Niveaus van abstraheren op de Aztekentrap

Categorieën: 2000, 1 januari – 2004, 31 december | Archief

Trefwoorden: AMA | Aztekentrap | Canetti (Elias) | censuur | Elias (Norbert) | geredigeerd | Machiavelli | verhalen

Jaap Schot, 8 oktober 2003

Beeldspraak op de begane grond

Over beeldspraak hebben we geleerd heen te horen. We ervaren het als vrij flauwe grapjes als er over "het op een bericht gevallen oog" gevraagd wordt of het geen zeer deed. Of als er, bij het gebruiken van het woord "slachtoffer", gevraagd wordt naar het mes en naar de god aan wie geofferd werd.

Wij zijn bij dat verschijnsel – van het gedachteloos gebruiken van beelden, die al in losse woorden gevangen zitten – het slachtoffer van de haast. Die haast doen wij elkaar aan op de begane grond, in het gewone dagelijkse leven. En wel, door elkaar en onszelf geen spreek- en denktijd te gunnen.

Over beeldspraak heen horen, NIET DOEN.

‘Op de begane grond’ is een hier ongebruikelijke uitdrukking, die komt uit het beeld van de Aztekentrap. Daar ben ik nu mee aan het werken om ‘abstraheren’ en metabespreken in beeld te brengen, en daardoor te verhelderen en te definiëren.

De woorden ‘bullshit’ en ‘elephantshit’ kunnen met behulp van dit beeld van de Aztekentrap ook worden gedefinieerd. Het zijn woorden waarmee gewezen wordt naar duidelijke verschijnselen. Met name, naar duidelijk gedrag. Op de begane grond staan lieden te praten met woorden/ termen/ beschrijvingswijzen die passen bij, en geijkt zijn op, hoge (stierenstront) en nog hogere (olifantenstront) treden van de Aztekentrap.
Vanouds heet dat in het Nederlands, ‘opscheppen’. In dit geval (oreren, praten), de schijn wekken dat je op een trede staat.

De checklist van Mozes

Anders is het gelovig-priesterlijk uitspreken van heilige teksten van ‘profeten’ of zo genoemde lieden. Zij worden geacht ooit op hoge treden gestaan en gesproken te hebben. In het verhaal over de wetgevende Mozes missen we alleen de trap en de kunstmatigheid van de berg. Het beeld van de Aztekentrap is kennelijk willekeurig.

Op de berg dacht Mozes: de mensen van het volk hebben het niet.

  • Het deugen niet, en
  • het vrije mensen (in plaats van, vee) zijn niet.

Ze hebben een checklist nodig, waaraan ze kunnen zien of ze op diverse punten al wel ‘goed zitten’. Of, nog niet.

Toen Mozes naar beneden kwam met z’n tien punten om op te letten, zag hij het tuig in het dal bezig met het gouden kalf. Dat was, vanaf de hoogte waarop hij schreef, niet te zien of te horen. Die afstand onttrekt details en ‘vormen van gebeuren’ aan de waarneming.

In deze vorm, beelden aanbidden, waren de Israëlieten, daar, toen, nog vee. Vee wat de Egyptenaren van hen gemaakt hadden. Die Egyptenaren hadden hen immers als gebruiksvee gevangen gehouden en laten werken. Hen laten doen wat voor henzelf als dieren totaal onnodig was. Namelijk, bijdragen aan piramidebouw.

De Israëliërs, toen en nu

Een oude tekst van iemand die op een trede stond, kan slechts gaan over wat was toen hij daar stond, keek, zag, opmerkte en beschreef. Dat was toen, wij zijn nu. Ter zake voor ons LEVEN is, onze omgeving nu. Nu is alles anders dan toen. En wij zijn allen anders.

Wat is er NU mis met wat wij nu de Israëliërs noemen? Dat ze zich naar het land Palestina hebben laten gaan op instigatie van lieden die niet op enige hoogte/afstand gevende trede van de trap stonden. Ze hadden een stuk grond in bijvoorbeeld Zuid-Amerika moeten kopen en daar – de reeds aanwezigen, met gulheid en vriendschap, omkopend – gelukkig moeten gaan wonen.

