Mierennest, in plaats van de grot van Plato

Categorieën: 2000, 1 januari – 2004, 31 december | Archief | Correspondentie met Jan (2001-2006) | Opstellen

Trefwoorden:

Jaap Schot, 29 maart 2002

Sta me toe anders dan direct te antwoorden. Ik heb dat [direct antwoorden] weer geprobeerd, maar ik faalde.
Zorgvuldig lezen zal je duidelijk maken waardoor. Ik wil voor ons samen ‘filosoferen’ een bespreekbeeld invoeren, dat we nog niet gemeenschappelijk hebben. Een bespreekbeeld zoals die mythe van de grot van Plato er een is: het nest van de voorraadpotmieren. Het voorraadpotmierennest.
Ik kan dat invoeren niet in de vorm van een direct antwoord persen.

In deze twee opstellen

  1. geluk hebben en gelukkig zijn, en
  2. hangpotten

wordt het beeld duidelijk. Ieder mens hier tegenwoordig treft zich aan als gevuld met slordig bijeen geharkte vaardigheden, gewoonten, vooroordelen, enz. enz. Die hoop rommel, waar niemand zijn best op gedaan heeft, juist ook de ermee gevulde niet, noem ik (naar Herbart, rond 1830 Duitsland) ‘apperceptieve massa’: bij deze massa komen alle nieuwe ‘prikkels’ binnen en door deze massa worden ze verworpen, aanvaard, gekeurd, gekleurd, verscheurd, vervormd, aangepast, enz. Een procrustesbed is er ‘niets agressiefs’ bij.

