Jaap Schot, 21 juni 2001
ONSTERFELIJK(?).
Maria. Ze was dood, dat kon ik zo zien. En de dokter had het ook gezegd. Ik voelde met de bovenkant van de vingers van mijn rechterhand aan haar hals. Ze voelde nog zacht en warm aan. Het was nog maar ongeveer anderhalf uur geleden gebeurd. Het mes schoot uit en het redden lukte niet meer. Ze verbloedde en het hart begaf het. Onherstelbaar. Einde. Een zachte dood onder volle narcose, nog ongewenst.
“Ik neem aan dat U het niet met opzet gedaan heeft”, zei ik. Hij ‘zat’ er zichtbaar mee. Kijk, dood is dood, dat wordt nooit meer erger en nooit meer beter of anders. Er valt niks te slijten of zo. Alles is voorbij en, zoals Moeder altijd zei ‘het leven gaat verder’.
Mijn hersenen werkten op maximale sterkte. Met handelen was niets meer te bereiken. De lijkbezorging moest geregeld worden, en wat daarna volgde en wat daaraan aan telefoneren vooraf ging. Maar die bezigheden hadden geen verband met wat mijn brein moest doen: iets aanmaken in plaats van gevoel en emotie. Tot de uitvaart is er niet veel tijd, een drietal dagen. In die tijd moet dat brute feit van deze dood geplaatst zijn, moet ik het doordacht hebben, want daarna is er niets stoffelijks meer, zelfs dat niet meer.
Merkwaardig genoeg had ik nog niet echt doorgedacht over ‘de dood en zo’. Nu moest het en ik besloot al vrijwel meteen dat ik er mijn aandacht bij zou houden tot ik er uit was, tot het me duidelijk was.
Wat zich aandiende waren de begrippen uit de religies: de al of niet onsterfelijke ziel, die al of niet bestaat en al of niet van lichaam wisselt, reïncarneert. Die ziel die in het lichaam was en er nu kennelijk uit is. Haar lichaam als ding was kapot (gemaakt). Per ongeluk, maar dat verandert nergens iets aan. Alle geheugeninhouden waren na een dag volstrekt volkomen restloos gewist, al veel en veel eerder waarschijnlijk. Ze waren nooit meer bruikbaar en ermee verdwenen ook de oorzaken van nachtmerries en zich opdringende beelden en associaties bij wat ze zag en/of hoorde. Veel van die inhouden had ze zelfs, - als dat gekund had -, zelf gewist.
Als we met elkaar spraken was een opmerking mogelijk als “wat dat betreft heb jij het met je lijf (of met je herinneringen) beter getroffen dan ik”. Wie zijn die sprekers? Die zijn, zo te horen, apart van hun lijf en van hun apperceptieve massa [= het geheel van herinneringen en afstellingen die hun eenpersoonsgeschiedenis in hun zenuwstelsel achterliet]. Ze troffen het met hun lijf en met die apperceptieve massa en/of hadden er pech mee.
Het zit in de meest gewone taal, dat praten over je eigen lijf en apperceptieve massa als sprak je over iets daar, als besprak je, en zag en bezag je die, van op afstand.
Het vreemde aan deze manier van spreken is dat we er overheen horen. Er zegt iemand ‘ik’, dus die iemand zal wel bestaan. “Ik doe wat voor mijn lijf.” Maar als we het zo formuleren wordt het ons ineens een beetje al duidelijk. Vroeger en elders schreef ( en sprak ?) men over geesten en zielen heel gemakkelijk, maar we zullen nooit weten of ze er net als wij, misschien wel ‘overheen hoorden’.
Het ontzielde lichaam, de levensgeesten zijn geweken. Op zoek naar een nieuwe incarnatie: er is een nieuwe Dalai Lama nodig. Oma is gestorven, ze kan best nu in een rat of een aap ‘huizen’.
De dode doet niets meer. De vraag is voor de levende.
“Wie mis ik?”, dat is de vraag niet, want dat is totaal duidelijk. Het antwoord is een eigennaam.
“Wat mis ik?” zou als antwoord opleveren: ‘wat de dode nu niet meer (jegens mij, met mij) doet’. Wel, die interactie is te vervangen. Er zijn ontelbare andere mensen en daartussen zitten anderen die daar ook toe te brengen zijn. ‘Niemand is onvervangbaar’ heet dat.
De vraag in kwestie is dus kennelijk een andere.
We hebben op school geleerd alleen over materiële dingen te spreken, of toe te geven dat we geen waarheid meer zoeken. We mogen als we dat zoeken hebben opgegeven geloven en beweren wat ons invalt en alles verdedigen en aanvallen.
Als uit een mond “ik” klinkt, spreekt daar dan iemand? Antwoord: nee, er functioneren onderdelen van een lichaam, met name een tekstaanmaker en een spraakklankgenerator. Klank en tekst zijn beide uitkomst van het inwerken van de vroegere en huidige omgeving op het gehele ding waarvan die aanmaker en die generator deel uitmaken. Als dat ding stuk gaat, dan doen die onderdelen het ook niet meer, ze vallen stil en gaan uiteindelijk ook kapot.
We ‘beleven’ het nog niet zo. Alleen in de sciencefiction (Startrek) praten levende mensen gewoon met robots (Data).
Kort na Maria stierf een broer van me. Die maakte deel uit van een kerk waarin men gelooft elkaar in de hemel, na de dood van beide betrokkenen weer te zullen zien en herkennen. In de hemel en/of (met een ‘verheerlijkt’ lichaam na de wederkomst van Christus Jezus) op een nieuwe aarde.
Spiritisme zit daar ook in de buurt. Geesten van overledenen die nog weten wat ze in hun leven wisten, die hun apperceptieve massa nog hebben en zonder lichaam voortbestaan na het sterven daarvan.
Nederland 2001. Maar dat is in dat gebied waar iedereen alles mag geloven, zeggen en beweren.
Praten vanuit een standpunt buiten je levende lichaam en buiten je apperceptieve massa is buitengewoon gewoon. Zo gewoon dat we er geen erg meer in hebben. De aanwezigheid van een dode die een grote leegte in je leven (je txaenzbesteding dus) nalaat bepaalt je aandacht ineens heel sterk juist daarbij. Het lichaam is anatomisch te benaderen en de apperceptieve massa is via scans wel in de hersenen aan het werk te zien, maar niet echt bestudeerbaar: ‘gegeven’ op de wijze van de regenboog of het noorderlicht.
Dat IK op afstand is gepostuleerd (zoals de oorzaken, de krachten ‘achter’ wat we zien bewegen). Dat IK heet soms ‘onsterfelijke ziel’ en dan is het bruikbaar om te ontsnappen aan het dood-zijn.
De staatskerken beladen die onsterfelijke ziel met schuld en bedreigen die ziel met de hel en verlokken die ziel met de hemel tot het (zonder werkloon te krijgen, ‘vrijwillig’) inzetten van de txaenz van lijf en apperceptieve massa voor ‘goede werken’ en ‘goed zijn voor de anderen’.
Als we het niet over de dood hebben is het begrip, het postulaat, ook bruikbaar. Met behulp van dat IK kunnen immers ook verwijten ten aanzien van lijf en apperceptieve massa afgeweerd, ontweken minstens, worden.
Dat IK is ook het extra van ‘de mens’ ten opzichte van de robots en de dieren, dan heet dat IK het bewustzijn. Het zijn die IKKEN, de bewustzijnen die met elkaar in gesprek zijn. Van zo’n IK zul je nooit horen “IK ben nu eenmaal zo”, want dat is nu juist het kenmerk, ja het WEZEN van zo’n IK : het is een VRIJHEID (Sartre, zou die het precies zo bedoeld hebben? Ik weet het niet. Ik ga het ook niet uitzoeken, want het is voor mij niet van belang. Ik herinner me dit en jat zijn term niet, maar gebruik het algemeen beschikbare woord.)
Terzijde: die truc van de staatskerken om de mensen via die onsterfelijke, met schuld te beladen ziel, onder de duim van de heersers te houden is er wellicht voor verantwoordelijk dat ik onlangs toen ik de term ‘onsterfelijke ziel’ in een van de bovenbeschreven verbanden noemde een zeer sterke afwijzing te horen kreeg. “Het is toch niet wáár dat die er is.” In dat isme waar zonder bestaan (= tijdelijk ruimte innemen en te wegen zijn) geen zijn is, is inderdaad geen ware uitspraak te doen over ‘de onsterfelijke ziel’. In het bovenstaande schrijf ik over het concept (verzinsel, bedenksel, postulaat, gestelde) dat onder andere zo genoemd wordt. Dat kan natuurlijk altijd, al moet binnen dat isme dan even gesteld worden dat we ‘even buiten zijn gaan praten’.
Terzijde aan de andere kant: de psychoanalyse analyseert de apperceptieve massa. Het ‘ik’ van de psychoanalyse heeft een taak, bemiddelen tussen ‘wensen vanuit lijf en apperceptieve massa’ enerzijds en ‘de omstanders, zoals vertegenwoordigd in de apperceptieve massa’ anderzijds. Met de naam ‘apperceptieve massa’ wordt die ‘psyche’ benoemd 1. naar wat ze doet: het nieuw binnenkomende ontvangen en erbij nemen en inpassen en daartoe aanpassen (veranderen dus) en 2. naar het feit dat het een massa is (een grote en grotendeels ongestructureerde hoeveelheid planloos bijeengeraakt, amorf).
Elke naam die alleen maar een etiket is, kan beter zo reeds mogelijk vervangen worden door een beschrijvende naam. Dat is zo omdat het dan minder een geheimtaal wordt en omdat het minder waarschijnlijk is dat mensen het woord los van het begrip gaan gebruiken (correct logisch en grammaticaal woordgebruiksgewoonten volgend de schijn van melden ophoudend).
“Wat IK ervan ga gebruiken, van wat er in die apperceptieve massa van mij zit, dat maak IK wel uit”, dat is zo ongeveer wat de analysant moet besluiten. Het gaat niet om inventariseren maar om er bruikbaars in vinden om ‘een huis te bouwen waarin te wonen is’. En dan moeten er zo mogelijk afwezige nodige ervaringen en vaardigheden worden bijgehaald, aangeleerd. Het gaat niet om inventariseren en al helemaal niet om na te gaan en te vertellen waar ze vandaan komen, opgelopen zijn, aangebracht, opgedrongen, de verschillende al of niet bruikbare inhouden.
Wanneer moet je jeZELF en je beminden nu als onsterfelijk postuleren (denken)? Tijdens je leven natuurlijk, want dan dreigt de dood.
Waar moet je nu dat IK buiten je lijf en buiten je apperceptieve massa gebruiken? Tussen beschuldigende en manipulerende anderen, in de civilisatie bijvoorbeeld, waar menigeen je probeert te gebruiken, omdat anderen gebruiken daar DE manier is om ‘ruimer’ (= meer txaenz bestedend ) te leven dan de natuur voorzag en jou schonk.
Een IK postuleren, dat is zoiets als een hulplijn trekken in de meetkunde. Werkt dat nog, als je het weet, als je het bewust doet? Ik vrees van wel, waarschijnlijk verandert het weten niets aan het gevoelsleven. Vandaar. Ik denk dat dat nu juist een van de beperkende factoren is bij het ‘genezen’ van apperceptieve massa’s waarmee moeilijk te leven valt. Wellicht is met weten ook te leven, is in weten ook te wonen. Ik heb het niet zo op voelen, maar van die grondgevoelens als ‘het zal wel weer goedkomen’, die zijn wel prettig. Tot mijn laatste snik overleef ik alles.
0 Reacties