Jaap Schot, 19 september 2002

​Over enige bezwaren die kleven aan de vrijheid van mening en aan de mondigheid.

  1. Iemands mening over iets betreft altijd: niet dat iets, maar zijn beeld van dat iets.
  2. als iemand het ene met het andere vergelijkt, vergelijkt hij twee van die beelden met elkaar
  3. een mening is een ‘iets’, dat ten eerste niet van woorden gemaakt is en ten tweede voor niemand dan de ‘hebber’ ervan is waar te nemen
  4. de ‘hebber’ neemt als enige deze mening waar,

  • aanvankelijk  in de vorm van voorbewust neigen tot bijpassend gedrag, passend bij de mening plus bij de gepercipieerde stand en gang van zaken.
    Als hij ongehinderd en moeiteloos die neiging kan botvieren, dan is er geen reden om er naast doeaandacht ook nog denkaandacht aan te besteden, het handelen vanuit die neiging blijft ‘voorbewust’, als er niet bijvoorbeeld door iemand anders naar gevraagd (of, nagevraagd) wordt.
  • daarna – als het gedrag niet meteen en moeiteloos kan worden ‘gedaan’/vertoond), de neiging niet zomaar kan worden gevolgd, bijvoorbeeld door een remming in de apperceptieve massa of door een barrière in de omgeving – als een gevoel.
  • daarna, door begrijpen en verwoorden ‘extra bewust’  gemaakt’, als een mening.
    Het doel dat ‘het systeem’ heeft met het vrij laten van het uiten van alle meningen is: dat het ‘mentale’ (= het (de mensen, voor zover wij weten, kenmerkende) verwerken van gegevens en geheugeninhouden met behulp van taal, met begrippensystemen en woorden, logica en grammatica), dat dat proces hier blijft steken/eindigt.  Er zal dan vaak uit de geuite en gehoorde meningen ruzie voortkomen, maar dat zijn ruzies van ondoordachten, die voor ‘het systeem’ onschadelijk zijn, het zelfs doen voortduren, de winnaar wil zijn winst gevestigd zien en houden en de verliezer wil wraak. Beiden verdedigen het systeem, opdat er een later zij, om in die ‘willen’ hun zin te krijgen.
  • daarna – als het aan het systeem niet lukt je te brengen tot het als miskraam naar buiten brengen van deze (jouw eigen) bewerking van dit onderwerp –  kan door middel van doordenken uit deze kiem een inzicht groeien.
    Een mening verhoudt zich tot een inzicht zoals een misgeboorte zich verhoudt tot een voldragen gezond kind. Een inzicht is geen mening meer, je hoeft er niemand meer van te overtuigen, alle steun die je voor het behoud en gebruik van een inzicht nodig hebt, komt ononderbroken gratis en onbedoeld (en niet tot jou gericht) naar je toe stromen uit de gang van de betrokken zaken (inclusief het gedrag van de betrokken lieden) om je heen.
    Die (enige) rijpe inzichten, die ik heb, worden steeds, soms bijna dagelijks door diverse televisie-uitzendingen geïllustreerd. Ik hoef die dus niemand meer voor te leggen, wie ze nog niet zelf heeft, is alleen nog de aanmaak aan zichzelf verschuldigd. Ik hoef gelukkig niet voor de kost van anderen deze bezigheid ‘inzichten aanmaken en formuleren’ te doen voor geld. En bovendien: het inzien dat bij dat resultaat, die formulering, hoort, dat is een bezigheid die ik niet voor iemand anders kan doen. Er zijn op het (niet zelden gratis) krijgen van zulke formuleringen voordat het inzien er is, diverse reacties (de gelijkenis van de zaaier).

Stel eens dat ik een mening heb en dat er geen vrijheid van meningsuiting is. Beide zijn echte veronderstellingen. Ik veracht meningen, ook die van mijzelf, dus ‘heb’ ik ze niet. Niet anders dan als aanleiding om na te gaan wat de ondubbelzinnige en niet weg te krijgen verzameling ware opmerkingen is, die ik nu als gevoel (en een, op een bepaalde manier verwoord, gevoel is een mening) heb. Ik heb alleen een gevoel en een mening. Dus moet ik aan het werk om de bijpassende waarheid te vinden, om te komen tot het inzicht in dit onderwerp, het inzicht waarvan ik niet ‘overtuigd’ ben, maar dat ik ken, opmerk, waarneem.
Wat doet nu het bestaan van ‘vrijheid van meningsuiting’ in dit verband voor en met de mondige burger? Het bevordert dat die zijn mening als miskraam werpt, in plaats van dat er in hem, door verder overdenken, een inzicht uit groeit, langzaam, als in een zwangerschap een kind.
Het gelden van die vrijheid maakt het voor denkluie mensen mogelijk om ‘mee te praten’ en emoties te zaaien.
Een voorbeeld van een mening is: “dat de VVD een kwalijke club van slechte en/of domme lieden is”. Ik vind het helemaal niet wenselijk dat te publiceren (te schrijven, te zeggen). Want wat gebeurt er dan? Ik roep emoties op bij zowel VVDers als anderen. Maar er is alleen een mening, die de talige vorm van een conclusie heeft. De achterliggende beschrijving van die constateringen (waarnemingen bedoel ik: opgemerkte, aanwijsbare dingen) ontbreekt.

Vrijheid van meningsuiting veroorzaakt dat er steeds meer meningen geuit, gevoelens en emoties opgewekt, worden. En wie zijn mening wil onderbouwen, krijgt daarvoor niet uiteraard, niet uit de aard van de manier van bijeenleven de gelegenheid en de ruimte en de aandacht. ‘Uiteraard’ is hier het tegendeel van ‘als hij wint’. Wat moet hij dan winnen? Hij moet voldoende txaenz (‘ruimte’) veroveren op al die ontelbare anderen die, via de media en de reclame en propaganda, elkaar bevechten: elkaar de aandacht van de massa mensen betwisten.
De media-aandacht gaat naar wangedrag en doelpunten (winst). Die aandacht gaat daarheen (= die txaenz wordt daaraan besteed) doordat de mensen die de media in handen hebben hun txaenz aan dat wangedrag en die winnende gedragingen besteden, díe vullen er die media mee. Alle roem gaat naar degene die scoort, naar de matador, degene die de stier doodt. De media maken slechts emoties en gevoelens los. In de afgelopen 30 jaar dat ik televisie keek, is er niets wezenlijks veranderd.
Let op: wie een inzicht wil verkrijgen, moet zijn eigen txaenz uit de grijpgrage klauwen van de aandachttrekkers en gezelligen houden. Wie een inzicht wil inbrengen in een publieke bespreking van het betrokken onderwerp, moet het winnen van de debaters.
Sinds ik dit ‘begrijp’ (inzie), ‘begrijp’ ik ook hoezo kluizenaars niet per definitie dwazen zijn.

De “vrije mens” is niet interessant voor “het systeem”
De krant wordt gedrukt op de achterkant van de advertenties. Geen advertenties, geen krant. Iedere krant, ieder tijdschrift, wordt door een soort publiek gelezen. Als een bepaalde categorie van het publiek belangrijk is, maar geen enkel blad leest, dan heeft het systeem een probleem.

Hoeveel mensen kijken geen televisie en lezen geen blad en luisteren geen radio? Die mensen vormen de onbereikte groep, waar de bushokjes en zo voor volgeplakt moeten worden. Hun koopkracht moet gericht worden van buitenaf, naar (= op) onnodigs. Op het nodige richten hun natuurlijke behoeften die aandacht (die txaenz) wel. Maar als ze niets onnodigs willen, hebben of doen, dan kunnen ze wel van een bijstand leven en zijn ze niet interessant. Interessant zijn die mensen (die txaenzbronnen) die sterk stromen, sterker dan ze van nature hoeven te stromen. Wie nadat hij genoeg heeft gediend voor geld ‘op z’n luie kont gaat zitten’ en ‘het verder wel gelooft’, voor en na het ophouden met werken niks onnodigs kocht of deed (en daartoe huurde), daar heeft het systeem niks aan.

Meningen en de zaak
Meningen die geuit en bestreden worden, kluisteren de mensen aan de beeldbuis en/of aan de gedrukte tekst. Een helder gebracht en verhelderend inzicht inspireert niet. Het veroorzaakt ook niet dat er nu verder niet met meningen over deze zaak wordt doorgevochten.
Men betreurt het niet dat men bij voetbal de doelpunten niet onder de arm mee naar huis kan nemen. Zo min, en om precies dezelfde reden niet, betreurt men het dat de zaak waaromtrent men de meningen heerlijk spannend en opwindend heeft laten botsen, onopgelost, ja onaangeroerd achter blijft.

Voor de politicus is elke zaak altijd middel.
Voor de fanaticus is (het deels veranderen en deels handhaven van) zijn zaak zijn doel.
Voor de debater, de meningenwerper, is elke zaak, elk onderwerp, altijd: een stuk speelgoed.
Daarom haten de fanatici de politici en de debaters. En die laatste twee groepen zijn vol afschuw en angst voor fanatici.

Alleen als de fanaticus zich een onderwerp uit de natuur neemt en daarmee op zijn manier bezig gaat, krijgt hij toestemming van de andere soorten. Wellicht is wat hij vindt te verkopen en/of als wapen te gebruiken. Ook de mensengebruiker (de manager) en de mensenverbruiker (de generaal) wordt het toegestaan fanatiek te zijn.
Dan wordt het bijvoorbeeld ‘zaakgericht’ en ‘vasthoudend’ genoemd. Als er verschillende namen voor een en hetzelfde worden gebruikt, is de schijn van ‘het niet oneens zijn’ vaak erg lang te handhaven. Vooral als de betrokkenen geen voordeel bij duidelijkheid hebben.

Lees meer

Hieronder kunt u een reactie geven op bovenstaande tekst.
Het kan enige tijd duren voordat uw reactie geplaatst wordt.