Niet dat verwerken, maar pas dat wat uit dat verwerken van die nieuwe prikkels resulteert, wordt mij, als houder van die apperceptieve massa, bewust als ware het waar en als ware het een op te volgen bevel, nee, erger, als ware het een eigen voornemen om zo te reageren.
========
Wat ik nu van MENS tot MENS zeg is: hou op je met dit toevalsproduct, dat ieders apperceptieve massa is, te identificeren, hou op te doen alsof je er iets anders en meer mee te maken zou hebben dan met een propagandaspeech van een politicus. IK besef dat die apperceptieve massa waarmee IK ben opgescheept MIJ vreemd is, hoe bekend en als enige bekend ze mij ook is. Ten aanzien van mij als genencombinatie is die massa toevallig, want was wat mij overkwam en waar ik toe kwam, toevallig, ténzij ik mij opvat als: geleefd, door een mij bedoelende, kennende, misschien zelfs gebruikende God, die mij schiep of enthousiasmeerde (= met een God gevuld doen zijn). Als zijn God neemt híj het toeval, die zich identificeert met zijn apperceptieve massa, met dat wat het toeval en zijn toevallige tijdgenoten van hem maakten, deden worden.
2-4-02 10:08: wij leven hier in de vloekbare tijd waarin de liberale dictatuur iedereen heeft geïndoctrineerd met soevereiniteit.
Neuzentellerij heet ‘democratie’ en als kiezer en klant wordt iedereen opgevat als verheven boven alle kritiek, ook boven zelfkritiek. Als ik iemand iets voor waar zeg, dat de hoorder zelf betreft, word ik meteen opgevat als bezig met pogen mij boven hem in rang te verheffen. Iedereen heeft als aangeleerde reflex de gedachte dat zijn zo-zijn boven alle kritiek verheven is. Dat is ingebouwd in het politieke spel dat democratisme is en ‘democratie’ genoemd wordt. Elke dreutel heeft stemrecht en dan is het ook meteen verantwoord aan die stem geen waarde te hechten. Wat dan weer de reactie teweegbrengt dat de dreutels en alle anderen weten dat de wetten die door de dreutelvertegenwoordigers worden aangemaakt de moeite van het uitvoeren en het zich er aan houden natuurlijk niet waard zijn.
De lieden die zich als ‘regeerder’ laten overbetalen beperken zich er dan ook toe ‘op de winkel te passen’ [Wiegel]. Ze doen dat schaamteloos en dat uitdrukkelijk met evenzovele woorden zeggend. [Overbetalen, het veel betere woord is natuurlijk ‘overbelónen’, het gaat niet alleen om geld, het gaat ook om levenslang verzekerd zijn van sinecures; zorgeloze statusbanen zoals burgemeester en commissaris.]
2-4-02 11:50: En wat is dat regeren dan wel? Een voorbeeld: Lui van mijn jaargang werden nog tot het leren van een vastgesteld curriculum gedwongen binnen de leerplicht. De mensengebruikers wisten nog wat ze in de bruikbaar te maken kinderen wilden (laten) stoppen. Toen werd, in de jaren ‘negentien X en zestig’, de vraag “Hoezo dit?” gesteld, mede doordat er elders, ‘in het Oosten’, iets anders werd geprobeerd.
Reagerend op die opstand waren de regeerders te laf en te ‘leeg van geest’ voor iets anders dan: de volgende jaargangen kinderen te dwingen zelf hun curriculum te kiezen (keuzevakken in keuzemate leren). Die kinderen kon dan later verweten worden dat ze de vulling waarmee zij rondliepen aan zichzelf te wijten hadden, evenals DUS! de onbruikbaarheid er van: tot uiting komend in hun werkloosheid en/of hun geringe maatschappelijk (carrière) succes.
Zo’n tot kiezen gedwongen kind kan niet anders bedenken dan dat het nú echt geen gebruik bedenken kan van deze of gene ter keuze liggende leerstof. En leren kan een mens niet levenslang op dezelfde manier, dus niet op de manier waarop je als je kind bent leert. Dat kan later niet meer, doordat je dan zoveel andere dingen aan je hoofd hebt. Ín je hoofd dus.
Veel goedkoper dan (zoals in “1984” ) arm houden en de geschiedenis herschrijven, leek het om van het ‘vak’ geschiedenis een keuzevak te maken, zodat het tot futiliteit werd opgeleukt. Er ging dan geen enkele inspiratie meer van uit en ziet, dat was even niet doorgedacht.
Actueel is de massa gebruiksvee alleen nog maar onderling in competitie en concurrentie en als (dus: nu) ze geen geschiedenis en geen vijand buiten heeft, dan (dus nu) is er echt geen gezamenlijkheid, dus geen ‘algemeen belang’ meer in het bewustzijn (--> in het handelen) van het vee in kwestie te brengen. Vanzelfsprekend vonden ze een “reden” voor deze vernietiging der vaderlanden, der ‘zuilen’, der groepen, der eender bedoelde vullingen van de menselijke hangpotten met txaenzgebruiksbesturingssystemen. Alleen het zich moeten meten met anderen en die waar en waarin mogelijk moeten overtreffen, dát moest er nog bij elk stuk vee in. De SPORT IS DAARVOOR DE RELIGIEUZE VORM. Elk sportgebeuren is een religieuze eredienst. De priester-sporters offeren het beste dat ze hebben: de prestatie die álles van hen eist, hun restloze inzet. De winnaar neemt alles. De prestatie is niet constructief, is meteen weg, is vluchtig, wordt door de God in kwestie verzwolgen en moet worden overtroffen om HEM weer tevreden te stellen. [Zoals altijd overal bij religies: de massa vee, de veestapel, identificeert zich met de (af)god.] Als de afgod Publiek smullend brult, brult in feite de veestapel, die z’n les leert: z’n religieuze les: “zo, jezelf offeren, zó moet het!”.
Zo zit het in elkaar. En wat heeft dat nou te maken met corresponderen (dat is gelijk aan: met een gesprek voeren) en daarvoor een onderwerp vinden?
Antwoord: zoals onder de oppervlakte van ‘vredig aan het werk zijn’ in feite en als diepere en bewegende (motiverende) werkelijkheid de competitie, het vechten om voorrechten, het rangschikken, het elkaar koste wat het kost overtreffen woedt, zo “speelt” in elke apperceptieve massa die wedstrijd/wedijver ook onder het taalgebruik, het spreken, het praten, het schrijven. Op een zaak gericht is de aangepaste slechts als middel om de ander in ontdekken te overtreffen. Tot eer van de afgod ‘Publiek’ en in de ogen van de psychische representant in hen, ván die afgod.
Het gaat er dus om zo weinig mogelijk te melden, opdat de anderen hun waarnemingen, constateringen, begrippensystemen en conclusies zullen prijsgeven voor zo weinig mogelijk van mijn kant.
Zo werkt de wetenschap hier nu, sociologisch begrepen.
========
Zo min als de sport nog sportief, is de wetenschapsbeoefening nog constructief en een mensheidsonderneming, een mensheidsproject.
=====
Allemaal voorbij. Zo min als Albert Heyn er op gericht is de mensen aan het nodige te helpen, zo zijn welke aangepasten dan ook bezig aan iets anders dan winstmaximalisatie, rangschikken, opklimmen, overtreffen.
======
Dit zit in ons. Ik weet nog waar wie dat in mij binnenbracht: toen ik student was, prof. W.J. Bladergroen. Voor mij was het 100% nieuw. Het vond dan ook geen plaats meer in me, maar ik leerde het kennen. ‘Intellectuele eigendom’ heet het, mij zo vreemd als ‘privaat grondbezit’ aan de Noord-Amerikaanse Indianen.
Ik KEN niemand zoals ik mijzelf ken, achter hun voorhoofd, tussen hun oren is alles voor mij ontoegankelijk. Iedereen kan en zal alles ontkennen wat (daar dan) schandelijk schijnt en voor zich opeisen wat (daar dan) verdienstelijk schijnt. Dat is inherent aan het spel ‘rangschikken’. Bekentenissen noch ontkenningen daarvan zijn van belang.
======== 2-4-02 13:01||

Als ik met iemand in gesprek kom die zich niet distantieert van zijn apperceptieve massa kom ik in gesprek met zíjn verleden, met de sporen van wat hém toevallig is overkomen en aangedaan [inclusief wat hij, ooit, toen hij nog anders was dan hij nu is, “”zelf”” aan zichzelf deed, mee ‘van zichzelf’ maakte, ‘koos’].
=======
Als ik iemands apperceptieve massa als gesprekspartner accepteer, ontken ik zijn ‘een vrijheid zijn’, zoals Sartre het noemde. Als iemand zijn ‘een vrijheid zijn’ niet vooraan in zijn bewustzijn heeft tijdens ons gesprek, is er geen symmetrie.
======
IK vond mijn meningen, toen ik die nog had, even waardeloos en oninteressant als die van alle anderen. Kom ik nu in gesprek met iemand die zijn meningen nog (gewoon, normaal, zoals vrijwel elk ander) acht, dan is er een onuitgesproken asymmetrie. Als ik gewoon, direct, antwoord, formuleer ik met dezelfde begrippen en komen er meningen uit mij. Rommel dus. Gevoelens. Connotaties. : het volle achterlijf van de hangpotmier. Kenmerkend voor mijn omgeving en voor wat mij overkwam, niet voor MIJ (als ‘vrijheid’).
=======
Ik krijg dan heftige foutmeldingen uit mijn brein en ga uitleggen. Hele stukken over hoe je ver van meningen vandaan, bij waarheid en bij ware uitspraken (die waarheid uitgezegd in andere begrippen niet uitsluiten) kunt komen: de uitgesloten derde is er (zij er) binnen elke theorie, maar een theorie is er slechts een onder vele mogelijke en al of niet reeds gevondene. En zo voorts en zo voorts.
======
Dáárom verval ik steeds in dat uitleggen en die ‘epistemologie’. Ik vind het niet erg om dat af en toe eens te doen, maar ik leer er zelf geen moer meer van. En dat is jammer. Bovendien: het werkt niet, want die uitleg maakt het nu met behulp van deze opstellen aangeduide niet expliciet.
LET WEL: dat uitleggen doe ik al tig jaar aan mijzelf, zonder er iemand als vrager of hoorder bij nodig te hebben. IK wou en wil doorzien. Voor mij, door mij. Iedereen die dat ook wil kan het zelf doen. Kan het slechts zelf doen. Wie het niet doet, “wil” het niet, dat is: heeft de drijvende kracht ertoe niet in zich. O.K., zijn zaak, niet de mijne. Dit, “wijs worden” kón al nooit samen, maar nu heeft waarschijnlijk vrijwel nooit meer iemand iets aan wat een ander kan uitzeggen, verwoorden. De overeenkomsten tussen de apperceptieve massa’s der mensen zijn toevallig geworden, al zijn onze situaties (is onze leefomgeving) wel zeer verwant.
======
Schoolvoorbeeld: bij het boek “Spel der persoonlijkheid’ van B.J. Kouwer hoort een kijk op het als exemplaar van de diersoort mens leven in gevangenschap en gebruikt wordend. Die kijk blijft in het boek onuitgesproken. Hij wordt onontwijkbaar door het zien (in onderscheid van het leren) van het boek. Het boek bevat een overzicht, nu ja verzameling, van heel veel manieren om de concrete enkelingen te beschrijven als voorbeelden van een ‘karakterologische’ (door een persoonlijkheidsstructuur gekenmerkte) ondersoort van ‘de mens’.
ZOVEEL KUL, ZO DICHT OPEENGEPAKT, dat helpt iedereen van de ‘gedachte’ van bruikbare begrippen af. En daar gaat het om.
Het gaat niet slechts niet om de woorden, het gaat ook niet om de begrippen (begrippensystemen, begrippenapparaten). Binnen elke theorie zijn er ware en onware uitspraken te doen en is er logica te bedrijven, dat moet zelfs, maar begrippen zijn menselijke maaksels en het begrepene, het zintuiglijk gegevene, is dat niet.
=========
Ons brein, met name onze tekstaanmaker, werkt met, of wordt gebruikt door, die begrippen, van die begrippen en theorieën die wij met Kouwer zo goed kunnen herkennen als ‘al te menselijke maaksels’. Ieder woord dat en elke uitdrukking die wij met ons geestesoor onszelf (= onze tekstaanmaker in ons) horen gebruiken, dienen we te wantrouwen.
========
Onze tekstaanmaker loopt weer volledig op zijn routine, als we in gesprek komen met iemand die zich nog identificeert met zijn apperceptieve massa. En inderdaad: een mens hoort zich dan bezig. DIE MENS, DIE ZICH DAN BEZIG HOORT, DAT IS DE GESPREKSPARTNER die wij voor elkaar moeten zijn.
==//29-3-02 16:54\\==||
1-4-02 13:32:
Ik vrees dat het ons niet gaat lukken. Mijn indruk is dat jij helemaal geen problemen hebt en gewoon gelukkig en tevreden bent, hoogstens met het postmoderne gevoel dat het altijd nog een beetje overtroffen kan worden.
Geen onderwerp hebben dat zich duidelijk boven of buiten alle andere onderwerpen bevindt als ‘ter bespreking en doordenking’, dat is misschien wel een operationele definitie, een voor snel onderzoek geschikt oppervlakteverschijnsel van ‘gewoon gelukkig zijn’. [Hebben is ongelijk aan: (willen) (of kunnen) openbaren, aangeven, aanduiden, uitdrukken. Dat snap ik. Maar het is een gratuite constatering.]
Wie niet is volgestouwd met ‘waarden, streefdoelen en normen’ (waar een mens per definitie ontevreden van wordt, daar bestaan die rotdingen van), is, net als elk ander dier, verzadigbaar en zodra verzadigd, lekker lui, zonder enig probleem. Bij energieoverschot is er waarschijnlijk ‘zin om te spelen’.
Ik zit zo in elkaar, ik raakte zo gevuld, dat ik NIET met anderen WIL SPELEN, levenslang al niet. Ik wil evenmin als wie dan ook veranderen. Veranderen is zonde van de energie, het ene is toch niet beter dan het andere. Dat is het diepste kenmerk van deze massa mensen, die gebruiksvee zíjn, onontkoombaar, door verkregen eigenschappen en door het systeem dat zij, die maaksels, samen vormen. Zonder erg, onopgemerkt en zonder (boze) opzet. “Gij zult niet discrimineren, gij zult niet rechtspreken, gij zult niet corrigeren, gij zult iedereen zijn schade laten veroorzaken aan anderen en die anderen alleen (in hun eentje, zonder jou) laten lijden aan die schade, hen zo mogelijk verhinderend wraak te nemen.”
Daarom is mij veranderen voor mij zinloos. Idem voor ieder ander. Alles is en allen zijn even goed en waardevol, buiten het spel. Binnen het spel ”OVERTREFFEN” [‘rangschikken’ (concurrentie en competitie)] geldt volstrekt het tegendeel. Aan dat onspeelse spel doen de meesten niet mee, zij worden slechts in deeltijd gebruikt en verdoen hun ‘vrije’ tijd. Zij hebben (en zijn) gelijk, er is toch niks aan te veranderen en het is hun wereld niet. IK zeg ontelbare malen tot mijzelf dat het hún wereld is, niet de mijne, maar ook de meeste mensen die zich dat niet realiseren (bewustmaken, zichzelf voorhouden) zijn in feite buiten staande, niet meedoende (gebruikten). Ook zij zijn nooit aan zet en ook zij hebben geen stukken op het bord.
Begrijpelijk en passend dat ze zich tot voelen beperken en/of niets ‘intellectueelernstig’ nemen. Er zijn geen goden waarvoor iets hoeft te worden geofferd en het wereldgebeuren, dat het spelgebeuren is, overkomt ze toch zoals het ze overkomt. Wij hebben hier te lande al tig jaren vrede en materiële voorspoed.
========
Lijden maak je zelf aan want het gaat je objectief hartstikke goed. En na het verzadigd zijn doe ik liever in mijn eentje wat denkgymnastiek dan dat ik doe alsof ik geïnteresseerd ben in enig ander zijn gedenk met zijn toevallige herseninhoud / geheugeninhoud.
========
Voor mij als denker is waar: vooral alleen ben ik erg gelukkig. Ik ben solitair.
== 2-4-02 13:19|| == //==//3-4-02 21:34\\==||

 

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *