Jaap Schot, 18 november 2003
Denk vooral niet dat ze líjden aan hun daderschapswaan, zomin als ze lijden aan het ‘aan zet zijn’. Het is gewoon onderdeel van het spel en lijden doen ze aan ‘nooit eens succes hebben’, wat vaak, maar lang niet altijd neerkomt op ‘nooit eens winnen’. Naast de vlucht het spel uit, de Aztekentrap op, beschouwen, is er ook de vlucht de uitvinderij en het ingenieurschap in: alleen omgaan met zaken, dingen. BUITEN SPEL is veel ruimte, binnen spel wordt er om de werkgelegenheid/ de plaatsen/ de ruimte/ de macht gevochten.
Nee, een namenregister en een boekenlijst zijn niet passend. Dat wil niet zeggen dat het de moeite loont ze weg te laten, het zegt alleen dat er een opstel bij moet waarin het onderstaande tot uiting komt.
- wat mij overkomen is, is het volgende:
- Dat ik deze boeken las, dit onderwijs kreeg, deze Moeder had, deze vrouwen ontmoette en deze mannen, ik deed het niet, het is voor geen enkel iets een afdoende verklaring.
De wegwijzer-teksten houd ik niet geheim. Laat die teksten genoeg zijn! Het is niet aan de lezer de herkomst van die wegwijzers te onderzoeken. Het is aan de lezer zich al of niet te laten wijzen. Te gaan of niet te gaan, in de aangewezen richting, naar het – op het bord, op de wegwijzer – genoemde onderwerp. En daar al of niet KENNIS TE NEMEN. Alleen daar, bij het gegeven onderwerp kan de lezer kennen. Kennis verkrijgen, nemen. Zelf!
Elders is alleen INFORMATIE, die zich tot kennis verhoudt als fecaliën tot voedsel. De lezer die niet naar het onderwerp gaat om er kennis van te nemen is als een mestkever. Een uiterst nuttig diertje, zonder hetwelk de savanne een mestwoestijn zou zijn geworden. Maar let wel: dat geldt alleen als de lezer zijn boeken vernietigt, ze niet vermenigvuldigt door (zoals binnen de verworden wetenschappen aan de universiteiten) er uit te citeren. Zo maakt de lezer meer mest, en haalt hij de nuttigheid van die kever niet. Integendeel. - Ik heb dit alles niet voorzien, niet planmatig nagestreefd, niet gewild. Of ik het nu opvat als mij overkomen of mij aangedaan, als zegen of als straf, dat is puur leeg. Dit is gebeurd. Punt uit. Geen verdienste (merite), geen schuld. Wie mij bewondert is net zozeer slechts met zichzelf als ama (met daarin wensen en rangschikking en voorkeuren) bezig als wie mij veracht en/of schande spreekt van mijn doen en nalaten. Híj postuleert daderschap in/bij mij. Zoals er altijd mensen om mij heen zijn geweest die mij verdachten van inspiratie, ambitie en planmatigheid, van streven en willen en meningen hebben.
Zo de waard is..., maar ook: zoals je de ander hoort bespreken, zo ga je (leer je) bespreken: de ander in jezelf.
Ik ben gelukkig en heb geluk. Als ik daarover een gedachte wil formuleren kom ik, gezien mijn ama, uit bij ‘God zegent mij en behoedt mij, Hij geeft mij Vrede in mijn hart, Vrede die mijn verstand te boven gaat: hoe komt het dat ik alles zo ‘filosofisch’ (‘het gebeurt, verder niets’) opvat, al zolang als ik me kan herinneren?’ Anderen pruttelen, gezien hún ama, anders bij ‘wat gebeurt’. Nou, èn? Nou niks.
- Dat ik deze boeken las, dit onderwijs kreeg, deze Moeder had, deze vrouwen ontmoette en deze mannen, ik deed het niet, het is voor geen enkel iets een afdoende verklaring.
- onze wetenschap:
- uitgangspunt: gebeuren is gewild worden door God, we hebben het niet over wonderen en het uitvoeren van Zijn heilsplan, die worden door Hem gedáán, zijn eenmalig en het onderwerp van predikers/ vertellers. Gods wil is af te lezen uit de natuurwetten. Die zijn af te lezen uit regelmatigheden die zich altijd en overal aftekenen tegen ‘wat random is’ / ‘wat in het wilde weg gebeurt’ als achtergrond. De natuurwetten zijn Gods blijvende wilskrachtwerking, ze wórden gehandhaafd, altijd en overal: op de maan was te lopen. [Het maakt niet uit of er werkelijk mensen op de maan waren of niet: het verhaal is dat daar dezelfde natuurwetten bleken te gelden als die hier op aarde waren geformuleerd.] De achtergrond waartegen zich wonderen aftekenen wordt steeds verder ingevuld, er tekenen zich geen wonderen meer af. De wetenschapper is een achtergronddeskundige[hier is het geheel van zich altijd en overal aftekenende regelmatigheden de achtergrond.], hij aanvaardt zelfs geen wonderen meer, noemt ze begoochelingen en de mensen die van wonderen houden en er op hopen wensen niet ontgoocheld te worden. Onverwachtheid, hét kernmerk van wonderen, is geen eigenschap, maar een relatie tot degene die verwacht, exacter: tot de theorieën in zijn ama. Onvoorspelbaarheid is ook geen eigenschap, óf het hele project ‘onze wetenschap’ is onmogelijk, wat niet het geval is. Het project is onaf, jawel, dat wel. Maar onze inspiratie, ons uitgaan van de mogelijkheid van het project, daar zijn we niet van af. Oh nee.
- Vilt van oorzaak-gevolg-ketens, dat is ons beeld van de werkelijkheid (= dat wat tot uiting komt in dat wat gebeurt). Een ruimtelijk beeld dus, verlopend in de tijd ook nog. Niet een biljartbeeld: achter ieder gebeuren één oorzaak ervoor. En ook is er nergens een Grote Biljarter, in ons beeld, we hebben ons uitgangspunt verlaten en geschiedenis is een keuzevak. Lekker alfa óf bèta. Mensen zijn bundels van die oorzaak-gevolg-ketens. “Iemand” doodmaken is: zo’n bundel ketens doorsnijden. Maar er is nergens een iemand te vinden: die er om heen zittende die die ketens tot een bundel zou maken is een verzinsel, een speler in het spel waar de wetenschap niet wordt bedreven, zo min als er in het bedrijven van de wetenschap wordt gespeeld. Juffrouw Laps wilde geen zoogdier zijn. Dat is de kern van de scheiding tussen spel (wereld, maatschappij, religie, mystiek, spiritualiteit en geloof) enerzijds en wetenschap anderzijds. Volstrekte scheiding, niet zomaar een onderscheid ‘een kwestie van nadruk’ of zo. Spel is spel en echt is echt en nergens zullen die twee elkaar ooit ontmoeten (raken). De wetenschap heeft als ze dat spelen van de mensen tot haar onderwerp maakt een verstenende werking (Medusahoofdwerking). De speler voelt zich bekeken, tot een ding gemaakt, als subject [daarmee bedoelt hij: als dader, als initiator, als bron (in tegenstelling tot doorgangspunt) van werkingen] ontkend. Zonder erkenning en respect behandeld. In het spel is elke speler trots op zijn daderschap, want hij ziet die als koninklijke, goddelijke, soevereiniteit. In onze democratie spelen we ‘godje’. Het lukt niet om de wetten te formuleren waarmee de toekomst te voorspellen is en dat schrijft men toe aan de vrije wil, waarvan men in de universele verklaring van de rechten van de (‘mens’ genoemde) speler de onaanvechtbaarheid, het recht op respect, stelt.
- De wetten van het maatschappelijk gebeuren, van het verloop van de geschiedenis, zouden alleen te formuleren zijn in een monarchie, een stalinistische wereld. Het veelgodendom zou nooit aan ‘onze’ wetenschap met natuurwetten zijn begonnen. De uitkomst van oorlog is onvoorspelbaar / toevallig, van oorlogén ‘random’, dat is bekend. Wat we ‘toevalsfactoren’ noemen zijn precies zulke factoren als die welke we verwachten, meten, berekenen; ze zijn toevallig vanuit onze theorieën. Toevalligheid is ook al geen eigenschap.
0 Reacties