Nalatenschap, 2011

Categorieën: 2010, 1 januari – 2014, 31 december | Archief

Trefwoorden: onderwerp van tekst | onderwijs | publiceren | taal | verzinsels

Jaap Schot, 3-6 november 2011

 

Een week voor een – in Jaap's eigen woorden, gevaarlijke – operatie heeft hij gedachten op papier gezet over zijn nalatenschap.
Hieronder de oorspronkelijke versie van 3 november 2011 en de laatste versie, van 6 november 2011, van die – meermaals, door hemzelf, geredigeerde – tekst.

Of al die aanvullingen de leesbaarheid hebben bevorderd, laat ik graag over aan het oordeel van de lezer. [J.S.]

 

De afzonderlijke versies zijn te openen door op het plusteken (+) te klikken. [J.S.]

Oorspronkelijke versie van 3 november 2011

111103nalatenschap
----------------------------
donderdag 3 november 2011
=====================
VOOR DE STICHTING en anderen
======================

Mijn nalatenschap bestaat uit een huis, spullen en een massa uitgeschreven ‘teksten die mij invielen’.
De stichting is er om die teksten ter lezing voor te leggen aan wie na mij doorleven. Mijn landgenoten hebben er mij voor onderhouden, dus lijkt het me niet meer dan correct dat ze mijn productie vrij kunnen gebruiken.

 Woorden zijn de verschijningsvormen van begrippen, volzinnen zijn de verschijningsvormen van gedachten. Teksten zijn groepen volzinnen.
Als die teksten ergens over gaan, zijn het beschrijvingen (schrijfsels bij zintuiglijke prikkels die herkend worden als ‘eerder opgemerkt’ en geduid als ‘van iets daarbuiten afkomstig’, van buiten het denkhoofd, het bewuste).
Als een tekst nergens over gaat, noemen we het bijvoorbeeld een betoog, dan zijn we bezig met wmsggs (woorden met slechts gebruiksgewoonten, woorden die alleen de vorm van namen hebben, maar nergens de naam van zijn, slechts bij ons, Nederlands sprekenden, aan hersenschimmen vast zitten. Die schimmen worden dan de eventuele luisteraar ook bewust. Het is net alsof we aan het bespreken zijn. Maar onderwijs valt er in dat ‘met woorden kietelen’ niet te geven, wij leerden het zelf ook door nadoen en meedoen.

Teksten vallen me in, ik maak ze niet aan, ik noteer alleen (slechts) dat wat me invalt.
Die noterende is te fotograferen, die persoon, die denker, bedoeler, betogende, houder van een mening, enz. enz.: allemaal hersenschimmen.
Maar het is niet de bedoeling van (de bemanning, de bewonderaars en de voordeelhebbers van) het systeem, dat wij dat helder uitspreken, dat zou ertoe leiden dat we het niet langer opvatten als vanzelfsprekend (en) om aan en in mee te doen. Dus heten rangen en standen net zoals stangen en randen: zelfstandige naamwoorden. En op busjes met lijven (levende lichamen) er in staat te lezen: ‘personenvervoer’. Totaal dwaas, personen zijn niet te vervoeren, het zijn verzinsels, enkele dagen na onze geboorte ten stadhuize aangemaakt en genoteerd “vast” aan het lijfje van de baby. Je krijgt er ook een bewijs van, wat bijvoorbeeld bij een brandmerk niet hoefde te worden verstrekt.
========
Dit soort dingen staan er in mijn teksten.

Het nalaten te publiceren gaf me de ruimte om

  1. uit te schrijven wat me inviel
  2. alles wat ik eerder had uitgeschreven gelezen en begrepen te achten bij iedere eventuele latere lezer.

Om deze voordelen te hebben moest ik het publiceren uitstellen tot na mijn dood. Aan dat postuum pas publiceren zit bovendien het voordeel dat een eventuele lezer zich niet meer kan bezwaren tegen de impliciete eis van dat ‘alle woord-begrip-combinaties  van mij’ proberen helder te krijgen. Bij eventueel tegenspreken of napraten / citeren zal die eis uit hem, de lezer, zelf moeten komen of die eis afwezig. En ik zal er niet zijn om er aan te lijden.
==========
Na mijn dood is het ook volkomen zeker en duidelijk dat ik met publiceren niets nastreef, dat ik niets beweer en niets betoog. Een eventuele lezer zal zelf zijn aandacht moeten richten op iets dat hém daar dan zintuiglijk gegeven is, en bij het hem zintuiglijk gegeven onderwerp zelf moeten kiezen tussen ALS EIGEN TEKST ZEGGEN WAT HIJ LAS en EEN daarvan verschillende (bijvoorbeeld een DAARAAN TEGENGESTELDE) TEKST en ZWIJGEN. Door dood te gaan ben ik aan het debatteren en oneens zijn ontsnapt. Op een dode valt niets af te schuiven waarom je spreekt en wát je zegt is puur de verantwoordelijkheid van de persoon die meespeelt in dat spelpraten, dat verbaal vlooien, dat van het zintuiglijk waarnemen losse praten (inclusief napraten, meepraten en tegenspreken).
=======
Het bovenstaande hoort bij de stichting als ‘de bedoeling van de schrijver’. Door te ontsnappen aan debat de beste bijdrage aan ‘wat er aan tekst publiek is’ leveren, die hij kon. De goeierd.
========= 3-11-2011 15:59|

Uiteindelijke versie van 6 november 2011

111103tnm06nalatenschap
----------------------------
Start: donderdag 3 november 2011
=====================
VOOR DE STICHTING en anderen
======================
Voorvoegsel: zat. 5 nov. 2011:
Woensdag a.s. moet ik een gevaarlijke operatie ondergaan. Het is te hopen, maar lang niet zeker, dat ik er onbeschadigd uit kom. Ik heb te lang gewacht met het DEFINITIEF FEITELIJK (laten) regelen van mijn zaken (inclusief de voorhoofdsholteontsteking in kwestie).
Dat te lange wachten kwam doordat ik met groot plezier uitschreef wat ik helder onder woorden wou hebben: ‘hoe ik mijn macro-omgeving zie, beschouw, erbij spreek’, zo ongeveer: ‘wat ik zou zeggen, als ik de gelegenheid om het uit te leggen aan anderen (a.s. onderwijsgevenden,‘in een  onderwijssetting’) (nog) had.
Het was en is op elk moment te vroeg om te publiceren (geweest), want het werd mij zelf ook nog steeds duidelijker. En ik had en heb geen geldingsdrang en geen toegang tot ter zake doende geheimen.
Vandaar: stilte.
===========  5-11-2011 12:54| 13:16:
Zonder toegang tot geheimen en zonder docentenbaan en met een afkeer van napraten en meepraten, richt zich de aandacht vanzelf op de wijze van spreken (de taal, het Nederlands) en hoe die wringt met het voor iedereen waarneembare (voornamelijk dus de output van de media).
Mijn uitschrijfsels gaan dan ook heel veel over de taal en hoe die sprekers én hoorders in de weg zit bij het begrijpen en daardoor bij het verstaan en bij het melden. Dat is geen initiatief van de taal, maar een bijwerking van het debat als medicijn tegen vuistgevechten tot en met oorlog. Het is in dat surrogaat voor vechten niet de bedoeling van de partijen om elkaar en derden helder uit te leggen wat er aan zintuiglijk waarneembaars onderwerp van het spreken is. Kinderen die leren praten en op school zitten, horen dit taalvechten** gebeuren en kunnen er niets tegen doen dat ze daardoor deze onduidelijk bedoelde massa woordbegripcombinaties leren.
Dat ‘fout spreken’ is een traag, lang aan de gang zijnd en blijvend gebeuren. Er was en is dus geen haast mee er verhelderend (ontmaskerend) over te publiceren.
Maar langer dan levenslang kan een mens niet wachten. En nu dreigt het (c.q. mijn) einde.

