Jaap Schot, 18 januari 1992
In dit opstel gaat het mij er om aan te wijzen dat er terechte "plaatsen", "gebieden", "terreinen" zijn, voor deze of gene instelling, deze of gene uitgangspunten bij het kiezen van doen en nalaten. Er zijn ook plaatsen waar de bedoelde instellingen resp. elk van die uitgangspunten niet werken, niet passen, dysfunctioneel, misplaatst zijn.
Zowel bij het opgevoed worden als bij het zelf kiezen [voor een of andere verzameling waarden, deze of gene identiteit, deze of gene levensstijl], kan het gebeuren dat we niet voorbereid geraken op dat wat we later tegenkomen, niet leren leven op de "plaats" waar we verzeild raken, terecht komen, stranden.
Dat wat ik hier een "plaats" noem ontstaat doordat een aantal mensen die bijeen wonen met elkaar omgaan en dat vanuit dezelfde instelling doen. Dat doen ze vanzelfsprekend dan ook fysiek, aardrijkskundig gezien ergens, maar daarom staat hier "plaats" dan ook tussen aanhalingstekens. Waar twee of meer mensen zich rangschikken, voorrechten instellen, daar is wat ik 'civilisatie' noem. Waar mensen die familie van elkaar zijn zich jegens elkaar verplicht en gerechtigd achten op basis van hun relatieve geboorteplaats in de familie, zonder aanzien des persoons en volgens vaste (vrijwel onveranderlijke) afspraken, daar is een cultuur.
Voor de relatieve geboorteplaatsen hebben we nog, hoewel we al niet meer in een cultuur leven, de namen: moeder, vader, dochter, zoon, broer, zuster, neef, nicht, oom, tante, opa, opoe, achterneef, enz. Compleet met onderverdelingen: de oudste zoon, de oudste neef enz. enz. De bijbehorende rechten en plichten zijn we grotendeels vergeten en dat is te begrijpen want daar houdt niemand zich aan. Wij leven in een civilisatie, daar gelden die regels uit een cultuur niet. Wie in een civilisatie leeft en zich aan regels uit een cultuur houdt is daardoor een goedkope arbeidskracht, een kostenbesparend stuk mantelzorg, een te gebruiken dwaas, welk gebruiken niet misplaatst is in de civilisatie, omdat in de civilisatie er geen andere manier van met elkaar omgaan geldt dan gebruiken. Misbruiken is het in de ogen van wie de instelling van een cultuur heeft en de civilisatie niet herkent als wat ze is: een plaats zonder moraal, zonder solidariteit, zonder eerlijkheid, zonder waarden, normen, regels of wat ook. Het niet herkennen van geciviliseerden als wat ze zijn is de basis van de ergernis.
Ook voor "plaatsen" tussen aanhalingstekens geldt dat een mens niet op twee plaatsen tegelijk kan zijn.
Om zich minderen (lager geplaatsten) aan te schaffen mag de geciviliseerde alles van zichzelf en van alle andere geciviliseerden. Geciviliseerden weten van elkaars meedogenloosheid. Iedereen is alleen maar elkanders vijand. Elke interactie is alleen maar een gevechtshandeling. Ook het aan elke ander die dat horen wil vertellen dat je niet alleen maar zijn vijand bent, is zo'n gevechtshandeling.
Elke uitspraak van een geciviliseerde is een gevechtshandeling en heeft een van deze drie doelen: 1. je aandacht af te leiden van wat hij je aan schade aan het toebrengen is, 2. je te bedreigen of 3. je te bedriegen.
Iedere geciviliseerde is alleen, zo alleen als Robinson Crusoe op zijn eiland na de komst van Vrijdag. Vrijdag was er voor RC alleen maar als gebruiksvoorwerp. Zelfs als mindere was die nikker ongeschikt. Zo zijn echte geciviliseerden, die het spel ['zich minderen aanschaffen'] spelen en er niet alleen maar zonder erg in gebruikt worden. Heel veel mensen worden in dat spel gebruikt, zoals invalide Jantje van zijn voetballende vriendjes als doelpaal mee mag doen. Het is gebruikelijk dat volwassen geciviliseerden dit gebruik van Jantje als zijn 'integratie', zijn 'emancipatie' benoemen.
Voor wie dat van enige afstand beziet is vooral Jantjes gevoel van erbij horen opmerkelijk. Naast zijn positieve oordeel over de spelers.
Die gebruikten spelen als klant spelertje. Ze zijn geen spelers, ze zijn als Jantje, die draagt ook een echt shirtje van de club, net als de spelers. Daar krijg je als buitenstaander tranen van in je ogen, zoals Wilhelm Reich dat kreeg van het zondagse pak van de arbeider.
Ze kennen maar kunnen het spel helemaal niet en toch weigeren ze het spel te verdoemen en in een nieuwe cultuur samen te gaan leven. De gelegenheid daartoe hebben ze en het is hen voorgesteld [Skinner, Walden II] en hen zijn niet zelden de nodige middelen in handen gegeven [Robert Owen gaf zijn arbeiders bijvoorbeeld een goedlopend bedrijf]. Het is tot nu toe nooit gelukt. Ze willen dat spul waarmee de spelers aan elkaar hun rang vertonen.
De Israelieten wilden een koning, ook na veertig jaar in de vrije natuur geleefd te hebben. De civilisatie zat dieper in hen dan wat veertig jaar vrijheid konden uitwissen. De Sovjetstaat is ook vervallen, overigens niet pas nu en niet alleen door de zwakte der gebruikten. [Orwell, De boerderij der dieren]. Ook lui die niet 'wereldlijk' blijven maar zogenaamd geestelijk gaan leven en zogenaamd uittreden gaan massaal voor de bijl. Als monniken in een klooster gaan ze zich weer rangschikken en als kluizenaars gaan ze zitten streven de meerdere van hun oude zelf te worden. Als leraar verkneukelen ze zich in het de meerdere van hun leerlingen zijn. Ze halen het niet.
Met lui uit de civilisatie is niets te beginnen en er is niet eerlijk mee om te gaan; niet met spelers en niet met gebruikten.
In je eentje kun je geen civilisatie hebben, daarvoor is minstens een ander nodig. Voor een cultuur is minstens een familie nodig, zelfs met een los gezin is er niet 'in cultuur' te leven, is er geen cultuur te 'spelen'.
Er bestaat geen beschaving. Beschaving is een bedenksel, namelijk: een civilisatie waarin zij die om voorrechten vechten (elkander bestrijdend en berovend) zich houden aan regels. Zich houden, niet: gehouden worden (c.q.: elkaar houden). Een civilisatie waarin iedereen aan ("de") regels gehouden wordt is een politiestaat. Die wensen slechts sommige gebruikten, de eeuwige verliezer en de domme die de propagandaleugen gelooft en meent dat hij in deze "zijn" civilisatie, met een beschaving te doen heeft. Jantje uit de 'sick joke' had geen beentjes maar kon meedoen omdat ze een grote steen tekort hadden om het doel aan te geven. De gebruikten in de civilisatie zijn sociaal blind. Ze zien de spelers bezig en ze zien hoe deze, hun rang vertonend spullen kopen en verbruiken en zich laten dienen. Maar ze zijn met blindheid geslagen voor het feit dat het maar een spel is en dat de spelers hen, de gebruikten, fysiek niet aan kunnen, maar "slechts" de gebruikten tegen elkaar uitspelen, ze als elkaars onderdrukkers en cipiers gebruiken.
Kunnen paren (tweetallen) mensen dan niet cultuur-achtig, cultuurgewijs met elkaar omgaan, optrekken, samen leven? In theorie op een eiland met z'n tweetjes zou dat kunnen, maar in die omstandigheden zou het bizar zijn dat te doen, omdat daarin natuurlijk, natuurgewijs, te leven is, dus zonder vorm, amorf, zonder afspraken, zonder plichten, zonder rechten, zonder voorbedachts, zonder plannen, zonder verleden, zonder voorrechten. Op het ideale eiland zou er voor hand en verstand voldoende nodigs te doen zijn, zodat er geen enkele behoefte zou ontstaan zich met elkaar bezig te houden. Het te doeltreffend doen van het nodige juist is het dat mensen in culturen tot datumgebonden feesten en in de civilisatie tot rangschikken heeft verleid: het geeft ze voor hand en verstand wat te doen, iets onnodigs, maar kennelijk vinden ze dat collectief beter dan niks.
Zowel in cultuur als in civilisatie is het bezit en bezitten is: het aan anderen onthouden van het benutten van dat wat men zelf niet benut. Ook al gebruik ik mijn schrijfmachine niet, hij is toch van mij en jij blijft er af, ook al heb je hem nodig. Bezit verkleint het bruikbare en maakt dat er eindeloos meer van dat nauwelijks gebruikte moet worden aangemaakt zelfs als men zich tot het nodige zou beperken. Bezit veroorzaakt overproductie en dus overuitbuiting van 'het milieu' en omdat kinderen ook bezit zijn veroorzaakt het ook nog eens overbevolking. Daar voegt de civilisatie de wedstrijd in status nog aan toe, waardoor de spullen niet worden opgebruikt, maar weggegooid als ze niet langer modieus zijn, niet langer schaars, dus niet meer als rangonderscheidingsteken te gebruiken om je voorsprong op anderen mee te vertonen. Aan spullen kom je door (anderen [in ruil] voor je te laten) werken; dat betekent dat het vermenigvuldigingsproduct van je tijd, aandacht, energie, vaardigheden enz. (je txaenz) jouw basisbezit is en dat betekent weer dat alles wat je gratis door een kind, verwant of vriend van je kunt laten doen jou een besparing van eigen txaenz oplevert en zodoende indirect meer werktijd, dus geld, dus bezit, dus gelegenheid tot vertonend consumeren, dus status, en status, daar gaat het om in de civilisatie. Het is niet leuk om als kind, verwant of vriend(in) te ontdekken dat je zo en in dit verband gebruikt bent en/of wordt. Het is helaas onjuist en niet nodig om aan degenen door wie je gebruikt werd en wordt een bijzondere eigenschap toe te kennen, hun gedrag in deze is een systeemvariabele, het is iets dat ze als geciviliseerde (speler of gebruikte, dat maakt in deze geen verschil) deden en doen, het is geen gedrag dat hen als individu kenmerkt, resp. onderscheidt. Helaas is dat zo. Het spel zal dit gedrag opleveren al wordt het door uitsluitend Jezussen gespeeld. Dat is de reden waarom elke heilsleer zich tegen het spel keert en niet tegen degenen die hier nu het spel spelen. De heilsleren, verlossingsleren, stellen dat je moet ophouden met bezitten en moet ophouden met je boven anderen te verheffen (en moet ophouden je de mindere van wie dan ook te voelen, te achten). De samenleving die dan ontstaat, zonder bezit en zonder status, daarin s alles anders. Hoe dan? Laat ze het maar doen, dan hebben ze het antwoord zelf in de maak.
0 Reacties