Na Krishnamurti

Categorieën: 1986, 1 april – 1989, 31 december | Archief

Trefwoorden: Krishnamurti (Jiddu)

Jaap Schot, 27 juni 1987

Wat ik van Krishnamurti geleerd heb is onder andere het verwoorden van het je niet laten verleiden tot het opvatten van het mentale als een gebeuren in de tijd. Daarnaast duizend andere dingen, o.k., dat is hier nu niet mijn onderwerp. Ik wil nu in dit opstel vaststellen, constateren, dat nadat ik mij van alle illusies heb bevrijd, ik nu zit zonder de misvatting dat mijn tijdgenoten en ik iets anders en meer zouden zijn dan biologisch geproduceerde robots-computers, die ertoe veroordeeld zijn te dicht opeen te wonen, doordat een voortplantingsrem ontbreekt.
Wanneer we met een ander in aanraking komen pas gaat die ander ons aan. Dat is een boodschap van Jezus.
Let wel: het wegdenken van al die flauwe kul van competitie en concurrentie heb ik achter de rug. Ik beperk mij in mijn consumptie tot het nodige voor mijn leven en welzijn en ik heb geen illusies en ik streef die niet na. Dit opstel is "van na Krishnamurti".

Na het me demystificeren, ontgoochelen, desillusioneren sta ik nu alleen, maar ik wordt geraakt door de buurhufter met de zijn machtsgebied afgrenzende bomen en ik wordt geraakt door leveranciers die knoeiers zijn, maar die breken niet door mijn geldpantser heen, die buurman wel, ik ben niet rijk genoeg om naar een echt vrijstaand huis te verhuizen. Dat is het hele probleem. Hoe mijn tijdgenoten met elkaar omgaan raakt mij niet. Ik voel ook niets bij die hufter, zelfs geen hekel, want dat voelt een mens niet bij dingen die in de weg staan. 'In de weg staan' is de foute uitdrukking, ze staan te dicht bij me. De anderen zijn voor mij dingen. Ik ben zelf ook een ding, een ding met een bewustzijn, een ding met gevoelens, bijvoorbeeld het gevoel van onrust dat ontstaat als iemand zelf of iemands bomen te dicht bij me staan. Een gevoel dat ook ontstaat als een ander mij geluiden laat horen zonder dat ik dat wil en ik deze geluiden niet kan doen ophouden.

Mijn naasten doen niets tegen die overlast. Niet tegen hun eigen overlast en niet tegen de mijne, ze organiseren zich ook niet.
Dat is echter het enige dat ons te doen staat: deze concrete storingen, deze overlast hier en nu bestrijden: samen georganiseerd als geschaden.

Er zijn veel mensen die in de vorm van overlast druk doorgeven die op hen wordt uitgeoefend: voorbeeld: die man die een uurtje keiharde muziek draait om de ellende van die dag op zijn werk te vergeten, te overstemmen. Die man kan niet weg. Anderen hebben onvoldoende inkomen om die woning te kunnen kopen die bij hun hobby's past, waar ze bijvoorbeeld zonder te storen piano kunnen spelen. 'Zonder te storen' is ongelijk aan 'ongestoord'. Het is niet zo dat de protesterende buren de schadenden zijn die deze speler het ongestoord spelen onmogelijk maken.

Dit storen, deze overlast, dit doorgeven van de druk die in een overbevolking ontstaat, is het centrale echte probleem. Niet de Russen zijn degenen die ons echt schaden en bedreigen. Echt schaden doen ons de Fransen en de Duitsers, bondgenoten in de NAVO die ons drinkwater en onze lucht bevuilen. De echte dichtbije bedreiging en geweldpleging is die van onze naasten, onze buren, degenen met wie we noodgedwongen omgaan omdat we geen afstand kunnen nemen, onze ruimte niet tegen hun binnendringen kunnen verdedigen. Onze ruimte, dat is de ruimte die we om ons heen nodig hebben om ons niet onrustig want ingesloten te voelen, een gevoel dat biologisch is en niet valt weg te denken.

