Jaap Schot, 23 december 2002
Dat met onderwerp en gezegde is een woordgrapje: ik bedoel uit te schrijven dat zowel een onderwerp als het er over gezegde, onderwerp van oplettendheid, van aandacht, van bestudering moeten zijn.
Ik heb toegang tot erg weinig onderwerpen. Dat, en niets anders, is nodig om te verklaren dat ik het over de niet-commerciële televisie-uitzendingen en een klein aantal boeken heb. Dat zijn mijn gegevens, de mij toevallig toegankelijke onderwerpen.
En dan is er nog de taal waarmee ik bespreek, waarmee de tekstaanmaker in mij werkt. De resultaten daarvan, van dat werken, met die taal, met die begrippenapparatuur/ begrippenverzameling, zijn ook weer mij gegeven ter bestudering; nu ja, te bestuderen, bestudeerbaar.
Dat is het dan. Ieder ander heeft een andere verzameling onderwerpen en een andere verzameling begrippen (ideeën, modellen, begrippenapparaten).
Dat zijn actuele verschillen, al komt de taal, naar omvang en aard, uit het verleden van de betrokken ‘denker’, die opvat, beschrijft en bespreekt.
Anders heb ik dat wat ik hier nog eens uitschrijf al gezegd met de woorden:
“Laat na
- het napraten,
- het meepraten en
- het doorpraten
zonder zelf aan het onderwerp zo aan het waarnemen te zijn, dat dat onderwerp mede kiest en stuurt wat je zegt.”
En laat het opmerken, opvatten, begrijpen, verwoorden en uitspreken (c.q. uitschrijven) gewoon ‘in’/ ‘door’ je onwillekeurige lijf gebeuren, maar neem de resultaten kritisch in studie. Dat levert geen kennis van jezelf, maar van de sporen die je omgeving in de loop van je leven op je ‘schreef’. Omdat het dát exogeen zijn, de gezamenlijke sporen, die deze teksten vormgeven, zijn ze voor anderen, tijdgenoten en taalgenoten met name, ook verstaanbaar. Ze maken je herkenbaar als afkomstig uit die (toevallig ook ‘jouw’) opvoedingstraditie.
Het gaat mij om de kwaliteit van mijn bezig zijn. Het is nu eenmaal niet anders dan dat ik slechts
- deze onderwerpen als ‘mij zintuiglijk en/of anderszins gegeven’ heb, en
- deze verzameling begrippen geleerd heb.
Het onder woorden brengen van wat er in je apperceptieve massa speelt kan maar een klein deel ervan betreffen, vermoed ik; en wat dan nog?
Wel: ik vermoed dat ik de keuze heb tussen voelen en ‘verwoord hebben’. Ik haat voelen. Verwoorden is daar een middel tegen en daarom pas ik dat middel zoveel mogelijk toe.
Schoolvoorbeeld. Onlangs kreeg ik te maken met een arts die deed alsof ‘uitkijken bij het oversteken’ = ‘bang zijn om overreden te worden’. Vragen of dit verschijnsel een symptoom is, zoals in een bijsluiter beschreven, vatte zij op als ‘mij nodeloos ongerust maken’. En dat verschil kon ik haar toen niet in deze korte bewoordingen uitleggen.
En bovendien is dat mijn taak en voornemen niet, als vragen stellende, consulterende. Ik kom daar niet met het voorstel: “jij was de moeder en ik was het bange kind, laten wij spelen”. Hoogst irritant vond ik het. Het kostte me een flinke hoeveelheid uitschrijven om het (weer) paraat te hebben: ‘dit is niet irritant’, maar: ‘ik erger mij er aan’.
Hier spreekt geen juffrouw, hier spreekt een kritiekwaardige opleiding door een gat in de muur, door een doorgeefluik.
Er is helemaal nergens ‘iemand’:
de hele pratende mensheid is een verzameling doorgeefluiken.
De meeste ‘patiënten’ zullen wel voelmachines zijn, nooit iets doordacht. Maar ik ben aan doordenken bezig geweest en wel heel lang en intensief. Ik heb meer onderscheidingen in gebruik genomen dan vele anderen en ik wil niet volgens een standaard bejegend worden. Ik kreeg mijn vragen niet beantwoord en liep ergernis op. Dat is een misser. Einde voorbeeld.
Het lijkt alsof ik van iedere mug – ieder klein incident – een olifant maak – een uitvoerig te bespreken gebeurtenis. Dat is schijn. Die schijn ontstaat doordat ik mij, onderwerpen kiezend, bij mijn eigen ervaringen houd.
Wat maakt de vergelijkbare incidenten in de levens van de belangrijke mensen zoveel groter en meer aandacht waard schijnend?
Wel, hun volgelingen – organisaties – en hun ‘machines’ – geweren en zo. Het vervloekte hondengedrag dat in mensen kan worden gebracht: het meedoen en gehoorzamen, gepaard aan de aanwezigheid van technische spullen en technieken, dat maakt dat het bevel van deze of gene omhooggevallen schertsfiguur ineens een hele oorlog ontketent, bevrijdt uit de remmingen die door opvoeders en natuur in de hondachtige mensen werden ingebracht. Ze worden losgelaten, eindelijk mogen ze. Fris en vrolijk trekken ze op: (operatie ‘Barbarossa’, de USSR binnen, moordend en branden stichtend, oprukkend, heerlijk). Voor ontelbare andere voorbeelden: zie de geschiedenisboekjes en de kranten.
De concurrerende vorsten en hun bewapende meutes (trotteldrommen, met al of niet zelf aangewezen/ gekozen/ ‘democratische’ opperhonden), die maken geschiedenis.
De kunstenaars en de beoefenaars van de interessante wetenschappen – archeologie en zo – zijn er om de aandacht even af te leiden in de pauzes van de oorlog . En de echte wetenschappers – de natuurwetenschappers – zijn er om de kennis voor de aanmaak van wapens te leveren en om het voor burgerdoelen te laten schijnen als deze wapens worden ontwikkeld – sterrenkunde als schoolvoorbeeld, maar men vergete in dezen de ‘medische wetenschap’ ook niet.
Ze willen dat je volksstammetje speelt met wildvreemde mensen die zich evenmin voor jouw leven en welzijn interesseren als jij voor het hunne. ‘Ze’, dat zijn degenen in wier gedrag (inclusief spreken) het bevelengeheel, de ideologie, van deze civilisatie tot uiting komt. Het Christendom speelt daar een mooie inspirerende rol bij door aan te dringen op aller mensen broederschap. Wat de ontkerstende humanisten dan vertaalden in een verbod op favoriseren van de eigen mensen met wie je wel iets van wederzijdse belangstelling in leven en welzijn voelt boven volstrekt vreemden.
Het Christendom liet het nog bij het moeten helpen van vreemden in nood, zoals de barmhartige Samaritaan dat deed met dat slachtoffer van een roofoverval. Maar de kapitalisten eisen dat iedereen die zij arm maakten en houden – negers in Zimbabwe (Rhodesië) deze keer, een schoolvoorbeeld, toevallig – door degenen die zij hier gebruiken zal worden geholpen. Non-gouvernementele organisaties moeten dat doen, ze willen zo weinig mogelijk ‘staat’, omdat er algemeen kiesrecht is en zij getalsmatige meerderheden dus altijd moeten kopen – schoolvoorbeeld: de geheime kassen van de CDU in de BRD. Non-gouvernementele organisaties zijn wat dat betreft dus minder bewerkelijk en goedkoper. Vandaar. Het staat veel beter als een onderneming een ton geeft aan een liefdadige televisie actie dan wanneer ze de regering zou kopen voor twee ton.
Nogmaals: de aangepaste gebruikten met een verantwoordelijke baan – zoals artsen en juristen – dringen er graag op aan het als gebruikte, verzorgde burger toch vooral erg rustig aan te doen met zelf opletten of je geen gevaar loopt. Pas als het hen te duur wordt, de massa te verzorgen, omdat daarvoor meer txaenz nodig blijkt, komen ze ineens met ‘gezond eten en bewegen’, ‘zelfredzaamheid’ en zo als eis aan de burgers, die ineens blijken de eerste verantwoordelijkheid voor hun eigen veiligheid te hebben, volgens de niemand bekende regelingen van de bazen (c.q. de juristen).
Nu de gebruikten – vergeten dat ze gebruikten zijn, wegwerpgebruiksvee om precies te zijn – veiligheid eisen, blijken de politie en justitie en ‘het medische circuit’ daar niet aan te behoren te voldoen. Ineens moeten de burgers zichzelf onderling actiever verdedigen, als ze dat maar niet goed genoeg als gewoonte krijgen om ook degenen die hen gebruiken en verbruiken aan te vallen. En als cliënten van ‘het medische’, de gezondheidsindustrie, moeten ze ineens gezond gaan eten en aan niet-vergoede zelfmedicatie gaan doen, als dat maar niet in ‘claims’ ontaardt. Vandaar de waarschuwing de bijsluiter te lezen en advies te vragen. Dan ‘hadden ze het je toch gezegd’ en ‘is het dus je eigen schuld’.
“Geen Amerikaanse toestanden!” De USA, waar het vee – nooit voorgelicht omtrent hun gebruikt worden – een ‘claimcultuur’ heeft ontwikkeld, die de kapitalisten hier onaangenaam is.
0 Reacties