Jaap Schot, 1-12 oktober 2000
Begrippensystemen. Oudspraak en Nieuwspraak.
Het is niet zo dat, waar Nieuwspraak verdacht en jawel, schuldig te bevinden is, Oudspraak de eer verdient die er – bijvoorbeeld in Orwell's 1984, door de daarin verwerkte verering van Shakespeare – aan gegeven wordt door menigeen die kritisch is ten aanzien van Nieuwspraak.
Oudspraak werkt zo dat er aan 'dingen die verzinsels zijn' – zoals de Staat, het vorstenhuis, het geloof, de eer en de schuld – gevoelens worden toegevoegd, erbij worden aangemaakt. Dan is dus het bewustzijn (van de voeler) gevuld en wel met iets dat bij het woord hoort. Dan, als er een bewustzijnsvulling is, is het woord de naam van iets geworden.
Per slot van rekening, zo stellen de 'filosofen die hun handen altijd in hun zakken hebben', is "het iets, dat wij 'olifant' noemen" ook alleen maar een beeld in ons brein/ een chemisch iets in onze hersenen.
Zo praten zij in Oudspraak ook bevel en noodzaak aan elkaar, door ze onder één noemer te brengen. Een mooi voorbeeld is er in het Nederlands: ik moet naar school en ik moet poepen. Eén en hetzelfde woord: moeten.
ZO WERKT OUDSPRAAK.
Gevoel aanmaken, waar geen waarneming kan zijn.
Door 'onder één noemer brengen', onderscheiden hinderen.
Door 'onder één noemer brengen', het onderscheiden van verzinsel (c.q. bevel tot zó-opvatten, zó analyseren) en waarneming (ik heb honger, ik moet eten) hinderen, moeilijk maken.
De omgang met het eigen lichaam
Het is niet moeilijk teksten te vinden van verdoolden die zich 'in hun lichaam gevangen' voelen. Zij ervaren wat nodig is om wel te zijn – het lichamelijk functioneren – als lastig, en zijn het dan ook gaan bestrijden. Er zijn die schertsfiguren in de religies die zich kastijden, en vastend hun lichaam bestrijden. Maar er zijn ook de vergadertijgers, die geen tijd nemen om te eten. Zij onderwerpen hun lijf aan wat het rooster, de agenda, aan plaspauzes open laat. En er mogen geen winden (scheten) gelaten worden, en er mag geen geboer en geknor van magen zijn. Alle merkbare aanwezigheid van het lijf is ongewenst.
In de moderne godloze religie die 'sport' heet, ziet men de bewonderde, presterende, sporters hun lijf mishandelen. Alle sport met toeschouwers is een opvoering van dat ene religieuze beleven van het eigen lichaam (zichzelf dus) als iets waarover het bewustzijn, boordevol gevoel en streven, de genadeloze onbarmhartige, het verbruikende, het 'door arbeid vernietigende', baas is. Als een ander iemand tot zulke overmatige inspanningen dwingt, kan hij wegens het toebrengen van grof lichamelijk letsel worden aangeklaagd. Maar zó werkt de moderne mensenverbruikerij niet. De slaaf – in dit geval, gladiator – is 'in zelfbezit'. Hij wordt geïnspireerd en gemotiveerd. Tegenwoordig heet dat 'uitgedaagd'. Overal hoor je die gebruikten zeggen dat ze dit of dat 'als een uitdaging ervaren/ opvatten'.
Oudspraak past bij het feodale,
de slavenhouderij, de mensenverbruikerij.
Het onpersoonlijke bevel
Het bevel is van de vermelding van de afzender ontdaan. En de opdrachtgever ziet de gehoorzamer niet alleen niet bezig, maar überhaupt niet. Er zitten diverse handelaren en vervoerders en aanbieders/ thuisbezorgers tussen.
Het bedenken van een wens is ook uitbesteed. Aan fantasievolle dienaren, die voor de mode zorgen en de edelparasieten (en hun imitatoren) een (tijdelijke) smaak aanpraten. Het is niet makkelijk om soeverein te zijn. Om precies te zijn, wordt een mens er gek van als hij het echt probeert. Waar geen noodzaak is, is namelijk leegte, kinderspel, niks smaak en verfijning, en distinctie (= wat onderscheidt, hoog van laag geplaatst).
Wie niet wil na-apen, ziet dat hij niets ziet bij de verzinsels: de keizer loopt naakt. [Andersen]
Wie niet wil meepraten, napraten en doorpraten – ook als zijn kennis op (= gemeld) is – die merkt dat voor hem het overgrote deel van OUDSPRAAK onbruikbaar, want lege namaaktaal, is.
Oorlog
In een civilisatie bijeen leven betekent in oorlog zijn. Economische oorlog (lokale, nationale, internationale, wereldwijde concurrentie), koude oorlog (bewapeningswedloop) en gewone oorlog (met geweld van wapenen).
Een van de manieren van vechten, is het gebruiken van de spraak als wapen. Liegen is een vorm daarvan. Maar juist ook het in omloop brengen van begrippensystemen, die de gebruiker misverstand opleveren. De gebruiker begrijpt en bespreekt correct en denkt logisch verder. Maar als hij handelt vanuit zijn zó opvatten, faalt hij in zijn non-verbale streven, grijpt hij mis. Een van de centrale manieren van dit taalmisbruik is: het geven van een verkeerde naam. Dat gebeurt bij (= wordt gedaan met behulp van) bijvoorbeeld Nieuwspraak, Oudspraak en 'warspraak'.
Voor een omschrijving van Nieuwspraak kan verwezen worden naar '1984' van Orwell. De logische tegenhanger is Oudspraak, die begrippenapparatuur waardoor 'vroeger' de mensen werden opgescheept met een misvatting, een alomvattend misverstand van (= omtrent) 'de wereld'. Het gaat, en ging, bij 'warspraak', Nieuwspraak en Oudspraak om het voorkomen dat de mensen in de civilisatie helder kunnen zien, begrijpen en bespreken wat hen overkomt (c.q. aangedaan wordt).
In Oudspraak en Nieuwspraak wordt verteld omtrent de wereld, wie (c.q. welke functies, daders en dingen) daarin aanwezig zijn, daarin functioneren, hoe en waartoe.
Deze vertellingen – beschrijvingen van waarnemingen zijn het in het geheel niet – zijn 'juridisch' en 'religieus'. De verzinsels zijn respectievelijk
- instituties (IETSen, en 'dingen' als 'het koningschap') voor het juridische, en
- goden en hun gedoe en hun hofhouding voor het religieuze.
Warspraak
In 'warspraak' worden volstrekt verschillende begrippen (respectievelijk, verschijnselen) met hetzelfde woord benoemd.
Schoolvoorbeeld: het woord 'vrij'
De Staat laat de ingezetene (vroeger onderdaan, 'beminde gelovige' en volksgenoot) vrij. Voor wie (vrijwel) zonder geld zit betekent dat 'vrij': onbeschermd, vogelvrij. Anderen die hem (deze geldloze) als prooimens willen nemen, mogen dat, want deze prooimens is vrij om op hun voorstellen in te gaan of niet. (Zie op televisie die uitzendingen over weggelopen kinderen, die dan 'schandknaap'/ hoertje worden, de homofiele of heterofiele prostitutie in getrokken worden.)
Zo gaan de vrije mensen die wel – minstens enig, in ieder geval meer – geld hebben met deze prooimensen om: als roofmensen. Dit heb ik niet verzonnen. Ik bespreek, benoem, begrijp het alleen anders dan de commentaarstemmen bij die uitzendingen. Nou ja.
Naarmate mensen meer geld hebben, kunnen ze zich doeltreffender tegen hun mederoofmensen (laten) beschermen. Als die bescherming doeltreffend is geworden, dan zijn die mensen 'rijken' gebleken. En voor die rijken betekent het woord 'vrij', het verschijnsel van de teruggetreden, nietsdoende Staat, dat ze soeverein zijn.
Dit verschil in betekenis van het 'op niksdoen zetten van de Staat' voor rijk respectievelijk arm, wordt teweeggebracht door het niet ophouden van de Staat met het verdedigen van het bezit tegen diefstal.
Wie, als hij vogelvrij is,
- de gelegenheid heeft om ongestoord te nemen wat hij nodig heeft,
- te doen wat hij nodig moet doen, en
- psychisch sterk genoeg is geworden om verleiding (= tot begeren gebracht worden) als aanval van de zijde van een roofmens te herkennen en te weerstaan,
is al flink vrij.
De Staat wacht echter niet met vogelvrij verklaren tot aan die voorwaarden is voldaan.
De Staat bestrijdt ook het 'roofmanschap' niet. Het veelgeprezen entrepreneurschap lijkt er zelfs vaak wel een vorm van.
Het algemeen belang
Dit schoolvoorbeeld van 'warspraak' berust op een schoolvoorbeeld van Oudspraak, waarin gezegd werd dat de Staat er was voor het algemeen belang. Dat was al in de tijd van het censuskiesrecht, en toen was het bedoelde belang, het belang van alle stemgerechtigden. Maar dat waren slechts diegenen die rijk genoeg waren om belasting te betalen.
In reactie op zulke voorbeelden van nadelen voor sommigen, zwakken, ging menigeen ertoe over te stellen dat de Staat de zwakken (in naam van de gezamenlijkheid) diende te beschermen.
Bezit
Men roept maar wat. Men analyseert niet. En men doet alsof het beschermen van bezit, zonder bovengrens dient te worden gedaan. Maar dat is onverenigbaar met het beschikbaar laten van het nodige (respectievelijk gelegenheid daartoe) aan alle ingezetenen. Als de bezitters de niet-bezitters niet kunnen gebruiken, deze geen kunstjes kunnen laten doen (waaronder enig productief werk om die kunstjes mee te be-lonen, die daarmee te kopen), dan komt dat erop neer dat het bezit minder ongelijk verdeeld raakt. En zich op den duur beperkt tot die nutteloze rommel waarmee de rijken hun rang aanduiden. Al het nuttige zal, door wie het nodig hebben, worden opgeëist.
Wie geen kunstjes doet voor de bezitters/ bezetters/ 'kolonisten uit Verweggië', moet hongerig, dorstig, dakloos en zo meer – kortom, ellendig – zijn. Zijn toestand is er om diegenen die wel een kunstje kunnen doen, ertoe te bewegen dat dan ook te doen. Nu de gevangenissen niet meer afschrikken is de bedelaar terug op straat, vervuild en irritant. De Staat is nu humaan bezig de crimineel te bejegenen; de cipiers doen dat. Het is de bedoeling dat de gewonen (gebruikten) last hebben van 'kleine' criminelen. Dan roepen ze om meer politie, om meer Staat, om meer bescherming van het bezit. Bedoeld is hun eigen – niet ter zake, van de indeling gebruiker-gebruikte, doende – bezit.
Maar 'bezit' is weer zo'n wartaalwoord. Er zijn diverse soorten bezit: wat jij nodig hebt, en wat anderen (en niet jij) nodig hebben en waarvoor je ze kunstjes kunt laten doen. Marx wees dit soort bezit aan als 'productiemiddelen', maar dat treft niet precies wat ik hier bedoel. Bijna wel, hoor.
Naamgeeftechnieken en geloven
Met deze voorbeelden is het waarschijnlijk voor de lezer al mogelijk zelf de woorden, die hij – in zijn eigen teksten – tegenkomt, te herkennen als Oudtalig, Nieuwtalig, wartalig, enzovoort. Het gaat bij deze talen om naamgeeftechnieken, die het onderscheiden en indelen en opvatten beïnvloeden, zonder tegen de beïnvloede taalgebruiker/ naamgebruiker aan te praten.
Dat is nu juist deel van de techniek. Als je de gebruiker het gebruik van je woorden aanbeveelt, vindt hij dat al gauw verdacht. En in deze oorlog die 'civilisatie' heet, is dat terecht en verstandig van hem. Een woord, en via dat woord een begrip in omloop brengen, kan anoniem gedaan worden. Het woord duikt op, zomaar, zonder vermelding van de afzender en ongeadresseerd. En net als een DNA-mutatie in de natuur, is het de toestand daar en dan, die maakt of het nieuwe zich kan vestigen.
IETSen hebben geen zelfstandigheid. Ondanks de suggestie daarvan met behulp van de lidwoorden 'de' en 'het' voor hun naam. De Shell bestaat niet.
Er bestaan geen goden. Natuurverschijnselen worden niet gedaan. Wodan bestaat niet.
'Wat was' is voorbij én onwaarneembaar én niet ter zake, niet langer ergens oorzaak van. Verhaaltjes over toen – ooit waar, of nooit waar – zijn absoluut nietswaardig. Pure propaganda.
Dit kan men ook met veel meer omhaal zeggen, maar waartoe zou ik? Iedereen kan en moet het toch zelf waarnemen, constateren. Geloven is fout, of het nu betreft wat ik zeg of wat een ander zegt. Of het nu een melding betreft, een vergissing (een door de spreker als waar beschouwde onwaarheid) of een leugen (bedoelde opzettelijk uitgesproken onwaarheid), dat maakt niets uit.
Helpspraak
Deze website is geschreven in 'helpspraak'. Geholpen kan slechts worden wie aan het streven is en wel bij het streven in kwestie. Het woord 'helpen' wordt ook heel raar gebruikt. De kater wordt niet gecastreerd, maar geholpen. De chirurg kan worden geholpen en geassisteerd (oh, wat een belangrijk verschil, in rang met name). Eten koken voor de chirurg is ongelijk aan hem helpen.
Wat op deze website staat, kan een lezer helpen bij het nemen van afstand tot zijn situatie. Er is een beste afstand, vanwaar helderder dan van waar ook, de structuur van de omstandigheden te zien is. Om binnen in de organisatie (in dit geval, ergens in de civilisatie) met succes te werken, is veel 'inside information' beter dan geen. Om te zien wat er gespeeld wordt, is afstand nodig, andersoortige informatie.
Helpspraak is bewust en opzettelijk aangemaakt. Niet om te helpen, maar om de werking van Oudspraak en Nieuwspraak tegen te gaan. Het wordt overal gezegd en gemeld: iedereen wordt bestreden. Er zijn altijd velen bezig hem te misleiden, te bedriegen, te gebruiken, voor hun karretje te spannen, enzovoort.
Bij dat bestrijden wordt de taal gebruikt, veel vaker en intensiever dan gewone wapens. Ook dat is evident.
Zelf waarnemen
Helpspraak verwijst alleen naar die verschijnselen die de lezer/ hoorder/ gebruiker zelf kan en moet waarnemen. Helpspraak staat bol van de verzinsels, maar die zijn als zodanig aangemerkt en herkenbaar. Maar 'helpspraak' bevat geen verzinsels in het bestaan waarvan men zou moeten – of zelfs maar, mogen – geloven.
De kernuitspraak van iemand die met 'helpspraak' werkt is: "dat heb ik alleen van horen zeggen". Dat heb ik alleen als INFORMATIE, niet als KENNIS. Zelfs niet als herinnering, zodat ik ten aanzien ervan herkenningsvaardig ben.
Ik geloof noch betwijfel iets van wat ik hoor of lees.
Ik herken het als informatie, in tegenstelling tot kennis.
De gebruiker van 'helpspraak' kan niet anders doen dan zo, want hij moet zich beschermen tegen (c.q. onttrekken aan) belogen-worden. Dat is: bedrogen worden met behulp van woorden, van tekst, van beweringen en redeneringen.
Er wordt (in 'helpspraak') geen onderwerp besproken, zonder dat het bespreken mee-besproken wordt.
Het gevaar van bedrogen-worden ligt namelijk niet alleen buiten je. Maar, als gebruiker van de – in aller gebruik zijnde – taal, juist ook binnen in je.
In die taal namelijk, in die begrippenapparatuur.
Als taalgebruiker grijp je op de begrippen aan via de woorden. Die woorden worden je bewust, niet die begrippen.
Namen zijn zo belangrijk
Namen zijn zo belangrijk, dat is precies waar het bij het praten over Nieuwspraak over gaat. Ik vind dat Orwell – al te zeer, Shakespeare vererend – uitgaat van het idee dat Oudspraak wel OK is. Dat is niet het geval. Dat kan ik met vele voorbeelden aantonen.
Een tijd van leren, een tijd van lesgeven
Er was een tijd van goed luisteren en leren. En er kwam een tijd van zelf lesgeven. Lesgeven is het in aanraking brengen van de leerling c.q. student met het besprokene. Wat de onderwijzer zegt, betekent niks voor me zolang ik het besprokene niet zelf waarneem (let op: onvoltooid tegenwoordige tijd). Tonen, vertonen, aanwijzen, bewijzen. Maar niet via logica.
Het is allemaal mooi hoor, die meetkunde en dat gesprek van Socrates met die slaaf over die driehoek.
Maar het houdt de aandacht weg van de centrale zaak: de slavenhouderij en de technische ontwikkeling die daaruit voortvloeit in het kader van de ononderbroken oorlog. Zo niet de slavenopstand, dan toch de strijd tussen de slavenhouders om de hegemonie. Die strijd om de hegemonie is niet constructief, brengt geen geluk en is zelfs volstrekt destructief. En toch is die strijd het kader – de motiverende, beweegredenen leverende, omgeving – van die technologische ontwikkeling, die de centrale – ja, enige echte – ontwikkeling is tot nu toe.
Op het gymnasium leren ze dan: 'de oorlog is de bron/ motor/ moeder/ vader van alle vooruitgang'. En dat in het Latijn of Grieks. En dán is het acceptabel. Ja 'waar', wijsheid.
Je blijft van logisch redeneren dus ontzettend stom.
'Stom' in de betekenis van dom en van 'buiten staat te spreken'. Dat laatste komt doordat logisch denken de begrippenapparatuur die ingevoerd wordt, buiten studie laat, accepteert en ook nog het onderwerp aanvaardt.
Nog erger is debatteren, maar dat heb ik al zo vaak opgeschreven.
Wetenschappelijkheid
Ooit, na de middeleeuwen, hebben enkele mensen – 'filosofen', noemt men ze nu – afstand genomen van die techniek 'logisch redeneren' die hen was aangeleerd. "Het zou zo leuk zijn als we het ergens over hadden", stelden zij. Waar is dat onderwerp waar het over gaat? Toon het even, wijs het aan.
Wel, dat afstand nemen kan en moet een mens nu weer doen. Niet van dat gedebatteer, gefilosofeer, geredeneer alleen, maar ook van de natuurwetenschappen zoals die nu functioneren. Die 'filosofen' – die afstand namen van het gepraat zonder iets (het onderwerp, met name) in handen, onder ogen, daar, dan, te hebben – hadden, of werkten met, een bepaalde mentaliteit: wetenschappelijkheid.
Belangeloosheid, onpartijdigheid, objectiviteit, onbetrokkenheid, onverschrokkenheid. Zulke ingrediënten, daarvan was die mentaliteit samengesteld. Het was en is, leuk iets nieuws te vinden. Maar het is niet langer juist nieuwsgierigheid als een ingrediënt van wetenschappelijkheid te noemen.
'Nieuwsgierigheid' betekent tegenwoordig: het willen horen vertellen over het actuele. En dat is het oppervlakkige, dat de wetenschapper juist niet zoekt. Krantennieuws, het courante, lopende nieuws: de nieuwe aflevering van het feuilleton.
De denker werd ooit de wiskunde en de theologie in gestuurd. De wetenschapper werd de techniek in gestuurd. De denker en de wetenschapper werden weggestuurd van 'het maatschappelijke', 'de politiek'. Politiek is recht noch religie ('scheiding van Kerk en Staat' en 'de politieke driedeling', de onafhankelijke rechters), in het Westen. Wetenschap was 'voor het plezier'/ 'vrijetijdsbesteding' voor de gebruikers, en is loonarbeid voor de massa der geleerden.
Verlichting door afstand nemen
Afstand nemen (= wetenschappelijk benaderen) van het maatschappelijke is een manier om verlossing en verlichting te bereiken. Ja, deze religieuze 'dingen'. Geloven verhindert niet het verlost-raken, maar wel het verlicht-raken. [Zie de voorafgaande opstellen.]
Toen die filosofen de redeneertrucs en de knullige begripsvorming tot onderwerp gingen nemen, plaatsten ze zich buiten het debat. Wie zich verlost, plaatst zich buiten het rangschikken. Daar ligt de overeenkomst.
ZICH BUITEN PLAATSEN = AFSTAND NEMEN
Dat is in duidelijke woorden wat ik bedoel.
Voorbij 'wartermen'
Er zijn vele voorbeelden van zulke wartermen:
- Liberalisme als het niet erkennen van gevangenschap (opgesloten/ buitengesloten zijn), en het niet erkennen van de betrokkenheid van gewapenden bij koop en verkoop. Het wordt buiten bespreking gelaten.
- Vogelvrij is volgens het WNT ook zo'n dubbel-verklaard woord: 'onbeschermd, een outlaw' naast 'zo vrij als een vogel'. Een schijnbare tegenstelling: de civilisatie houdt slechts slaven, gebruikten (aanstaande en ex-). De wraakgier van de, als vee gehouden, ingezetenen wordt losgelaten op vijanden, afvalligen, 'buiten de wet gestelden'. De wet die gevangen houdt, wordt zo tot een schild en bescherming omgedefinieerd.
Al deze termen veroorzaken onbegrip, onverstand, onduidelijkheid, onhelderheid. Het bespreken gaat steeds aan de kern voorbij, treft de zaak en het wezen niet, schampt deze slechts. Dit veroorzaken gebeurt in nauwe samenwerking met het vechten om spreektijd, waardoor iedereen altijd haast heeft bij het spreken. Kunstmatige schaarste, die met opzet wordt aangebracht en gehandhaafd.
Mijn website geeft mij schrijfruimte en de gelegenheid de lezer 'zuzumuten' (van hem te verlangen, hem op te leggen, hem te belasten met) het kennen (= gelezen en doordacht hebben) van de inhoud van alle opstellen. Alleen met zo'n verzonnen lezer is er de nodige, onvermijdelijke, onmisbare spreektijd en publicatieruimte.
Aan het gevecht om andermans luisteren, dien ik niet deel te nemen. Dat zou naar binnen toe bij mij toch weer die haast, die beperkingen, die uitleg-verplichtingen aanmaken, die nu juist zo rampzalig het ontstaan van veel goede tekst verhinderen.
0 Reacties