Op en bij wat niet het initiatief neemt mij te raken, ben ik niet betrokken. Ik geef er gewoon niets om hoe het verloopt, het is mij onverschillig, het maakt voor mij geen verschil. Ik heet geen Atlas en ik ben geen God. Ik ben alle onnodigs kwijt, ik hoef alleen wat nodig is voor mijn leven en welzijn. En juist nu merk ik dat ik gevangen zit buiten het bezit en de voorrechten van de anderen, die mijn buren zijn of die via de politiek al verdelend mijn inkomen verminderen. Wij tijdgenoten zijn niet elkaars bondgenoten en helpers, maar elkaars concurrenten (op onze beurt vertonend, onze voorrechten, waaronder ons bezitten) en tegenspelers (op onze beurt met elkaar in competitie om het best op onze beurt dienend, voor geld). We zijn concurrenten en tegenspelers doordat een minderheid daar plezier aan heeft en doordat de meerderheid de politiek niet gebruikt om dat spel te breken, maar hoogstens om (achteraf en tijdens) de ergste negatieve gevolgen van dat spel gedeeltelijk ongedaan te maken. Een "ideaal", zo noemen we het doel zoiets negatiefs ongedaan te maken of er iets positiefs naast of tegenover te stellen. Het verwerkelijken van een ideaal is een doel dat binnen het spel wordt nagestreefd en van het spel deel uitmaakt, net zozeer als het concurreren en wedijveren deel uitmaken van het spel. Het in 'eigen' (ervende) kinderen voortbestaan als speler is een belangrijke en veelgedane daad in het spel. Hoe meer van die eigen kinderen er kwamen en bleven, hoe voller de aarde werd. Nu is de hele aarde reeds als speelveld ("wereld") in bezit, in gebruik, genomen. Iedereen wordt tegen anderen aangedrukt, wordt tot een gevangene, een niet opgeslotene, maar een buitengeslotene. Gesloten buiten de voorrechten van spelende (en in het spel gebruikte) anderen. We zijn ook "slaven in zelfbezit", dat klinkt even vreemd als 'een buitengesloten gevangene zijn'.
Een slavenhouder zet het presteren (de txaenz) van zijn slaven in voor wat hij onderneemt. Zoals een boer zijn vee, zo verzorgt een slavenhouder zijn slaven. De slaven in zelfbezit die wij, werknemenden, hier te lande heden ten dage zijn, zetten zich, tegen betaling in voor wat een ondernemer onderneemt. Zij, de slaven in zelfbezit, dienen voor geld, geld dat ze nodig hebben om de bewakers 'om te kopen' ("betalen" heet dat); de bewakers van alles wat bezeten wordt, alles, zowel de luxe als het voor het leven en welzijn van de kopers nodige. Wie de bewakers betaalt, mag nemen nemen wat hij wil. Dat wat hij nodig heeft voor zijn leven en welzijn, of iets anders, dat zoekt de betalende zelf maar uit. Wie betaalt houdt de bewaker (bij huren tijdelijk en bij kopen in door de hoeveelheid geld bepaalde mate) af van het bewaken van de goederen en diensten in kwestie.
Hoe goed en verstandig er voor de slaaf in zelfbezit gezorgd wordt, bepaalt deze zelf, binnen de grenzen van wat hij kan verdienen en daarvoor kan kopen.

Alle gebrek is terug te voeren, te herleiden tot geldgebrek, ook het gebrek aan ruimte, rust en bezigheid (gelegenheid om via de aangeleerde, eigen gemaakte, vaak gespecialiseerde vaardigheden harmonisch te functioneren, bijvoorbeeld te bewegen, te verkennen en te denken).
Na Krishnamurti's inzichten mij eigen gemaakt te hebben, tref ik nu mijzelf aan met een gebrek aan ruimte en aan bezigheden. Niet met een gebrek aan rust, dat gebrek is een gevolg van de twee andere genoemde tekorten. In bezigheden kan ik misschien nog wel voor mezelf voorzien, als ik ertoe overga te publiceren. In voldoende ruimte dacht ik al voor mezelf voorzien te hebben door het kopen van dit huisje aan de rand van een dorp. Dat huisje werd ingesloten door mijn buren, die daarna, beide, hoge bomen lieten groeien en mij zo uitzicht en licht ontnamen en zodoende vooral: mij het gevoel van voldoende ruimte te hebben ontnemen. Ik merk dat de ene, die het ergste mij in deze kan schaden mij zoveel als hij kan schaadt en onaanspreekbaar is, geniet van zijn macht over mij, macht die hem door de staat wordt gegeven, gelaten, tegen mij.

Dat is mijn probleem. Het enige. Er is niets mis met mij. Zo min als het een eigenschap van iemand die in het water ligt is dat hij nat is, zo min is het een eigenschap van iemand die in een te kleine ruimte gedrongen wordt, dat hij onrust voelt en uit. Zich uiten is geen vorm van omgaan met (jegens) je naaste.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Categorieën in Jaap’s teksten

Recente reacties