Middenkader

Categorieën: 1986, 1 april – 1989, 31 december | Archief

Trefwoorden: autobiografische notitie

Jaap Schot, 26 mei 1986

Wie loonarbeid verricht wordt meestal verantwoordelijk gesteld voor de gevolgen van zijn doen en laten als functionaris. Als dat doen en laten het omgaan met andere mensen omvat en neerkomt op het aan die anderen opdragen van bezigheden die zij als functionaris moeten verrichten, heeft de betrokkene een middenkaderfunctie, hij heeft een baas en ondergeschikten, hij geeft bevelen door, hij moet doorgankelijk zijn voor bevelen; hij dient als scherm tussen zijn baas en diens baas; de verantwoordelijkheid kan teruggeschoven worden naar de top, de directeur, de minister, maar voordat de verantwoordelijkheid daar is gearriveerd via al de tussenlieden, is de klacht wel verdwenen, de doofpot in, ingeruild voor verplichtingen die een of andere hoger geplaatste tussenfiguur nog had tegenover zijn ondergeschikte of ingeruild voor enige verplichting die een ondergeschikte voortaan heeft tegenover een meerdere.

Zo'n systeem is de samenleving, de maatschappij, een systeem van lui die onder en boven anderen geplaatst zijn en met elkaar bezig zijn en met elkaar een rekening courant houden van tegoeden en schulden in diensten, niet in geld. Het leven in dat systeem is een belastend zenuwenbestaan, het is voor velen zenuwslopend en ze moeten zichzelf dan ook voortdurend troosten en met extraatjes overeind houden. Die extraatjes zijn vaak seksuele geneugten, zodat hetero- en homo-prostitutie kunnen bloeien als nevenbedrijf aan de flanken van deze hiërarchieën. Wie zich niet in voldoende mate troost, dient zich hiervoor schadeloos te stellen door het sparen van veel geld en voorrechten, zodat hij weg kan zodra er iemand greep op hem zoekt en aan het vechten en chicaneren slaat. Dat laatste is het wat ik gedaan heb.

Het gewone volk verlangt niet, maar streeft wel naar een plaats in dat bovenbeschreven hiërarchische geheel van arbeidsplaatsen. Wij kennen allen de waarheid omtrent ons leven in deze wereld, waarvan het centrum deze hiërarchische vorm heeft. Het centrum, waar de goederen en diensten worden geproduceerd en de rechten erop worden verdeeld, via loon, geld, dat is: ter "vrije" keuze. Deze "vrije" keuze is een soevereine keuze, dat wil zeggen: vrij van alle redelijkheid en verantwoordelijkheid.

Het uitzeggen van waarheid omtrent deze stand en gang van zaken is nutteloos, waarheid die beschrijft hoe het daar binnen verloopt, wie welke rollen nu spelen, wie ten aanzien van wie in welke staat van macht, tegoeden en schulden staan, zulke 'inside- information' is wel welkom en bruikbaar voor wie in de buurt der besprokenen tewerk is gesteld.
Het uitzeggen van reeds gekende waarheid, die een onhanteerbare werkelijkheid betreft, is nutteloos. Niemand wordt blij van het verwoorden van waarheid omtrent onhanteerbaarheden, waarheid waaraan geen handelen kan worden verbonden, waarheid waarbij slechts gevoelens kunnen worden gevoegd.
Negatieve en positieve gevoelens ontstaan slechts in wie naast de beschreven werkelijkheid een wensplaatje houdt. Als het wensplaatje precies overeenstemt met de werkelijkheid in kwestie zal er tevredenheid optreden, als er verschillen zijn kan slechts ontevredenheid of extra grote dankbaarheid optreden (als de werkelijkheid resp. minder aangenaam of beter is dan het wensplaatje).

