Mensen hebben afwisseling nodig

Categorieën: 1986, 1 april – 1989, 31 december | Archief | Overige teksten

Trefwoorden:

Jaap Schot, 9 november 1987

De mensen hebben afwisseling nodig om te LEVEN. De hele technologische ontwikkeling is er op gericht geweest de afwisseling van slagen en falen weg te werken. De mensen willen niet van het lot (Vrouwe Fortuna) afhankelijk zijn, maar willen wel de spanning voelen van het nog niet weten of ze krijgen of niet krijgen. Als ze niet anders, niet elders, namelijk in hun werken voor het nodige, de afwisseling van slagen en falen, van krijgen en niet krijgen, van lukken en niet lukken, kunnen vinden, dan gaan ze gokken en wedden en loterijen organiseren. De mensen vernietigen in hun dagelijkse werken de werking van het lot, het toeval. Ze willen zekerheid in alles wat nodig is, ze willen de natuur volledig beheersen, de anderen als Koning Klant nemen hem immers elk falen kwalijk, veilig en zonder gevaar leven. Dan zijn ze klaar daarmee en gaan ze gokken, waaghalzerige sporten bedrijven, spanning en gevaar zoeken, spelen in loterijen, en zich met elkaar meten.

De meeste, gewone, mensen hebben (geestelijk, intellectueel, al denkend, al bestuderend) geen punt op afstand ingenomen vanwaaruit ze dit wegwerken en zoeken van spanning waarnemen, het zichzelf en anderen zien doen.
Op dezelfde manier waarop ze veiligheid en spanning (voorspelbaarheid, beheersing en onvoorspelbaarheid, onzekerheid) tegelijk zoeken, vernietigen ze ook tegelijkertijd de werkgelegenheid (door arbeidsproductiviteitsverhoging), terwijl ze aan die werkgelegenheid nu juist enorme behoefte hebben. "Behoefte", dat wil zeggen: kunstmatige, binnen een spel aangemaakte noodzaak. Het economische gebeuren in onze bezitterssamenleving betreft het aanmaken en het verdelen: begeerlijk gemaakt onnodigs moet worden geproduceerd om tot het aanmaken van meer dan zij voor zichzelf nodig hebben te brengen de bezitters van de middelen waarmee het nodige wordt aangemaakt voor het stoffelijk, lijfelijk, (niet‑geestelijk, geestloos) leven en welzijn van allen.
De massa moet onnodigs aanmaken en dat van de luister van begeerlijkheid voorzien door het zelf slechts aan weinigen te gunnen. Deze luxe moeten de bezitters van de productiemiddelen (en productievaardigheden) voor nodigs ook gaan begeren. Het is nodig in het spel dat de massa mensen naar de ogen ziet die weinigen die de luxe‑goederen en diensten krijgen ter voorbeeldige consumptie, voorbeeldig, dat wil zeggen: nodigs‑ producenten verleidend, deze tot begeren brengend.

