Jaap Schot, 20 april 1985
Ik schrijf nu al bijna een jaar ongeremd (anders dan via intern resterende te louteren afleidingsbronnen) over de stand en gang van zaken in de wereld. Ik heb die wereld geanalyseerd, in kaart gebracht, en ze geplaatst waar ze hoort: op de aarde en als samenleving beschouwd: in de levende mensen hier en nu. Wat nawerkt is het ervaren verleden, niets van wat voor de oudste nu levende gebeurde. Ik stelde vast dat de wereld is te vergelijken met een koraal of met een mens: er blijft een stoffelijk overschot van over, meer niet. De kathedraal veroorzaakt geen rooms zijn. Het stoffelijk overschot is op zich ongevaarlijk, evenals alle gereedschappen, inclusief de ergste wapens, dat zijn.
Al schrijvend ben ik me bewust geworden dat ik me volstrekt wil beperken tot het uitschrijven in mijn begrippenapparaat, dat ik steeds louter, van slechts datgene wat ik zelf hier nu waarneem en ervaar en dus "zeker weet" ("", want er bestaat geen onzeker weten, er bestaat alleen weten en niet-weten), met andere woorden: ken als waarheid.
Ondertussen ontkom ik niet aan het verwerken van informatie. Ik schrijf in de vorm waarin ook de andere mensen spreken: alsof ik er zeker van was dat er ooit een Auschwitz geweest is, alsof ik zou weten dat er ooit iemand was die Napoleon heette en iets hoogs in Frankrijk was.
Ik maak mij volledig bewust wanneer ik informatie verwerk en wanneer ik waarheid die ik ken, mij bewust maak verwoord en uitschrijf.
De uitdrukking 'mij bewust maak' kan exacter: mij bewust laat worden, mij niet afleid van wat mijn eigen brein kan inbrengen in mijn bewustzijn. Niet afleid, door dat bewustzijn niet door de bewustzijnsindustrie te laten vullen.
Wat ik ken uit eigen ervaren hier en nu is wat ik mezelf zie doen: uitschrijven wat mij uit mijn eigen brein invalt in het bewustzijn. Ik merk daarin op dat de bewustzijnsindustrie via mijn brein nawerkt (voor wat betreft wat ik op school en daarbuiten leerde) en doorwerkt ( via de output die ik tegenwoordig tot mij neem, via het medium t.v. voornamelijk).
Ik kan niets anders waarnemen en ervaren dan wat ik als gegeven, voorwerpelijk, voor me kan krijgen resp. kan doen. Dat is voor mij hier nu weinig, ik heb geen toegang tot enig geheim, ik heb ook geen extra zintuig of zoiets.
Ik heb niets te melden wat niet voor ieder ander ook waarneembaar en ervaarbaar is. Ik heb niets te vragen. Ik heb niets te bespreken. Ik heb geen medestanders nodig zoals een gelovige en een strever dat hebben.
Het verschil tussen wat ik, informatie verwerkend, formuleer enerzijds en wat ik waarnemen en ervaren kan anderzijds is groot.
Ik leef hier nu onder uitstekend goede omstandigheden, ik hoef geen loonarbeid / dwangarbeid te verrichten en heb toch een ruim inkomen. Ik heb mij niet in cultuur-relaties gebracht resp. verstrikt gelaten. Ik heb geen verleden dat in mij spookt, ik heb nooit toekomstplannen gemaakt, zodat er nu ook niets gefrustreerd kan zijn. Ik heb tot me door laten dringen dat ik met een baan evenmin veilig voor ontslag, voor uitstoot uit de maatschappij dus, geweest zou zijn als zonder, op non-actief nu.
Mijn stemming, die mijn omstandigheden weerspiegelt, is dan ook prima. Wat ik echter, informatie verwerkend, over de wereld uitschrijf, is van een volstrekte, onovertrefbare hopeloosheid.
Bij deze stemming kan ik het mij veroorloven de stand en gang van zaken in de wereld tot mijn bewustzijn te laten doordringen, zonder in paniek te raken.
De tijdelijkheid van mijn eigen leven en de losheid, ongeplaatstheid, zinloosheid ervan, zijn mij bekend, maar door de prima omstandigheden waarin ik verkeer, kan ik me die bewust laten zonder te vertwijfelen. Zo kan ik ook de tijdelijkheid van het bestaan van de diersoort mens uitstekend verwerken. Het goede dat de ingebouwde 'zin', 'rechtvaardiging' enz. is van het leven, is er voor mij hier nu. Nu ja, iets ervan. Tot optimale lustbeleving aan functioneren ( nuttig / nodig bij het voorzien in mijn nooddruft en spelend voor wat als mogelijk resteert) kom ik in de wereld waar ik niet uit kan ontkomen, niet. Met wat ik wel heb, valt voor mij te leven. Wat ik wel heb aan lustbeleving is zeer weinig, want alle lustbeleven dat uit het omgaan met anderen stamt is tot ruilwaar en koopwaar gemaakt en vermijd ik daarom. Mijn truc is: minimaliseren van consumptie, teneinde zoveel mogelijk tijd, aandacht, energie en vaardigheden zelf, onder eigen regie, voor eigen functioneren te kunnen gebruiken. Ik probeer aan mij zo weinig mogelijk te verdienen te laten zijn, omdat ik zelf geen zin heb om anderen in ruil te dienen.
Ik onderscheid zeer helder mijn onderwerp van mijn begrippenapparaat. Mijn onderwerp is mij gegeven en omvat slechts wat ik zelf hier nu (mee-)maak: mijn uitschrijven. Dat uitschrijven moet ik laten gebeuren teneinde er afstand ervan houdend naar te kunnen kijken en het te kunnen beschrijven.
Vraag: Wat ik uitschrijf, meent mijn brein dat?
Antwoord: Op dat moment dat mijn brein mij iets bewust maakt, meent het dat iets. Als het er eenmaal staat, kan mijn geest, omschrijfbaar als: mijn brein zodra, zolang en in zover vrij van inhoud ter herinnering en van begrippen ter obstructie van de waarneming en ervaring ,het uitschrijfsel bestuderen, afstandelijk, als het voorwerp (het product) dat het is.
..vervolg op 21 april 1985 -/-
Ik geef mijn brein wat anderen het onthielden: de ruime gelegenheid zich te uiten in het vullen van mijn bewustzijn. Ik spreek mijn brein niet tegen, ik leg het geen censuur op.
Louteren, herschrijven en redigeren zijn dan nog te doen, na dat gelegenheid geven.
Louteren komt neer op het wegwerken van wat niet-van-mij-oorspronkelijk is. Dat wegwerken doe ik door het aanwijzen van de heterogene verzinsels en door het onderscheiden en scheiden van de kennis van de informatie.
Heterogene verzinsels, tweedehands concepten, zijn te onderscheiden van oorspronkelijke concepten en van concepten die ik me eigen gemaakt heb. Bij tweedehands concepten is het gebruik blijven steken in de verbale sfeer. Ik wordt mij een begrip als 'neurose' bewust, maar ik heb er geen ervaren mee benoemd.
Vrijwel alle begrippen die ik in mijn psychologiestudie opdeed bleven zo leeg. Wat ik er aan volzinnen mee vorm, overtreft niet datgene wat een praatmachine, een computer van de zoveelste generatie, ongetwijfeld zal kunnen. Zo'n machine (resp. een tot dat niveau van doen gereduceerde mens) overtreft de papagaai, overtreft de audio-recorder.
Zo overtreft ook de informatieverwerkende reductie van de mens nog steeds op zijn beurt die machine.
Die praatmachine produceert grammaticaal-juiste volzinnen en nog weer een generatie later: samenhangende en logisch consistente betogen. Toch zal er daar nog steeds een geestloze leegte zijn.
Dat kan ik stellen, zelfs als 'geest' later een verzinsel zou blijken. Als later zou blijken dat wij zelf als wilde, vrije mensen ook geen geest zouden zijn of hebben, dan nog kan naar waarheid gesteld worden dat zulk een machine geestloos zou zijn. Per slot kan de ene dove de andere als zodanig diagnosticeren.
Dat is louteren. Het pure bij herhaling ongestoord laten vullen van mijn bewustzijn door mijn brein en het uitschrijven van hetgeen mij(n bewustzijn) dan (b)in(nen)valt loutert al.
Ik voeg bij het uitschrijven altijd al een disciplinering in, ik schrijf geen 'boodschappenlijstjes' van trefwoorden, maar volzinnen. Mijn brein werkt associatief, de output ervan heeft niet de vorm van een betoog. Wat ik uitschrijf heeft geen eind.
De associaties zijn, in het beste geval, dat is het geval waarin ik niet om een andere reden met uitschrijven ophoud, gewoon op.
Het brein houdt op "met dicteren", exacter: met het vullen van mijn bewustzijn met die associaties, die op de een of andere manier toch samenhangende "gedachten".
Het uitschrijven zelf is dus al een vorm van redigeren.
Het nog weer eens een keer herschrijven van het schrijfsel is een alternatief voor het spontaan weer "aan het woord laten" van mijn brein over dat zelfde onderwerp.
Dat weer spontaan aan het woord laten van mijn brein brengt verkorte verwoordingen en verrijkte samenhangen en beelden teweeg. Het herschrijven (/ overschrijven, het gaat hier om het wegwerken van moeilijk leesbare zinsconstructies en om het toevoegen van voetnoten / verhelderingen en verwijzingen en van indelingen van de tekst) levert ook altijd associaties, oude, die al in eerdere opstellen staan; maar dit herschrijven levert weer niet die zeer vooruithelpende doorverbindingen, die nieuwe associaties. Bij het herschrijven ligt de fout op de loer dat de gedachte lezer een te grote invloed krijgt, anders gezegd: dat mijn tekstbewerking verwordt tot 'leesbaar', 'leerbaar' en 'begrijpelijk' maken van mijn tekst. Het is geen eigenschap van een tekst dat deze te lezen, te leren, te begrijpen is. Dat na te streven is een bezig zijn met het hersenspinsel dat 'lezer' genoemd wordt. Het gebruiken van taal als middel om een voorwerp te maken van wat er in je bewustzijn was, vooronderstelt als bezigheid een lezer, zoals het maken van een schilderij kijkers vooronderstelt en het componeren van muziek hoorders.
Ik wil echter evenmin die vooronderstelde lezer dienen als dat ik mijn ziel, het geheel van sporen van mijn verleden, het te louteren deel van mijn brein expressie toe latend deze expressie als 'van mij', 'mijn tekst', 'mijn gedachten' wil beschouwen. Wie zelf wil zijn en zich niet herkent als buiten zijn persoonlijkheid, buiten zijn ziel, bestaand, te moeten gaan bestaan, desnoods, die blijft een doorgangspunt voor de werking van krachten die van buiten hem afkomstig zijn. Hij blijft een doorgangspunt / concentratiepunt voor de nawerking en doorwerking van die krachten van om hem heen, een spreekbuis voor "de geest van de tijd".
Doordat mij zo weinig gegeven is aan voor mij kenbare werkelijkheid, nu ik niet op zoek ga, heeft mijn brein een behapbaar onderwerp(engebied). Anders gezegd: ik heb het telkens weer over hetzelfde: hoe besteed ik het mijne (tijd, aandacht enz.) in mijn omstandigheden (hoe zijn die te beschrijven) teneinde in vrijheid ('wild') te zijn, oorspronkelijk, ZELF te zijn. Ik beschrijf wat ik zo zijnde doe en laat. Zo doende, uitschrijvende, verhoog ik mijn bewustzijnsnivo bij dat zo-zijn.
Het is wellicht goed vast te stellen dat ik niet actief koos voor dat solitaire zijn. Ik koos actief tegen dat zijn met anderen dat mij ter beschikking stond of kwam. Ik geraakte door het vermijden van alternatieven ervan in deze werkelijkheid, die ook maar een alternatief was ooit, en zeker niet gekozen is, niet zo gekozen kon worden binnen een enkel leven van een enkel mens, op grond van ervaring met alle alternatieven. Ik leef voor het eerst in deze tijd en deze omstandigheden, die ik niet beheers en niet zelf schep, ik improviseer dus maar wat. Daarbij vind ik vermijden en vluchten zeer aanvaardbaar gedrag. Ik heb mij aan geen enkele zaak gewijd. Ik weet wel wat ik wil (onvoltooid tegenwoordige tijd !), namelijk: zo bewust mogelijk zijn van wat ik doe. Dat is ook geen toevallig streven, het is ook weer het nemen van iets, een gelegenheid, een kans, een mogelijkheid, in de omstandigheden gegeven, gezien mijn vaardigheden en mijn bezittingen (schrijfkunst en schrijfgerei). Ik neem dat mogelijke iets en daarmee vul ik mijn tijd, daarmee / daarin probeer ik te functioneren, in dit geval als 'geest', met mijn lichaamsdeel 'zenuwstelsel'.
Het alternatief 'me uiten in het geven van lessen' was er niet, evenmin als enig ander alternatief dat uit omgaan met anderen bestond. De voordelen van het niet omgaan en toch taal gebruiken bleken pas toen ik het aan het doen was. Aan deze solitaire ontwikkeling zie ik ook de grenzen wel. Maar het bereiken van die grenzen, exacter, het daar op stoten, het erbinnen niet meer kunnen groeien, dat komt later pas.
0 Reacties