Ik was opgevoed (gemaakt, geworden) tot drager van een persoon(lijkheid) die een wensplaatje naast de werkelijkheid van de bovenbeschreven onderwerploze hiërarchie hield. Ik wou dat deze hiërarchie er niet was, niet functioneerde , dit gedwongen worden van iedereen door lui die ook weer op hun beurt gedwongen werden.
Ik wou (en wil) slechts leven met mijn aandacht bij mijn taak als zaak enerzijds en bij wat ik van nature, als natuurlijk wezen, nodig heb anderzijds. Ik moet daartoe dan noodgedwongen als individu, alleen leven.
Wat ik van nature nodig heb is het in ruil waarvoor ik deze zaak behartig, deze zaak die niet mijn zaak is, geen zaak is van mij als individu, maar een zaak van het van personen gemaakte geheel dat mijn milieu is, zoals het bos het milieu is van het eekhoorntje.
Een verschil tussen mij en het gedachte eekhoorntje is dat ik naast het bestaande bos een wensplaatje hield. Ik hou nu geen wensplaatje meer naast wat is en gebeurt: van mij mag de hele zaak precies verlopen zoals ze verloopt. Ik heb me teruggetrokken en ik interesseer me volstrekt niet meer voor wat er gebeurt. Ik heb daarmee ook mijn streven om te overleven en gezond te blijven opgegeven. Ik zal mezelf niet schaden, maar ik heb mijzelf herkend als totaal onmachtig om ook maar iets aan mijn verdediging te doen.
Alles wat ik zeg en doe, zeg en doe ik zonder enig geloof er in.
Al tientallen jaren spreek ik de mensen aan zoals je omgaat met automaten: postzegelautomaten en gokautomaten. Ik weet dat ik de mensen niet kan "bedienen" (hanteren, manipuleren, motiveren, aan mij verplichten, aanspreken op hun waarden enz.). Ik doe maar wat aan en tot nu toe ging het in zoverre goed dat ik nog steeds leef en dat ik nog een inkomen heb en nog wat bezit. Ik kan daardoor nog voortbestaan, LEVEN zou ik het niet willen noemen; wat ik onder LEVEN versta is namelijk toch meer: voortbestaan in een milieu dat niet uit soortgenoten is samengesteld. Ik versta onder LEVEN: dat wat in het wensplaatje, de wensfilm, gebeurt: ik doe wat nodig is om harmonieus te functioneren, daartoe ga ik niet alleen met soortgenoten om, maar ook met planten, dieren en zaken en/of onderwerpen, met grondstof en gereedschap. In mijn wensfilm worden mensen niet gemanipuleerd en wordt er ook niet getracht mij te manipuleren. Er wordt niet omgegaan met mensen alsof ze spul of dingen waren.
Ik loop dus ook nog steeds met een wensfilm rond en liet en laat die film nog niet vallen. Ik doe alsof ik met anderen spreek, als ik uitschrijf. Ik doe alsof ik met anderen samen zou zijn als medeschepsel, als medemens, als ander individu wanneer ik met ze omga, wanneer ik met ze praat. Ik weet dat het 'doen alsof' is, ik weet dat ik tegen personen aanpraat. Ik weet dat ik geen gesprek voer met een ander individu. Ik weet dat ik de individu slechts in de ander PROJECTEER. Ik weet dat ik nooit zeker zal weten of er in die andere persoon nog een individu zit. Ik weet vaak vrijwel zeker van niet. Ze zijn als soldaten die vergeten zijn dat de takken die ze om zich heen deden vermomming en camouflage waren, als soldaten die vast geloven dat ze struiken zijn of als soldaten die vast overtuigd zijn dat er mitrailleurs op hen zullen worden leeggeschoten zodra ze zich bewegen.
In ieder geval staan ze fanatiek voor struik te spelen. De vijand heeft de slag volstrekt gewonnen, de vermomde soldaten hebben het allemaal overleefd, er is niet geschoten zelfs, in plaats van de wereld te veroveren hebben deze ex-kinderen een massaal struikgewas gevormd en staan daar nu tot ze dood omvallen een namaakbos te zijn.
Het is zover gekomen dat ze zich ergeren als er iemand van hen zich beweegt. Elk bewegen ervaren ze als een bron van gevaar.