De Palestijnen

Die Palestijnen zijn aanhangers van een vroegmiddeleeuws waansysteem. Daarin staat duidelijk dat ze nooit enig land, dat bewoond werd door lui met hun geloof, zullen overgeven aan ongelovigen. Maak deze gelovigen arm, en dus zonder eigen betreden van de trap in kwestie, en hun parasitaire ‘leiders’ blijven die middeleeuwer nakrijsen.

Van kinderen maken ze granaten die in vijandelijke mensenmenigten gaan ontploffen. Die kinderen zijn andermans kinderen en die gewone, arme, mensen maken wel weer nieuwe kinderen. Van dat systeem is slechts te winnen door het te vernietigen. Geen armoe meer, en geen antwoord op eigen niveau aan die mensen-gebruikende Palestijnenleiders.

Dat betekent het verschuiven van oorlogsbudget naar een budget voor onderwijs aan arme Palestijnen. Onderwijzen is het laten leren kennen van ‘wat is’. Van het gewoel op de begane grond, van de trap, en van de treden.
Onderwijs maakt een einde aan alle propaganda en de gevolgen daarvan. Ook ‘onder onderwijzenden’. Begrijpelijkerwijs willen de belanghebbende gebruikers dat niet.

Censuur en tegenzin

Het belachelijke feit dat er zo’n uitdrukking als ‘politiek incorrect’ in gebruik is, een nieuw woord voor censuur dus, ‘speelt’ in de buurt van het bovenstaande. Dat gebod politiek correct te spreken, geldt op de begane grond, waar de geïrriteerde massa geleefd wordt. De massa der mensen die nooit enige trede betraden, of zullen betreden. De gevangen gehouden en gebruikte mensen, die, in grote mentale duisternis, de agressie en onvrede op elkaar uiten. Agressie en onvrede die door hun parasieten – lui, die hen van buitenaf besturen – opgewekt werd, wordt, en zal worden.

Gebruiksvee ervaart tegenzin. Paarden, kamelen en olifanten, en ook mensen. Van dat verschijnsel tegenzin wordt de aandacht afgeleid door het verzinsel ‘vrije wil’. Dat zo afleiden is de goedbetaalde taak van de gebruikers van de juristentaal, een onderdeel van de propagandataal.

Het slechte en echte lezen

Wij lezen veel te snel en veel te veel. Dat is ons aangeleerd en heeft dezelfde gevolgen als censuur. Aan wie niet goed lezen, kunnen zelfs de gevaarlijkste (meest subversieve) boeken zonder bezwaar gegeven worden. Onze journalisten en literatoren maken een overmaat van rotzooitekst aan, die past bij dat slechte lezen. Daar leven ze van.

Echt lezen is zelf naar die trede gaan, en vanaf die trede nu bestuderen wat jou daar nu gegeven is. Wat aan jou, met jouw zintuigen, gegeven is van wat daar gebeurt: op de begane grond, ‘in de werkelijkheid’. Al het andere zal je eeuwig woordbrij blijven. Let wel: ook het natuurgebeuren, de wind en de golven zijn op de begane grond. Alle actueels, alle concreets.

De natuurkundige die over het oppompen van een fietsband iets zegt als “p1v1 = p2v2”, staat op een trede van de trap. Alleen de – voor die trede, specifieke – abstracte taal/ beelden gebruiken, is onvoldoende. Zelf kijken/ opmerken/ zien, dat moet!

Ik weet dat uit ervaring met de natuurkunde die ik moest leren zonder enig practicum. Het is totaal mislukt onderwijs geweest voor mij. Met woorden en cijfers en formules die nergens op slaan, kan ik niet werken. Ik ben iemand voor het onderwerp, niet voor het gezegde. Iemand om over spelen 1 te spreken, niet om eraan mee te doen, erin binnen te gaan. Ik ben een buitenstaander. Die trap op gevlucht, om uit het gewoel te zijn.

Dit essay gaat ook over die Aztekentrap. Iedere volgende trede voert ons ‘hoger boven’ en ‘verder van’ ons onderwerp.
Dat onderwerp is, wat er gebeurt ‘in de stad’/ 'op de begane grond’.

Let op het woordje, ‘gebeurt’!

Van doen is slechts sprake op de begane grond.
Zelfs op de eerste trede van de trap is al te zien dat er geen doen

  • bestaat,
  • voorkomt,
  • als van gebeuren te onderscheiden, gegeven is.

De mensen op de begane grond worden als vee gehouden en gebruikt. En één van de trucs van de veehouderij 2 is: dat spreken over ‘doen’, dat ‘kunnen nalaten’ suggereert. Deze besprekingswijze is er om te bedriegen en te bedreigen.
Ze is in gebruik bij het bespreken van wat er op die begane grond gebeurt. Door mensen heen (doorgankelijkheid), en tussen mensen.

Ondoorgankelijkheid is een zelden genoemde, maar niettemin de centrale deugd van mensen die daar gevangen zitten en niet weg kunnen. Mijn moeder was op vele punten een ondoorgankelijke.

Trede voor trede deze Aztekentrap opgaand, krijgen we steeds meer overzicht, kunnen we steeds minder details waarnemen. Wij veralgemenen niet vanuit een voorbeeld, maar we kunnen eenvoudigweg niet meer zo fijn onderscheiden als op een lagere trede.

Aanduiden met verhalen

Ik wilde weten hoe mijn omgeving in elkaar zit, hoe zij functioneert. ‘Weten’ is bespreken. Daartoe moeten de ‘dingen die gebeuren’, worden onderscheiden en benoemd.
Maar er zijn niet alleen van die dingen die gebeuren. Er zijn ook relaties daartussen, en er zijn manieren van raken. Vaak zijn er geen namen gegeven aan die relaties en manieren van treffen. Met behulp van verhalen waarin ze duidelijk optreden, zijn ze wel aan de ander aan te duiden, te zien te geven, aan te wijzen.
Soms zit zo’n verhaal helemaal verpakt in een naam. Schoolvoorbeeld: slachtoffer. Zonder erg, vertelt de gebruiker dat hij de verkeersdode opvat als een offer aan de afgod ‘mobiliteit’, waarvan de ANWB bij ons de Kerk is.
Zo’n verhaal is nog niet altijd meteen een analogie of gelijkenis. Daarvan spreken we pas als er, ten bate van het beschrijven van ons onderwerp, diverse a:b = c:d ‘dingen’ in het – ter aanduiding vertelde – verhaal zitten.

Aanduiden met gelijkenissen

“Het koninkrijk der hemelen is als een zaaier die uitgaat…”, dat is een gelijkenis.
Het aan publiek vertellen hoe zaken functioneren, is als het strooien van zaad. Niet op een voorbereide, geploegde akker, maar in het wilde weg. Zaaien is ‘er zichtbaar zijn, zoals je als inwoner van dat koninkrijk bent'. Oftewel, je licht niet onder een korenmaat houden (= verbergen, geheim houden). Maar dat is weer een andere gelijkenis.
En wie wat van jou ziet, en in welke fase hij zit van het planloos woekeren van zijn "aangroeiende massa aangeleerds" (AMA), dat heb je niet in handen. Vandaar dat rare zorgeloze, blindelingse zaaien.
Als je het ziet, het onderwerp waar het over gaat, dat gepraat in gelijkenissen, dan zijn die gelijkenissen ineens zinnig. Maar het is dan wel andersom. Je kwam in de stad en herinnert je:

“Verrek, hierheen wezen die borden, die wegwijzers”

Maar die belachelijke tekst op die dingen: ‘koninkrijk der hemelen’. Die naamgeving was toch echt wel echt 100% tijd- en plaats- en cultuurgebonden, hoor. Inderdaad.

Metabespreken en abstraheren

Het bespreken van de treden is metabespreken van ons bespreken van wat we daar – steeds verder weg, en dieper onder ons – waarnemen. Het bespreken vanaf een hogere trede is ten opzichte van het bespreken op een lagere trede ‘abstraheren’.
Maar dat woord, dat aanduidt dat er minder details worden beschreven, wordt meegenomen in het bedoelen met de woorden. Woorden, die – oh ramp! – op verschillende treden gelijkgehouden worden. Daardoor is de trede van waarop besproken wordt, niet meer te vinden via de tekst.

De trede en de trap moeten

  • bestudeerd,
  • geanalyseerd, en
  • onderling gerelateerd, besproken

worden.
Meta-bespreken noemen we dat. Het bespreken en ‘het vanwaar’ moeten besproken worden, naast en bij het onderwerp zoals daar beneden gegeven is.

Dat onderwerp waarin wie ook maar één enkele, de onderste trede van de trap betreedt,
niet meer

  • aanwezig is,
  • opgaat,
  • meedoet.

Wat metabesprekend gezegd wordt, maakt geen deel uit van het gepraat, de discussie, het discours, het gespreek, het gesprek, de birdshit, de bullshit, de elephantshit.

DAT IS CENTRAAL!
META IS: NIET TUSSEN, niet met, niet bij, niet samen.

Meta is niet op hetzelfde niveau, maar hoger. Dat hogere is voor iedereen toegankelijk, zij het niet moeiteloos. Hoger gaan kost txaenz.
Txaenz heeft kwantiteit en kwaliteit. Sommigen zullen de benodigde kwaliteit niet in hun txaenz kunnen aantreffen. Jammer dan.

Er is plaats voor ‘logica’

  • De stelling dat er voor alle dingen die gebeuren een begin was, en dus een tijd ervoor, een tijd zonder.
  • De stelling dat
    • binnen een spel, en
    • binnen een schema van opvatten 3 , zoals het multidimensionale(!) oorzaak-gevolg-schema,

    er mogelijke en onmogelijke zetten/ uitspraken, ware en onware uitspraken zijn, en er geen meningen kunnen gelden.

    Gelden doen de regels, en wel als enige. Wij zijn eerlijke en serieuze spelspelers/ schemagebruikers. Wij dwingen onszelf en anderen, tot dat laten gelden (dat ‘gedragsdeterminant zijn’) van die regels.

  • De stelling dat elk schema ook een menselijk maaksel is. Het er-zijn ervan een ‘ding dat gebeurt’. En dat er dus

    • naast, en
    • na, en
    • voor,

    andere dingen van die soort waren, zijn, en kunnen (en waarschijnlijk, zullen) zijn.

    Anders geformuleerd, luidt deze stelling: geen enkel schema is absoluut, Godgegeven, onveranderlijk, van eeuwigheid tot eeuwigheid het enige.
    Dat er geen absolute ware uitspraken zijn te doen, is een absoluut ware uitspraak, die dan ook – vreemd logisch – zichzelf zou opheffen, maar dat toch niet doet.
    Als een ‘loop’ blijft zij ronddraaien, rondgaan en doorzingen.

Parasitaire veranderaars

Wij zien, zelfs door alleen maar de eerste trede van die trap te betreden, dat de mensen om ons heen, met elkaar in strijd zijn, op elkaar parasiteren. Daarbij schijnbaar verlangend praten over symbiose. Zelfs over zich opofferen ten gunste van de een of andere ander, of groep anderen. Ze proberen anderen te veranderen, zodanig dat die anderen voor hen (de veranderaars) bruikbaar worden, zijn en blijven.

Dat is te zien aan het pogen om te veranderen

  • (opvoeden,
  • indoctrineren, en
  • voorgevormd, institutioneel, fabrieksmatig onderwijzen)

dat voorafgaat aan het eisen zich niet verder te laten veranderen – door verkeerde vrienden, foute boeken, enzovoorts.

Vanaf die eerste trede buitelen de voorbeelden en vormen, massaal over elkaar heen. Schoolvoorbeeld: ‘Games People Play’ van Berne en ‘Afweren en Begeren’ van Chapman. Hele bundels met smerige psychospelletjes, voorbeelden, voorbeelden, voorbeelden. Ander voorbeeld: die boeken met ‘retorische trucs en methoden’, boordevol manieren om de taal als wapen te gebruiken.

Opmerkelijk. Er blijft de mogelijkheid dat het kwaad in de mens ingeboren zit, en er in deze vorm uitkomt. Vanaf die trede waarop die beschrijvers staan, is dat niet uit te sluiten.

Sociologen op de Aztekentrap

De goede socioloog staat een trede of wat hoger dan de psychiater: verder af van de opneembare woordenwisselingen.
Ze imiteren het gedoe aan de hoven van de Franse Lodewijken, zo vertelt ons Norbert Elias. Kijk, daar heb ik wat aan. Nu overzie ik waar al die burgermensen, met hun tafellakens en extra vorken, middenin zitten. Zonder erg.

Vanaf de trede waarop Nicollo Machiavelli ooit stond toen hij ‘De Vorst’ schreef, is dat trucje van de Lodewijken een truc uit velen. Hun trucje was, van de adel met zwaarden, een adel met "zwaaikleding" maken. Het is een truc om anderen aan je te onderwerpen, ze gevangen te houden en te gebruiken. Als vee.

Ongeveer op die trede, wellicht toch één of meer hoger, stond – lang na Machiavelli – ook Elias Canetti. De schrijver van ‘Massa en Macht’ daalt telkens af om beschrijvingen van massa’s over te nemen. En dan gaat hij weer terug naar die hoge trede.

Vernietiging van de eigen levensvoorwaarden

Al die massa’s zijn voorbeelden van overbevolkingen, waar de natuur onvoldoende dwingende macht op kon uitoefenen. Enorme hoeveelheden txaenz waren over. Niet nodig om in het nodige te voorzien in de strijd om biomassa. Een strijd met de rest van het al wat leeft.

Zo’n mensenplaag neemt dan willekeurige vormen aan, doet iets onnozels, onintelligents met al die txaenz. Na – en via – het vernietigen van zoveel mogelijk in zijn omgeving, vernietigt hij zijn levensvoorwaarden. Anders gezegd, de fabriek waarin de biomassa wordt aangemaakt, waarvan al die nodeloze exemplaren van die plaag leven. Het zijn geen planten, dus ze moeten biomassa eten. Zelf kunnen ze die niet maken.

De bioloog die Canetti’s boek leest, merkt dat al die plagen – zoals te verwachten was – aan hun einde gekomen zijn. Een korte, en biologisch gunstige, methode zou zijn als twee of meer van die plagen elkaar zouden uitroeien.
Dat is in de wereldoorlogen niet gelukt, massamoorden leiden slechts tot massale kinderkomst bij de overlevenden.

Hoe hoger je die trap opklimt,
hoe duidelijker het je wordt:
het is hun wereld daar,
niet de mijne, hier.

De mensen in de wereld zijn buiten bereik. Ze kunnen je niet horen en jou evenmin onderscheiden als jij hen. Tussen hen is niets te bereiken. Van boven, op afstand, is hen niets doeltreffend toe te roepen.

Lezen, is dat wat?

Het is niet niets, maar het is niet wat het lijkt, en niet ‘zoals wordt voorgesteld in de propaganda voor het boek’. Gewone leesboeken worden onderaan – dus niet op, zelfs niet op de eerste trede van – de trap geschreven, voor en door gewone mensen. Schriftelijk gepraat, txaenzverspillingsmiddelen, totaal onnodig, nergens goed voor. De kranten en tijdschriften zijn dat ook.

De teksten, die op de trap staand, geschreven werden. Die teksten zijn zelfs geen surrogaat voor het zelf betreden van de trap en van daaraf waarnemen, onderscheiden, benoemen, beschrijven, bespreken. Zelfs geen surrogaat. Van het doen leer je, niet van het zien doen. Tenzij de bezigheid werkelijk geen, aan te leren, vaardigheid is.
Van het zien van het resultaat van het doen, leer je in ieder geval totaal niets. Als je iemand ziet schrijven en hardop hoort zeggen wat hij gaat schrijven, kun je misschien – van hem afkijkend – leren schrijven. Misschien, als je het oefenen van het schrijven eraan toevoegt. Maar van een manuscript kan echt niemand leren schrijven of lezen.
Het gaat bij boeken – teksten van de trap, bedoel ik – niet om het lezen, maar om het opvatten van het boek als wegwijzer naar die trede van de trap.

En dan nu nog het een en ander over de taalwerktuigen, die wij in onze ama aantreffen om

  1. vanaf diverse treden, te verwoorden wat we waarnemen
  2. te metabespreken wat we dan doen.

Eerst een opmerking terzijde

Ook wanneer we de trap nog niet betreden hebben, zijn er al veel ‘dingen die gebeuren’. Die op grote afstand van ons, gebeuren. Bij die afstand geeft de werkelijkheid (ons daar-zijn – ons letterlijke standpunt, dus) ons geen overzicht. Integendeel.
Het nieuws via de media vertelt ons over die ‘dingen die gebeurd zijn’, die voor ons niet ter zake zijn. Niet ter zake van ons LEVEN, of zelfs maar van ons leven, of zelfs maar van ons overleven. Dat waar het nieuws over gaat, gaat ons totaal niet aan.

Dat is ook de bedoeling met het nieuws en alle andere mediaoutput. Die is er om ons denken af te leiden, het – zo nodig – weg te brengen en te houden van wat ons raakt.
Wij zouden, als wij ons denken brachten bij wat ons werkelijk (be-)treft, namelijk wel eens tot ingrijpen kunnen overgaan. Tot doordacht en gefundeerd ingrijpen, verzet. Dat nu, is niet de bedoeling van het systeem.

Vanaf een trede waarop de enkelingen – die de onderdelen van het systeem bemannen – niet meer als daders te zien zijn, blijkt dat streven van ‘het systeem’.
Heel veel mediaoutput levert ons

  • taal,
  • woorden,
  • begrippensystemen,
  • beelden,
  • enzovoorts

om vanaf die treden daar, te verwoorden.

‘Frankrijk en Engeland willen geen Verenigde Staten van Europa’, melden ze dan bijvoorbeeld. Die journalisten hebben die trede die daarbij past, bij die afstand en dat overzicht, niet bereikt hoor. Echt niet.
Het is allemaal gepraat. Napraten, meepraten, doorpraten, de hoorder afleiden van diens eigen mogelijke waarnemen.

Alles gebeurt alleen maar, er zijn geen bedoelers.
Er zijn lui die voordeel hebben van wat er gebeurt
en het daarom helpen voortduren,
het niet bestrijden, het benutten.

Ik streef ernaar onverbloemd, onpartijdig te bespreken.
Waar ik tegen tekeer ga, is

  • de propaganda,
  • het verhullen,
  • het nemen van net het verkeerde bespreekbeeld,
  • het voor beschrijving houden van opvattingen,
  • de bezigheid ‘geloven’,

en meer van dergelijke talige primitivismen.

Analogieën (gelijkenissen) – arm of rijk aan a:b = c:d overeenkomsten met het stuk werkelijkheid dat onderwerp is – moeten over elkaar heen buitelen, talrijk zijn. Teneinde te bereiken dat de hoorder vergeet dat het verpakkingen voor die a:b = c:d overeenkomsten zijn.

Iets aanduiden met andere verhalen

De sprookjes van H.C. Andersen, de fabels van La Fontaine, de Bijbelse gelijkenissen. Allemaal voorbeelden van het gebruiken van een ander verhaal om iets over het onderwerp aan te duiden. Iets wat niet te zeggen is met namen van dingen die gebeuren, waar geen geijkte woorden voor zijn.
Op de grond – aan de voet van de trap – worden die verhalen dus niet gemaakt en gebruikt, om te vermaken, te boeien, te verkopen, te dienen met afleiden, verstrooien, amuseren, vermaken.

De sprookjes van Andersen en de fabels van La Fontaine, en diverse Bommelverhalen, zijn als lucifers die werden aangestoken en voor de lezer nog telkens weer branden. Licht geven om, wat zonder die verhalen duister en onzichtbaar bleef, aan de lezer te ‘geven’, tot een gegeven te maken. De onderwerpen zijn van die soort die wel een paar honderd jaar blijven. Ze veranderen zo weinig dat dit bijlichten nog helpt.
De onderwerpen aan de voet van de trap zijn actueel. Ze vullen de oude krant van morgen.

Censuur op de begane grond

Er is aan de voet van de trap ook censuur. In plaats van zelf de trap op te gaan en te kijken of hetgeen ze horen waar is, zijn hoorders op de begane grond vaak geneigd meteen aan het vechten te slaan. De mensheid is een massa onrustig vee.
Dan hier, dan daar op het aardoppervlak, is het openlijke gewapende burgeroorlog. Burgeroorlog, want staten mogen elkaar niet zomaar aanvallen, oh nee.

Iedereen is betrokken in die burgeroorlog, dat leven ten koste van anderen. Toch noemen ze het "vrede" als men slechts strijdt met onbloedige technieken: het (voor zich laten) toepassen van list, bedrog, chantage en dergelijke.
Wij zijn bijvoorbeeld zo vreedzaam dat wij zelfs schelden op de ondernemers en handelslieden die, in onderlinge concurrentie om de gunst van ons (klanten),

  • kinderen arbeid laten verrichten, en
  • landen arm houden, en
  • in lagelonenlanden doen wat hier al sinds 1900 of eerder niet meer mag, en
  • de natuur schaden,
  • enzovoorts.

Wat zijn wij vreedzaam en deugdzaam! Al die fout verkregen spullen worden verkocht en gekocht, alle gestolen spullen worden door helers gekocht.

Als je geen partij kiest, sta je al op een trede van de trap.

Op het plein in de stad, aan de voet van de tempeltrap, staat een toneel opgericht. Het politiek toneel en de planken die de wereld betekenen. Ook vanaf dat toneel, van waaraf het menselijk vee wordt geleid, zijn de enkelingen op de begane grond te verwaarlozen klein, en volstrekt onbelangrijk.

Het is van het grootste belang de taal voor de schijnbaar verheven positie, van degene die daar spreekt van ‘de kiezer’ en ‘het land’, te onderscheiden – als zijnde een speeltaal, uitsluitend illusieve afspraken betreffend – van de taal van wie op de trap staat. Aanwezigheid op het toneel geeft geen mentale afstand. Wie op het toneel is, is niet buiten spel, niet vrij zoals een wild dier. Hij is gewoon aan het spelen, gewoon varken op de "Boerderij der dieren" 4 . Aan het leiden, maar geen mens.

1) Zoals Risk, politiek, ‘uitvoerend wetenschap bedrijven’, ‘geïnstitutionaliseerd onderwijzen’, schaken of voetbal.
2) Die zij zelf bemannen en bedrijven, en ‘samenleven’ noemen. En als zodanig niet wensen op te merken, benoemd en besproken te krijgen.
3) Let op! Opvatten is ongelijk aan beschrijven. Een beschrijving is met foto’s te illustreren, een opvatting niet.
Een opvatting ontstaat door inwerking van de ama van de opvatter op hetgeen

  • te beschrijven,
  • te ‘fotograferen’,
  • te tonen ook,
  • aan te wijzen,
  • vaak, slechts aan te duiden,

is.
4) [red.] 'Animal Farm' van George Orwell is een moderne fabel die iedereen gelezen zou moeten hebben!

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *