Jaap Schot, 16 december 1992
In het kort:
Ik noem het txaenz. Iedereen krijgt er een hoeveelheid van. Krijgt, ononderbroken, maar eindig. Wie niet langer krijgt, is dood. Overdracht is niet mogelijk, het is onvervreemdbaar. Opslaan, bewaren kan evenmin als bewaren. Je kunt het laten vergaan, verdoen, besteden of investeren. Aan wie geen gelegenheid tot besteden en/of investeren gelaten wordt, heeft geen leven. Een gever is niet bekend. Investeren is vastleggen in een blijvend resultaat. Blijven is betrekkelijk, alles verandert en uiteindelijk zal alles wel vergaan.
Nodig is wat technisch nodig is om de stroom op gang te houden, het krijgen te doen voortduren.
Wat is, is bespreekbaar. Het staat en gaat, bestaat en vergaat, ook zonder dat het besproken wordt en onbeïnvloed door welke wijze en welke mate van besproken worden dan ook. Ook wat niet is kan besproken worden, daardoor komt het echter niet tot stand en dus ook niet in gang. Bespreken is geen scheppen.
Wat een mens nodig heeft moet hij zelf voelen, (in zich) opmerken. En een mens moet over wat hij nodig heeft, doordenken. Om in dat nodige te voorzien moet er iets gedaan worden, moet er txaenz besteed worden. Dat is natuurlijk zijn eigen txaenz, daar is die voor. Wat er precies gedaan moet worden hangt af van de stand en gang van zaken in de omgeving van die mens in kwestie. Wat er gedaan moet worden moet gekozen worden uit dat waartoe er gelegenheid is en waartoe de mens in kwestie in staat is, de vaardigheid, de txaenz, heeft.
Wij hier nu leven bijeen als gespecialiseerden, bezigheden met elkaar ruilend. Wij leven bijeen, niet samen. Integendeel alle betekenis van 'samen' is tegengestteld aan de wijze waarop wij met elkaar leven. Wij leven namelijk in strijd met elkaar, wij verdoen, besteden en investeren ieder zijn eigen txaenz in een gezelschapsspel om rang, waaraan allen meedoen met zin of tegenzin.
Dat als ruilende gespecialiseerden (professionelen, beroeps) bijeen leven is dermate doeltreffend en overbevolkend dat het nodige dat gedaan wordt is overwoekerd door onnodigs dat gedaan wordt. Vaak wordt nodigs vastgemaakt aan onnodigs (mode). Waar nodig en onnodig twee kanten aan eenzelfde maaksel, product, dienst zijn, is vaak het nodige ondergeschikt aan het onnodige.
Het onnodige in kwestie is niet onnodiger dan het maken van doelpunten in het voetbalspel. Binnen het spel is dat "nodig", ja het allernodigste, het wezenlijke. Het voetbalspel en alles wat daarbinnen nodig is, is echter door bespreken tot stand en in gang gebracht. Het bestaat en vergaat niet mensonafhankelijk, het is een hersenschim. Zo "is" ook het zich rangschikken zoals de mensen dat doen, er alleen door bespreken. Ook alle rang en stand en alles wat daardoor, daarbinnen, in dat spel, "nodig" is, is een hersenschim.
Zoals voetballers echt geblesseerd raken, zo raken werklozen en door andere oorzaken armen, ook echt beschadigd. Beschadigd, dat is absoluut, niet: benadeeld, achtergesteld, dat is relatief, het is de achterkant van het bevoordelen, bevoorrechten van iemand, dat er anderen tot zijn minderen, tot minder bevoorrechten, worden. Dat schaden is niet een ongelukje, veroorzaakt door de aangetroffen schaarste van hetgeen er beschikbaar is om (ongelijk) te verdelen. Die schaarste wordt aangemaakt als ze niet wordt aangetroffen. De zeldzaamheid (liefst uniekheid) van maaksels en buit roof en oogstgoed, (aan de natuur ontnomen zaken) is reden voor het er aan toekennen van de hoogste waarde (financieel en om mee te pronken). Hebben begint pas te gelden in het spel wanneer en naarmate anderen niet hebben en het missen, het begeren, lijden aan dat niet-hebben, zich erdoor minder voelen dan wie heeft. Geen speler kan zich de meerdere voelen zonder dat er anderen hem omgeven die zich zijn minderen voelen. Dat geldt ook voor het kunnen en kennen, ook kunde en kennis zijn voor de geciviliseerden bezit, eigendom, pronkstuk, middel tot zelfvertoon, tot opscheppen.
Wat ik tot nu toe uitschreef kan iedereen die televisie tot zijn beschikking heeft elke dag geïllustreerd, ja bewezen, zien.
In dit bovenbeschreven ruilend bijeenleven hebben allen, heeft iedereen, gelegenheid nodig om zijn txaenz te ruilen voor geld. Geld zit tussen al die geruilde gespecialiseerde bezigheden in als glijmiddel. Er zijn zoveel mensen binnen dat iedereen alles kan ruilen (kopen) wat hij wil en financieel kan, terwijl er massaal mensen overbodig, om aan het ruilverlangen te voldoen onnodig blijken. Binnen het spel onnodig zijn heeft echt geschaad worden tot gevolg.
Alles wat bruikbaar zou zijn voor die overbodigen om zelf te voorzien in wat ze nodig hebben, is door deelnemers aan het spel in bezit, in eigendom genomen. Dat betekent dat die deelnemers voorkomen dat het door de onnodigen die buiten staan, gebruikt zal worden. Die buitenstaanders voor de keuze 'stelen of sterven' stellen, dat vinden de spelers hier nu wel wat erg grof en daarom geven ze die onnodigen, die bij het ruilen ongebruikten, wat geld. Daarmee kunnen die voorzien in wat ze nodig hebben 'om lichaam en ziel bijeen te houden', maar het spel gebiedt dat hen alle gevoel van eigen waarde vreemd blijft zolang ze dat niet in zichzelf vinden. [Hierbij moet worden opgemerkt dat alle georganiseerde religies winkeltjes zijn waar direct txaenz kan worden geruild voor het gevoel ergens bij te horen, iets te zijn. Dat 'iets' is men dan weliswaar buiten de wereld (= het speelveld), buiten het materialistische (scheldwoord voor het centrale gegeven binnen het spel: spul dus, spel voor rang, spul en rang); maar men is 'iets' en niet 'slechts' schepsel, 'slechts' dier, 'slechts' iemand, 'slechts' een mens, 'slechts' een exemplaar van een diersoort.]
Aan geld komt men binnen het spel, aan geld komt wie meedoet, meetelt, slechts door het te verdienen, door ervoor te dienen, door er anderen voor te dienen. Wie koopt ( ---> gediend wordt) heerst, is koning klant. De koper, die diende voor geld, vernedert op zijn beurt de verkoper, de producent, de aanbieder, de dienstverlener. De economie raakt in een recessie als de mensen elkaar minder onnodige kunstjes gaan laten doen. Dan worden er vele mensen meer werkloos.
Iedereen weet dat werken (dienen voor geld) vernederend is, vernederender, naarmate het onnodiger is. Geld verzoent de vernederende met de arbeid. Geld is het vernederingsmiddel. Met geld kan wraak genomen worden. Geld is zo goed als een geweer, ja beter. Wie neemt zonder te betalen komt in aanraking met (het vuurwapengeweld van de) politie. Geld stinkt niet. Het verlangen naar het anders dan via verdienen verkrijgen van geld wordt eindeloos aangewakkerd. Misdaad loont, gokken uiteindelijk nooit. Gokken wordt gepropageerd en gereguleerd, de mensen doen het anders toch ook.
Leren voor geld
Het kan hier onbesproken blijven om welke redenen, maar de meeste mensen willen meetellen, dat wil in onze omstandigheden, - binnen het genoemde spel 'voorrechten vestigen'- , zeggen: ze willen de gelegenheid hun txaenz te ruilen voor geld.
Nu is het zo dat alleen diensten geruild worden, met geld als glijmiddel (exacter: ruilvergemakkelijkingsmiddel). Zonder geld is zo allen met allen zoveel ruilen bijna ondoenlijk.
Naast het aldus geld verdienen bestaat al het geld uitgekeerd krijgen om te voorkomen dat de betrokkenen noodgedwongen (= doordat ze allerhand nodig hebben terwijl alles al bezit/eigendom van anderen is -) moeten stelen en / of op andere manier de spel- orde en de spel-resultaten moeten verstoren. Dat geld en het geld dat betaald wordt om de kinderen in het onderwijs voor te bereiden op het deelnemen aan het spel en het geld dat nu verloren gaat aan schade die toch nog wordt aangebracht doordat die ongebruikten niets voor hen aantrekkelijkers dan dat schaden te doen vonden, konden vinden, die drie sommen geld samen kunnen worden gebruikt om ongebruikte ervoor te betalen voor leren. Leren is iets veranderen aan jezelf (aan de afstelling van je zenuwstelsel), je dient er niemand anders mee, je ruilt geen dienst met iemand anders, je verandert er niets mee aan je omgeving. (Nu ja, je wordt voor sommige anderen een hulp en een gesprekspartner, dat wel. Die anderen ontmoet(te) je tijdens het samen bestuderen en leren van wat je met hen gezamenlijk kunt en kent.)
Het onderwijs zoals wij dat nu kennen rangschikt, het doet dat omdat het de voorbereiding op het rangschikspel in de maatschappij is.
Mijn voorstel is het onderwijs te privatiseren en van het leren een alternatieve manier van aan geld komen te maken, naast het verdienen (= diensten ruilen via geld) en naast, maar grootstendeels als vervanging van het krijgen van een uitkering.
Wie zich blijft interesseren en blijft leren en slagen schept voor zichzelf een manier om steeds weer aan geld te komen, een manier die nu in de wereld van het ruilen door anderen, opdrachtgevers, koopkrachtige klanten, moet worden aangemaakt en dan genoemd wordt: een baan, een carrière, werkgelegenheid.
Iedereen kan dan kiezen tussen 'leren voor geld' en 'dienen voor geld': geld verleren en geld verdienen. Er is maar een beperkte hoeveelheid werkgelegenheid en er is ook maar een beperkte hoeveelheid leergelegenheid. Het invoeren van dit alternatief naast het elkaar dienen heeft dus geen open einde, het is niet zo dat het dien-spel zal leeglopen. Het onderwijzen, dat aan het meeste leren-voor-geld zal vastzitten is gewone dien-arbeid, evenals het voorzien in 'leermiddelen en leer-faciliteiten' in de ruimste zin.
Het invoeren van deze gelegenheid tot geld verleren vernietigt een groot deel van de ledigheid die des duivels oorkussen is. In deze uitdrukking is namelijk het inzicht vervat dat voor veel doen en nalaten van mensen geen eigen reden is. Achter veel wangedrag zit geen boze zucht, maar de oorzaak is slechts de afwezigheid van een door de dader als positiever ervaren aanwezig en toegestaan alternatief.
Centraal in mijn voorstel is dat iedereen slechts datgene leert wat hij leren wil, bij de onderwijzer van zijn keuze.
Wie geld verleert is als het ware zijn eigen werkgever, nee een betere vergelijking is: hij is zoals een vrije kunstenaar hier nu. Een vrije kunstenaar, die voor zijn werk betaald wordt, voor zijn bezig-zijn, niet voor zijn producten. Hoe kan dat dan, binnen het spel om rang en voorrechten, voor het op eigen gezag en initiatief bezig-zijn betaald, positief gewaardeerd worden? Dat kan doordat de elkaar dienenden pochen op het feit dat zij als groep zich deze vrijgestelden kunnen veroorloven. Zo is het ook met toppresteerders in de sport, ook daarop is men trots. Maar let wel: ik stel niet iets voor dat er al is: toppresteren. Juist dat moet niet het doel zijn van dit mogelijk maken van geld verleren. Toppresteerders zullen er komen, maar als toevalsproducten van een fabriek van sociale rust, die rust schept door het aan mensen geven van acceptabele alternatieve txaenzbestedingsgelegenheden naast het elkaar dienen.
Voor sociale rust en voor vrede, tegen zinloos vandalisme, waar oorlog en mode voorbeelden van zijn.
Veel, ja het meeste van wat er koopkrachtig van anderen gevraagd wordt en wat ze doen als ze geld verdienen, is het onnodig vernietigen van 'het milieu'. Het nalaten van onnodigs is de enige verantwoordbare actieve milieubescherming.
Al dat leren zal even onnodig zijn als al dat sporten en al dat produceren van wapens en mode nu is. Maar leren is het onschadelijk bewerken van het eigen zenuwstelsel, het is zonder enige invloed op het milieu.
Dit is een uiterst korte samenvatting van alles wat ik te zeggen heb. Ik zal het niet publiceren omdat ik in die andere betekenis van die term: niets te zeggen heb. Het woord is machteloos. Macht komt uit de loop van een geweer. De mensen zijn allen aan het spelen en wie aan het spelen is, is onaanspreekbaar voor wie het over het spel als zodanig wil hebben, met andere woorden een gesprek buiten spel wil. Dit rangschik- of bevoorrechtingsspel verdraagt geen gelukkige buitenstaanders. Het heeft die buitenstaanders alleen nodig als voorbeelden van mensen in erbarmelijke omstandigheden, wier ellende, vertoond aan de gebruikten, dezen blij maakt met 'hun werk'. Het gebruikt worden moet hen een van hun voorrechten schijnen.
Mijn voorstel maakt een wereld naast die van het over elkaar heersen, dat in onze democratie, in onze open samenleving, tegelijk ook het door elkaar overheerst worden inhoudt. Een alternatief waarin niet geheerst en dus niet gediend wordt. Degenen die voorzien in onderwijs en faciliteiten worden slechts betaald als de leerling slaagt en wel een vast bedrag. Dat maakt hun inkomen evenredig aan het inkomen van de leerlingen, dat weer volledig evenredig afhangt van hun leerresultaten. Alle niet-evenwijdige belangen in het onderwijs van nu, komen in mijn systeem niet voor. Niemand wordt door iemand anders tot wat dan ook gedwongen, hoogstens verlokt door extra-betalingen voor geleerde informatie, verworven vaardigheden en opgedane kennis. de belangen zijn evenwijdig en verbonden.
0 Reacties