Jaap Schot, 29 april 2007
Mijn teksten en woorden en begrippen, mijn hele geschrijf is tégen menen (≈ meningen aanmaken, meningen hebben en meningen verdedigen). In plaats van iets te menen, stel ik gewoon vast wat ik KEN (= wat ik waarneem, wat ik kan melden). Dat verlengt enorm de volzinnen, de tekst. En het verwart enorm, doordat dít melden in de taal zoals die om ons heen te horen is, geen ingebouwde gewoonte is.
We lezen, en horen om ons heen, vooral stellende (= schijnbaar meldende) volzinnen.
We lezen en horen termen, woorden/begrippen die te grote ‘dingen’ aanduiden, om er een constaterende uitspraak over te doen.
Schoolvoorbeeld: uitspraken over ‘de mens’.
Veralgemenen maakt de taal tot een gereedschap voor meer dan melden, waarschuwen, uitnodigen. Het afwezige bespreken, dat is wat we, taal gebruikend, doen. Vaak, als we dat HOGE taalgebruiken doen, dat we SPECIFIEK MENSELIJK noemen.
Als we bespreken herkennen als bijspreken, dan is ‘het afwezige bespreken’ een term met een tegenspraak erin. “Nou, dan doen we dat herkennen (→ erkennen) toch gewoon niet”.
Inderdaad zal er in een gezelschap altijd wel iemand zijn die erop wijst, dat dit (bespreken ← bijspreken stellen) amateuristische etymologie is. En dat we wel wat beters te doen hebben. De waarschijnlijke aanwezigheid van zulke 'iemanden' is de voornaamste reden voor mij om elk debat en elk publiceren te mijden als de pest. Ik ga niet wandelen in een mijnenveld.
Als ik de uitdrukking ‘het afwezige bespreken’ wil doordenken,
dan helpt mij dat ‘bespreken = bijspreken’ zeer.
Evenals bij ‘bewijzen = bijwijzen’.
Als het onderwerp afwezig is...
In afwezigheid van mijn onderwerp erover sprekend, kan ik slechts bij mijn geheugeninhouden spreken. Nog erger is het als ik van mijn onderwerp geen geheugeninhouden heb, maar alleen maar voorstellingen (fantasieën). Het aanleren van woorden die nergens op slaan ( de taal zit er vol mee) brengt een kind ertoe een voorstelling bij zo’n woord te krijgen (‘aanmaken’ suggereert veel te veel geleide txaenzbesteding, een pleonasme, besteden ís een geleid proces).
Schoolvoorbeeld maar weer: het woord god en de eigennaam ‘God’.
Élke eigennaam zit vast aan een voorstelling, want zelfs de mens met wie je dagelijks omgaat, samenwoont, ‘leeft’, is onkenbaar. De geheugeninhouden worden verpakt tot verdwijnens (onvindbaar wordens) toe in voorstellingen. Denk maar aan het feit dat de beminden en de gehaten pas als ze als daders worden gefantaseerd, bemind en gehaat kunnen worden. Je kunt een regenbui niet haten of beminnen, zo min als een rots. Dit stel ik er even bij, om aan te geven dat het niet de kortstondigheid is die de bui ongeschikt maakt als object van haat of liefde, respectievelijk voor een ‘relatie’ van die soort.
Het stokstaartje op wacht laat de voor zijn soort, in het Stokstaarts, zijn taal, bij een slang horende (voor een slang zien specifieke) waarschuwingskreet horen, bij het opmerken van een slang.
Als het diertje die kreet liet horen zónder (= in afwezigheid van het opmerken van) die slang, dan was het vals alarm.
Hieruit zie je hoe gevaarlijk de HOGE, uniek menselijke bezigheid ‘spreken van iets in afwezigheid van dat iets’ is.
Geloven in logica en wiskunde
Voor deze uitleg zou ik in een open discussie NOOIT de spreekruimte krijgen. En de lezer kan zelf opmerken aan zijn eigen reactie, hoe hij de verkoopbaarheid van zulke tekst in publicatie moet inschatten.
Slechts door niet te publiceren en/of te discussiëren en alleen maar voor mijzelf uit te schrijven, kan ik dit rustig formuleren.
Spreken in afwezigheid van het onderwerp is gevaarlijk. Om dat gevaar niet te voelen, moeten we geloven in de logica (wiskunde) en in ons onvertekenend geheugen. Een onvertekenend menselijk geheugen is niet aan te treffen, zo min als een ‘de anatomische structuren in tact latende’ gehaktmolen. Het is niet het doel met een gehaktmolen om wat er ín gaat onaangetast er uit te laten komen. Zo is het ook met het geheugen. [zie Vester.]
Bij het geloven in de logica en de wiskunde hoort het opvatten van wetenschap als een methode. Rationalisme als een soort reinigen van de empirische kennis. Het doorpraten als edeler dan het bijspreken.
Dat spreken bij wat zintuiglijk gegeven is, opgemerkt wordt, is dierlijk.
Bóvendierlijk is het rationeel verwerken van het daarvoor geschikte deel (ingrediënt) van ‘wat we opmerkten’.
Buitenschools schoolvoorbeeld: het noteren (← meten) van sportprestaties. Let op: alleen het gemetene telt (→ wordt beloond) en komt in de analen. De rest van ‘wat we opmerkten’, belandt in de geheugens en in de prietpraat (= op televisie en bij de borrel en zo).
0 Reacties