Jaap Schot, mei-juni 1992
Voorwoord 1 (mei 1992)
Het gaat in dit boekje over de vraag of er iets natuurlijks oftewel nodigs is aan de persoonlijkheid (het 'ik') van de mens.
Het antwoord is 'nee'.
De persoon(lijkheid) met z'n strevingen, gewoonten, meningen, ervaringen, herinneringen, idealen enz. enz. is een maaksel, voor het leven (biologisch, natuurlijk) zowel nutteloos als schadelijk.
Van het hebben van een (namelijk hun) persoonlijkheid worden velen zeer ongelukkig en van hen gaan er dan ook veel zoeken te ontsnappen. Oudere vormen van pogen te ontsnappen zijn: het streven naar 1. verlichting, 2. verlossing en 3. bevrijding.
Boeddha, Jezus van Nazareth, Karl Marx. Maar wie streeft, dat is de persoon en de persoon is als Trottel samenstellend deel van de Trotteldrom. Het is die Trotteldrom waarin en waaronder hij lijdt als gevangene en cipier in dubbelbaan.
De persoon dat is de enkeling, het exemplaar dat zich onder suggestie van de anderen om hem heen opvat ("ziet") als los van en in concurrentie en competitie gesteld tegenover alle anderen. Kleine correctie: soms geldt: die zich met de zijnen (die hij als zijn bezit en/ of zijn uitstulping in kracht en in tijd opvat) samen in die competitie/concurrentie ervaart.
Deze groepen zijn overblijfsels van vroeger samen zijn (in natuurstaat leven bijv. apen en honden zo) en/of het zijn nu opzettelijk om hun doeltreffendheid gevormde gevechtseenheden om mee te werken in die concurrentie/ competitie.
Wie niet ophoudt te vallen voor, te geloven in, te volgen, de suggestie dat hij een enkeling, een los geval met een eigennaam, een identiteit is, die kan niet verlicht, verlost of bevrijd worden. Het denken, menen, geloven dat je een enkeling bent, dat er BEHALVE JE LICHAAM iets is wat jij met het woord 'ik' aan kunt duiden, DAT DENKEN IS JE GEVANGENSCHAP.
Als lichaam zit je opgesloten in wat jou aan rechten toegerekend wordt, want je wordt buitengesloten uit alles waar anderen dat recht over hebben. Gegeven een begrensde ruimte is opgesloten gelijk aan buitengesloten. Kiezen tussen een van die termen is geen wetenschap maar retoriek.
Als lichaam worden de mensen pas weer vrij als de bevoorrechting (het bezit is daarvan een schoolvoorbeeld) wordt afgeschaft. Die voorrechten eindigen allemaal op wapens, op het gebruik van wapengeweld. Ook dat is het beste te zien bij het voorbeeld 'bezit'.
Die oude pogingen om te ontsnappen zijn maatschappelijk irrelevant. De vorsten (nu is dat Koning Klant, ook wel 'de markt' genoemd) waren en zijn te machtig (dat is: te zeer de baas over bewapende legers) dan dat er velen echt en laat staan dat men systematisch zouden kunnen ontsnappen. 'Echt' betekent hier: beide lijfelijk en als verstand.
Iedereen blijft en bleef zich wensen 'subject' (=onderworpene, onderdaan van een vorst, een rijk) te zijn. Gut, wat zijn en waren ze trots op hun 'individualiteit', hun 'identiteit', hun 'uniekheid'.
Voorwoord 2 (2 juni 1992)
Iedereen staat van tijd tot tijd voor de vraag: waar komt het kwaad vandaan dat mij overkomt, wordt aangedaan, raakt. Alle kwaad wordt door onnodigs doende mensen aan levends gedaan. N.B.: zelfs een roofdier doet, al dodend voor zijn leven, geen kwaad. Ieder dier moet doden en/of planten beschadigen. Er is geen van nature nodig kwaad. Ook de schade die dieren en planten oplopen door vulkanen, overstromingen enz. enz. is geen kwaad. Wie dingen, gebeurtenissen en verschijnselen als bronnen van kwaad worden opvat ontneemt het begrip 'kwaad' zijn normatieve betekenis en reduceert het tot een ander woord voor 'schade'. Zodra, zolang en in zoverre we over de mensen denken als natuurwezens‑als‑alle‑andere kunnen wij hen niets van wat ze doen kwalijk nemen. We kunnen hen dan ook zonder enige scrupule vernietigen zodra ze ons hinderen, zoals we dat ook met muggen doen. Zodra dat duidelijk is, houdt 'men' op zich te verschuilen achter dat natuurlijk‑zijn van het "zich beschaven" genoemde 'tot civilisatie komen' van "de mens".
Het is niet zinnig te blijven steken in het nagaan via wie het kwaad ons bereikt, door wie (heen) het ons wordt aangedaan, het gaat er om te zoeken naar de wortels van het kwaad. Je kunt boosdoeners blijven slachten, het kwaad komt steeds weer, via nieuwe anderen, terug. Vele, zo niet alle boosdoeners zijn geen bronnen (originatoren, initiatoren) van kwaad, maar voor kwaad doorgankelijken. Doorgankelijk voor kwaad zoals koperdraad doorgankelijk is voor electrische stroom. Deugen is onder andere: weerstand hebben tegen het door je heen stromen van kwaad van anderen naar anderen. Slechte mensen zijn goede geleiders voor het kwaad, voor het onnodige (= voor geen ander levends onontbeerlijke) schaden. Het kwaad is een maaksel (een fabrieksproduct of een uitscheidingsproduct, maar in ieder geval geen ongewild toevalsproduct) van de civilisatie. Het kwaad is de onafscheidelijke achterkant van wat men als geciviliseerde met graagte doet: rang vertonen. Het doen van het nodige voor leven en welzijn telt in de civilisatie niet mee als vertoon van status, waardigheid, rang. Het kwaad is niet de uiting van de toevallige kwaadaardigheid van lieden die door de civilisatie (de beschaving) per ongeluk onvoldoende goed of minstens onschadelijk gemaakt konden worden.
De diepste wortel van het kwaad, tot nu toe gevonden, is het delen, het scheiden, het separeren. Een bezigheid dus: een handelen vanuit onderscheiden. 'Zondigen', zou de Bijbelterm zijn.
Het separeren ‑ van mensheid en milieu, ‑ van de mensheid in stammen en groepen, ‑ van groepen in koning+kliek en onderdanen (subjecten), ‑ van onderdanen in 'sociale lagen' en in gezinnen, ‑ van gezinnen in bevoorrechten: enkelingen, ‑ van de mensheid in enkelingen, dat is nou 'zondigen'.
"Hoe ontkom ik aan het kwaad dat mij wordt aangedaan?" Dat is onze centrale vraag, ieders centrale vraag. "Wie doet het me aan?" en "Wat zijn de wortels van het kwaad?", dat zijn maar hulpvragen bij die centrale vraag.
Wie het je aandoet, dat is bijna altijd je naaste. Zeer zelden is het de vreemde soldaat of de onbekende die opduikt uit de struiken. Voor en na dat incidenteel kwaad (door vreemden ons leven ingevoerd) ervaren we het schier eindeloze kwaad van (=via) onze naaste: de onvoldoende acceptatie, de uitblijvende hulp, het op ons uitleven van elders opgedane frustratie enz. enz. En vooral ook: het doorgeven van de eigen angst. Ik ben blij dat mij maar een beperkte voorraad voorbeelden invalt. Ik weet dat er duizenden de mensheid teisteren. Waar we niet via onze naasten, maar via onze bijna‑naasten kwaad ervaren zijn de voorbeelden: dat we altijd moeten vechten en/of slijmen om aan datgene te komen dat we nodig hebben en dat omdat het bruikbaar is reeds als bezit of ander voorrecht van een ander is, die ander die ons het moet gaan gunnen. Dat is nou macht: de gelegenheid (de verleende en uiteindelijk met wapengeweld kracht bijgezette BEVOEGDHEID) om dit of dat aan deze OF gene te gunnen.
Hoe ontkom ik aan het kwaad dat mij wordt aangedaan? 1. Aan het gezeur van mijn naasten aan mijn hoofd dat ik moet leven vanuit hun angsten, zodat zij niet bang (voor ons in de plaats) hoeven te zijn. Hun angsten voor alles waarvan ze zich gesepareerd achten: voor de natuur (onweer, water, duisternis, wilde dieren, zelfs spinnen), voor lui van vreemde volkeren, voor hoger geplaatsten, voor onbekenden en onbekende situaties. 2. Aan het altijd weer moeten vechten tegen en/of te moeten dingen naar de gunsten van anderen (slijmen).
De radicale (=de wortel pakkende) oplossing is: NIET DELEN, dat houdt voor elk van de genoemde separatie‑voorbeelden iets anders in:
Voor het separeren van mensheid en milieu: dat de gezondheid van een rat of een koraal je evenzeer verheugt als de gezondheid van een kind en van jezelf.
Voor het separeren van de mensheid in stammen en groepen: geen 'discriminiatie'.
Voor het separeren van groepen in koning+kliek en onderdanen (subjecten): geen erkenning van enig gezag of enige onnodige, niet‑ functionele rangschikking.
Voor het separeren van onderdanen in 'sociale lagen' en in gezinnen: geen statusverschillen erkennen, dus nastreven.
Voor het separeren van gezinnen in bevoorrechten: enkelingen: bevoorrechten komt thuis niet voor.
Voor het separeren van de mensheid in enkelingen: niets voor jezelf houden en niets als van iemand anders erkennen: dit betreft alle voorrechten, dus ook alle bezit dat de bezitter niet als dier nodig heeft.
Het opheffen van de separatie tussen jezelf en alles wat zich aan je vertoont, je gegeven is, voor jou waarneembaar is, inclusief het niet‑levende, dat is een stap verder nog. Een worden met het al: een uiterst consequent geval van het ophouden een 'ik', een enkeling, een speler‑vechter‑rangschikker te zijn, zoals de spelers het van je willen, de spelers die met hun allen het bestaan voor iedereen tot een strijd maken. Een met het Al of met al‑wat‑leeft, het is niet zo erg ter zake in dit verband, het virus, de grote molecuul en het kristal, ach, ik zie daar geen probleem. Het is te ver weg bij wat ons hier nu raakt: het geweld vanuit het gezelschapsspel der mensheid: "Overtreffertje met voorrechtje vestigen". Ieder van ons zit in dat spel gevangen, fysiek minstens. Door het als gezelschapsspelletje te herkennen (te ontmaskeren) kunnen we ons mentaal verlossen, wat ons van slaven (= lui die met hun onderschikking instemmen, lui die slaafs zijn) tot gevangenen maakt. Een zeer matig succes, maar het enig haalbare.
Of je nu twee, honderd, duizenden of miljoenen strijdende partijen hebt, geen enkele partij kan de strijd beëindigen (bijvoorbeeld door te stoppen met vechten). Geen meerderheid van partijen zelfs kan vrede behouden of terugbrengen. Iedere partij kan de vrede vernietigen, de oorlog brengen en gaande houden. Volstrekt onevenwichtig. Alle macht in een en dezelfde richting. Ook vechten voor de vrede is vechten. Het is hopeloos.
Inzien dat het hopeloos is, is onvermijdelijk. Het zou wel eens kunnen dat dat inzicht het ideaal‑karakter tenietdoet van bovengenoemde betekenissen van 'de separatie opheffen'. Feitelijk is er niets bereikbaar of zoals dat tegenwoordig wel heet "maakbaar". Anders gezegd: formuleren (verwoorden) we het ophouden slaaf te zijn operationeel, in daden, dan is het onuitvoerbaar, maar maatschappelijk enz. relevant. Verwoorden we het mentaal, dan is het te doen, de gedachten zijn vrij, psychisch kunnen wij allen onszelf meteen, in tegenstelling tot stap voor stap, veranderen. Maar dan is het feitelijk [(= voor alles wat niet intra‑psychisch (=binnen ons eigen zieleleven) is] irrelevant want gegarandeerd zonder directe en meetbare gevolgen voor de zaak. Let wel: anderen zullen op ons waarneembaar anders ageren en reageren vanuit ons psychisch anders geworden zijn reageren. Maar een reactie die wij oproepen is geen door ons veroorzaakt gevolg; de reactie blijft de daad (en dus de verantwoordelijkheid, de verdienste resp. het wangedrag) van de ander, die reageert. Dat volstrekte onderscheid tussen 'gevolg van' en 'reactie op' hoort bij het strikte vasthouden aan de genoemde separatie tussen alle mensen.
Met wie niet opgehouden is te zijn zoals de voorstanders van het spel hem willen definiëren (: een enkeling, een geïsoleerd 'ik'), is over deze hierboven beschreven situatie niet eens te praten.
Over U.G. Krishnamurti "The mystique of Enlightenment" (1982)
Bij toeval nam ik een dag of tien geleden het genoemde boekje in vertaling mee uit de bibliotheek, waar het al sinds 1985 in de boekenvoorraad is. De onderwerpen die in dat boekje behandeld worden zijn ook de mijne, zij het dat U.G. * spreekt tot en over 'ikken', wat ik 'personen' en 'geciviliseerden' noem.
Van het begrippenapparaat zowel als van de (biografische roddel) benadering in de inleiding krijg ik geen blij gevoel. Het zal wel helpen bij de verkoop of zo, hoor, maar het enige wat ik er aan informatie uithaal is dat die U.G. waarschijnlijk dit soort mensen als toehoorders / vraagstellers heeft en dat verklaart dan misschien waarom zijn uitspraken vaak duidelijk niet bij mij passen.
Van de teksten hier in dit boekje verzamelde teksten van U.G. valt me, ‑zo blijkt uit deze 'bijsluiter'‑ , de maatschappelijke irrelevantie op. Hij bederft alleen de handel van de religieuze oplichters. Maar ja, dan moet het volk andere 'opium' zoeken, stoffelijke bedwelmingsmiddelen bijvoorbeeld. Of gokken. En dat maakt het volk ook ziek en ongelukkig. Voor U.G. pleit wel zeer dat hij geen sekte sticht. En het is waar: de heersende religie aanvallen. dat is onverstandig. Ook als die religie zich geen religie noemt, maar 'samenlevingsvorm' of 'staatsvorm' of 'economisch‑juridisch systeem' of 'het nu eenmaal zo zijn van de wereld' of zo.
Hij (U.G.) functioneert zodra en zolang hij in z'n eentje is, c.q. er geen beroep tot communiceren op hem gedaan wordt door anderen, ‑ zo vertelt hij ‑, vrij van het hem aangeleerde, vrij van africhting, dressuur, opleiding, scholing, indoctrinatie, taal en begrippenapparatuur, welk functioneren hij 'natuurlijk' noemt. Dat klinkt goed, het komt overeen met Jiddu Krishnamurti's (geen familie) 'losgelaten verleden' en 'het stil worden van de tekstgenerator in je'. En, voor wie dat zo lezen wil, ook met "worden als de kinderen" dat Jezus als voorwaarde stelde om het Koninkrijk der Hemelen binnen te gaan. Maar let wel: we zullen nooit kunnen weten wat in al die 'religieuze' teksten bedoeld werd. Iedereen is gedoemd en gerechtigd om zelf te denken met wat hem direct (in tegenstelling tot: 'via van anderen horen zeggen) gegeven is, zintuigelijk. Het zintuigelijke gegeven is nog onbegrepen, nog niet van het geheel losgedacht, nog niet als een onderwerp gesneden uit het geheel waarvan het deel uitmaakt, het is ook nog onbenoemd. U.G. vertelt dat hij dat begrijpen, losdenken, 'uitsnijden' en benoemen hele tijden nalaat, exacter: dat hem dat alles vaak en langdurig niet overkomt. Hij kan kijken, ruiken, tasten en luisteren zonder dat hem bij wat hij dan aan zintuigelijke gegevens binnenkrijgt tekst invalt (de namen, de relaties, de aangeleerde waarderingen (goedkeuringen, afkeuringen)).
De namen, de besprekingswijzen, de gebruikelijke waarderingen zijn hem wel bekend, hij kan ze desgewenst, zo nodig, ook meteen gebruiken, maar ze zijn voor hem gereedschap dat ter beschikking staat, geen onvermijdelijke, overmachtige, autonome gedragsdeterminatoren, die in hem ingebouwd zijn baas zitten te zijn. Zo te zijn is niet hetzelfde als "een kind", een onwetende, te zijn. Het (aan)geleerde is niet de baas over je, maar het is slechts jouw gereedschap. In feite zal waarschijnlijk vrijwel niemand zich de slaaf van zijn aangeleerds, zijn levensstijl, zijn identiteit enz. noemen. Maar, zo zal de argumentatie lopen: de omstandigheden zijn bij ons, mensen in het gewone volle leven altijd en overal zo dat ze het gebruik van dat gereedschap onvermijdelijk maken. Daarmee is dan het hele verhaal van U.G. weggepraat.
'Het denken' is, ‑zo vermoed ik, wat kan ik anders doen jegens andermans tekst? ‑, het produceren van wat je in je bewustzijn valt, wat je in je innerlijke oor hoort toeteren. Dat produceren gebeurt door iets in je, je persoon, die een deel van je hersenen is, een deel dat functioneert tegen de natuurlijke mens die je oorspronkelijk bent in. Je kunt daar een ander deel van je hersens tegen laten vechten, maar dat doende stuur je meer txaenz naar dat systeem, dat qua begrippenapparatuur en instelling gaarne natuur bestrijdt, ook natuur in jou zelf.
Ik heb mijn persoon altijd herkend als mij opgeplakt, aangeleerd. Ze was en is dan ook een in de maatschappij weinig bruikbaar gebleken verzameling flarden, die persoonlijkheid/verpakking van mij, waarbij ik dus 'mij ‑ als ‑ natuurwezen als 'ik' neem. Zie toe, het is niet eens makkelijk in taal te zeggen. Dat is kenmerkend. De taal is 'het eigendom' en wel met name het gereedschap van een (nu niet eens meer in cultuur, maar in civilisatie samenlevende) massa, niet van een natuurlijke enkeling. "'Het denken' gebruikt de zintuigen om zichzelf in stand te houden."
Van wat 'religieus', 'geestelijk' is, heb ik totaal geen verstand. Voor mij zijn die dingen net zoals de boeken van Rien Poortvliet over kabouters: mooi verzonnen, mooi geillustreerd, voor veel onverklaarbaars een verklaring gevend. Wat wil een mens nog meer. Wat is er nog over van de inspiratie van de verlichting (de Aufklaerung)? Wie ziet nog iets moois in het ontmaskeren van de goochelaars, de kwakzalvers, de zwendelaars met religie, de zwendelaars met economische en juridische leugensystemen ? Aan die laatste zwendel, aan het genoemde spel, daar lijden de mensen tegenwoordig aan, aan die andere al lang ontmaskerde onzin beleven ze plezier als aan opium. Vaststellen dat van Boeddha, Jezus en Mohammed alleen nog poeha over is, is lijkenbestrijding, ook poeha, ook leegte. Zo ongevaarlijk als het onbevooroordeeld, wild, oorspronkelijk, als een kind, 'natuurlijk' zien van klokken. Ontmaskeren mag vrijelijk plaatsvinden in ons vrije westen. Ook het ontmaskeren van de huidige religie, die bestaat uit het als vanzelfsprekend en goed aanvaarden van het spelen van het genoemde spel. Gebleken is namelijk dat practisch (en 'om de practijk gaat het', zo luidt een van de religieuze regels in kwestie) iedereen, ‑voor zijn prijs: in geld en/of rechtstreeks in aanzien‑ afziet van het handelen vanuit het doorzien hebben van de maskerade, vanuit het herkennen als zodanig van de groepsvormende leugens waarmee geleefd wordt.
U.G. heeft door een heftig gebeuren, met ongebruikelijke electrische lijfelijke verschijnselen, het geleuter van die persoon in zich (resp. 'om zich') zien eindigen. Zijn zintuigen functioneren nu zonder dat er steeds begeleidende tekst geproduceerd wordt en hem invalt. Dat beschrijft hij als erg rustig en erg positief, alert en levendig. Met het door hem ooit gezochte 'verlicht zijn' heeft dat 'van dat eeuwige gepraat erbij verlost zijn' niets te maken. In tekst bewust hebben is 'weten'. Zonder tekst waarnemen (binnen krijgen van wat de zintuigen als prikkels kunnen benutten) noemt UG 'niet‑weten'. "Ik kan een half uur naar de klok aan de muur kijken ‑ en nog steeds zie ik niet hoe laat het is. Ik weet niet dat het een klok is. ‑....‑ Als je vraagt hoe laat het is, zal ik bv. 'kwart over drie' zeggen ‑ dat gaat pijlsnel ‑ dan ben ik terug in die toestand van niet‑weten, van verwondering." "Het leven is gewaar van zichzelf." Zonder tekst is ongelijk aan bewusteloos, dat is duidelijk, evident.
De geciviliseerden, ‑ de personen die bouwstenen zijn van de spelersmassa die ze 'samenleving' , 'maatschappij' of iets dergelijks noemen‑, hebben het over hun 'ik'. Die 'ik' (resp. dat 'ik') waar ze het over hebben, is een illusie, een opgedrongen verzinsel, ingebouwd in de taal en in de omgangsvormen (belonen en straffen, verantwoordelijk stellen, een eigennaam geven, omwerven met 'vrijheid' en 'autonomie' en 'individualiteit' en 'uniciteit die moet worden geuit, bijv. in consumptie naar eigen smaak en in productie die kenmerkend is voor die / dat ene zelf'). Een verzinsel, in gebruik in de economie (de commercie, de internationale competitie / concurrentie) en in de deze economie met uiteindelijk fysiek (incl. wapen‑) geweld beschermende juristerij. Dat 'ik' is niet hun lichaam, het is de bezitter van dat lichaam. Als lichaam zijn ze slaven in zelfbezit, slaven die het vermenigvuldigingsproduct van hun tijd, aandacht, energie, vaardigheden en toewijding (hun TxAenz) verkopen op de arbeidsmarkt of het zelf besteden aan c.q. investeren in wat ze 'vrijwillig' doen. Maar als Koning Klant en Jan Publiek zijn ze ook soeverein, boven alle anderen en boven alle rede ook verheven: ze 'moeten zelf weten', zo heet dat, wat ze voor hun geld kopen, met hun macht doen. Ze moeten zelf weten wat ze aan onnodigs willen en omdat niemand iets onnodigs kan willen zijn er ook levensstijlen, wil‑pakketten, persoonlijke smaken dus, te koop. Iets (dat 'ik' dus) waar zo ononderbroken al pratend naar verwezen en door de anderen mee omgegaan wordt, dat moet toch wel bestaan. Wie zegt dat het aangesprokene resp. besprokene een verzinsel is en het aanspreken en omgaan als geheel een gezelschapsspelletje, die speelt een gevaarlijk spel, in de meeste landen en in de meeste tijden. Vooral als hij zich niet indekt door te zeggen dat er meer is, dan gewoon meedoend persoon zijn en dat dat meer te bereiken, te schouwen, na te streven, nog hoger dan meedoen is. Die manier van zich indekken is beveiligend. Het is dat wat men in georganiseerde religies doet. Binnen de daarvoor bestemde monniksorden kan zo'n buitenwerelds iemand naar hartelust twijfelen aan het ik en dan toch 'in orde' zijn.
Wie zegt dat het niet‑meedoen gelijk is aan natuurlijk doen, oftewel gewoon doen, niet‑spelen, ja die doet niet aan het opwaarderen van 'beschaafd zijn' als een eerste stap naar iets nog hogers. Wie zich zo door de ervaring van het geciviliseerd (gesocialiseerd, opgevoed, geschoold, opgeleid, geinstrueerd) worden heen in de richting van 'natuurlijk' zijn beweegt, verwildert. Het verhuisdierlijkingsproces is dan mislukt, dat wel. Een echt wild dier wordt zo'n exemplaar (van welke soort dan ook ook) nooit meer.
Gevaarlijk voor de samenleving (het spel) is zo'n verwilderde als hij zichtbaar voor anderen onbevangen de sociale werkelijkheid, het spel, waarneemt en hetgeen gedaan wordt anders dan voorgeschreven bespreekt. Ongevaarlijk is hij zolang hij onbevangen naar klokken, bomen en bergen kijkt.
Ik ben steeds gericht op het bespreken van de herkomst van al die verschijnselen die onnatuurlijk zijn. Ik denk dat ik zo weinig persoonlijkheid om mij heen gebouwd heb (gekregen) dat zich bij mij de meeste van die verschijnselen slechts in relatief geringe mate hebben voorgedaan.
(blz. 16): "De persoonlijkheid verandert niet als je in deze staat komt. Tenslotte ben je [zodra je reageert,JS] een computer, die reageert zoals hij geprogrammeerd is. Het is in feite juist deze inspanning om jezelf te veranderen, die je ervan weerhoudt op natuurlijke wijze te functioneren en die je van jezelf weghoudt." Een andere manier om nooit aan jezelf toe te komen is het bezig gaan met pogen iets te veranderen aan de anderen en hun spel [elkaar overtreffen teneinde ieder voor zich bevoorrechting te vestigen, voor nu en voor later].
U.G. gebruikt veel begrippen die ik ook gebruik, maar ook veel andere. Hij heeft het over hetzelfde als ik en dan is er overeenkomst: zijn ware uitspraken kunnen alleen maar aanvullen of overeenstemmen, nooit strijdig zijn, met die ware welke mij of iemand anders invallen. En dat maakt voor mij het lezen van dit werkje prettig.
Zo zegt hij: "de vragen die jij stelt, zijn jouw vragen helemaal niet. De vraagsteller moet verdwijnen." Ik zou hetzelfde zeggen met 'de vragende persoon' als concept: zolang je denkt dat jij dat bent, ben je weg bij jezelf als natuurlijk wezen binnen in die schil die je persoon om je heen is.
Ik vind het een zeer belangrijke tekst.
Ik vind er verschijnselen in beschreven die door mij aan, bij, om en in mij niet worden waargenomen, maar dat is dan zo. Wat ik kan waarnemen en doordenken klopt met wat U.G. daarover schrijft. Hoor ik het ook eens van een ander. Niet dat ik bevestiging nodig had of ervaar, want dat is een criterium voor waarheid, je hoeft, nee kunt het niet bevestigd krijgen. Intersubjectiviteit is een nivo lager dan waarheid.
U.G. ontmoet mensen die zoeken naar 'verlichting' zoals anderen naar andere zeldzame dingen zoeken. Hij spreekt dus tot verzamelaars, zoekers, strevers. Ik ken bijna niemand en ontmoet ook geen vragers. De meeste mensen zoeken alleen maar lekkere gevoelens, lekkere ervaringen. De geindustrialiseerde maatschappij met al die miljarden slaven in zelfbezit die zich, hun diensten, moeten verkopen en ruilen, vormen de rijkste bron voor bevrediging van dat gezoek naar lekkers. Met en zonder geld werkend hebben prostitutie en knechtschap ontelbare en onoverzienbare vormen. Velen willen rust, onder andere de rust van het gezinsleven in een cultuur. Die rust is niet te koop en niet te scheppen. Vandaar enorm veel hunkeren, ongeluk, gevoel van onvervuldheid, onvervuld verlangen, mislukt pogen.