Dit spel mag niet door wie spelen als van op afstand gezien, bestudeerd, begrepen, besproken, doorzien worden. Dat doorzien doodt de inspiratie, maakt dat het velen niet weer lukt om in het spel op te gaan.
Werklozen, langdurig werklozen, werklozen zonder hoop op spoedig weer gebruikt worden of weer iets kunnen ondernemen, zijn op afstand. Zodra zij hun geestesoog open doen zien ze het spel van buiten af. Ze hebben er geen plaats meer in en kunnen het dus niet van binnenuit zien. Ze hebben geen woorden, geen begrippenapparaat aangeleerd (in opvoeding, scholing, opleiding en instructie) om wat ze van buitenaf door de spelers zien doen te benoemen en te bespreken, het te begrijpen, het in beeld en film (=droom) weer te geven. Niet zelden zullen ze het nodige begrippenapparaat, de nodige beelden, de nodige dromen (al of niet nachtmerries) zelf in de loop van de tijd aanmaken. Helaas zullen ze dat vaak zonder erg doen, zonder er degelijk bewust aan te werken (er hun txaenz aan te besteden): het zal hen meer overkomen dan dat ze het doen. Voor mij is nu van belang: wat te doen nu ik klaar ben met dat begrijpen, benoemen, bespreken, beschrijven, doorkrijgen, doorzien, inzien?
De spelende (inclusief de in het spel in gebruik zijnde) mensen bevinden zich niet op een punt op afstand vanwaar ze zo afstandelijk kunnen kijken en zien of het juist is wat ik uitschrijf. De langdurig werklozen (inclusief de gepensioneerden en de door ziekte en handicaps voor werken ongeschik­ten, exacter: niet in aanmerking komenden) kunnen in principe mijn teksten volgen, maar het verlost hen niet uit hun situa­tie. "Verlost", want ze weten zich gevangen. Er is geen neven­wereld voor wie niet meespelen in dit spel van aanmaken en verdelen, dat met de wetenschappen van economie, sociologie, psychologie en psychiatrie wordt goedgepraat en als verstandig voorgesteld.
De werklozen bevinden zich op afstand, maar ze zijn niet met hun aandacht daar waar ze zijn, evenmin als degenen die binnen het spel bezig zijn ( dat is hier: bezig gehouden worden en aan het werk gezet zijn): onze opvoeding, scholing instructie en opleiding brachten onze aandacht bij dat daar, bij die daar, bij toen en bij later: in ieder geval weg van onszelf hier en nu bezig. De leerling is niet het onderwerp van zijn lessen, de school, het geschoold worden, wordt niet tot onderwerp van lessen gemaakt. We leerden onszelf en onze situatie over het hoofd zien, speurend naar wat kan, wat was, wat moet, wat elders is, enzovoorts. Wie aangepast is aan de wereld, waarin het hier bedoelde spel wordt gespeeld, heeft afgeleerd afstand te hebben, ook nog een deel van zijn txaenz buiten spel te besteden.
Men heeft geen zondag meer, geen dag waarop men buiten spel leeft. Alle werktijdverkorting, alle vakanties en alle pensionering ten spijt: er is geen leven buiten spel meer. Er is geen bewustzijn van het spel‑zijn van het maatschappelijk leven meer. In de film "Friendly Persuasion" wordt het als zondig herkend om op zondag met een andere kerkganger een wedstrijd in hardrijden naar de kerk te houden. Men ziet zulk een film aan met een glimlach: primitieve godsdienstigen, orthodoxen, wereldvreemden. En inderdaad, de afkeuring komt voort uit het toepassen van een traditie, een overgeleefde, niet zelf weer oorspronkelijk gekende waarheid.
In wie die waarheid kent, komt het wedijveren niet op. Wie in het spel gebruikt wordt, kent het verschijnsel wedijver wel, dat is deel van het hem afgedwongen werken als gespecialiseerde (aanmaker, dienstverlener) binnen het spel. Aan het wedijveren zit echter die ongewisheidsbeleving vast, die door de in competitie verkregen vaardigheid niet langer in het werk te vinden is. Zelfs als het pogen het van de ander te winnen weg is, dan nog kan het wedijveren, als perfectionisme, voortdurend zichzelf, zijn vroegere zelf overtreffen, dienen om die spanning te leveren.
In wie het wedijveren opkomt, dient ook de gedachte op te komen dat dat opkomen van de neiging tot wedijveren "bui­ten dienst" een teken ervan is dat er binnen dienst niet voldaan wordt aan de nodige spanning, de nodige ongewisheid, de nodige afwisseling van slagen en falen, van het halen en het niet halen, van het krijgen en het niet krijgen.
De mensen (als de dieren die ze zijn, dieren met een probleem-oplos-apparatuur in hun kop, een apparatuur die ook nog eens door oefening is versterkt) hebben behoefte aan probleempjes en vraagstukjes, aan uitdaginkjes. Niet aan grote gevaren, niet aan oorlog, niet aan ellende. Ze moeten probleempjes hebben waaraan ze bezig zijn en slagen kunnen beleven. Ze hebben ook niet‑slagen nodig, ook tegenslag, als contrast voor het succes.
Omdat dit niet door iedereen als zijn probleem herkend en opgelost wordt, komt het tot ontsporingen. De mensen weten niet duidelijk zelf te begrijpen waarom ze zo graag over de oorlog vertellen en lezen. Als er alleen de woorden of televisiebeelden zijn, zijn er sterker prikkels, grotere problemen nodig om aan de nodige gevoelswisselingen te komen.
Dromen maak je zelf, als omgevende bewustzijnsinhoud bij een gevoel dat spontaan in je opkomt, spontaan in je opkomt zoals ook beelden van waar je ooit was, spontaan in je kunnen opkomen als er geen uitwendige prikkels zijn die zoveel aandacht eisen dat ze die herinneringen terugdrukken, weghouden van het beeldscherm van je bewustzijn. Dat 'maken' van dromen gebeurt in je, zoals ook het verteren van spijzen in je gebeurt. Het gebeurt en toch kun je met recht zeggen dat jij het doet.
Mensen maken ook het bovenbedoelde spel dat ik 'civilisatie" noem, ze spelen het, maar zonder erg, ze maken het spel zoals ze spijsverteren en ze spelen het zoals ze dromen. Ze zijn zich degelijk bewust van wat er in het spel en in de droom gebeurt, maar vraag je ernaar, vragen ze zich ernaar, dan zijn ze het vergeten.
Je kunt leren je droom te herkennen als een verfilming van een verzonnen zingevende omgeving voor je gevoel. Je kunt je nooit je casting (rolbezetting), je set‑keuze (keuze van plaatsen van handeling) enzovoorts herinneren, dat gebeurde in je, je deed het, maar er is niets over te herinneren. Je kunt ook leren je neigingen in en ten aanzien van het spel te herkennen als wat ze functioneel zijn, bij jou, voor jou.
Ik kan herkennen wat het uitschrijven van eeuwig deze zelfde inzichten betekent, is, bewerkstelligt. Ik beschrijf wat ik kan zien. Dat is steeds hetzelfde uitzicht, uit diezelfde cel van voorrechten, die ik van de samenlevende massa heb gekregen, als beloning voor het mij tot nu toe hebben laten gebruiken als leerling, klant en werkkracht. In die cel zit ik. Zoals een tijger in zijn kooi heen en weer loopt, want dan tenminste loopt, zo denk ik heen en weer, want dan denk ik tenminste. Waartoe wegdromen, liever hier gebleven met mijn aandacht, wegdromen, weggaan met mijn aandacht naar wat binnenspel is, naar wat niet is, maar slechts kan worden of ooit was, dat is wat men binnenspel als oplossing voor het probleem van gekooide mensen geeft.
Wij zijn gevangenen, we hebben ons leven niet zelf in handen en onder handen. Er wordt voor ons gezorgd en wij zorgen voor anderen, iedereen is te onhandig om voor zichzelf te zorgen en praktisch niemand is er voor in de gelegenheid. Zoals het is, hebben we het allemaal redelijk goed, hiertelande, hedentendage. De ellende die verblind doorspelenden veroorzaken is groot, zij zijn de lui die niet meer weet hebben van het leven buitenspel, de lui zonder sabbat.
Inzien ontspant, het verlost niet, het geeft ook geen hoop. Er is geen alternatief voor het spel, maar er is daarvoor ook geen alternatief nodig. Het is mogelijk goed tot je door te laten dringen dat je probleempjes, uitdaginkjes en dergelijke nodig hebt, technische moeilijkheidjes vooral niet voor je moet laten oplossen door een deskundige, die aan het oplossen ervan geen gevoel van slagen meer kan beleven. Dat gevoel van slagen kun jij zelf hebben, als je er iets voor verzint: een oplossing vindt.
Het leven van een mens bestaat uit kleine dingen: kleine vraagstukjes en probleempjes en uitdaginkjes. Leer af om slechts het grote gedoe van legerleiders en toppresterende Nobelprijswinnende onderzoekers te bewonderen. Leer aan dat mensdier positief te waarderen dat zijn aandacht durft te brengen bij zijn niet‑ideale situatie en daarbinnen voor zichzelf het biologisch functioneren zo volledig en harmonisch mogelijk probeert te maken, helder wetend waar het aan bezig is. Onthoud jezelf en de anderen die zo bezig zijn niet die positieve waardering voor hun weinig omvangrijke, weinigen omvattende leven naar beste kunnen en naar beste weten. Het onderwerp dat wij 'het wereldgebeuren' noemen blijkt bij enig doordenken altijd ons beeld van dat onderwerp, sterker nog: een verzinsel uit te weinig feitenkennis. Waartoe zoiets “groters” als onderwerp genomen? Beter een klein echt iets, dan een verzonnen en gespeeld groot iets. Dat vind ik.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *