Jaap Schot, 19 april 1985
De nieuwsdiensten overdekken elk bericht met andere berichten. Het geheugen van de luisteraar wordt geperverteerd, ten kwade gekeerd. De luisteraar herkent het bericht als 'al gehoord', 'geen nieuws meer', 'geen aandacht meer waard'.
Een voorbeeld:
Voor het waarnemen van de kwaliteit van het grondwater dat als drinkwater gebruikt wordt, zijn specialisten. Er zijn ook specialisten voor het reagerend handelen naar aanleiding van de waarnemingen in kwestie. De specialisten werken allen voor het publiek en dus openbaar. De nieuwsdiensten melden het dan ook zodra de waarnemers iets bijzonders, een verandering, hebben waargenomen.
De luisteraar hoort de melding dat in diverse delen van het land het grondwater ('zorgwekkend' volgens de verantwoordelijke minister) vervuild is. Het is nu aan de minister om verantwoordelijk te zijn, aan de milieu-defensie-verenigingen en aan de consumentenbonden om alert te zijn, aan de specialisten van de waterleidingmaatschappijen om passende maatregelen te nemen.
Overal zijn specialisten voor. De specialisten zijn gewone mensen en de gewone mensen zijn ook specialisten, maar ten aanzien van wat anders. Deze gewone mensen gaven en geven als klant allen de opdracht aan de vervuilers om door te gaan met vervuilen: goedkope eieren, goedkope melk, in dit verband, dus: intensieve veehouderij. Juichend berichten dezelfde nieuwsdiensten over de export van agrarische producten uit ons land. Niet uitgevoerd worden de uitwerpselen van de dieren in kwestie en de achterblijfsels van de chemische wapens waarmee de wilde natuur opzij gedrongen wordt om plaats te maken voor de uit te voeren veredelde landbouwgewassen.
Landbouw (cultuur) is oorlog: mens tegen vrijwel de hele natuur. Die oorlog wordt gevoerd met alle ter beschikking staande technische middelen. Als de mensen eenmaal een cultuur vormen keren ze zich niet slechts tegen hun voedsel, (hun prooi desnoods), om zich te voorzien van het nodige, maar ze keren zich tegen alles en alle leven om zich heen, om plaats te maken voor zichzelf via het plaats maken voor wat ze nodig hebben.
Oorlog is geen uitvinding van de civilisatie. Het inzicht dat de andere levende wezens uiteindelijk leven van hetzelfde als waarvan wij leven (ruimte, zon, lucht, water) en de beslissing dat we dus ons aantal konden opvoeren door het andere te doden kwamen al tot uiting in de allervroegste landbouw.
Het is niet zo boeiend dat er ook veel mensen worden doodgehongerd en op andere wijze vermoord, door de succesvolle vermeerderaars van eigen aantal en eigen bezit. Mensen van andere groepen zijn alleen maar andere dieren, andere concurrenten dus, per slot van rekening. De groepen (van aan-elkaar-vreemden) in kwestie zijn veel minder omvangrijk dan de volken der nationale staten. De private ondernemer heeft per slot van rekening geen medemensen, alleen concurrenten en klanten waarvan hij leeft, zoals de boer van vee. Daarbuiten leven nog allerlei wezens, maar wie geen klant en geen concurrent is, is even irrelevant voor de ondernemer, als hij zijn besluiten baseert en doordenkt, als de mus, de zeemeeuw of de wezel. Alleen rekenen wordt beloond in de maatschappij en met het wilde en irrelevante houdt dan ook niemand rekening. De beschermer van de belangen der mensen bij 'vrije goederen', vecht dan ook op verloren posten. De lucht, de zee en het water zullen vervuild worden en slechts als het koopwaar wordt van verdedigbare soort, in flessen, zal het onder de bescherming vallen van het enige wat beschermd wordt: het bezit.
Dit hoort men niet in het nieuws. Dit wordt wel gepubliceerd, dat wel, maar in uitzendingen en geschriften die vrijwel niemand leest. Bovendien heeft het lezen ervan geen nut, want vanuit dit weten kan niemand handelend zijn omgeving en zijn omstanders / vervuilers beïnvloeden.
De doeltreffendheid van de organisatievorm van een civilisatie wordt gemeten aan de hoeveelheid buit die uur na uur uit de natuur de wereld binnengehaald wordt. Ik gebruik de uitdrukking 'uur na uur' om aan te geven dat er geen sprake is van een berekening die de duur van de civilisatie in kwestie omvat, beter geformuleerd: de tijd dat de vernietigde landstreek als woestijn na de ondergang van de civilisatie in kwestie in de zon ligt te blakeren, vruchteloos, onbewoonbaar, wordt niet betrokken in de 'doeltreffendheidsberekeningen'. De muur waartegen de coureur zich met zekerheid te pletter rijdt, maakt geen deel uit van de meting en melding van zijn snelheid.
Het inspirerende van civilisaties is dat ze lineair verlopen, zich ontwikkelen van een begin naar een eind, opgaan, blinken en verzinken en dat ze sporen nalaten: woestijnen en afvalbergen, graven en ruïnes. Sporen van vergane glorie.
In onze gymnasia leren ze nog steeds de oude Grieken te bewonderen in plaats van te leren dat ze en hoe ze van hun land een achterlijk land maakten. Met temeer duidelijkheid zien we dat gebeuren met de geschiedenis van andere vergane civilisaties (Babylon, Nineve, Egypte, China). Daar wordt eigenlijk gewoon over gezwegen. De Romeinse "beschaving", de roofmoordtocht van die lui, is nog steeds aan de gang door hun erfgenamen: het romeinse recht is nog steeds op vele plaatsen geldig.
De kernbezigheden van de civilisaties :
-natuur bestrijden,
-goederen bezitten (= het aan anderen onthouden van ook dat wat jij niet gebruikt / verbruikt / nodig hebt) en
-diensten afdwingen van anderen die nodig hebben wat jij bezit, werden doorgegeven als "een goed idee" van de ondergaande culturen en civilisaties, naar de opkomende opvolgers.
Deze mentale instelling bleef, alleen de technologie ontwikkelde, veranderde. De mensen werden technisch sterker. Hun handigheid in combinatie met hun natuurvijandige instelling maakt hen gevaarlijk.
Wij leven in de tijd waarin "onze" civilisatie ten onder gaat. "Onze" omdat de bezitsrelatie andersom is, niet de civilisatie is van ons, wij zijn in bezit genomen door de civilisatie. Wij kunnen ons mentaal bevrijden, maar fysiek niet meer, er is mentale ruimte buiten het collectieve bewustzijn, die de output is van de bewustzijnsindustrie, inclusief van het ongelouterde brein, dat gevuld is met de begrippen van de civilisatie in onderscheid van de begrippen die vulbaar bleken met eigen waarneming.
Zelfs mijn opmerkingen over de ondergang van onze civilisatie zijn de output van die civilisatie zelf via mij. IK heb de vervuiling van het grondwater niet geconstateerd. Ik ken het bestaan van atoomwapens niet; ik zag slechts plaatjes van Auschwitz en van de gifoorlog Irak-Iran. Ik ken niet voldoende gegevens om me enig oordeel over hoe het gaat met de aarde te vormen. Ik verwerk informatie in dit verband. Ik praat niet na, maar ik verwerk dingen die ik alleen maar van horen zeggen heb, waarvan ik alleen maar geloof dat ze waar zijn.
Ik ben (voel) me nog redelijk gezond. Ik heb zoveel rust en word zo weinig lastig gevallen, dat ik helemaal niets te klagen heb. De niet te overtreffen moedeloosheid van mijn teksten gaat dan ook niet gepaard met een negatieve stemming. Mijn leven is eindig en de duur van de civilisatie waarin ik werd geworpen is eindig.
"Men begint met het leven te aanvaarden, en eindlijk aanvaardt men de dood", zo dichtte J.C. Bloem.
De civilisatie waarin wij leven is nog steeds krachtig. De bodem erodeert, de bomen sterven massaal, hele volkeren hongeren dood, het water wordt hier en daar ondrinkbaar, de lucht is hier en daar al gevaarlijk om in te ademen. Men vermeldt de verbanden in de civilisatie niet bij dit nieuws. Het veroorzakend gedrag: natuur bestrijden, bezitten en dwingen, houdt dan ook niet op.
Deze civilisatie zou wel eens de laatste kunnen zijn, omdat ze de hele aarde in bezit heeft en toch ook weer, net als elke voorgaande civilisatie alles waar ze van leeft tot onvruchtbare woestijn maakt. Het verdringen van het feit van de eigen eindigheid en sterfelijkheid is oorzaak van en voorbeeld voor de omgang met de eindigheid en "sterfelijkheid" van de wereld / de samenleving. Ook van de wereld zal een stoffelijk overschot overblijven. Een stoffelijk overschot dat de omringende natuur geen kwaad meer doet, zoals het lijk van de misdadiger ongevaarlijk is? Zelfs dat zou wel eens anders kunnen wezen, gedurende de tijd gif en radioactief afval nog nabestaan.
Zelfs al zou ik er van uit gaan dat al deze negatieve berichten, al deze informaties onwaar waren, dan nog zou ik kunnen constateren uit eigen ervaring dat in mijn tijd van leven de mensen om mij heen elkaar dit berichten. Negatief zijn die berichten alleen vanuit de wens dat de soort en/of de civilisatie en/of het verschijnsel leven op aarde in zoveel mogelijk vormen en zo gezond mogelijk zou moeten doorgaan. De waardering "negatief' komt voort uit het houden van een wensplaatje naast het beeld uit 'van horen zeggen' van de werkelijkheid.
Dit weten omtrent wat kennis is en wat informatie, is een uiting van wat ik noem "leven vanuit het wild."
Mijn mij kleden aanvoelen / opvatten als camoufleren is een andere uiting daarvan. Loonarbeid opvatten als kunstjes doen onder dwang van bezitters plus politie, is dat eveneens.
Wat wij aan onnodigs doen, ook het creatieve en het spel, niet alleen de als luxe geconsumeerde vernederende dienstverlening, wordt direct afgedwongen door de koopkracht der bezitters [en dat zijn wij allen!] of indirect doordat de ondernemende dienstknechten in en vlucht naar voren het initiatief nemen om ongevraagde diensten aan te bieden op de markt. Zonder acceptatie door de anderen, tot uiting komend in betalen of belonen in natura, kan niemand van iets onnodigs (bidden, schilderijen maken, mediteren, boeken schrijven, voetballen of wat ook) zich in leven houden. Ook de specialist moet afzet hebben voor zijn goederen en diensten, ook de beste specialist kan niet leven van de duizend eendere of minstens gelijksoortige dingen die hij maakt of doet.
Ons onspeelse spel is compensatie-gedrag voor het te gebeurtenis- arme bestaan in cultuur en civilisatie. Spelend functioneert de gevangene alsnog in een gedachte schijnwereld met schijngebeurtenissen vanuit schijnregels. Hetgeen hij in het spel doet, is onnodig. Het spel van de gevangene is onecht en onspeels. De spelers hebben echte gevoelens bij al dat onechte gedrag. De deelnemers aan het culturele leven, beleven zich in hun keurende bekijken en bespreken van de prestaties der spelers wel degelijk een aangenaam hoogstaan.
0 Reacties