Bron van al die menselijke ellende is elk willen, elk houden van een wensplaat naast de actuele werkelijkheid resp. de toekomst die je onbeïnvloedbaar overkomt, welke zetten je ook doet. Het is de mensen onmogelijk midden in op te houden met hun planmatig, wensplaterig besteden / investeren van hun tijd, aandacht, energie en toewijding en te gaan berusten in alles wat komt. Wel is aan te raden op te houden iets na te streven en over te gaan tot het zo goed mogelijk gebruiken van wat zich voordoet. De civilisatie, het kapitalisme, de streefleer keurt dit afwachtende gedrag sterk af. Deze leer eist streven, toppresteren en gokken, want daarvan leeft het spel.
Alles wat volgens geschreven en ongeschreven wetten en gewoonten binnen 'de samenleving', 'de civilisatie', 'onze maatschappij', 'ons land' geldt, heeft geen enkele morele geldigheid.
Elke overeenkomst, ‑ van de wetten, spelregels en gewoonten met gerechtigheid en verstandigheid en ‑ van dat wat er gezegd en geschreven wordt met waarheid, is [tot het tegendeel wordt bewezen, dat is: voor mij, resp voor de lezer zelf rechtstreeks waarneembaar wordt gemaakt] voor wie z'n verstand gebruikt slechts op te vatten als ongewild, onbedoeld en berustend op toeval.
Om hen die dromen van een betere wereld te bedriegen worden in deze voortdurend wil, bedoeling en overeenkomst gesuggereerd en 'bezworen'. Deze groepsleugen is een van de vruchtbaarste. Het is een steunpilaar voor het systeem, het spel. Er zijn zelfs nu nog mensen die denken dat er nog wel wat van de genoemde overeenkomst is af te dwingen als deze dromers (aangesproken als 'verworpenen der aarde') ontwaken. ===== fo 21 mei 1992/ file ug2.txt / schijf blauw 4 / ^or78/ blz. #
Het is misschien passender de geciviliseerden, de personen, persoonlijkheden 'verduisterd' te noemen dan de natuurlijk levende mensen 'verlicht'.
Waarheid is niet van woorden gemaakt. Waarnemen heeft niets met redeneren te maken.
In plaats van de taal uitsluitend op te vatten als zich opdringend gebruiker en richter van de aandacht (de txaenz) en als vertekenaar en vervanger van de waarheid en haar daarom te veroordelen en af te schaffen, kan een mens de taal ook opvatten als door hemzelf te verbeteren bewustmaakgereedschap. Ik heb dat geprobeerd.
Merkwaardig genoeg heeft een volledige psychologiestudie mij er niet toe gebracht ooit of ergens de software, het aangeleerde ** , de ziel, de persoon, het psychische als oorzaak op te vatten van welk kunnen of niet‑kunnen dan ook.
Het gaat er om wat je 'ik' noemt. Als je ook je persoonlijkheid weet op te vatten als een stuk gereedschap van jou, dan ben je vrij dat gereedschap al of niet te gebruiken.
Let wel: Je gebruikt dan dat gereedschap of geen gereedschap. Je hebt namelijk geen ander gereedschap om je txaenz te kanaliseren dan die persoonlijkheid van je. Zonder kanaal stroomt die txaenz (die energie) ook, maar dan als rivier. Zo'n rivier valt op, want past niet in het strakke, rechtlijnige, efficiënte landschap van het speelveld van "Overtreffertje met voorrechten vestigen".
*) Zoals hij zich laat noemen. Wat te begrijpen is als je Uppaluri Gopala heet en met mensen van buiten India omgaat.
**) Hiermee worden in deze volzin uitdrukkelijk niet de vaardigheden benoemd. Vaardigheden vormen geen onderdeel van 'het psychische', ze zijn slechts het onstoffelijke gereedschap van de mens (c.q. het dier).
0 Reacties