Het is erg onzeker of de lui achter de gevreesde mitrailleurs nog leven en waken. De opdracht zich niet te verroeren kwam en komt al heel lang van opzij, van de andere als struik vermomden. Ook wordt het niet op prijs gesteld veel te praten over het feit dat men daar niet zichzelf staat te zijn en niet functioneert als het bewegende dier dat men van nature is.
Wat ze met z'n allen vormen is onecht, het is een namaakbos, het is niet een echte samenleving van echte mensen. Mensen die echt en gewoon doen vormen samen geen bos, dat kunnen ze niet, zoals bomen geen menselijke samenleving kunnen vormen. Het heeft geen nut uit te zeggen dat ze gek doen (of zijn). Alle wijzen op wat men aan het doen is, is zinloos, ze doen tegenwoordig alsof het angst is die hen onaanspreekbaar maakt. Dat doen ze alleen omdat het tegenwoordig mode is om angst als opgegeven reden te aanvaarden, geldig te achten en daarom niet door te vragen. Uitspraken als "iedereen is bang" en "iedereen wil vrede" brengen de stilte weer, die zo veilig is.
Ik geloof het verder wel. Ik ben klaar met proberen tijdgenoten aan te spreken. Voor anderen is mijn wensplaatje gewoon fictie, verzinsel. En ze hebben gelijk: wat niet is, is niet.
Ik beleef geen plezier aan het vermomd staan te staan. Ik kreeg de gelegenheid ermee op te houden en ik ben er dan ook mee opgehouden. Ik ben niet bang meer. Als ze me doden, een uiterste waar ze niet gauw toe overgaan, dan sterf ik toch al niet jong meer. Ik zou wel met een of meer anderen willen wandelen, bewegen, waarheid spreken, gewoon doen. Maar dat zit er niet in: ze staan voor struik en ze blijven zo staan, roepend: "ik ben een struik van soort X": ik ben zus en zo een persoonlijkheid, ik heb deze en gene eigenschappen, kortom: ik ben immobiel.
Sommigen die dat roepen proberen anderen ertoe te brengen ook als hun vermomming het uiterlijk van struik X te kiezen. Van hun kinderen proberen ze in ieder geval lui te maken die als struik X vermomd zijn. Het is zo saai. Het is zo onecht. Het is zo vastgelopen.
Het grote personenbos, een bos van lage struiken, die een onafzienbare vlakte volledig bedekken. De strevingen zoals meer zon en meer ruimte krijgen zijn strevingen die bij planten horen; zo strevend camoufleren ze zich gezamenlijk nog weer beter als bos. Het gedrag dat ze vertonen is het gedrag van de dingen die ze voorgeven te zijn, dat is passend. De perfecte camouflage is per slot van rekening het ZIJN van dat wat je voorgeeft te zijn, het zijn van dat wat je wilt schijnen. Je doet als een struik, je ziet er uit als een struik, je streeft, voelt en verlangt als een struik en je vat als dromen en zwakheden op die verlangens en strevingen die horen bij wat je echt (ongecamoufleerd) bent.
Soms kom je er toe om in vakantie-momenten die verlangens en strevingen uit te leven. Dat mag dan, daar is het vrije tijd voor. Het uitleven in de gebruikelijke vormen bleek het terugkeren en weer meedoen niet te schaden, vandaar dat het mag. Wij leven in een dictatuur van opzij. De gecamoufleerden zijn allen gewapend met psychisch aangrijpende middelen: dreigen en verleiden bijvoorbeeld. Met die middelen zorgen zij die bij ons in de buurt voor struik staan te spelen, ervoor dat wij ons niet bewegen en ons niet vertonen als wat wij echt zijn. Zij, onze naasten doen dat en niet de een of andere vijand buiten.

Af en toe moet ik dit verwoorden, verbeelden, uitschrijven en me bewust maken, verder hoef ik niets. Ik heb geen hoop meer. Met het wegvallen van de hoop gaat niets verloren. Er zijn al zoveel mensen geweest die hebben geprobeerd met de individuen in die vermommingen contact op te nemen en er is nog steeds dat wat er is. Of er verbetering is tegenover vroeger weet ik niet, ik ben er alleen nu en wat vroeger was is evenmin van belang als het wensplaatje van wat zou kunnen zijn.

Slechts wat is, is. Er is mijn natuurlijke behoefte aan en neiging tot ongecamoufleerd zijn en het echte eigen gedrag van een exemplaar van mijn diersoort vertonen.
Dat is er en het namaakbos is er. Dat is alles. En deze beide passen niet bijeen.

 

Een citaat van Jacques Brel:
"On n'oublie rien de rien,
on n'oublie rien du tout,
on n'oublie rien de rien,
on s'habitue, c'est tout."

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *