A>b:
B>dir
B: WEDLEVEN BWD : WOORDEN : WEDLEVEN TXT : ARTIKEL TXT
B: SYSTEEM TXT : MARIAART TXT : MARIAART BWD
B>type systeem.txt
.pl60
.op
.mb0
.mt2
.hm1
.he file systeem.txt / schijf rood 2 / blz. #
30 april 1987
De noodzaak voor het systeem van het onnodige (de begeerte en de verslaving).
Niet iedereen die nu leeft beschikt over de productiemiddelen (in zijn bezit)
(een niche) plus het (kwalitatief en kwantitatief genomen) nodige bijpassende
txaenz-product om zelfstandig, zonder met anderen ("diensten", al of niet --->
goederen) te ruilen, te voorzien in het nodige voor zijn leven en welzijn als
exemplaar van zijn soort, een diersoort.
Vrijwel niemand heeft tegenwoordig de gelegenheid en is bovendien ertoe in
staat om voor zichzelf te zorgen, onafhankelijk van verzorgd ("bediend",
"gediend") worden door anderen.
Zij die een schaars iets hebben (productiemiddelen, producten, vaardigheden)
dat nodig is voor anderen, kunnen vrij zeker zijn van hun bestaan.
Zij zullen slechts dan dat nodige voor anderen zoveel mogelijk produceren
wanneer zij van die anderen in ruil iets terug krijgen. Aan wat nodig is voor
leven en welzijn van deze producenten van nodigs, is een einde. Dat einde is
eerder bereikt dan het einde aan de nooddruft van de aanwezige afhankelijke
anderen. Die afhankelijke anderen dienen dus met geweld (dreiging) en / of
verleiding deze producenten van nodigs te brengen tot voortgaan met produceren
ook als in het nodige voor leven en welzijn van deze producenten al is
voorzien. Deze producenten moeten bang, verslaafd of in blijvend begeren
verstrikt zijn. Blijvend begeren wordt gevonden in het blijven in een laag van
de geciviliseerde samenleving, die steeds andere bezittingen aanwijst als
bewijsstukken voor het behoren tot die laag.
De stedelingen die in een gelaagde samenleving gevangen zitten maken status
aan, aanzien, dat ze hechten aan gedrag en bezittingen. Wie tot een bovenlaag
willen behoren moeten een bepaalde taal en een bepaalde verzameling spullen
vertonen. Geleerden kunnen zich tot hun taal beperken en hoeven niet zoals
minder geschoolden zich door het vertonen van dure bezittingen te bewijzen als
ingezetenen van een hoge laag.
Aanzien komt van het aanzien van de buitenkant, van het horen van het
ingewikkelde en niet-dialectische taalgebruik en / of van het zien verbruiken
van dure goederen (auto's en huizen bijvoorbeeld).
Wie af kan zien van het verbruiken van dure goederen kan vrij goedkoop een
hoge status hebben, als het hem lukt om door zijn taalgebruik, contacten en
manieren zijn stand (aanzien) op te houden.
Aanzien komt vanuit je minderen, niet vanuit degenen die een hogere status
hebben dan jij. Voor hen ben je alleen maar achtergrond. Hun glans straalt
alleen voor jouw minderen weer wat op jou af.
Hoe minder je toont aan je minderen, hoe beter het is, aan je minderen, die
jou moeten aanzien, die tegen jou moeten opzien om je te blijven dienen,
meestal slechts: belasting moeten blijven betalen om jou door de een of andere
instelling te laten voortbetalen. Minderen die geen gegevens over je hebben
zullen geen gedachten aan je besteden en in voorkomend geval zullen ze
reageren op hun beeld van jou, dat beeld is of gunstig of ongunstig, onzeker
is het in ieder geval. Reageren vanuit het ongunstige onzekere beeld is een
onzekere ongunstige zaak, dat zullen ze dus niet gauw doen.
Zulke overwegingen kunnen je helpen bij het zonder veel inspanning leven van
en tussen de mensen in een geciviliseerde samenleving, hier dus, in de
gevangenis waarin je nu eenmaal geboren en getogen bent. Je kunt er niet uit,
er is geen buiten meer, je zou 'buiten' (zonder ruilen) leven niet meer kunnen
leren. Wel kun je doorhebben wat er gespeeld wordt, hoe het systeem werkt. Men
kan niet afzien van het onnodige, van de begeerte en de verslaving als
prikkels om in het nodige van anderen te voorzien.
Men doet er goed aan zijn verachting voor minderen niet te verbergen.
Verachting voor het mindere, het gewone. Het verwerpen en verachten van wat
lager is, is een religieuze bezigheid in de civilisatiereligie, zoals bidden
een religieuze bezigheid is in de godsdiensten. Niet betrokken zijn op dat wat
lageren aan statusgebaren moeten maken, is een blijk van superioriteit in hun
ogen en is dus zeer positief voor de niet-betrokkene. Wie eenmaal met een hoge
status een stad, een buurt, een bedrijf, een famlilie binnenkomt, kan deze
status behouden door niet aan het gelaagd zijn van de samenleving te laten
twijfelen.
De gelaagdheid is nodig voor (beter: onderhoudt, binnen het gegeven systeem)
het motiveren van wie nodigs doen voor anderen tot voortgaan met produceren,
lang nadat zij (de producenten) zelf al het nodige hebben. Om de boeren,
vissers, jagers, artsen enzovoorts te brengen tot toppresteren in het verlenen
van nodige diensten, moeten zij kunnen stijgen op een maatschappelijke ladder,
moeten zij ook kunnen vallen, moeten zij ook met geweld van wapens
geconfronteerd worden bij de grenzen van het bezit van anderen. Zo werkt het
systeem. De producenten van nodigs zijn evenzeer gevangenen als de producenten
van onnodigs. Alle producenten kunnen tot toppresteren gebracht worden met
dwang van wapens anders dan als bescherming van het bezit van anderen. Het
blijkt echter telkens weer dat het via belonen, doen begeren en verslaven tot
toppresteren brengen doeltreffender is.
De gevangenen begeren en waarderen positief de gelegenheid zich een plaats in
een gelaagde samenleving te veroveren en te behouden, zich op die plaats te
laten voorstaan, het vereiste aanziengevende te bezitten en te consumeren.
Ze noemen dat "vrijheid". Ze weten niet beter.
De scheppergod is dood, want er is geen buiten meer, vanuit de geciviliseerde
wereld gezien: alles is al tot bezit gemaakt, toegeeigend, wat verdedigd kan
worden met de wapens van het collectief (= van de politie en van de legers van
de nationale staten, die zich het monopolie voorbehouden van fysiek geweld,
van wapengeweld.)
Ook de bankiergod, die talenten uitleende aan ons, mensen, teneinde voor Hem
daaruit winst te behalen, is dood. Niemand gelooft nog langer in een Laatste
Oordeel.
Er wordt geen stamgod aanbeden in de moderne tegenhangers / vervangers van wat
vroeger en elders stammen waren: de bedrijven en clubs waarover men met de
term 'ons' spreekt en zich aan verbonden, een deel ervan voelt. Veel van het
gebaren in die stammenvervangende verbanden is gelijk aan wat vroeger in
stamgodsdiensten gedaan werd, dat wel.
Zonder Goden leven de mensen in de massa nog precies zo primitief als vroeger
en zonder de moderne techniek.
Ze, we, leven in een systeem, dat niet door de aanwezigen beleefd wordt, maar
slechts bemand. Wij bleken (tegen mijn hardnekkige kinderlijke
vooronderstelling in) niet de ondernemers of bezitters van het systeem te
zijn, maar slechts het machteloze personeel. Wij bleken slechts als personen,
als constituerende deeltjes te kunnen worden gebruikt (en dan nog alleen
zodra en zolang er geen overschot van onze soort onderdeeltjes was en er voor
ons geen beter passende onderdeeltjes ter vervanging beschikbaar waren). Dat
onderdeeltje zijn geldt voor ons niet slechts in het productieproces, waar we
overduidelijk door machines, robots en computers vervangen worden. Het
onderdeeltje zijn geldt ook daar waar de mensen als zodanig onvervangbaar
zijn: waar ze dienen om aanzien te geven.
Menigeen die vernederd is en / of wordt, wil op zijn beurt vernederen.
Daarvoor, om te vernederen, zijn alleen mensen bruikbaar. Sommigen zal het
lukken om met nagemaakte mensen (poppen nu, robots later) en met eerst
vermenselijkte huisdieren (honden en paarden bijvoorbeeld) dat vernederen te
beoefenen en zich tevreden te stellen door zijn gram te halen met
dierenmishandeling, bloedsporten (jacht en stierengevechten bijvoorbeeld) zijn
een andere uitlaat voor deze wraakzucht, dit op zijn beurt schaden.
Ook het treiteren van buren met geluidsoverlast en met het bederven van hun
uitzicht hoort in deze context thuis. Alle doorgeven van de druk die voortkomt
uit, ja bestaat uit hetgeen gedaan moet worden aan gebaren (en dus aan arbeid)
om tot een laag in de samenleving gerekend te blijven worden. Alle zich laten
gelden komt ook neer op het uitoefenen van druk op anderen.
Het zijn er maar weinigen die dit doordacht hebben, dit bovenbeschreven
geheel.
Het brengen tot toppresteren, daar gaat het om: het aanvuren van de bezitters
van het voor de anderen nodige, van de desbetreffende productiemiddelen en
vaardigheden. Het hele gedoe van het gelaagd samenleven, het streven en het
ongelijk verdelen van aanzien, is: het begoochelen van diegenen die het nodige
moeten doen. Dat begoochelen vervangt zodra, zolang en inzoverre het slaagt
het veel minder doelmatige dwingen met geweld van wapens. (Men denke in dit
verband aan wat in Rusland na de revolutie gedaan werd tegen de boeren en aan
vele andere voorbeelden van ontwikkelingslanden die met
voedselproductieproblemen zitten.)
De civilisatiereligie, van dat aanzien en van die competitie en dat
toppresteren, is even dwaas als alle andere religies: niet dwaas, maar een
onwaar iets, dat waar gemaakt wordend, iets positiefs tot stand bracht en nu
menige misstand in stand hield en tot stand brengt. Dwaas zijn wie geloven,
niet dwaas zijn wie het geloof van die anderen gebruiken. De
civilisatiereligie zal vervallen zodra de massa der mensen is gestorven zonder
vervangen te worden. Wanneer er weer een buiten zal zijn, zal er ook weer een
alternatief zijn voor het binnen (dus in een laag) zijn en daarmee voor het
zich daar handhaven, de voorgeschreven gebaren makend. Wanneer er weer de
ruimte zal zijn om voor zichzelf te zorgen zonder zich te moeten laten
verzorgen door anderen, zal ook vervallen het motiveren van die verzorgende
anderen door hen aanzien te geven, door hen boven anderen te verheffen. Dan
kan het gelaagd (qua aanzien) samenleven vervallen, omdat het geen nut, geen
functie, geen voor ons leven en welzijn noodzakelijke gevolgen, meer heeft.
Het geheel van aanziensverschillen is onmisbaar zolang er zoveel
bezitters en geen eindigheid aan het verdedigen van bezit is. Anders dan als
bezitter, als bevoorrechte, kan niemand leven, zou niemand willen leven als
hij een alternatief ervoor had. Op het feit van de overbevolking berusten zo
niet het ontstaan en de vormgeving van de gelaagde (geciviliseerde)
samenleving, dan toch het moeten voortduren ervan.
Niet het enorme genieten der ingezetenen is bron van de onoverwinnelijke
weerstand tegen het omverwerpen van de civilisatie (het onrecht, het geweld,
de waanzin, de natuurvernietiging en hoe het door de opstandigen ook wordt
genoemd en aangeklaagd) maar de onmisbaarheid ervan, gegeven de grote
aantallen levende mensen op een eindige aarde.
Er is maar een manier om aan voldoende ruimte per exemplaar van de soort te
komen: aantalsvermindering. Als de mensen niet zelf zonder oorlog daartoe
komen zal die vermindering plaatsvinden door oorlog of door ziekten of door
iets anders. De aantalsvermindering is onontkoombaar, niet omdat het verlossen
van de mensheid uit haar civilisatie een heilsplan van een god zou zijn, maar
omdat de aarde en de belastbaarheid van het leven als geheel eindig zijn en de
civilisatie een oneindige groei in zich bergt. Oneindig op eindig kan niet
blijven. /-Elk ageren tegen enig deelgebeuren van de civilisatie in haar
ontwikkeling is zinloos tijdverdrijf en verspilling van txaenz. Er is niets
tegen zinloos tijdverdrijf en tegen verspilling, zolang de daders er plezier
aan beleven. Ook als de txaenz die zij er aan besteden niet wordt besteed,
vergaat ze. Txaenz is als mannah: niet te bewaren, ongeschikt voor
voorraadvorming. Je kunt er wel wat van maken, inzicht bijvoorbeeld. Dat doe
ik, ik maak er inzicht van door eindeloos herhalend mijn kijk op de wereld uit
te schrijven. Daardoor is mijn brein als bron van tekst sterk veranderd:
andere tekst en meer tekst valt mij tegenwoordig is, in vergelijking met
vroeger en met anderen. -/-
0 Reacties