Jaap Schot, januari 1985
In deze inleiding zet ik een conceptengroep uiteen. De concepten in deze groep zijn: natuur, wereld, samenleving, cultuur en civilisatie, met binnen die laatste: maatschappij en onderwijs.
Uiteenzetten vervangt hier definiëren. Het uiteenzetten omvat hier:
- het aanduiden van grenzen tussen de grootheden,
- het noemen van kenmerken van de grootheden,
- het aangeven wanneer en hoelang de mensen er in verkeren,
- het aanwijzen van omgang tussen de mensen vanuit de grootheden,
- het aanduiden van de wijze waarop de grootheden bestaan,
- enzovoort
Ik doe dat uiteenzetten met behulp van drie figuren, drie schematische tekeningen.
In de eerste figuur kijken we als het ware van bovenaf op natuur, cultuur en civilisatie en zien we hoe ze elkaar gedeeltelijk bedekken. Hier worden de grenzen benoemd tussen de grootheden. Grenzen die men overschrijdt als men van de ene grootheid naar de andere gaat. Dat overgaan komt neer op het zich gaan gedragen vanuit andere vooronderstellingen, en met andere doelen.
In de tweede figuur kijken we als het ware van de zijkant tegen de drie – op elkaar liggend, getekende – grootheden aan. Hier is getekend welke op welke berust. Anders gezegd: welke welke als bestaand vooronderstelt, en nodig heeft.
In de derde figuur zijn de grootheden los van elkaar getekend en in een formatie neergezet, zodat de onderlinge relaties als pijlen konden worden getekend. De vijandige, antagonistische relaties (er zijn geen positieve) tussen de grootheden komen onder andere tot uiting in verketteringsverhalen, en in de propaganda, van elk der drie. Figuur 3 noem ik het verketteringsschema. In de verketteringsverhalen vinden we die negatieve kenmerken van de verschillende grootheden aangegeven. Negatieve kenmerken die men binnen die grootheden niet mag opmerken en niet mag bespreken.
In de wereld hoeft niet alles te zijn zoals het is. Veel kan ook anders. Degenen die nadeel ondervinden van wat onnodig is zoals het is, hebben geen waarheid als reden om na te laten op verandering aan te dringen. Gegeven dat ze geen waarheid als reden hebben, voorzien degenen die voordeel hebben van de stand en gang van zaken zoals die is, hen van een onware reden, een geldige reden: een dwingend verbod.
Binnen de wereld, binnen de cultuur, binnen de civilisatie, binnen de maatschappij en zelfs binnen het onderwijs, is het verboden om op verandering aan te dringen. Laat staan, op eigen houtje iets te veranderen. Dat wil zeggen, het spel niet mee te spelen zoals het gespeeld wordt. Dit verbod wordt overtreden en tegen de overtreders wordt ononderbroken opgetreden.
Vraag:
Waar halen de overtreders de wens vandaan om iets, aan de stand en gang van zaken, te veranderen?
Antwoord:
- Het feit dat er, bij elke verzameling regels, verliezers zijn.
En uit het feit dat een regel in iemands nadeel werkt, kan hij een wens maken om die regel te veranderen. Of, uit te schakelen. - Mensen blijken steeds aan de fundamenteler grootheid de voorkeur te geven boven de erop berustende grootheden.
Vanuit de natuur wordt de cultuur afgewezen. Vanuit de cultuur wordt de civilisatie afgewezen. En vanuit de civilisatie wordt de maatschappij, de commercialisering en vertrossing, afgewezen.
Het is voor de lezer verhelderend wanneer ik van tevoren uitdrukkelijk verklaar dat ik schrijf vanuit mijn compromisloze keuze voor de natuur. Tegen de cultuur en tegen de civilisatie.
Ik schrijf propaganda voor de keuze voor de natuur.
Ik verketter de maatschappij, de civilisatie en zelfs de cultuur. Zo noem ik bijvoorbeeld de civilisatie 'Groot-Auschwitz' en dat is niet lovend bedoeld.
Zo stel ik vast dat de mensen in feite vastzitten. Ze zitten vast in de meeste culturen, en in alle civilisaties. Ze kunnen er niet uit weggaan, de natuur in. Ik noem dat, onomwonden, gevangenschap.
De eerste figuur
Omgeven door een smalle rand van er niet door bedekte (ongerepte) natuur, is de wereld getekend.

De wereld bestaat uit natuurlijks waar wat mee gedaan is, en wordt. Het natuurlijke bestaan van wat in de wereld gebruikt wordt, gaat voort. Hoezeer ook veranderd en vooral hoezeer ook gereduceerd. Ieder mens leeft van conceptie tot dood in de natuur, als natuurlijk wezen.
Bij zijn geboorte komt hij ter wereld. Hij wordt dan opgevangen – of, gevangen – door de cultuur. Vandaar de onverwijlde belangstelling voor zijn geslacht, omdat er in de traditie – aan mensen van verschillend geslacht – verschillende eisen gesteld worden.
Een mens leeft dus langer dan hij in de wereld verblijft, zelfs als hij binnen de wereld sterft.
De aarde, de natuur, is niet door mensen gemaakt en wordt niet door de mensen in stand gehouden. Voor de wereld is de mens wel de schepper en onderhouder. De relatie van God met de natuur is een projectie van die relatie van de mens tot de wereld.
De wereld strekt zich in de werkelijkheid uit over vrijwel het gehele landoppervlak van de aarde. Er is wel onbewoond aardoppervlak, maar geen onbewoonde wereld. Waar aardoppervlak bewoond wordt, daar is de wereld.
Natuurmensen wonen niet.
Van nature woont een mens niet.
Konijnen bijvoorbeeld wonen, die hebben holen. Mensen niet. Mensen bouwen geen nesten, van nature. Op het aardoppervlak dat tot de wereld is gemaakt, is leven in niet-menselijke vorm, maar er is geen ongerepte natuur. De wilde, vrije dieren en planten zijn niet allemaal gevlucht, de wereld uit. In enclaves, waarvan sommige reservaten zijn, bestaat er ongerepte natuur. Omgeven door gebruikt en bewoond aardoppervlak, omgeven dus door de 'wereld'.
Er is sprake van een reservaat wanneer de mensen een natuurlijk gegeven wel al kunnen vernietigen en gebruiken, maar daar om deze of gene reden nog even van af zien.
De grens natuur-wereld
Wat van de natuur genomen wordt, wordt de wereld binnengehaald, waar het verdeeld kan worden onder de mensen.
Het binnengehaalde wordt als 'fiche' – als spelinzet – gebruikt voor het grote, centrale verdeelspel dat de mensen in de civilisatie spelen. Dat verdelen gebeurt, bewust en opzettelijk, ongelijk. Volgens sommigen verdeelt men ongelijk teneinde zowel wie meer nodig heeft dan hij reeds heeft als wie meer begeert dan hij reeds heeft, ertoe te brengen zich in te spannen.
Wat de wereld binnengehaald wordt, wordt een grens over gehaald. Wat eerst in de natuur alleen maar was, is nu plotseling van de mensen van de wereld. Het is niet – zoals bij natuurmensen – van de groep, maar het is van iemand. Het is (privaat) bezit. Van een enkeling, een persoon. Of van een subgroep, een IETS bijvoorbeeld.
Milieu
Het te beschermen 'natuurlijk milieu' of 'biologisch milieu' ligt al binnen de wereld. Het gaat daar om dat biologische, die andere levensvormen, waarmee we in aanraking komen. Milieubescherming is voor de mensen van de wereld gewoon zelfbescherming. Tegen het, via de andere levensvormen, elkaar vergiftigen en anderszins benadelen.
De natuur raakt de mensen in de wereld ook op haar eigen initiatief.
Van buitenaf in het weer, in rustgevende omstandigheden, in ziekten en in plagen.
Van binnenuit in het ervaren van nooddruft (moeten eten, moeten drinken, moeten rusten, moeten baden enzovoort), en in lustbeleving bij het functioneren.
Verplicht gedrag binnen de wereld
'Wereld' is de naam voor het – door geërfde regels, geordende – samenleven van de mensen, plus voor dat geheel van artefacten, waarbinnen zich dat samenleven afspeelt.
'Samenleving' is de naam voor dat onstoffelijke apart.
Artefact, artificieel, kunstmatig – in tegenstelling tot natuurlijk – is al het door mensen gemaakte. Zowel het stoffelijke als het onstoffelijke. In dit verband gaat het bij het stoffelijke om bijvoorbeeld wegen, gebouwen en voorwerpen. Bij het onstoffelijke om regelingen, wetten en tradities.
Om lid van de samenleving te zijn, moeten we ons op vastgelegde manieren gedragen. Daarbij gebruiken wij de stoffelijke wereld. Als we die wegen, gebouwen en voorwerpen volgens voorschrift gebruiken, gedragen we ons meteen zoals het hoort. Een schoolvoorbeeld is hier 'naar de wc gaan'. Ook ontbijten is niet alleen maar 's ochtends wat eten, het gaat om 's ochtends dat eten. En zeker is dineren niet zomaar iets warms eten. Men denke slechts aan het eten met mes en vork.
De samenleving regelt ook hoe we ons huis bewonen, niet slechts dat we een huis bewonen. Ze regelt hoe we ons kleden, binnen welke grenzen wij daarin onze eigen smaak moeten hebben en moeten uitdrukken. Ze regelt niet slechts dat we ons kleden.
De natuur onder de wereld
Het ongeregelde, en door eigen afspraken zelf geregelde, samen leven blijft natuurlijk samenleven. Ook al brengen de betrokken mensen een deel van hun tijd in de wereld door.
Dit voortbestaan van het natuurlijk wezen zijn voor en door en bij mensen in de wereld, wordt in de tekening uitgedrukt door het tekenen van de natuur als 'onder' de wereld doorlopend. Erdoor bedekt, maar er niet door vervangen.
Het erven
Het kenmerkende aan de artefacten die de wereld vormen, is dat ze na het sterven van de makers voortbestaan. De nabestaanden staan voor de keuze deze artefacten met de makers te begraven of te verbranden. Of, ze als erfenis te beschouwen en verder op hun beurt in gebruik te houden.
Dat aannemen als erfenis is een fundamentele beslissing, en een die in alle vrijheid genomen wordt. De doden hebben geen macht waarmee ze dat overnemen zouden kunnen afdwingen van de levenden. Zelfs als zij, de doden, dat nog zouden kunnen willen, ze kunnen de levenden niets meer doen. Alle spookverhalen ten spijt, waarmee men al vertellend zijn aanstaande nabestaanden suggereren kan, dat men die macht wel heeft. De waarheid is: macht komt uit de loop van een geweer, en een dode kan geen wapen meer hanteren. Waar geen wapen, geen fysieke kracht is, is geen werkelijke dreiging. Waar geen werkelijke dreiging is, kan wel losse angst uit herinnering bestaan. Daartegen is psychoanalytische, psychotherapeutische behandeling gericht. Van die losse angst kan een mens zich laten verlossen.
Waar het erven op berust is of, 'dat de schrik erin zit', of dat de nabestaanden de prestaties van de gestorvenen als positief opvatten, doordacht of (meestal) ondoordacht . Dat ondoordachte positief opvatten, kan met de sympathiegevoelens voor de nu gestorvenen samenhangen. Maar ook met schuldgevoelens, angst enzovoort.
Het is van belang te beseffen dat het van vele levenden de uitgesproken bedoeling is om voort te bestaan. In voorwerpen en in de herinneringen en in de gewoonten van de nabestaanden.
Menigeen wil niet onopgemerkt leven en spoorloos verdwijnen. Integendeel, hij wil door de anderen opgemerkt worden (zo mogelijk geliefd, maar desnoods ook gevreesd, gehaat of om welke andere reden dan ook van belang gevonden) en vooral: herinnerd.
Menigeen wil het levenslang in de wereld vastgezeten hebben, vergoed zien door het gevoel iets aan de wereld veranderd te hebben. Bijgedragen of afgedaan, dat maakt in deze geen verschil.
In de natuur maken mensen afspraken. Dat zijn echter geen artefacten die met dezelfde bijbedoelingen (voortbestaan in het leven der nabestaanden) gemaakt werden als de wetten, regelingen en tradities. Die afspraken werden bedoeld ook te gelden voor anderen, die ze niet maakten. Evenals de rechten en voorwerpen, die als erfenis moeten dienen voor de kinderen en andere nabestaanden.
Die duurzaam bedoelde artefacten vormen de – respectievelijk, stoffelijke en onstoffelijke – structuur van de wereld. Die structuur stelt paal en perk aan wat kan, en maakt waarschijnlijk wat er zal worden gedaan. Ook later, na het sterven van de erflaters.
De stoffelijke artefacten houden, los van mensen met bijpassende gebruiksgewoonten, de wereld der bouwers niet in stand. Voorbeelden daarvan zijn de lege steden der Inca's, en die religies waar niemand meer in gelooft. De piramiden zijn voorbeelden van artefacten, die verder niet voor gebruik bedoeld waren. Het worden wereldwonderen genoemd, maar bij nader inzien was alleen het (laten) bouwen ervan een samenlevingswonder.
Samenleven
De ruimte – respectievelijk voor wonen & werken en voor doen & laten – die de mensen die samen leven hebben, wordt door de bouw van de wereld, respectievelijk van de samenleving, begrensd, beperkt en bepaald. Hun doen en laten wordt erdoor waarschijnlijk gemaakt en gericht.
Anders doen kost meer tijd, aandacht, energie, vindingrijkheid en moed (durf) dan 'gewoon' doen.
'Samen', dat is in 'samenleven' niet meer dan:
- tegelijkertijd en
- vele van de anderen af en toe rakend
- vanuit een gemeenschappelijk richtverhaal levend.
Ik constateer dat om te kunnen samenleven een gemeenschappelijk richtverhaal nodig is. Een gezamenlijke 'wereldbeschouwing' – let wel: geen wereldbeschrijving! – die allen aanzet tot hetzelfde nastreven en hetzelfde vermijden.
Als die gezamenlijkheid ontbreekt, zal er steeds strijd zijn. Tussen bijvoorbeeld diegenen die de neushoorns willen verbruiken om zich potent te voelen enerzijds. En diegenen die deze dieren willen beschermen anderzijds. De niet-eindigende stroom wetten en regelingen, geboden en verboden wijst op de afwezigheid van zo'n gezamenlijke geldige (=niet ware) gerichtheid.
'Bouw' is het Nederlandse woord voor 'structuur'. Het benoemt, evenals 'structuur', het resultaat van ordenen en van vormen. Zowel van het stoffelijke als van het onstoffelijke.
Ordenen en vormen met het uitdrukkelijke doel van duurzaamheid van orde en van vorm.
Omdat het zo fundamenteel is, schrijf ik hier nogmaals:
het aanvaarden van de historisch gegroeide
– door, nu, doden tot stand gebrachte –
structuur van de wereld, van de samenleving,
is een vrije daad van de levenden.
'Vrij' in de betekenis van: ongedwongen, niet onder fysieke bedreiging gesteld. Gewoon doen net als de voorvaderen, is meer een kwestie van voor gemak kiezen, dan van werkelijk staan achter het zo-zijn der regelingen, der orde dus.
Nu verschillende culturen en godsdiensten en civilisaties niet langer het elkaar raken, kunnen vermijden, is het aanvaarden van genoemde erfenissen wangedrag geworden. Men noemt zo'n erfenis zijn culturele identiteit en bezweert elkaar toch vooral verdraagzaam te zijn. Dit aanzetten tot verdraagzaamheid, is het bestrijden van het gebruik van het eigen verstand, door de nu levenden. Het is het bestrijden van het verstand, door middel van het doen van een beroep op het gevoel.
Werkende orde
Orde brengt functie, functioneren, voort.
De onderdelen van een uiteengenomen wekker – van links naar rechts naar toenemend gewicht – naast elkaar neergelegd, zijn samen niet functioneel.
Deze onderdelen kunnen samen een wekker vormen. De voorwaarde daarvoor is echter datgene wat ik de bouw, de structuur, de orde noem.
'De functionele orde' kunnen we als term gebruiken wanneer we, het liggen van de onderdelen in opeenvolging van hun gewicht, ook een orde – of, ordening – willen noemen.
Een functionerende orde produceert voortdurend. Een huis produceert voortdurend beschutting, een klok produceert voortdurend de gelegenheid de tijd af te lezen.
We zien hier een vorm van functioneren/ produceren waarbij er sprake is van het doorstromen van energie – bij die klok. Naast een vorm van produceren/ functioneren waarbij daarvan geen sprake is – dat huis.
De maatschappij
In de maatschappij zijn is: meedoen aan het produceren, teneinde ongelijk te verdelen. Onder het geheel van regels en wetten, waarvan men een deel in de economie beschrijft en in de econometrie berekent.
Hier is sprake van produceren waaraan mensen arbeid moeten bijdragen. Hier laten de mensen hun eigen structuur functioneren om energie die door hen stroomt te vormen en te richten. Die 'eigen structuur' is een artefact dat in scholing, vorming en opleiding in hun zenuwstelsel werd aangebracht.
Mensen gaan met hun jongere tijdgenoten om als programmeurs met robots en computers. Ze brengen er structuren in aan waardoor doorstromende energie gericht en bruikbaar gemaakt wordt.
In de maatschappij gebruikt men de resultaten van z'n vakopleiding.
De zo geprogrammeerden zelf zijn, als ze arbeiden, intern-ordelijke en gevormde dingen: dynamisch/ producerend / functionerend.
Zij zijn dingen,
dat is hier de hoofdzin.
Ze zijn dingen en worden als zodanig gebruikt. Je bent 'wat' binnen de maatschappij, namelijk dat waarvoor je bruikbaar gemaakt – en, in gebruik genomen – bent. Een plaats in de maatschappij hebben is: een ding zijn. Een ding zijn, betekent voor een mens – of, een dier – gereduceerd zijn. Slechts gedeeltelijk werkzaam zijn, er slechts gedeeltelijk zijn.
Er wordt een ding van je gemaakt door het inbrengen van zo'n functionerende, producerende orde. In computertermen, zo'n programma. Je wordt een bruikbaar lid van de maatschappij.
Hoezeer de mensen die in de maatschappij functioneren inderdaad dingen zijn, blijkt uit het feit dat ze door computers, robots en systemen vervangen (dreigen te) worden.
Het proces van arbeidsdeling en mechanisering lijkt achteraf wel een voorbereiding te zijn geweest voor de automatisering, de robotisering en computerisering. Het lijkt achteraf wel alsof het tot dingen maken van mensen als maatschappij-deelnemers slechts een tijdelijke maatregel was. Een oefening zolang men nog niet in staat was robots en computers te maken. De technische evolutie levert dezelfde schijn van doelgerichtheid op als de biologische evolutie. De mens verschijnt als schepper van de mensvrije stoffelijke wereld, een kunstmatige – verzorgende en betrouwbare – natuur.
Onderwijs
Het aanbrengen van zulke – voor het arbeiden, bruikbare – interne orde en vorm, is de taak van het onderwijs. Het onderwijs maakt deel uit van de civilisatie. De plicht om dit geordende en gevormde zijn te leren, is één van de eisen van de maatschappij. De maatschappij eist dat je je als kind/jongere laat programmeren, je laat maken tot een nuttig en bruikbaar lid van de samenleving.
Let wel: van de samenleving. En niet, veel toegespitster: van de maatschappij.
In de maatschappij moet men, om aan geld te komen, meedoen door het dienen van een werkgever/opdrachtgever/klant. De maatschappij is het front, waar de mensen met elkaar strijden om de verdeling van het geld. Er is nooit plaats voor alle samenlevenden aan het front, zolang er geen 'totale oorlog' aan de gang is. Om die reden is de scholing er ook niet op gericht om voor iedereen vechten aan het front mogelijk en/of aantrekkelijk te maken. Echt aantrekkelijk is de aanwezigheid aan het front slechts voor wie winnen. Voor wie winnen niet is weggelegd, is er nog een ander motief, namelijk het vermijden van in armoe te moeten leven achter het front. In onbruik zijn, buiten het front, moet (door hoge lonen voor de vechtenden) minder aantrekkelijk gemaakt worden dan in gebruik zijn (niet winnen dus) aan het front.
De taak van wie niet in de maatschappij werken is: van het daar geproduceerde te consumeren en via keuze van wat ze voor hun geld kopen, de productie richten. Zodoende houden ze de schijn op van nuttigheid, waarachter de werkers in de maatschappij hun spel – dat uitsluitend over ongelijk verdelen gaat – willen laten schuilgaan.
Als er voor iemand nog geen plaats in de maatschappij is, als er nog geen gelegenheid voor hem is om er iets te zijn, dan moet hij steeds solliciteren. Hij moet steeds dringen om mee te mogen doen. Pas als hij dat doet, krijgt hij een uitkering van geld. Ondanks het feit dat hij geen tijd, aandacht, energie en vaardigheden inbrengt en bijdraagt aan de maatschappij. Anders gezegd, ondanks het feit dat hij voor, en in, de maatschappij (nog) niets betekent. Deze regeling geldt tenminste hier en daar in de wereld. Niet eens overal.
De maatschappij maakt deel uit van de civilisatie. Sommigen brengen maar heel weinig of zelfs geen tijd door in de maatschappij, zij die nooit, zelden of kortstondig een beroep uitoefenen.
De samenleving omvat de cultuur en de civilisatie. Cultuur en civilisatie maken beide deel uit van de samenleving. Wij allen besteden een deel van onze tijd van leven in de cultuur en een deel in de civilisatie.
Wederzijdse belangstelling en verbondenheid
Binnen de cultuur draait alles om de, door de traditie functioneel geordende, wederzijdse belangstelling en verbondenheid van wie samen leven.
Aanvankelijk is wat men in cultuur bijeen doet, nog een middel tot het doel dat we 'natuurlijk leven' kunnen noemen. De mensen die in een cultuur samen leven, weten aanvankelijk ook nog dat de cultuur een middel is tot een doel. Aanvankelijk spreekt het nog niet vanzelf dat het doel (voorzien in het – voor het natuurlijke leven, het functioneren – nodige) zal worden bereikt, dat het pogen zal slagen.
Pas wanneer een groep mensen er volkomen zeker van wordt dat ze het nodige wel halen, hebben en houden, vergeet men het middel-karakter van de cultuur. De kijk op de arbeid verandert dan. Arbeiden wordt niet langer ervaren als pogen een eigen doel te bereiken. Het wordt, in een cultuur, meedoen. Met de geur van mee moeten doen, de geur van gehoorzamen.
Het arbeiden maakt dan geen deel meer uit van het natuurlijke leven. Niet meer het uitproberen van een eigen oplossing voor een eigen probleem. Het is nu routine, die de ermee opgeloste problemen buiten de ervaring houdt.
Dit natuurlijke leven wordt gekenmerkt door het lustvol functioneren van alle organen, van het hele lichaam. Inclusief de hersenen, het brein, de geest. De geest functioneert in het oplossen van problemen. In het zelf weer uitvinden van het wiel, bij wijze van spreken.
Dienen voor geld buiten de maatschappij
Binnen de civilisatie draait alles om het hebben van ongelijke macht. Die macht wordt aangewend om te bezitten. Dat wil zeggen: om ook dat wat voor hun leven en welzijn nodig is, voor anderen onbereikbaar te houden. Daardoor, dientengevolge gaat het in de civilisatie erom geld te hebben, om zich de bewakers van het bezit van het lijf te kunnen houden. Dat wil zeggen, om te kunnen kopen. Wie geen geld geërfd – of anderszins, zonder dat er verplichtingen aan vastzitten, gekregen – heeft, moet anderen voor geld dienen.
Wie nu niet binnen de maatschappij kunnen dienen voor geld, moeten dat in de civilisatie doen. Een standaardoplossing van dat probleem voor vrouwen was, en is, trouwen. Een andere oplossing is er niet, want men krijgt niet zomaar een bijstandsuitkering. Wie niet zelfstandig onderneemt of als werknemer voor geld dient, moet toch minstens heel goed de schijn ophouden (al solliciterend) dat hij wil werknemen. Wie niet – via een loopbaan in de maatschappij – in een voorziening voor onbruikbaren, invaliden, versletenen, verouderden of zieken is gekomen, kan als 'gezond mens' niet zonder dienen aan geld komen.
De maatschappij eist
Binnen de maatschappij draait alles om het ongelijk verdelen van rechten op goederen en diensten. De maatschappij is de plaats waar de deelnemers van elkaar eisen. Men zegt: "de maatschappij eist". Zo sprekende en denkende uit men niet alleen zijn eigen uitgeleverd zijn aan de gevolgen van het doen & laten van zichzelf en anderen. Maar men verschuilt zich ook achter een term – in dit geval dus, 'de maatschappij' – die men in het spreken invoert als 'een mannetje dat doet' .
Alle doen en laten in de maatschappij is altijd doelgericht. Al was het maar op dat ene doel, aan geld komen. Daarnaast zijn er heel veel bijbedoelingen, die verschillend zijn bij verschillende mensen. En bij dezelfde mensen ook nog op verschillende tijden, en in verschillende omstandigheden, en naar 'hoe je het bekijkt'.
De maatschappij is zo vol doelen en bedoelingen, dat het wellicht onverwacht klinkt dat de meeste gevolgen van wat er door de mensen in de maatschappij gedaan wordt, onbedoeld zijn. Toch is dat vrijwel zeker zo.
De deelnemers drukken dat zelf uit in, onder andere, de gemeenplaatsen:
- 'niemand wil oorlog', en
- 'zowel de technologische ontwikkeling als de groei van de bureaucratie
- hebben een eigen momentum,
- hebben een eigen dynamiek,
- leiden een eigen leven,
- hebben zich verzelfstandigd,
- unterliegen eigene Sachzwänge'.
Het aanduiden van een veroorzaker
Van alle negatieve ontwikkelingen vrijwel wordt gezegd dat niemand ze, bewust en opzettelijk, gewild heeft. Tenzij men natuurlijk een vijand heeft die men 'verantwoordelijk kan stellen'. Dat wil zeggen, als veroorzaker kan aanduiden.
De term aanduiden wordt hier gebruikt omdat aanwijzen met gebaren wordt gedaan. En het hier om werken met woorden gaat. Er is geen sprake van bewijzen. Een voorbeeld van een veroorzaker die geen vijand mocht heten, was enige tijd geleden 'Frankrijk', dat het drinkwater van miljoenen Nederlanders met zout overbelastte. Een nog fraaier voorbeeld is tot op heden 'Duitsland', dat aan het drinkwater van miljoenen Nederlanders gifstoffen toevoegt.
Het aanduiden van veroorzaking en het toeschrijven van veroorzaking, gebeuren door middel van niet-beschrijvende verhalen omtrent de stand en gang van zaken in de wereld. 'Wereldbeschouwingen' noemt men dat. Die zijn zelfs niet van feitelijke informatie gemaakt. Laat staan, van kennis. Deze wereldbeschouwingen zijn niet bedoeld om een juiste beschrijving te geven van wat is. Ze zijn bedoeld om wat de beschouwer overkomt en opvalt, dragelijk te maken en om suggesties te leveren voor reacties.
Men bedoelt niet wat men veroorzaakt, men is slechts bezig met het proberen om
- te veroorzaken wat men bedoelt,
- te bereiken en tot stand te brengen wat men verlangt.
Binnen, wat ik culturen noem
In de cultuur is het elkaar voor diensten betalen, niet mogelijk. Binnen die manieren van samenleven, die ik culturen noem en die zijn geregeld met behulp van tradities waaraan iedereen ondergeschikt is, kan men namelijk niet dienen en dus ook niet heersen.
Er zijn evenveel culturen als er in cultuur – dat is: met een traditie – samenlevende groepen mensen zijn (geweest).
De tradities van de verschillende groepen zijn ongelijk aan elkaar.
Iets doen ten gunste van een ander levert – in, wat ik een cultuur noem – voor die ander geen verplichting op tegenover de dader, die hij al niet had uit hoofde van de traditie.
Eventuele, niet onwaarschijnlijke, natuurlijke 'dankbaarheid' wordt niet door de anderen afgedwongen. Afgedwongen wordt slechts dat wat in de traditie tot gepast is verklaard.
Wat ik met 'cultuur' benoem, is dat samenleven waarbij mensen elkaar niet, voor wat ze ten gunste van elkaar doen, kunnen betalen. Ze kunnen, door zulk doen, ook niet aan extra rechten komen op wederkerig handelen van de begunstigde anderen.
Dat samenleven bestaat nog, ondanks de steeds verder doordringende verwarring vanuit de maatschappij en de civilisatie. Merkbaar bijvoorbeeld in het verschijnsel dat je je vrouw niet kunt betalen voor haar seksuele omgang met jou.
Dat zou beledigend zijn. Men wil het huwelijk niet volledig opvatten als een werkgever-werknemer relatie tussen de kostwinner en de ander. Er zullen al vele mensen zijn die een geldvrij samenleven nooit en nergens hebben meegemaakt, en zich dit ook niet moeiteloos kunnen voorstellen. Zich dit voorstellen kost dan moeite door instellingen als zakgeld en kostgeld. En door de term 'kinderen ten Uwen laste' uit de belastingformulieren.
Ergernis
Als er in de wereld, stoffelijk of onstoffelijk, iets is wat je schaadt, dan is er alle reden om te proberen het te veranderen.
In tegenstelling tot de natuur namelijk is er aan de wereld niets heiligs. De wereld is door mensen gemaakt en wordt door het doen en laten van mensen in stand en in gang gehouden.
De toegewijde ingezetenen van de wereld stellen hiertegenover dat de natuur is geschapen door hun god, hun Allah. Ten dienste van de mensen, om door de mensen gebruikt te worden. Voor hen is de wereldordening heilig. Dat geldt zowel voor tradities in een cultuur als voor wetten en heilige boeken in civilisaties.
Ik erger me wezenloos aan die reactievorm waar iemand over een bepaalde zaak iets opmerkt over een schade die hem wordt berokkend, en dat toch niet als een reden ziet om wat aan de wereld te veranderen. Die berusting, dat lijden, is er een oorzaak van dat de wereld blijft zoals ze is: schadelijk voor de meeste inwonenden.
Tegenover de natuur hebben de civilisaties nooit een voorzichtige houding ingenomen. Ik vraag me af waarom dan een mens, een natuurlijk wezen toch, zich voorzichtig zou behoren op te stellen tegenover de wereld, die immers de natuur in, en om, hem bestrijdt.
De grenzen
Waar de grenzen tussen de natuur en de wereld zijn, wordt onder andere duidelijk wanneer het elektrisch, het gas of de waterleiding uitvalt. Dan stort het micromilieu waarin wij leven, ineen. De wasmachine, de diepvriezer, de computer verworden tot dode, onbruikbare, dingen. Meteen beseft iedereen bij zulk een uitval weer dat we in een namaak van een goed klimaat wonen. Als de kachels niet meer branden, is het koud. Als de waterleiding is onderbroken, is er geen drinkwater meer beschikbaar. De gedachte alleen al, dat we uit plassen en sloten zouden moeten drinken!
De wereld is waar
- leidingen zijn voor water, gas en elektrisch, waar woningen zijn en verharde, vastliggende wegen, waar riolering is en vuilafvoer en waar schoongehouden wordt en onderhouden wordt.
- het omgaan geregeld is en dus geen aandacht en geen besluiten vergt, maar routine en gewoonte is.
- aandacht en tijd beschikbaar zijn voor het onnodige, doordat er in vrijwel al het nodige is voorzien.
- de mensen voor het eerst kunnen beseffen dat ze van nature slechts zijn toegerust om
- ontspannen niets te doen,
- en niet, om hun vrije tijd te besteden aan godsdienstoefeningen in de religie van de ijver. De religie van de civilisatie, 'de actieve vrijetijdsbesteding'.
Die civilisatiereligie staat ontspannen genieten van voldaan en tevreden zijn, van genoeg (gehad, tot zich genomen) hebben, niet toe.
De God van die religie is een geselende slavendrijver, vermomd als geld (talenten) uitlenende risiconemende bankier of als aandringer op zelfontplooiing. De religie van de civilisatie eist actie en interactie.Het weer leren respectievelijk het niet meer de kinderen afleren, om voldaan en tevreden en in rust te zijn, is een vereiste bij het komen tot een wereld zonder strijd, competitie en concurrentie tussen enkelingen en, via bundeling en summatie, ook tussen groepen, staten en andere IETSen.
Ook de feesten van de culturen zijn al teveel activiteiten, nodig door de te grote – door afhankelijkheid van het geluk, het fortuin – gespannen saaiheid. De landbouwer en de veeteler rusten, levend in cultuur, niet langer in het ecosysteem als geheel. Ze hebben daarentegen, belang gesteld in enkele plantensoorten en enkele diersoorten. Landbouwers en veetelers hebben zich gespecialiseerd, en specialisatie levert angst op. Het gespecialiseerde bestaan is een angstig bestaan.
De natuur is buiten
We leven comfortabel op een stuk aardoppervlak waar van nature niet het hele jaar door zoveel mensen leven kunnen. We leven zorgvuldig afgeschermd van de natuurlijke omstandigheden op dit stukje aarde. De natuur is buiten. Daar liggen de grenzen tussen de natuur en de wereld. De natuur is buiten, de wereld is omheind. Wie erin zijn, zijn beschut. Naast de weg is de berm de natuur. Van de huizen uit gezien is 'buiten' de natuur. Milieuproblemen zijn ontstaan doordat we de hele aarde wilden bezitten en tevens delen ervan als buiten, als natuur, als vuilnisvat dus (ja: dus), als niet-gebied wilden blijven behandelen. You can't have your cake and eat it. Maar dat wilden de mensen wel.
Het hele schoonhouden van dat wat we bewonen is een grensafbakeningsritueel. Er zijn tegenwoordig veel teveel mensen die nooit dit ritueel volvoeren. Mede daardoor zijn er teveel mensen die het bestaan van die grenzen niet ervaren, niet beleven, niet kennen.
De kou wordt buitengehouden. Het water is in de buizen opgesloten. Het licht en donker worden, hebben we in eigen hand genomen.
Aan de stoffelijke wereld der voorzieningen (behuizing, waterleiding, gas, elektrisch, telefoon, wegennet, gezondheidszorg enzovoort) wil ik helemaal niet ontsnappen. Hoezeer ik ook besef dat een beschermende bunker niets anders is dan het beeld dat men van binnenuit zich maakt van een gevangenis waarin men verzorgd, maar ook gebruikt en gehouden wordt.
Ook uit de onstoffelijke wereld der wetten en regelingen wil ik niet weg. Zodra, zolang en in zoverre ik het waarschijnlijk vind dat het wegvallen van een functionerende politie, zou leiden tot bendevorming, plundering, verkrachting en moord.
Proefondervindelijk is gebleken dat de opvoedingsproducten van de wereld precies op die gelegenheid om dat gedrag te vertonen, zitten te wachten. Hoevelen van hen? Dat weten wij niet. Wel weten we vrij zeker dat er altijd voldoende rovers, moordenaars en bewakingspersoneel voor concentratiekampen te vinden zijn.
Er is maar een beperkte hoeveelheid van deze miskweken nodig om de hel te bemannen. Dus is het goed dat er politie is. Dat gezegd zijnde is nog niet gesteld dat ik enige positieve waardering op kan brengen voor de concrete inhoud van wetten, regels en traditie. Geregeld moge, gegeven de aanwezigen, beter zijn dan ongeregeld. Anders geregeld kan nog best veel beter zijn dan zoals nu geregeld.
Wereldregering als alternatief
Voorwaardelijke tevredenheid met het feit dat er geregeld is, is nog geen instemming met hoe en wat er geregeld is. Voorafgaand aan het grote sterven der mensheid, noch erdoorheen, is er iets beters bereikbaar dan een wereldregering. Met een wereldpolitie. Wat er nog niet is, is niet per definitie een Utopie.
Wat we nu hebben, is ook geen heilsstaat. De anarchie en chaos van nationale staten en verdragsorganisaties, is een levensgevaarlijke waanzin. Dat is zo'n waarheid die iedereen kent. Menigeen vlucht uit dat kennen weg naar het partijdig meedenken in, of tussen, de nationale staten en organisaties.
In dat elkaar bestrijden in nationale staten en andere organisaties gaat zoveel verloren aan materiaal en aandacht en kunnen, dat er voor iedereen op aarde groot – zelfs ook, materieel – voordeel is te halen uit het komen tot een wereldeenheid. Patriottistische wanen zijn onbetaalbaar dure geestesziekten.
Geld als grens tussen cultuur en civilisatie
De cultuur is van de civilisatie afgegrensd door het gebruik van geld. Binnen de cultuur kan geen geld gebruikt worden. Er kan binnen de cultuur niet gediend worden, want er kan niet geheerst – dat is, niet geknecht – worden. Dus kan er ook geen geld verdiend worden, niet voor geld gediend worden.
Binnen de civilisatie draait alles om geld, als stoffelijk – of, in het geval van giraal geld, zelfs onstoffelijk – symbool van macht. Alles is te koop. Geld hebben is: zich kunnen laten dienen voor geld. De verzorgingsstaat is binnen de civilisatie, maar buiten de maatschappij (die geheel binnen de civilisatie ligt).
De verzorgingsstaat werkt geheel met geld. Ook in die gevallen waar de verzorgden recht hebben op aan hen te verlenen diensten. De dienstverleners in kwestie zijn werknemers in dienst van de staat. In de verzorgingsstaat worden de verzorgden voorzien van een bezigheid, 'wat te doen' – lichamelijk en geestelijk.
De Engelse naam WelfareState geeft duidelijker de evenwijdigheid weer van die staat met het Welfarewerk van bijvoorbeeld het Rode Kruis in sanatoria: het wat te doen geven voor tijdverdrijf aan de mensen, die door anderen verzorgd worden voor wat betreft hun gezondheid. Het genoemde 'wat te doen geven' vindt in de WelfareState plaats door het uitkeren van geld aan de verzorgden. Dat gebeurt zo omdat de verzorgden dienst doen als levend rad van avontuur voor de ondernemers, die diensten te koop aanbieden aan die verzorgden.
Men spreekt ervan dat door het geld uit te keren de ontvangers de 'vrijheid' (misplaatste naam voor soevereiniteit, macht, beschikking, recht) houden het op hun wijze te besteden. Dat geldt dan sterker voor dat wat ze aan onnodigs kunnen kopen, dan voor dat wat ze aan nodigs moeten kopen. In dat laatste geval is er slechts de keuze uit de verschillende merken en soorten dingen die levensmiddelen zijn. Het is uiterst frustrerend deze keuzemogelijkheid niet (meer) te hebben. Of dat nu het gevolg is van het niet te koop zijn in de winkels van wat men wenst of van het niet hebben van voldoende geld om het te kopen.
Pas in allerlaatste instantie laat men na de mensen deze gelegenheid tot keuze te laten. Wanneer aan daklozen soep wordt uitgereikt of maaltijden aan werkelozen in de USA, dan is er geen keuze meer. Dan is de verzorgde geworden tot iemand die niet meer deelneemt aan het grote bestemmen van wat er zal gebeuren voor geld. Zo lang als maar enigszins mogelijk is, wordt de mensen die rol van soevereine geldbesteder gelaten. Ook in dit verband noemen ze die soevereiniteit 'vrijheid'.
Ook de welfarewerkster in het sanatorium biedt allerlei verschillende mogelijke bezigheden aan ter keuze. De zieken zijn leden van de samenleving. Ingezetenen van de civilisatie, dus. Met andere woorden, bezig soevereintje te spelen. In de civilisatie worden aan de gezonde mensen bestedingsvoorstellen voor hun geld gedaan in reclame en propaganda. De doe-het-zelver is evenzeer een klant als wie zich als betalend toeschouwer laat inschakelen in het grote rondstromen van het geld. Nu er bezuinigd moet worden door de verzorgingsstaat, doen sommigen het voorkomen dat het de verzorgden gaat om wat ze consumeren aan diensten. En alsof die diensten dus ook wel door vrijwilligers zouden kunnen worden verleend, zonder betaling. Evenwijdig daaraan doet men alsof het krijgen in natura van wat men anders zou kopen, hetzelfde is als het krijgen van geld om zelf te kopen.
Deze gedachte berust op een dwaling. Om te zien hoe het dan wel in elkaar zit, moeten we de – tot nu toe, in deze opstellen – ingevoerde begrippen gebruiken.
Deelnemerschap
Degenen die aan de anderen diensten verlenen, zijn zelf ook leden van de verzorgingsstaat. Voor hen is het te verlenen hebben van diensten gelijk aan het 'wat te doen hebben', dat het volwaardig deelnemer aan de verzorgingsstaat zijn uitmaakt. Voor deze dienstverleners is het mogelijk af te zien van het ervoor betaald worden. Het deelnemerschap blijft immers volwaardig, want gevuld met wat te doen, een taak. Maar het kiezen van de aan jou te verlenen diensten, maakt nu juist ook onmisbaar deel uit van je volwaardig burger-zijn. Dat wil zeggen, soeverein-zijn.
Degenen die door een 'niet daarvoor betaalde' geholpen worden – het is nu geen dienen meer – zijn van hun waardigheid beroofd. Hun waardigheid is namelijk hun soevereiniteit, hun betalen, hun klant zijn. De onbetaalde helpers kunnen eventueel via anderen (getrouwde vrouwen bijvoorbeeld, via hun wel betaald werkende man) nog wel aan voldoende geld komen om zichzelf in het uitgeven te compenseren voor het dienen voor geld (in dat geval van die huisvrouw dus als huishoudster en als 'dame van gezelschap' voor haar man).
Wee echter als er steeds meer mensen komen die niet voldoende deelnemerschap krijgen,
- niet voldoende geld, dus
- niet voldoende soevereiniteit, dus
- niet voldoende waardigheid, dus
- niet voldoende gelegenheid om te compenseren voor de vernedering van het (hebben) moeten dienen voor geld en/of het zich moeten laten helpen terwijl ze zelf wel kunnen (nemen wat ze nodig hebben), maar alleen maar niet mogen.
Met uitkeringen kun je indirect voorzien in 'wat te doen' voor wie in de maatschappij niet gebruikt worden in het grote aanmaken en verdelen van de buit1.
Met uitkeringen geef je ook geld aan de mensen die in de wereld, maar buiten de maatschappij zijn. Geld dat niet stinkt. Dat is, soevereiniteit die niet qua herkomst herkenbaar is, maar slechts naar omvang.
Het gaat er bij de soevereiniteitsuitoefening die het deelnemen uitmaakt, niet om wat voor diensten je je laat verlenen, maar dat je je door anderen laat dienen. Dat is dan ook niet te vervangen door je door anderen laten helpen. Waar het om gaat, is dat je die anderen kunt vernederen door – op jouw beurt – hen jou te laten dienen voor geld. De vrijwillige helpers zijn niet te vernederen, helpen is geen vernedering voor de helper. Geholpen worden helpt dus niet. Wie zich niet kan laten dienen voor geld, heeft geen menselijke waardigheid meer in de civilisatie. De WelfareState bevindt zich in de civilisatie. En er is dus voor die mensen die geen cultuur – waarin ze leven met anderen, onder het dictaat van een traditie – meer hebben, geen waardig bestaan meer mogelijk zonder geld.
Hoeveel uitingen van het bovenstaande er ook in de loop van de tijd zijn verwijderd, de strekking van het leven in een civilisatie is hetzelfde gebleven.
- De weeskinderen lopen niet meer in kleren met de stadskleuren,
- fietspenningen met gaatjes zijn niet meer in omloop,
- reductiekaarten voor werkelozen worden als manier van voorzien in wat ze nodig hebben afgewezen.
Dat alles betreft vormen. Het maakt ook duidelijk dat velen de erfenis – die de structuur van de samenleving voor ons is – niet van harte en in haar geheel willen.
Misschien is er dus wel hoop dat men ooit tot opnieuw doordenken en tot gaan leven op eigen initiatief durft over te gaan. Ondanks het gekrijs van de belanghebbenden over de onoverwinnelijkheid van de geschiedenis. Voor ieder die een verworven recht heeft, is 'ahistorisch' een scheldwoord.
De tweede figuur
In de tweede figuur zien we eenvoudig onderwijs en maatschappij naast elkaar getekend bovenop de civilisatie, die op haar beurt getekend is bovenop de cultuur en die cultuur weer bovenop de natuur.

De maatschappij en het onderwijs berusten op de civilisatie. De civilisatie berust op de cultuur waarin voorraden bezeten worden.
Nog heden ten dage zijn er stammen – bijvoorbeeld, de Bosjesmannen – die als leefgewoonte hebben om alles wat ze tot zich nemen, te delen. Dat geldt ook voor medicijnen. Als ze die krijgen van artsen, delen ze die ook met hun stamgenoten. Bezit is niet met de mens gegeven. Het is een mogelijkheid, geen noodzakelijkheid. Er is niets natuurlijks aan. En zelfs al zou het natuurlijk zijn, dan zijn die primitieve mensen blijkbaar in staat het af te leren.
De cultuur is een technisch handelen vanuit de natuurlijke neiging om zichzelf en de medemensen, inclusief de kinderen, in leven en welzijn te houden.
De maatschappij produceert zowel het nodige als de topprestaties. Pas kortgeleden kwam de productie van het nodige eten de maatschappij binnen, kwam de landbouwer onder het dictaat van de bankier.
De civilisatie omvat de wedstrijd, het toppresteren en het zich meten met anderen, als – aan alle nodigheid, ontrukte – godsdienstoefening. Volstrekt onnodig worden er records gevestigd en gebroken (Guinness Book of Records). Ook volstrekt onnodig wordt er sport en spel beoefend, en wetenschap bedreven die totaal onbaatzuchtig en opzettelijk nutteloos is. Het voorzien in het nodige – of zelfs, in luxe – wordt voor wie in de civilisatie leven, gedaan door de mensen in de cultuur onder hen. Zo is het aanvankelijk. Geciviliseerd leven is in vrije tijd, in leisure, leven.
Aanpassing in civilisatie voorwaarde voor succes in maatschappij
Wie in de civilisatie niet de waarden van de 'leisure class'2 tot de zijne maakt, maar slechts de uitslagen van de wedstrijden tot zich laat doordringen, wordt in de maatschappij misschien ook ooit een toppresteerder. De weg naar de maatschappij leidt – voor ieder die in die maatschappij geen gebruikte, maar een gebruiker zal zijn – via de positieve aanvaarding van de ongelijkheid in de civilisatie. Wie in de civilisatie het wedstrijden als religieuze bezigheid beoefenen, laten daarmee merken dat ze aangepast – en voor de maatschappij als concurrent, als deelnemer aan de grote competitie, geschikt – zijn qua mentaliteit. De bedrijver van wedstrijden en de toppresteerders in wat dan ook. Ieder die zijn best doet, is herkenbaar als voorstander en bewonderaar van het grote gevecht in de maatschappij.
Het bestaan van de wedstrijd, als basis voor de maatschappij, vatten zij op als een uitdaging. Dat is het kernwoord: de gelovige in de civilisatie is de uitgedaagde. De uitgedaagde is de opgejaagde die opjagen heeft omgedefinieerd in uitdagen. Omdat dat, hemzelf en anderen, suggereert dat het initiatief tot meedoen bij hem lag.
Uitgedaagd worden is ongelijk aan uitgenodigd worden. Een uitdaging is een aanval. Men is niet vrij een aanval af te wijzen. Men is gedwongen te vechten en kan een aanval slechts afslaan. Wie de uitdaging niet aanneemt, verliest. De aanval gaat in ieder geval door.
Dat men tot uiterste krachtsinspanning gedwongen wordt,
- is, bij wie zich uitgedaagd noemt, een eigen initiatief.
- Bij wie zich gedreven weet, ligt het initiatief bij een ander: de slavendrijver.
Het aanzien van het mishandeld worden der gladiatoren, is minder 'leuk' dan het zien hoe gladiatoren de uitdaging aannemen. De vernietiging van jonge mannen in een veldslag wordt als een spannend tafereel gezien. Niet de moord op burgers, die zich niet weren.
De toekijkende massa is geboeid door het spektakel en in het geheel niet misselijk van het aanzien. Het walgt er in het geheel niet van, en keurt het bestaan ervan niet af. De bewondering voor moeilijk te beheersen topprestaties in het algemeen, zonder aanzien van de kwaliteit en de gevolgen van die prestaties, is een noodzakelijke voorwaarde om door te kunnen gaan met de maatschappij. De massa is in haar stompzinnige bewondering van alle toppresteren niet tot enig verzet tegen de maatschappij te krijgen, te motiveren, te brengen. Er is dus geen hoop. Wat technisch kan, zal als topprestatie worden gedaan. Het zal door de rijken, die door de massa tot voorbeeld worden genomen, als eersten worden geconsumeerd of gebruikt. Gekocht, in ieder geval. Daarna zal het in massa worden gedaan, ongeacht alle gevolgen.
Gokken
Er wordt in loterijen, en in verband met topprestaties (quizzen), geld en bezit ongelijk verdeeld onder de deelnemende mensen. Het is moeilijk het gokken duidelijk in cultuur, civilisatie of maatschappij te plaatsen.
In de cultuur kan het al optreden. Door een gebrek aan gelegenheid om actief bezig te zijn, ter zake van de oogst. Of, door een gebrek aan prikkels doordat men niet meer jaagt en zoekt.
We zien het ook in de civilisatie optreden, aan de hoven, in de steden, bij de rijken.
We zien het ook optreden in de maatschappij. Bijvoorbeeld op de beurs, in de vorm van speculeren enzovoort. Het gokken is gecommercialiseerd, we zien ook de massamens bezig, in toto, lotto, bingo enzovoort.
Van civilisatie naar maatschappij: commercieel en professioneel
Wat in de civilisatie als religieuze bezigheid wordt gedaan – als godsdienstoefening, als ritueel – kan worden gecommercialiseerd. De zich aan de topprestaties vergapende massa kan tot betalend toeschouwer worden gemaakt. De aandacht en inspanning voor een bepaalde vorm van zich met elkaar meten – als presteerder, of als door Vrouwe Fortuna gefavoriseerde, of als voorspeller van een uitslag van een wedstrijd – kan worden gebundeld en daarvan kan de bundelaar dan leven. Zo komt, wat in de civilisatie een religieuze bezigheid is, de maatschappij binnen als een gespecialiseerde manier om aan het nodige, plus enige luxe, te komen: een baan, een beroep, een broodwinning.
Wie iets commercialiseert gaat leven van dat doen en laten van anderen dat hij commercialiseert. Type: de bookmaker. Wie een bezigheid commercialiseert, doet dat iets zelf niet. Hij doet wat anders, hij maakt er een handel van.
Wie professionaliseert maakt een beroep – met voorwaardelijk gestelde eisen aan opleiding en kunnen – van iets wat eerst werd gedaan door liefhebbers, hobbyisten, amateurs, op eigen initiatief. Het voordeel van professionaliseren gaat naar de geprofessionaliseerden. Zij nemen de ruimte om dat beroep voor geld uit te oefenen in beslag. Ze nemen het weg van de amateurs. Die niet-professionelen heten nu ineens kwakzalvers of zoiets.
De civilisatie is gekenmerkt door macht en door voorrechten. In de civilisatie kunnen we mensen bezig zien met elkaar te wedijveren, als spel. Er is herenspel en knechtenspel, want in de civilisatie zijn heren en knechten. Het hoofse in de civilisatie is speels. Het spel van de knechten is in het geheel niet speels.
Knechten spelen niet echt. Ze zijn – als gladiatoren, onder dwang – spannende, moeilijke en nutteloze gevechten aan het voeren met elkaar. Hun doel is winnen, teneinde te overleven. Er is nog geen sprake van beroepssportlieden, beroepskunstenaars. Er is nog geen professionalisatie. Wie uit het volk opkomt en mee wil doen, die mag. De heren zullen zich, toekijkend, amuseren. Uit het knechtelijke spelen komt door commercialisering van de bezigheid in kwestie, het geprofessionaliseerde uitoefenen van die bezigheid. De slimme impresario zorgt dat er wat spannends te bekijken, te volgen valt. Wat er in de maatschappij aan arbeid gedaan wordt, is te herkennen als achterkant van het verdelen van het geld. Het is samengesteld uit de afgedwongen nodige arbeid. Plus het doen van allerlei onnodigs, dat – in competitie met elkaar – door knechten gedaan wordt.
Het bezit berust op de voorraad. Op de, niet gezamenlijk bezeten, voorraad berust de ongelijkheid in macht: kunnen schenken uit wat men bezit. De meest bezittende, is de vorst. De mannen spelen vorstje en dat is dan het patriarchaat. Erger dan het bewind van de monarch, is de terreur van de vader die thuis monarchje speelt. Zoals kinderen op straat schooltje spelen in terreurvorm, als ze nog maar pas op school zijn. Wie dat historisch bewezen wil hebben, zoekt het zelf maar uit. Ik heb het alleen over de logische en psychische voorwaardelijkheid en volgorde der onderscheidenheden.
De voorraad is een uiting van het, al of niet gefundeerde, wantrouwen ten aanzien van de natuurlijke omgeving, voor wat betreft het van dag tot dag leveren van het nodige voor leven en welzijn. Met de voorraad kwam het overige: het overleven van meer mensen, het uitzwermen, het vervullen van de aarde, de gesel van de vruchtbaarheid als die gepaard gaat met technisch kunnen veroveren van wat nodig is voor wie erbij gekomen zijn. Zij die wegtrekken, komen in steeds minder voor menselijke bewoning geschikte terreinen en omstandigheden, en passen zich aan.
Daarna komt het koloniseren, het veroveren van gebieden. Dat is, van terreinen waar al mensen wonen. Als dat niet langer kan, loopt de oorlog die de hele mensheid en de hele aarde omvat vast als in loopgraven. De spanningen in de volken zelf lopen tot moorddadige hoogte op, en ontladen zich in heksenjachten, ketterjachten en pogroms. Door overbewapening zijn oorlogen in grote omvang nauwelijks meer te voeren, ze zouden de succesvollen – de leiders, de boegbeeldfunctionarissen – ook schaden. En dat is hun doel natuurlijk niet.
Daar zijn we nu. Zo staat het er wel erg kort. Dat is ook goed, alle uitweiden leidt de aandacht af. Vooral al dat uitvergroten, van details en alle specialiseren op aspecten en facetten, maakt het geheel, de basisstructuur zo moeilijk te vatten. Toch gaat het erom die basisstructuur te zien. Alle spelers, de hele bemanning is op elk moment onbelangrijk. De grote mannen zijn slechts boegbeeldfunctionarissen. Vooroplopers, die noch de richting, noch de snelheid, noch de duur van het lopen, bepalen.
Eerst natuur, dan cultuur, daarna civilisatie
Zonder dat er natuurgegeven mensen bestaan, is er geen cultuur.
Zonder dat er een nawerkende cultuur
- (zich gebonden voelen door een traditie,
- zich gehouden voelen in de voetsporen,
- de gewoonten der voorouders te moeten treden)
is, kan er geen civilisatie bestaan.
Dat komt omdat civilisaties alleen van anarchie en chaos verschillen doordat, en in zoverre, men erin geslaagd is wetten en regelingen te 'verkopen' als waren het tradities. Van bovenmenselijke oorsprong, beproefd, goedbedoeld en eerbiedwaardig. Hier is de plaats om uit te wijden over de democratie, die een geïnstitutionaliseerde ontheiliging van het overgeleverde is. Een systeem geworden anarchie, en dus – in de ogen der traditionelen – chaos.
Daar kom ik strak op terug.
Op het bestaan van de civilisatie berusten:
- het bestaan van onderwijs, in de betekenis van gedwongen bruikbaarmaking van jonge mensen voor de maatschappij, en
- het bestaan van de maatschappij: dienstverlening voor geld.
Uitweiding over democratie
Democratie wordt in het algemeen als iets positiefs afgeschilderd. Democratie is een 'cratie', dat wil zeggen een organisatievorm van het vaststellen van wat er gebeuren moet in een civilisatie. Het volk dat in een democratie woont, heeft de vrije keus tussen het leven in vrijheid enerzijds en het uitoefenen van volkssoevereiniteit anderzijds.
De organisatievorm van een parlementaire democratie bijvoorbeeld moge het niet gemakkelijk maken om de verstandigste voorstellen bij de beslissers op tafel te krijgen. En die voorstellen dan ook aangenomen te krijgen. Er is niets wat het onmogelijk maakt. Er is echter ook niets om te garanderen dat de verstandigste voorstellen die bedacht worden, ook worden gepubliceerd. Laat staan, dat ze gegarandeerd belanden op de tafels waar ze thuishoren. Ook voor het aannemen van het beste voorstel dat voorligt is, geen enkele garantie.
Soeverein is een ieder ten aanzien van dat waarvan hij zelf moet weten wat hij (ermee) doet. Geld, macht, bevoegdheden, worden door soevereine beslissers gebruikt, naast de eigen vaardigheden. Zo kan men bijvoorbeeld, naar eigen goeddunken, gebruik maken van elke aanspreekbaarheid van een medemens. Wie zich aan een bepaalde regel of wet of traditie of moraal of ethiek wil houden, moet dat zelf weten. En dan niet klagen als anderen daarvan, voor hun voordeel, gebruik maken. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het zich houden aan de wetten van het land. Men kan zich daaraan houden omdat het de wetten zijn en men het spel mee wil spelen. Maar men kan ook besluiten om de mate waarin men gehoorzaamt, geheel te laten afhangen van de mate waarin de overheid het naleven afdwingt.
Iedereen gaat tussen deze twee uiterste standen, van aanvaarding en loyaliteit, in zitten. Daarmee is het onmogelijk geworden een eenduidige uitspraak te doen over loyaliteit. Iedereen is in zekere mate corrupt, en tegen de staat. En zodoende tegen de anderen gericht bezig. Iedereen kan iemand anders aanwijzen of verzinnen die corrupter en schadelijker is dan hijzelf. Daarmee is de belangstelling voor de wetten en de naleving ervan geworden tot een futiele woordenwisseling.
Men wil goede wetten, waar men zich op kan beroepen en men wil voor die wetten een goede politie en justitie. Voor die andere wetten die resteren, wil men geen politiestaat, geen doeltreffende controle. Men wil niet eens zijn eigen grote broeder, zijn eigen alwetende en zorgende God, zijn.
Omdat het systeem zo zwak is, doordat er zo weinig belangstelling voor is, wil men het systeem zwak houden voor wat betreft het uitvoeren van wat het dan nog wel zou kunnen. Kortom, de gewone massamens wil voortgaan met aanrotzooien.
Wetten en regels beperken de soevereiniteit. Vrijheid kiezen vernietigt de soevereiniteit. Vrijheid kiezen betekent het zich in zijn denken laten leiden door waarheid. En, zich in zijn handelen laten leiden door wat nodig is voor eigen leven en welzijn, en dus lust en een lome rust oplevert. Een vrij mens is klaar en ontspannen als zijn deficiëntiebehoeften zijn bevredigd.
De derde figuur
In de derde figuur drukken we uit dat er een afstand kan worden beleefd door mensen tussen de diverse genoemde grootheden: natuur, cultuur, civilisatie en zelfs nog tussen civilisatie en maatschappij.

Mensen beleven een afstand tussen die grootheden, doordat er in elke grootheid een – van al de, elders geldende, instructies – verschillende verzameling gedragsvoorschriften van kracht is.
- Wat je in de natuur moet doen, moet je in de cultuur juist schaamtevol nalaten.
- Wat je in de cultuur moet doen is een domheid als je het in de civilisatie doet.
- Wat je in de civilisatie bijval oplevert, wordt in de maatschappij genadeloos afgestraft.
Zulke relaties komen veel voor.
In het algemeen kan men zeggen dat de bereidheid 'iets voor niets' te doen, als een grotere dwaasheid wordt opgevat naarmate men – van de natuur komend – de maatschappij nadert. Iedere bereidheid 'iets voor niets' te doen, maakt een gebruiksartikel van je. Een gebruiksartikel voor degenen die in de maatschappij actief, gebruikend – in tegenstelling tot, gebruikt wordend – bezig zijn. Elke keer wanneer iemand gebruikt wordt via zo'n bereidheid, voelt hij dat aan als bedrog en verraad. Dat brengt vervloekende, verketterende verhalen tot stand vanuit elke minder pure oorlogssituatie over de volgende, volmaakter oorlog.
- Mensen in natuurvolkeren delen alles wat ze hebben aan bruikbaars, met elkaar. Zij leven, genieten, lijden en overleven samen.
- Bij cultuurvolkeren kan er al privaat bezit optreden. Delen – niet langer, met allen – wordt iets dat moet worden afgedwongen door de traditie.
- In de civilisatie is het meer hebben en kunnen doen en weten dan een ander tot doel geworden.
Verwerven gebeurt niet langer met het oog op het teniet doen van de ongerustheid dat het wel weer eens moeilijk zou kunnen worden in de toekomst. Verwerven gebeurt niet eens meer om te hebben. Het gaat om het vertonen van het vermogen, de vaardigheid, om te verwerven. In de civilisatie laat de wedstrijdende zijn technisch kunnen zien. Dat geldt voor de kunstenaar, voor de wetenschapper, voor de denker, voor de vakman en voor de sportsman. Dat geldt voor iedereen in de civilisatie. Het gaat in de civilisatie om het vertonen van vaardigheden. Het gaat om de mooie wedstrijd, de fraaie oplossing, de goede redenering enzovoort.
In de maatschappij gaat het totaal niet meer om de manier van verwerven. Het gaat alleen om het resultaat. Dat leidt op bepaalde plaatsen tot een vorm van krankzinnigheid of absurditeit, die slechts te begrijpen is vanuit de historische opeenvolging van geldig raken van deze instructieverzamelingen.
In het begin van de civilisatie vertoonden de knechten nog kunsten die niet alleen moeilijk te doen waren en waarin ze dus konden uitblinken. Veel van die kunsten waren manieren van aanmaken van dingen die nuttig of iets dergelijks, waren.
Pas later werd de vaardigheid op zich, het moeilijk aan te leren en te vervolmaken zijn, alleen al bewonderenswaardig gevonden. In de sport, en ook in de wetenschap, ging men vertonen wat nutteloos was. Nutteloos, maar leuk om te zien omdat het zo virtuoos werd gedaan.
Toen echter de beroepssport kwam en de wetenschap als carrière voor knechten, gingen deze knechten in de maatschappij vechten om resultaten. In plaats van, ontspannen de virtuositeit als hoogste goed te behouden. Dat leidde tot uitspraken als "voetbal is oorlog". En tot het invoeren van het denken in 'strategieën' in de wetenschapsbeoefening. Wat er met de, voor virtuositeit ontworpen, werkwijzen aan resultaten kan worden aangemaakt, is echter futiel. Niemand heeft iets aan de uitslag van een wedstrijd – voetbal, biljart of wat ook. Niemand heeft iets aan kennis omtrent de manier waarop de dinosauriërs aan hun einde zijn gekomen, of aan de chemische samenstelling van de komeet van Halley.
Vele wetenschappers ziet men dan ook tot absurde verhalen komen, om hun bezigheden denkbaar-nuttig te noemen.
Er is vaak een wederzijdse verachting, zelden een wederzijdse achting tussen amateurs (civilisatie) en gecommercialiseerde, professionele beoefening van dezelfde bezigheden (maatschappij). Overeenkomstig is de relatie tussen het elkaar helpen binnen de culturele traditionele samenleving enerzijds en het verrichten van dezelfde diensten door liefdadige organisaties of door beroepshelpers, die helpend dienen voor geld.
Zo'n liefdadige organisatie is bijvoorbeeld het Leger des Heils, die lui die zoveel goot nodig hebben om er mensen uit te kunnen halen. Abstract gezegd: die psychisch gemotiveerd zijn en genieten van het kunnen helpen. Daarom zijn ze geïnteresseerd in het voortbestaan van de misstand waar ze wat aan doen, namelijk: plezier beleven aan het ingrijpen erin.
Een opstel over deugen, passend bij de verklarende tekst voor figuur 3, de figuur waarin de grootheden natuur, cultuur, civilisatie en maatschappij worden getekend met de onderlinge wederzijdse verketteringen.
Deugen
Ieder van ons is van nature aangelegd op natuurlijk reageren, en door opvoeding, onderwijs, vorming, training, gewenning enzovoort ingesteld geworden op
- het meedoen in de cultuur,
- het zich laten gelden in de civilisatie,
- en het vechten in de maatschappij.
De tegenstellingen tussen de grootheden natuur, cultuur, civilisatie en maatschappij ervaren wij dus allen als tegenstellingen. Tegenstellingen tussen dat wat we ons eigen hebben gemaakt van elk der bijpassende gedragskeuzebepalende programma's. We ervaren ons als in onszelf verdeeld. Zodra, zolang en in zoverre wij die programma's, de programmeringsresultaten, als ons 'zelf' beschouwen.
Anders gezegd, zodra we ons als persoon opvatten, zitten we met al die tegenstellingen in ons. In plaats van buiten ons.
Bij de manier van bespreken, die ik in dit boek gebruik, staat centraal dat ik mij niet opvat als samenvallend met
- mijn persoonlijkheid,
- mijn identiteit,
- de resultaten van mijn gewend worden aan de wereld.
Ik houd vol dat ik een natuurlijk wezen ben en meer niet.
Ik ben aan de wereld gewend geraakt, zoals ik – als ik, zeg 20.000 tot 200.000 jaar geleden geboren zou zijn – gewend zou zijn geraakt aan de natuur waarin ik dan was geboren en getogen. Nu is er voor mij even weinig reden om verknocht te zijn aan de wereld als er toen zou zijn geweest om verknocht te zijn aan de toevallige streek op aarde waar ik geboren werd. Wennen aan je omgeving is een technische noodzaak. Elke emotionele binding eraan is onnodig en zonder reden.
Let echter wel, hoe je ook van de opbrengst van een stuk natuur leeft – via een geïndustrialiseerde samenleving, of puur en rechtstreeks – het is verstandig om dat waarvan je leeft, niet te verwoesten. Een mens leeft van de hem omgevende natuur. En door het hebben van middelen om uit die natuur het nodige te nemen. Hij is in de gelegenheid te nemen, en in staat te nemen. De natuurgegeven middelen die in staat stellen om te nemen (o.a. brein en spieren), behoren evenzeer beschermd te worden tegen vandalisme als de artificiële tegenhangers. Bijvoorbeeld, de gereedschappen en machines.
Voor de mensen die rechtstreeks van de natuur leven, is een natuurgodsdienst een passende manier om die vereiste voorzichtigheid met hun omgeving te bespreken. Voor ons, de mensen die leven in een zeer vergevorderde technologische civilisatie, is het passend geen vandalen te zijn. Daarnaast is de natuurgodsdienst passend gebleven, wat men tegenwoordig weer is gaan beseffen. Zie, de milieubeweging, natuurbescherming, Club van Rome, Wereld Natuur Fonds, Greenpeace enzovoort.
Overigens is ook het handhaven van cultuurtradities nodig gebleven, hoewel dat evenzeer verwaarloosd is als het handhaven van de natuurgodsdienstigheid.
Het tegendeel van vandalisme is de neiging om schoon, heel en in orde ('in working order') te houden. Bij het lichaam spreekt men van fit houden. Bij de geest, het brein, van fris houden en bij de artefacten spreekt men van onderhoud plegen.
Dit tegendeel van vandalisme dient goed onderscheiden te worden van de natuurbestrijding. Versterving, het bestrijden van de natuur in zich en het knechten van kinderen, honden, paarden en zelfs planten (Versailles, leibomen), om maar wat van vele voorbeelden te noemen.
Men heeft de cultuur uitgebouwd en tot enig onderwerp van belangstelling gemaakt, ten koste van de natuur. Daarna de civilisatie gefavoriseerd ten koste van cultuur en natuur. Ten slotte heeft men de maatschappij tot enig waarlijk emanciperende omgeving benoemd. En alles gecommercialiseerd en geprofessionaliseerd, ten koste van alle drie de andere grootheden.
In de maatschappij kom je aan geld, door anderen te gebruiken of door voor geld anderen te dienen.
Voor geld is alles te koop. Zodra, zolang en in zoverre voor vele mensen leven zonder geld, onmogelijk is gemaakt.
Voor wat te koop is, heb je – als je succes hebt in de maatschappij – geen eigen macht, aanzien of verdienste meer nodig in de civilisatie.
In de civilisatie is altijd al alles via macht, aanzien of verdienste af te dwingen geweest. Ook dat wat in de cultuur niet – of, 'om niet' – werd verkregen, respectievelijk wegens verbod en wegens verplichting uit traditie. Dat betekent dat wie succes heeft in de maatschappij, de civilisatiecodes niet hoeft te gehoorzamen. En dat wie succes heeft in de civilisatie of in de maatschappij, de traditie van de cultuur straffeloos kan verwaarlozen.
In de cultuur was altijd al via verplichting en recht te krijgen wat in de natuur niet gegeven, geschonken, aangeboden werd, maar slechts het zijn en doen, het functioneren der anderen, was.
Om het voorgaande abstracte schema te verstaan, kan de lezer het vullen. Met achtereenvolgens alle interacties die tussen mensen in natuurlijke omstandigheden samen levend denkbaar zijn. Bijvoorbeeld voedsel delen, elkaar helpen, kinderen beschermen en seksueel verkeer.
Projecties
Het is te verwachten dat zowel natuurlijke mensen, als diegenen die zich aan een traditie – of, aan de codes van de civilisatie (bijvoorbeeld, fairness) – houden, kwaad worden wanneer vanuit de maatschappij lieden komen die met voeten treden wat voor hen heilig is.
In dit verband zal ook duidelijk kunnen worden dat vanuit de vechtmentaliteit die in de maatschappij wordt gecultiveerd, bij velen de gedachte opkomt dat er in de natuur tussen de mensen een ononderbroken gevecht om al het nodige gevoerd zou worden (respectievelijk, zou zijn).
Die projectie van de eigen maatschappelijke mentaliteit op de natuur is even ongepast als de projectie van de machtsrelaties uit de civilisatie op de culturen (vergelijk, Clastres3,1974).
Mentaliteit
Mentaliteit is voor hetgeen ik hier wil bespreken een centrale term. Met die term wordt het gedrag volgens een programma toegeschreven aan wie zich gedraagt.
Wellicht wordt hier uitgegaan van wat in dit verband waar te nemen is. Namelijk dat mensen de manier van doen die hen ergens – bijvoorbeeld, op school – succes opleverde, ook gaan gebruiken in andere omstandigheden, en jegens andere tijdgenoten. Dat is niet verbazingwekkend. Want, het onderscheiden van de verschillende omstandigheden, die ik natuur, cultuur, civilisatie en maatschappij heb genoemd, wordt bestreden. Dat blijkt uit het gebruiken van deze woorden als synoniemen. En uit het gebruik van samenvattende namen, zoals wereld en samenleving. De mensen die de bruikbaarheidsgrenzen – de spelterreinafbakeningen, zou men ook kunnen zeggen – overschrijden van de regels die hen ergens succes brachten, zijn zich waarschijnlijk vaak niet helder bewust van wat ze doen.
Wanneer ik spreek van gedrag volgens een programma, dan haal ik de volgens het programma handelende enkeling – en zelfs, de zo handelende verzameling lieden – weg uit het beeld van de werkelijkheid die ik bespreek. De hele bemanning van de scène is zonder meer vervangbaar door anderen. Het spel blijft eender. Wat er met de bemanning mee verandert, is een franje, een mate van storing. Storing die bestaat uit het – in de onderhavige scène – binnendringen van handelingspatronen uit andere grootheden, andere spelen.
Die scène kan zijn: het maatschappelijk gebeuren, de ontwikkeling van de civilisatie, het beoefenen van wetenschap of wat ook. Alles waar maar voorschriften voor zijn, waar maar een mentaliteit bij past. Alles waarvoor je moet leren hoe de stand en gang van zaken erin is.
Wanneer iemand in een scène niet volgens de regels meespeelt, kan men zeggen dat hij niet deugt.
Ik stel dat het passender en exacter is te zeggen dat zijn kopie van het programma, voor de scène in kwestie, niet deugt. Of, niet (technisch) goed is afgescheiden van zijn andere programma's. Het is consistenter het zo te stellen, omdat het eisen van gedrag volgens het programma een manier is om te zeggen: "met jou als individueel exemplaar van de diersoort mens hebben we niets te maken, wensen wij geen rekening te houden in die mate waarin je gedrag nu afwijkt van wat wij in een robot zouden inprogrammeren."
Er is weinig reden om aan te nemen dat bij gedrag dat in verminderde mate is te verklaren vanuit het ideale programma, de afwijking is aangebracht door het individu in kwestie. Het individu dat via dat programma gebruikt wordt, en/of gedwongen is te handelen.
In de maatschappij, waar men vecht met elkaar, vechten velen om te winnen. En niet om een goed, volgens het programma, elegant en virtuoos verlopend spel te zien te geven. Deze lieden vechten met de regels als wapens. En ook tegen de regels, in ononderbroken pogen ze te ontduiken waar hen dat voordelig voorkomt. Dat deze lieden anderen ervan verdenken ook zo bezig te zijn, is niet onverwacht. Het vechten met de regels als wapen en ook tegen de regels is vanuit de maatschappij – of ook "spontaan", dat weet ik niet – doorgedrongen in de scène der civilisatie en in de scène der traditionele cultuur. Bedrog, chantage en roddel bestaan. En naast deze drie zijn er nog talloze andere vormen waarin spelen volgens programma's wordt gecorrumpeerd.
Het vechten spreidt zich vanuit de maatschappij over civilisatie en cultuur. Het verschijnsel macht sijpelt vanuit de civilisatie de omgang in de cultuur binnen. De straffende ouder is hier het, in onovertrefbare mate weerzin en walging wekkende, voorbeeld.
De programma's worden op de natuur geprojecteerd: de strijd om het bestaan, en het overleven van slechts de best aangepasten. God als een, risicodragend kapitaal aan de mensen uitlenende, bankier. De individuele exemplaren der soorten opgevat/ beschreven als door hun eigenschappen (genen) gebruikten, enzovoort.
1) Het voor de wereldbewoners beschikbaar gemaakte. Beschikbaar door toe-eigening (grondstoffen) en door aanmaak (producten van nijverheid).
2) [red.] Zonder verdere uitleg verwijst Jaap hier impliciet naar Thorstein Veblen's boek The theory of the leisure class (1899).
3) [red.] Onderstaande informatie overgenomen van Wikipedia:
Pierre Clastres, (1934–1977), was een Frans antropoloog. Hij is vooral bekend om zijn veldwerk onder de Guayaki-indianen in Paraguay en zijn theorieën over staatloze samenlevingen. Volgens sommigen verschaft zijn werk een wetenschappelijke onderbouwing aan bepaalde anarchistische perspectieven.
Theorieën
In zijn bekendste werk, La Société contre l'État (1974), bekritiseert Clastres enerzijds het evolutionistische idee dat de staat het vanzelfsprekende eindpunt in de geschiedenis van de politieke organisatie van iedere samenleving zou zijn. Anderzijds verwerpt hij ook het Rousseauiaanse idee dat tribale volkeren als "edele wilden" in een natuurlijke toestand van harmonie zouden verkeren waarin machtsrelaties ontbreken. In iedere samenleving bestaan, zo beweert Clastres, noodzakelijkerwijs machtsrelaties. In staatloze samenlevingen bestaat echter een complexe verzameling gebruiken welke als mechanisme functioneert dat het ontstaan van het machtsmonopolie van de staat tegenhoudt. Clastres beziet de staat dan ook als een specifieke constellatie van hiërarchische machtsverhoudingen welke alleen kan ontstaan wanneer dit mechanisme in een egalitaire samenleving uit balans wordt gebracht.
N.B. Op internet is een Nederlandstalig artikel (Thom Holterman, 2012) te vinden over Clastres' boek: "Pierre Clastres: Samenleving tegen de staat".

0 Reacties