppentaal spreekt.

Gebruik de hedendaagse computer. Die kan niet voelen bij de tekst die hij verwerkt.
Laat dat ding alle – als onderwerp bij enig werkwoord, gebruikte (fungerende) – woorden opzoeken.
En denk dan zelf door of ‘je’ (iemand dus) ooit die ‘dingen’ of ‘personen’ in die lijst hebt kunnen waarnemen.

Frankrijk wil geen Europese vlag.

Zulke volzinnen vormen ook nu de inhoud van onze kranten. Dit is puur betekenisloos gevoel-trekkend geluid. Het slaat nergens op, en het wakker roepen van gevoelens gaat via aangeleerds. Lees het maar voor aan een gewone Chinees en er komt geen gevoel.
Spreek mij toe in het Japans en je zult zien, die tekst doet mij niets. En als de tekst goed gekozen is, zullen alle gewone, eenvoudige (← ongewaarschuwde) Japanners “zich” daarover verbazen.
Dáárom sprak Hitler ook Duits.
Hij kon geen Chinees spreken. En het zou ook niet gewerkt hebben, daar, bij die hoorders.

Dus niet doen alsof de betekenis van de woorden bestaat. Woorden zijn alleen maar woorden in de monden en oren van de mensen die die taal hebben geleerd.
Wat in mij aan die klank, dat woord, die volzin geassocieerd is, overlapt met – maar is ook ongelijk aan – wat er in U – geachte hoorder, lezer – aan vastzit.
Als U geen groepslid bent, voelt U net zo min als ik ‘wat dat is, als groepslid, als persoon, vanuit een identiteit, voelen, haten, liefhebben’. Het zit er gewoon niet in. Niemand kan het wakker roepen.

Die voorroomse christenen, die aan Jezus die aarzeling toeschreven om zijn tekst ook voor vreemdelingen (niet-joden) de moeite waard (“bestemd”, goed, bruikbaar) te verklaren, kregen al gauw gelijk.
Paulus bijvoorbeeld kreeg vreemde associaties bij ‘wat Jezus gezegd en gedaan heeft, volgens de evangeliën’. Hij schreef dat het ging om geloof, hoop en liefde.
Ook leuk hoor, maar aan de denkwijze van de profeten der Joden totaal vreemde begrippen, verzinsels, abstracties, schijnverschijnselen, losse namen van onpersoonlijke daders. Zelfstandige naamwoorden, waarmee

  • de aanwezigheid ergens,
  • de aantrefbaarheid en waarneembaarheid van dingen, spul en spullen en hier zelfs daders, veroorzakers, schuldigen, verdienstelijken

wordt gesuggereerd. En door die suggesties worden gevoelens gewekt.

En waar ik écht op wil wijzen, is dat al dat gepraat waarbij niets te zien, te tasten, te proberen of wat ook is, in de curricula voor de leerplichtigen NIET ontmaskerd wordt.
Als de Duitsers van toen, daar, onderwezen waren – in plaats van “gebildet” (= gevormd naar het beeld van de ideale Duitse Untertan) – dan was het met het uitroeien van de Joden en zigeuners nooit wat geworden.
In mensengenencombinaties zit het ‘soortgenoten geen kwaad doen, maar helpen en beschermen, zelfs verplegen’ ingebakken. Dat is chemisch vastgelegd, en daar horen evenmin woorden bij als bij de werking van de klieren.
Alles wat te onderscheiden is, binnen ‘als mensengenencombinatie gebeuren’, wordt niet gedáán, kun je niet nalaten. Leren is het schoolvoorbeeld van wat je niet doet, maar het gebeurt gewoon.

De Staat is als een fabriek. Op school wordt het mensvee aangemaakt, dat zich niet langer in een zich verdedigende kudde kan organiseren. Een weerloze massa, als schapen. Onder de orde-handhavende “hoede” van speciale honden.
Die Staat is in gebruik, is bemand en is weerbaar tegen elke opstand in woord of daad. Tegen overname door een andere bemanning is ze niet bestand.
Want dat ‘zonder slag of stoot over te nemen zijn door een andere bemanning’, heet democratie.
Lof, eer en prijs zij de democratie: zij is de god, de bron van de soevereiniteit van de Staat. Het democratisch genomen besluit is de moderne tegenhanger van ‘het goddelijk raadsbesluit’.
De, als vee gehouden, mens moet erin berusten (en dat met

  • lust,
  • overgave
  • en allerlei andere ingrediënten die
    • cognitieve dissonantie,
    • ontevredenheid
    • en überhaupt alle prestatieverlagend gedenk en gevoel

    voorkómen).