|** Met constateringen en meldingen valt niet te taalvechten. Ware uitspraken kunnen nooit met elkaar strijdig zijn. Het zijn slechts ansichten van één en hetzelfde, het besprokene. De foto is geen deel van het gefotografeerde. Ook voor de bespreking en de ‘melding omtrent’ is dat zo. Strijdige uitspraken gaan dan ook nergens over, betreffen hoogstens bijvoegingen aan het schijnbare onderwerp. Dit hadden ze het met ons als kind al in de buurt van “bijvoeglijke naamwoorden” kunnen hebben.
======== enz.
=============

Vanwege dat medische gevaar het volgende:

Mijn nalatenschap bestaat uit een huis, spullen en een massa uitgeschreven ‘teksten die mij invielen’.
De stichting is er om die teksten ter lezing voor te leggen aan wie na mij doorleven. Mijn landgenoten hebben er mij voor onderhouden, zij het zonder erg, dus lijkt het me niet meer dan correct dat ze mijn productie vrij kunnen gebruiken.

Woorden zijn de verschijningsvormen van begrippen, volzinnen zijn de verschijningsvormen van gedachten. Teksten zijn groepen volzinnen.
Als die teksten ergens over gaan, zijn het beschrijvingen (schrijfsels bij zintuiglijke prikkels die herkend worden als ‘eerder opgemerkt’ en geduid als ‘van iets daarbuiten afkomstig’, van buiten het denkhoofd, het bewuste).
Als een tekst nergens over gaat, noemen we het bijvoorbeeld een betoog, dan zijn we bezig met wmsggs (woorden met slechts gebruiksgewoonten), woorden die alleen de vorm van namen hebben, maar nergens de naam van zijn, slechts bij ons, Nederlands sprekenden, aan hersenschimmen vast zitten: in onderling verbonden hersencellen, naar men zegt,  ‘geassocieerd’.
Het (dat verschijnsel) heet dat die woorden wat betekenen, alsof die woorden actief zijn, zo klinkt het. Het vast komen te zitten van die woorden aan ‘wat er bij sprekers om je heen ook aan vast schijnt te zitten’ heet ‘leren’. Leren dóe je niet, het gebeurt.
Die hersenschimmen worden dan de eventuele luisteraar óók bewust. Het is net alsof we ergens bij aan het spreken zijn, aan het bespreken. Maar onderwijs valt er in dat ‘met woorden kietelen’ niet te geven, wij leerden het zelf ook door nadoen en meedoen. Het voorleven aan kinderen van het doen alsof je bespreekt, waar / terwijl het onderwerp er niet is, is geen onderwijzen. Onderwijzen is: het aan anderen de gelegenheid geven om in zintuiglijke aanraking te gaan met (en zodoende kennis te nemen van) ‘wat gebeurt’. De werkelijkheid verkennen, is dat. Maar al laat je duizenden kinderen tientallen malen een toneelstuk zien opvoeren, het blijft een toneelstuk. Al spelen alle mensen om je heen dat ‘het koninkrijk der Nederlanden’ bestaat en zo, het blijft een doen alsof, het wordt er niet waar of echt van. Er blijft van zo’n staat geen fossiel iets over. Er blijven sporen over  van dat spelen, maar dat is wat anders. Je moet dat er als onderwijzende helder bij zeggen, uitleggen en aanwijzen.. Wat er zonder die vermelding en uitleg bij/in die leerlingen gebeurt, is:  ‘tot geloof komen’ en als je er op aandringt dat ze mee gaan doen: dan raken ze gehypnotiseerd. Ze komen op buitenbesturing te staan, ze gaan een (“hun”) rol spelen (c.q. in het spel, een rollenspel, figureren).
=====
Teksten vallen me in, ik maak ze niet aan, ik noteer alleen (slechts) ‘dat wat me invalt’.***
Die noterende is te fotograferen, die persoon, die denker, bedoeler, betogende, houder van een mening, enz. enz.: allemaal hersenschimmen, waar slechts sprake van is.
Maar het is niet de bedoeling van (de bemanning, de bewonderaars en de voordeelhebbers van) het systeem, dat wij dat helder uitspreken, dat zou ertoe leiden dat we het niet langer opvatten als vanzelfsprekend (en) als ‘om aan en in mee te doen’. Dus heten rangen en standen net zoals stangen en randen: zelfstandige naamwoorden. En op busjes met lijven (levende lichamen) er in, staat te lezen: ‘personenvervoer’. Totaal dwaas, personen zijn niet te vervoeren, het zijn verzinsels, enkele dagen na onze geboorte ten stadhuize aangemaakt en genoteerd “vast” aan het lijfje van de baby. Je krijgt er ook een bewijs van, wat bijvoorbeeld bij een brandmerk niet hoefde te worden verstrekt.
Het inschrijven is wel net als brandmerken: de baby wordt het bezit van de SOEVEREIN en die persoon krijgt dat stuk mensvee in LEEN. Leenheer en leenman en het onderhavige bezit. De begrippen en regelingen bleven, de woorden veranderden.
========
Dit soort dingen staan er in mijn teksten.

       Het nalaten te publiceren gaf me de ruimte om

  1. uit te schrijven wat me inviel
  2. alles wat ik eerder had uitgeschreven, ‘gelezen en begrepen’ te achten bij iedere eventuele latere lezer.

Om deze voordelen te hebben moest ik het publiceren uitstellen tot na mijn dood. Aan dat postuum pas publiceren zit bovendien het voordeel dat een eventuele lezer zich niet meer kan bezwaren tegen de impliciete eis van dat ‘alle woord-begrip-combinaties  van mij’ proberen helder te krijgen. Bij eventueel tegenspreken of napraten / citeren zal die eis uit hem, de lezer, zelf moeten komen of die eis blijft afwezig. En ik zal er niet zijn om er aan te lijden.
==========
Na mijn dood is het ook volkomen zeker en duidelijk dat ik met publiceren niets nastreef, dat ik niets beweer en niets betoog. Een eventuele lezer zal zelf zijn aandacht moeten richten op iets dat hém daar dan zintuiglijk gegeven is, en bij het hem zintuiglijk gegeven onderwerp zelf moeten kiezen tussen

  • ALS EIGEN TEKST ZEGGEN WAT HIJ LAS en
  • EEN daarvan verschillende (bijvoorbeeld een DAARAAN TEGENGESTELDE) TEKST UITSPREKEN
  • en ZWIJGEN over het onderwerp.

Door dood te gaan ben ik aan het debatteren en oneens zijn ontsnapt. Op een dode valt niets af te schuiven. Waarom je spreekt en wát je zegt is puur de verantwoordelijkheid van de persoon die meespeelt in dat ‘speelpraten’, dat verbaal vlooien, dat van het zintuiglijk waarnemen losse praten (inclusief napraten, meepraten en tegenspreken).
=======
Het bovenstaande hoort bij de stichting als ‘de bedoeling van de schrijver’. Door te ontsnappen aan debat, wou hij de beste bijdrage aan ‘wat er aan tekst publiek is’ leveren, die hij kon. De goeierd.
========= 3-11-2011 15:59|
 779||4-11-2011 12:05|
5-11-2011 13:43|1.096 woorden.
6-11-2011 16:53|1.198||16:54:
       |*** Uitschrijven ‘wat je invalt aan tekst’ is een vorm van ‘geluidsopnamen maken’, wie leert lezen wordt tot een afspeelapparaat van dat soort opnamen. Zo, die verzamelde uitschrijfsels doorspekkend met datums, werd mijn gedenk blijvend voor anderen waarneembaar en na publicatie toegankelijk.
Het  zoeken (door mij nu, door de stichting later) is naar een onderzoeker van ‘gedenk’, die deze massa ruwe scores voor zijn onderzoek wil, kan en gaat gebruiken.
---------
6-11-2011 17:09|1.313|||22:50|1.429|||

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Categorieën in Jaap’s teksten

Recente reacties