Mijn wezen is niet gebonden aan materie

Categorieën: 1995, 1 januari – 1999, 31 december | Archief

Trefwoorden:

Jaap Schot, 23-24 september 1999

Aan wie meelezen:

Mijn wezen is niet gebonden aan materie die onderwerp kan zijn van jullie huidige natuurkunde. Mijn wezen stelt met andere wezens samen de grote geest die kent.
Met 'ik' duid ik hier mijn wezen aan: ik ken en rapporteer echter menselijk. 'Menselijk' is letterlijk: (in, met, vanuit, gebruik makend van) een mensenlichaam.
Er is [hier nu op deze website] mijn uitvoeren van de opdracht 'leer met behulp van een menselijk brein het doen van de mensen kennen en rapporteer daarover in hun taal'.
1. Opdrachten en afspraken blijken te bestaan doordat ze uitgevoerd worden, er is anders geen bestaan.
2. Ik rapporteer niet over alles. Dat wordt veroorzaakt door mijn geringe gelegenheden en/of door de geringe omvang van het (in dit geval: mijn) menselijk brein (en de taal, de begrippenapparatuur, die ik gebruiken kon).
[Dat, rapporteren over alles, hoef ik ook niet, ik ben hier nu niet alleen als 'geest', al zijn we niet samen, niet van elkaars bestaan in kennis, laat staan in communicatie.]
=========
o.k., ik schrijf dus in een website in twee stijlen:
- ten eerste begeleidende tekst voor meelezende mensen en
- ten tweede het rapport waarvoor (voor het maken en uitbrengen waarvan) ik doe alsof ik hier op aarde ben. Ik doe alsof omdat ik geen herinnering of kengelegenheid heb waardoor ik zeker ben dat er zo'n opdracht, zo'n afspraak, zo'n ingebouwd moeten bestaat. Opdrachten en afspraken blijken te bestaan doordat ze uitgevoerd worden, er is anders geen bestaan. Het feit dat ik het doe is een bewijs, maar al die woorden (afspraak, opdracht, ingebouwd) vooronderstellen steeds het bestaan van een ander en eerder wezen dat (voor wie met een menselijk lichaam moet werken als instrument) onwaarneembaar is en blijft. Een bespreking alleen vormt geen bewijs, zich iets (impliciet) denken is geen waarnemen van dat iets.
===========
Als ik mij die gelegenheid neem om in die twee stijlen te schrijven, dan geef ik mijzelf de gelegenheid om sommige dingen heel kort te formuleren, die anders onleesbaar omschreven zouden moeten worden. Dit levert geen gemakkelijke tekst op, ik weet niet hoe het komt, maar gemakkelijk leesbare tekst, die komt nooit in me op. Ik kan daar niets aan doen, ik heb het al erg vaak geprobeerd, maar als er staat wat ik bedoel, blijkt het altijd moeilijk leesbaar.
=================
Kort overzicht over de inhoud van het rapport:
==================
Ik heb voornamelijk gelet op hun taal en taalgebruik. Met name op de bezigheid begrijpen daarin en hun ervaren daarbij (daarin en daardoor) [002]. Ze zien, zo blijkt, (ook uit mijn eigen ervaring) nauwelijks nog wat ze voor (c.q. onder) ogen hebben, ze proberen vliegensvlug te herkennen wat ze eerder zagen en daar met en volgens ingeprent succesgedrag op te reageren en mee om te gaan. Ze leven wat dat betreft alsof ze altijd haast hebben en/of in levensgevaar zijn (met beschadiging of zelfs dood bedreigd worden). Door dat haasten maken ze hun begrippenapparatuur tot een instantie die dicteert waar ze op reageren en zelfs hoe ze zullen reageren. Nu is die begrippenapparatuur tweedehands en bij hen binnengebracht met behulp van woorden lang voordat de ervaring met de verschijnselen er was. Zo worden ze dus tot uitvoerders van de in de begrippenapparatuur ondergebrachte ervaringen van hun voorouders veeleer dan tot lieden die leven vanuit hun eigen verleden [003]. Laat staan dat ze ooit aan het heden (hier en nu) zelf rustig waarnemend leven.
Ze nemen dus minder goed waar dan ze van nature kunnen en ze begrijpen minder goed dan ze onbevangen zijnd zouden kunnen. Maar dat is nog erger omdat ze ook zo eigenaardig ervaren: ze ervaren veel meer hun 'gedachten' dan hun kennis. 'Kennis' (zo noem ik, zo noemen ook zij, zo heet) het nog niet begrepene. Wie zonder begrippenapparatuur en zonder benoemen en bespreken zou leven zou nog steeds kennen en met die kennis denken en die kennis gebruiken, door te handelen volgens het resultaat van dat denken ermee (als met materiaal). Zo vangt de uil een muis, als de uil niet een uilentaal en uilenbegrippen in gebruik heeft, wat de mensen veronderstellen.
Op of over die dierenbezigheden waarnemen, denken en handelen heen leggen de mensen dat begrijpen, benoemen, bespreken en (wat nog erger is: waarderen, keuren, rangschikken). Pas door die bewerking heen (en er na) komt er dan gedrag (doen of nalaten) en dat gedrag is dus vrijwel nooit meer echt volledig ter zake: er is van alles en nog wat bij gehaald en uit weg gehaald (afgekeurd; "ze willen dat dan niet waar hebben". Dat zeggen ze zelf zo. Dat is een zeer vreemd verschijnsel: ze kennen de feiten, ze kennen hun gedrag en ze begrijpen en bespreken dat ook zo, ik heb die termen niet hoeven uitvinden, ik heb er geen enkel ongebruikelijk woord bij nodig. Ze kennen de feiten en hun gedrag en dat dat gedrag niet bij en op de feiten past en niet veroorzaakt wat ze zouden toejuichen. En toch gaan ze zo door: zowel levenslang als eeuwen lang.
============
In mijn website noem ik een aantal gewoonten die deel uitmaken van dat 'niet veranderen'. Die gewoonten veroorzaken dat niet-veranderen niet en zijn er ook niet het gevolg van, als er een relatie is, dan een wederzijdse veroorzaking of zo.
=========
Ik noem in mijn website:
1. dat ze hun eigen gedrag daar dan niet begrijpen en niet bespreken (001), dat ze met andere woorden geen afstand nemen van zichzelf, niet denkenderwijs buiten zichzelf treden en toekijken wat ze doen en nalaten (006) hoewel ze over de begrippen en de woorden daarvoor zonder meer beschikken omdat ze die dagelijks gebruiken als ze het over anderen hebben, anderen tot onderwerp nemen omdat ze die anderen aan het bestrijden zijn [ze zijn namelijk aan het rangschikken (003) dat wil zeggen aan het txaenz roven (004)].
2. dat ze ook elkaar niet zonder vertekenen waarnemen, ze vatten elkaar op als 'isten' en als 'actieven in IETSen' en kijken dan verder niet meer, maar reageren op die begrippen. Concreet: als soldaten schieten ze op de uniformen waar de jongens van de andere partij of staat in zitten.
3. dat ze, om veilig te zijn binnen IETSen en 'ismen, nadoen en meedoen en met informatie omgaan als ware het kennis (ze geloven en ze betwijfelen, zo heten enkele van die manieren van omgaan met informatie als ware het kennis). Zolang er van die elkaar bedreigende en bestrijdende IETSen bestaan hebben vele mensen geen kans zich anders te gedragen (geen gelegenheid daartoe dus, al zouden ze willen. ['willen' bestaat overigens alleen als werkwoord, er is alleen doen; slechts doen is er, als oorzaak van iets, als waarneembaar iets].
4. dat ze opmerkelijk genoeg allemaal in alle IETSen dezelfde deugden propageren en nastreven, jegens de andere ingezetenen. Jegens buitenstaanders is alle wangedrag toegestaan. Er is een duizenden jaren oude van aller mensen 'broederschap', maar ook die is in diverse IETSen (religieuze organisaties, kerken) ondergebracht en daardoor voor de erdoor geïnspireerden niet te 'leven' [ 'leven', dat is hier: gebruiken als criterium bij het inzetten/besteden van de eigen txaenz [004 + 005] ].
5. dat ze geen nut hebben van het 'zich bewust maken'[ 'bewustmaken', dat is: opmerken + begrijpen + doordenken + bespreken ] van deze hun levensomstandigheden [006 + 007 + 008] omdat ze er toch niet aan kunnen ontsnappen. Dat ze niet kunnen ontsnappen komt doordat die IETSen veel en veel langer kunnen voortbestaan dan zij leven [009]. IETSen kunnen slechts door elkaar teniet worden gedaan: met wapengeweld in gewone oorlogen of door economische wurging in 'koude' oorlogen [recente voorbeelden: het verloop van de Tweede Wereldoorlog en het verdwijnen van de USSR]. Heel zelden vervalt er ook een IETS door de dood van een leider. De zeer kleine en per definitie begrensde / ontoegankelijke IETSen (zoals huwelijken en dynastieën) vervallen altijd resp. vaak door het sterven der leden.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *