Jaap Schot, 24 januari 2003
Dat hier een uitgeschreven tekst is, voor de lezer gegeven is, bewijst dat ik er als uitschrijver ben, later: was. Dat uitschrijverschap is een werkende structuur, die nu oorzaak van dit gebeuren, mijn uitschrijven oorzaak is. Trekken wij, als besprekers deze oorzaak de stoffelijke wereld binnen en veronderstellen we zoals Vester dat doet DNA-structuren aan het werk via transmitoren (prikkels overdragende stoffen) enz. enz. dan zijn die stoffelijke lichamen van die oorzaken vernietigbaar, sterfelijk, maar als we de verschijnselen in kwestie met dat andere begrippensysteem bespreken, zien we hier een meem, een vorm, actief, die door inspiratie van anderen op die anderen overspringt en aldus onstoffelijk gebeurt, oorzaak is, bestaat.
Beide besprekingen zijn besprekingen en niet meer. Het zijn geen afbeeldingen, voor mij zijn het twee religietalen. Ik nam evenmin doorgeefstoffen als geesten aan het werk, ik zag en ervoer alleen doen en denken. Ik schrijf uit en dat feit ken ik. Wat er ‘achter’ mijn handen gebeurt, ken ik niet, het is mij niet gegeven. Ik kan er geen kennis van nemen. Zegt de een “DNA en iksotine”, zegt de ander “genen en memen”, zegt een derde: “geesten en goden, die begeisteren, enthousiasmeren, inspireren”. Begrippen bij verschijnselen.
Ik voel me vrij die begrippen te gebruiken, want ik geloof toch niet in de uitsluitende waarheid van een ervan. Begrippen raken de waarheid niet.
0 Reacties