De ramp in 1953, in Zeeland. Die overstroming gebeurde, toen alle voorwaarden vervuld waren. De voorwaarde dat diverse dijken te laag waren, was al vele jaren vervuld. De toestand in vredestijd ligt gereed als een geladen vuurwapen op een tafel in een huiskamer.
Iedereen kan de Staat némen, overnemen. Eén verkiezingszege is voldoende, met een tweede is de heiligheid van de democratie op te heffen.

  • Gewoon stoppen met propaganda, en
  • doordenken in het schoolprogramma, en
  • zindelijk denken op televisie
    in spelvorm dagelijks, achter de voordeur, bemand met Bekend wordende Nederlanders met uitstraling: sexy brengen die hap.

Wat ontbrak, was de spontane lachuitbarsting in Kamer en land bij de oproep tot VOC-mentaliteit door de premier. In die premier kon die opmerking opkomen en ongehinderd uitgesproken worden. En hij had niet het besef dat dat een, met doordenken te bestrijden, fout was in zijn associaties.
Maar de fout zit hem in het hem omgevende geheel. In de breinen van de actuele bemanning van de Staat. En in het bestáán van een Staat, een machtsconcentratie, überhaupt.

Zo ‘verantwoordelijk’ als de lezer en ik zijn ten aanzien van wat de premier zei, zo verantwoordelijk waren de gewone Duitsers daar, toen, voor wat Adolf zei.
En de populariteit van Hitler, die was net als de populariteit van die onlangs overleden Michael, de zoon van Jack. De meeste mensen die zijn tijdgenoten waren, hebben niet gejuicht bij zijn optredens.
En die ismes, die waren en zijn er, voor en na Adolf. Hij heeft er geen één uitgevonden.
Zoals mijn televisieontvanger geen ‘content’ aanmaakt. Het ding brengt het achter mijn voordeur als ik het aanzet.

Wie is die ‘ik’?
Die vraag moet iedereen die zich vrij wil denken, stellen en beantwoorden. Dat is een technische eis, het is geen bevel of aansporing van (c.q. via) mij.
Maar ‘je vrij willen denken’, dat kun je niet doen: je kunt niet willen wat je wilt. Die overtreffende willer bestaat niet.
Die kan wel ontstaan, maar daarvoor is vereist dat

  • de lezer ophoudt de schrijver als dader van het invoeren van die helderheid omtrent ‘persoon’, 'AMA', denkhoofd enzovoort enzovoort op te vatten, en
  • die helderheid aan de schrijver vast te nieten als ‘diens mening’.

En dat ophouden, verwacht ik niet.

Meten berust op het abstraheren van meetbaarheden ván (uit) de kenbare oppervlakte van ‘wat is’ (wat gebeurt).
In ‘wat gebeurt’ is alles, wat onderwerp van wetenschappelijk onderzoeken kan zijn, geïntegreerd met al het onverkenbare.
Die vrouwtjesminister die wil blindvaren op rapporten van een – in een commissie aangestelde – wetenschapper, reageert als onvoldoende onderwézene in deze.

We hebben hier een voorbeeld van het denken (opvatten, conceptualiseren, spreken) als ware het wáár, aangetroffen, waargenomen, dat mensen een groep – een IETS – vormen.
Dat is niet het geval.
En op dat ‘niet het geval zijn’ daarvan, berust het grote ‘onwaarheid spreken’.
Daarbinnen heeft het spreken in vadertaal plaats. Naast het gewone, brute – biologisch ook in andere soorten dieren, voorkomende – vals alarm en loze belofte.

Het systeem waarmee – door de erfgenamen van de kolonisten (= de bevoorrechten) – de bevoorrechting, het elkaar onderling ongelijk achten en bejegenen, wordt gehandhaafd omvat de suggesties van

  • een ‘wij’ vormen,
  • aan enig gezamenlijk project binnen een IETS aan het samenwerken zijn,
  • betrouwbaarheid, die daaraan gepaard gaat
  • het wij gaat vóór het ego (dat is: het ik, dat om rang met alle anderen op alle dimensies streeft te overtreffen)
  • enzovoort

Nou, zo is het mooi niet.

Extrapoleren van metingen, het doortrekken van lijnen waarmee die metingen worden weergegeven, hou toch op. U, geachte minister vaart niet.
Zoals de opdrachtgevende farao niet bouwde. Wie op een plek in de regering zit, stuurt niet het land.
Dit eindeloze verkórten van de tekst waarmee je uitzegt wat er gebeurt, is niet handig en niet verstandig.
Het is veel erger dat hier te lande, heden ten dage – door alle aanwezigen die ooit gehoord worden – daaraan meegedaan wordt, dan dat er toen, daar, naar Hitler – en vele anderen – geluisterd is.
Dát is immers verleden tijd, voorbij, over. Een voorbeeld, een anekdotisch feit van toen. Een herinnering, een overlevering, een interpretatie van sporen van gedrag van toen.

  1. Die onbegrensde hoeveelheid dimensies staan niet haaks op elkaar, en
  2. ‘je kunt je txaenz maar één keer besteden’.

Dat tweetal feiten is, in het geval van die vrouwtjesminister, ook te beschrijven als: ‘de – als ego, scorende – wetenschapper valt niet samen met de objectieve, vrije waarnemer (melder)'.
Dáárin is de politicus ook niet geïnteresseerd. Hij gaat de melding gebruiken als argument: het gemelde feit is de tegenhanger van de bal van de voetballer.
Het spreken is met opzet zo slordig. Het meest actuele schoolvoorbeeld van deze dag (dinsdag 9 februari 2010) is de brief van de coalitieregering aan de Tweede Kamer.

Taalverkrachting wordt als topprestatie van de ministerraad toegejuicht.

Het is überhaupt een mooie dag vandaag. Onze jongeren doen steeds meer aan ‘comazuipen’. Naast al die andere ‘drugs’, bewustzijnsveranderende, psychotrope stoffen.
En uit de meerderheid van die zestien miljoen landgenoten komt het zwijgen.
Er wordt niet gezocht naar de vervulde voorwaarden die maken dat ‘de jeugd’ dit doet:

  • datumfeesten vieren (doen alsof ze blij zijn), en
  • als lijfeigenaar-persoon het eigen lijf chemisch aangrijpen: als een ding, een zaak; wat het voor de wet ook is.

De output van de media komt via tijdgenoten van me, die ópgaan in het spel ‘meninkje uiten’. En wie er niet in opgaat, wordt opgevat als deelnemer, zodra hij iets publiceert.
Elke uitspraak is een meningsuiting. Dat is een geloofsuitspraak van een van de meest onverdraagzame religies: de religie die hier heerst.
Hoe kan een religie nou heersen? Dat zou de vraag zijn, maar die wordt mij niet tegengeworpen.
Oh ja: het wegvallen – nu ja, uiterst zeldzaam, want afgeraden worden – van de lijdende vorm, is ook zo’n ‘taalverschijnsel’. Een taalverschijnsel, een gebeuren. Dat wordt zoiets meteen, in elke context, waar er ‘geen eer mee in te leggen’ is.

Noem het een isme. Dan kun je, zonder zorgvuldig de tekst – én, om te kunnen verstaan: de rest van de teksten van deze schrijver – te lezen, uitspraken herkennen als 'istisch'. En dan ben je eruit.
Trots op het aangeleerde van het officieel gepropageerde deel van je AMA, op je ‘identiteit’, moet je soms zijn. En even later is dat dan weer een ‘onderbuikgevoel’.
Die balken in die ogen van die Nazi’s, die zijn ook in vele levenden om U heen aan te treffen.
Als die geleerden nu eens aan dat boek van Hitler tónen hoe het allemaal kwam doordat de overige noodzakelijke voorwaarden al vervuld waren:

  • door de taal (vadertaal en daderschapswaan), en
  • door het nalaten van onderwijzen (en dat onderwijzen vervangen door indoctrineren met de staatsleer en veerdonckeren).

Onderwijs duurt tot het leren heeft plaatsgevonden, en het kost – gedurende die tijd – het levensonderhoud van leerling en onderwijzer.

1) [red.] Op de website van het Duitsland Instituut Amsterdam (DIA) verscheen op 5 januari 2016 het artikel “Heruitgave 'Mein Kampf' fileert Hitlers ideeën”. Twee citaten:

“Er is bij ons geen pagina Hitler zonder dat je het daarbij behorende commentaar in ieder geval visueel moet waarnemen”, aldus Andreas Wirsching, directeur van het Institut für Zeitgeschichte IfZ in München, in december op Spiegel Online. Het IfZ heeft het commentaar op en de context bij “de leugens en halve waarheden” van ‘Mein Kampf’ bewust naast en onder de originele tekst van Hitler geplaatst. Het was niet makkelijk Hitlers tekst, “zo’n warrig brouwsel”, te weerleggen, vertelt projectleider Christian Hartmann in het Handelsblatt: alsof je moet bewijzen dat de aarde niet plat is.

De eerste druk verschijnt in een oplage van 4.000 exemplaren. Het IfZ geeft het in eigen beheer uit. De kritische uitgave moet Hitlers boek “demystificeren”, meldt het instituut op haar website. Ook moet het eventuele andere uitgevers ontmoedigen het boek opnieuw te publiceren.

Uit de door mij vet afgedrukte stukjes tekst, mag overduidelijk blijken dat die ‘geleerden’ boek en schrijver niet van elkaar hebben weten te scheiden. Uit de uitlatingen van de projectleider, eind 2015, blijkt hoezeer zij ‘bijbedoelingen’ hadden. Dat is allesbehalve onpartijdig en wetenschappelijk. Zo werd Jaap's verwachting volledig bewaarheid.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *