Jaap Schot, 14 mei 2001
Reeds de martelaren in de eerste tijd van de Christenheid, waarover we in de Bijbel, in het Nieuwe Testament kunnen lezen, stierven met dat idee van die onsterfelijke ziel die het broze lijf verliet en niet stierf, niet verloren ging. Wat was er met die ziel gebeurd, wat had die gedaan? Hij was weer opgestaan, tijdens zijn lijfelijk leven, de wederopstanding des vleses en ze hadden al een eeuwig leven. Ze volgden Jezus die hen roepende zei: laat de doden hun doden begraven, volg jij mij. Speel mijn spel mee, mijn taalspel, waarin je niet samenvalt met je lijf en je apperceptieve massa: waarin je dus geen jood meer bent en ook geen romein. Waarin je niet meer qua tijd en plaats te determineren bent, omdat je niet meer samenvalt met die sporen in jou van die concrete anderen om je heen toen en van die concrete toevallige dingen die jou nu net overkwamen. Ook als lichaam ben je daarvan mede het product/resultaat/maaksel, binnen de civilisatie. Wereldburger is het geestloze surrogaat van MENS.
Je bent verlost: je hoeft niet meer. Je bent weer vrij, niet meer iemand van een cultuur en niet meer iemand van een civilisatie, je bent weer MENS, schepsel, vrij jegens alle begrippen en begrippensystemen, alle regimes, volken, vaderlanden en al die andere rommel waar de onverlosten in en mee leven (hun txaenz besteden) en in en mee denken (logisch doorredeneren met al die loze begrippen, verzinsels, afgoden in hun syllogismen. Hoe dwingend die syllogismen van ze ook zijn, gevuld met die onzin-begrippen is het allemaal rommel. Jij hebt jezelf verlost, alles wat je als programma (handleiding, gedragssuggestie) aangeleerd is, heb je nog slechts als een toevallige voorraad etnologisch voorraadmateriaal.
Krishnamurti zegt ergens: het is een vreselijk iets om te zeggen ‘ik ben een hindoe’.
De opstandelingen tegen de gevangenschap in deze of gene cultuur en/of civilisatie konden die onsterfelijke ziel gebruiken om 'als zodanig', uit die civilisatie naar buiten te gaan en toch in hun ‘leven met taal’ zichzelf te handhaven. De vervolgers konden hun lichaam, inclusief de daarin opgeslagen herinneringen en vaardigheden vangen, vernietigen, verbranden, maar hun onsterfelijke ziel was en bleef (een) onaantastbaar (verzinsel). Het was en is beter als dat verzinsel te sterven dan jezelf op te zadelen met een verlieservaring, een verraad, een nederlaag, die maakt dat je de rest van je aardse bestaan alleen nog maar nachtmerries hebt en schuldgevoelens en zo.
Het is duidelijk dat zo’n krachtgevend concept in bezit van de opstandelingen moet worden vernield en omgedefinieerd door de sprekende dienaren van de machtigen daar dan.
Nou, dat heeft geresulteerd in het gebruiken van de onsterfelijke ziel als mogelijk ingezetene van de hel, die daarvoor speciaal werd bijverzonnen. Het is mij totaal onverschillig of dit historisch juist is of slechts ‘in mijn kraam te pas komt’.
Dat is niet van belang, ik ben niet aan het argumenteren en bewijzen, ik ben aan het laten zien wat ik doe.
Het gaat er (mij) om niet mee te praten, niet na te praten en niet door te praten als mijn gegevens op zijn. En ik wil kijken wat ik doe als ik DE taal gebruik. Mijn taal bestaat niet, daar is niet van te spreken, wat alleen, bij uitsluiting van mij is, bevindt zich niet binnen enige taal.
Even om een vergissing hier te voorkomen: mijn term txaenz past volmaakt in de Nederlandse taal. Ook al ben ik de enige gebruiker nu Maria dood is, die de enige andere gebruiker was. Txaenz is namelijk het etiket op ‘het vermenigvuldigingsproduct van tijd, aandacht, energie, vaardigheden enzovoorts’ en de naam voor wat ieder mens gekregen heeft resp. krijgt om te besteden. Dat wat de ‘betekenis’ van dit woord ‘txaenz’, deze uitdrukking, deze term, is, is goed Nederlands.
Niet meepraten, dat betekent: de manier waarop IK de taal, (de beschrijvingswijzen, de bespreekbeelden, de verhalen, de begrippen) gebruik, bepaal en kies ik, niet soeverein, maar geleid door mijn kennen. Wat niet is, kan ik niet kennen. Wat ik niet ken, kan ik niet melden. Wat mij niet gegeven is (zintuiglijk of ‘in mijzelf vernomen’) kan ik niet kennen. Horen zeggen dat ‘zo iets mij niet gegevens’ bestaat en/of zus of zo is, verschaft mij geen kennis, kan voor mij hoogstens een wegwijzer zijn naar een verschijnsel waar ik nog niet bij was of waar ik nog niet op lette.

0 Reacties