Jaap Schot, 6 oktober 1992
Ik wil me bij wat ik bestudeer beperken tot wat me gegeven is, dat spreekt vanzelf. Als gegevens omtrent mijn taalgebruik, mijn woordenschat, wat mij invalt, heb ik mijn teksten, die ik heb uitgeschreven. Als ik die als onderwerp van studie neem, dan kan ik in ieder geval voorkomen dat ik al bestuderend mijn onderwerp verander.
Het opdelen van de waarnemingen, de prikkels, die binnenkomen is al een – door het zo-zijn van mijn begrippenapparatuur – beïnvloed kunstmatig bezig zijn met 'toevoegen aan het weinige dat mij gegeven is van de werkelijkheid'. Dat is allemaal oud, al lang geleden eerder uitgeschreven en een gemeenplaats. Het zou me verbazen als ik boven gemeenplaatsen uitkwam. Van belang is vooral het wegwerken geweest van alle verzinsels, alle bedenksels, onder andere alle oorzaken en alle doelen.
Ook dat is, als ik het goed begrepen heb, al zo oud als Kant of ouder. Oorzaak-gevolg en middel-doel zijn vaak maar indelingen, maar spreekbeelden. Op grof-mechanisch niveau past oorzaak-gevolg. Heel vaak (nu ja, niet zelden) past middel-doel bij mijn eigen gedrag.
Ook in de opstellen die ik in de computer schreef, heb ik veel woorden gebruikt die namen van verzinsels zijn en niet alleen maar om voorbeelden daarvan te geven.
Vooral woorden als 'begrijpen' en 'bedoelen', zo snel mij invallend en zo algemeen in gebruik, blijken heel moeilijk. Ik merk soms dat ik dingen uitgeschreven heb, die ik niet tevoren heb bedacht. Ik merk dat ik niet tevreden – of, ontevreden – ben met wat ik uitschreef, ik vind sommige volzinnen ineens erg goed of zo. Maar er is geen gevoel van: "dat wat ik bedoelde, heb ik met deze volzin passend verwoord".
Ik sta ook niet verbaasd van wat dan ook wat me invalt. Er staat niemand buiten mijn brein of zo te kijken naar wat ik schreef. Iets in mij publiceert tekst, doet die in mijn bewustzijn belanden en ik breng die tekst dan via mijn vingers in een of andere stoffelijke vorm onder. Dat noem ik uitschrijven. Ik kan alleen waarnemen dat mij van die volzinnen invallen; nu ja, een voorvorm daarvan. Lopende volzinnen maak ik er al uitschrijvend, mijn gedachten afremmend, van. Zo ongeveer gaat dat.
Wat kan ik nou waarnemen als ik naar die sporen van dat uitschrijven ga kijken? Wel, ik kan proberen op te merken welke tweedehands verzinsels er toch nog in dat tekst genererende 'brein' buiten mijn bewustzijn, dat mijn bewustzijn vult, in gebruik blijken te zijn (geweest). Of iets een verzinsel is, kan ik wel merken omdat ik me beperk tot wat mij zelf hier nu gegeven is. Ik verwerp beweringen die met tweedehands begrippen (concepten, bedenksels, verzinsels, 'constructs') zijn aangemaakt meteen. Het aanmaken van volzinnen waarin eigennamen – of, woorden als 'neurose', de USA, democratie, groep, kunstzinnig enzovoort – voorkomen, is vrijwel zeker alleen maar het spelen van een gezelschapsspelletje.
Ik heb dat spelletje ook geleerd en ook in mijn bewustzijn komen, vooral als ik tot anderen spreek, dat soort woordopeenhopingen binnen. Van binnenuit, vanuit mijn eigen tekstgenerator, die men zo lovend 'mijn geest', 'mijn denken' noemt. De minst grote frequentie hebben dat soort invallen bij mij als ik uitschrijf. Ik word dan niet, door de woorden die de anderen gebruiken, aangespoord om ook zulke onzin te gaan uitzeggen. Ik heb een hekel aan prietpraat zowel als aan dit soort 'zware gepraat'.
Het ellendige is dat er geen gelegenheid is om mijn teksten in een correspondentie te gebruiken. Mijn onderwerpen respectievelijk invallen zijn niet de onderwerpen van enig ander. Daar treur ik echt niet meer om. Wat ik zeg, is voor een ander een waarneembaar geluid. Wat ik uitschrijf, is voor een ander een leesbare tekst. Meer niet, anders is die ander niets gegeven. In het verkeer zijn wij mensen bewegende voorwerpen voor elkaar. In het spreken/ schrijven zijn we slechts tekstgeneratoren voor elkaar.
Lange tijd heb ik gedacht dat mensen er enige tijd voor nodig zouden hebben te wennen aan het leven tussen mensvormige robots, maar dat zie ik nu niet meer zo. Een mens achter een loket is alleen maar een biologisch geproduceerde en met onderwijs, opleiding, instructie en opvoeding geprogrammeerde computerrobot. Zo aangemaakt/ klaargemaakt/ toebereid omdat dat de goedkoopste manier om eraan te komen was. Volgens mij zijn mensen in het gebied van de seks gewoon gok- en bevredigmachines voor elkaar. De gokspanning is daar groter dan de bevrediging, denk ik wel eens. Ik wil alleen maar vaststellen dat ik nogal, wat ze in de jaren zestig 'vervreemd' noemden, sta tussen mijn tijdgenoten/ soortgenoten.
Ik meen opgemerkt te hebben dat zij zeer ingewikkelde en vooral uitgebreide programma's jegens elkaar in gebruik hebben. Die heb ik niet, en daarom kan ik me nogal goed concentreren op mijn eigen kleine onderwerpje. Ik kan niks anders, vandaar. Ik leef er mee, zonder te klagen.
Ook het verder niet 'ik' zeggen tegen de tekstgenerator in mij, is 'vervreemding' te noemen. Ik ben die tekstgenerator niet meer dan ik mijn darmen ben, of mijn bloed. Ik kan dan ook zeer objectief en objectiverend kijken naar wat er door die generator is aangemaakt, zoals blijkt uit wat ik aan uitgeschreven teksten heb. Op die manier kan ik die invallen nog eens als speelgoed gebruiken, zoals anderen mijn uitspraken als onderwerp of als raad kunnen gebruiken. Als speelgoed, want mijn bestudering dient geen ander doel dan mezelf bezig te houden. Ik ben namelijk met geweld tot een parasiet gemaakt en dat, een parasitair bestaan moeten leiden, betekent dat het functioneren
- van al mijn organen,
- van mijn hele lijf, en
- van mijn bewustzijn
bedreigd wordt met verval. Verval van het functioneren, leidend tot verval van de organen en van het geheel, van mij, helemaal. Dat heet dan genieten van een uitkering en is het enige alternatief voor dwangarbeid tegenwoordig hier. Vandaar dat ik er niet tegen protesteer, ik heb het goed, zeer goed, dank U.
Hoeveel echter is copuleren dan masturberen? Deskundigen zeggen dat minstens 'seks' "tussen de oren zit, respectievelijk plaatsvindt". Hoeveel echter is een gesprek (of dispuut, discussie, debat) dan mijn gespeel met woorden en begrippen die ik gebruik? Ik probeer het ergste verval van mijn denkapparatuur te voorkomen. Wat kan ik anders doen, in mijn 'eenzame opsluiting'?
Let wel: anderen – die met elkaar praten en elkaar lezen, zonder zelf te schrijven en dan eigen invallen te corrigeren en eigen teksten te bestuderen – ik betwijfel zeer of zij minder 'eenzaam opgesloten' zijn dan ik. Ik weet ook niet hoe boeiend hun gesprekken voor hen zijn en hoezeer zij er bij zichzelf het verval van hun functies mee voorkomen. Ik weet bijna niets van anderen. Dat is niet erg. Net zoals de dieren en planten waarvan ik ook niets weet, zorgen ze voor zichzelf. Mijn weten beïnvloedt niets.
0 Reacties