Jaap Schot, 8 oktober 2002

[Vanwege de lengte van dit opstel is het hieronder in delen opgesplitst.
De afzonderlijke delen zijn te openen door op het plusteken (+) te klikken, J.S.]

Enkele inleidende opmerkingen

Dit opstel is uitgeschreven in de stijl die mij toen het makkelijkst viel, het staat de lezer natuurlijk vrij het voor zichzelf uit te schrijven in een andere stijl, in het geval dat deze, waar het nu in staat, hem hindert, respectievelijk hij zich eraan ergert of zo.
De stijl heeft hier, in dit opstel, niets met de inhoud te maken, ik doe geen oproep en ik speel geen profeetje.
Dit opstel is begrijpelijker wanneer men vooraf de opstellen ‘HET wereldprobleem’ en ‘Txaenz’  leest.

De titel slaat hierop: in plaats van fysieke dwang gebruikt men als dwingende bevoorrechte – heden, koopkrachtige – liever psychische motiverende middelen.
Eén daarvan is misleiden en verleiden met verhalen, verzonnen verhalen.
In onderscheid van beschrijvingen van wat aan te treffen is: ware verhalen.

Verzonnen verhalen versus ware verhalen
Het voor mij (biologisch, om volledig en harmonieus te functioneren) onnodige,
inspireert mij niet en brengt me niet tot activiteit.

Van nature ben ik een dier en dus, zodra verzadigd en uitgespeeld: LUI. Tegen die luiheid van mij werd en wordt dus iets gedaan, zonder dat dat mij aangekondigd en gezegd wordt. Doordat ik zonder aangeboren inzichten, ideeën en argwaan geboren werd, ben ik al met veel van die verhalen, opvatgewoonten en begrippen opgezadeld, als ik eindelijk ‘kritisch’ naar ‘mezelf’ ga kijken. Zo gaat dat  met iedereen. Vandaar deze oproep, deze titel.

De titel van dit opstel, die oproep, richt ik tot de enkeling tussen al die ontelbaren die in – één of meer van – die verhalen ‘trappen’, zich erdoor laten

  • inspireren,
  • motiveren,
  • in beweging brengen,
  • tot (iets van zich: txaenz of geld of ander bezit) offeren brengen.

Kritisch kijken naar jezelf
Met die ontelbare anderen gezellig blijven meedoen en meepraten, mee dezelfde begrippen blijven gebruiken en dezelfde modellen, dat is dus niet te verenigen met ‘kritisch’ (= onderscheidend, namelijk ‘verzinsel’ van ‘waarneming van wat gegeven is’) kijken naar ‘jezelf’.
Dat is, naar de “inhoud” van je apperceptieve massa, met name hier: naar de begrippenvoorraad waarvan je tekstaanmaker gebruik blijkt te maken – blijkt, uit wat je, ‘met je geestesoor’, jezelf ‘hoort denken’.
Kritisch kijken naar jezelf vereist, technisch, buiten de trotteldrom gaan staan waarin je je aantreft.
De oproep is: herken deze manipulatieve, motiverende, aanpassende verzinsels – begrippen en verhalen – als wat ze zijn: middelen om een probleem op te lossen zonder de oorzaak van het probleem aan te pakken. Dat probleem is: voor samen leven zijn we met te velen, hier, nu, tegenwoordig. Geen enkele strijd, geen enkel streven, leidt tot vermindering van de mensenplaag, van de aanklevende plagen, en/of van de armoe van degenen die zich bevinden aan de rand van de massa, op de grootste afstand van ‘het verkregen/aangemaakte/geoogste noodzakelijks’.

Verhaal
Meer dan 40 jaar geleden liep ik met een vriend die bioloog is, te wandelen. We hadden het over het feit dat er altijd jonge vogels doodgaan van de honger. Er worden eenvoudig zoveel eieren gelegd dat de voorraad voedsel uitputtend wordt gebruikt om er ‘vogel’ van te maken. Mijn voorstel om voor vogels voedsel leverende bomen langs de wegen te zetten, in plaats van de voor iedereen nutteloze bomen, bleek alleen te leiden tot meer vogels en dus meer jonge doodhongerende vogels. Een grotere populatie heeft een grotere ‘rand’ van plaatsen waar het net niet lukt om te overleven.
Zorgvuldig kijken leverde de kennis op dat bijvoorbeeld ook de stadsduiven onderling vechten om de goede plekken, waar wat te vinden valt en waar het droog en warm zitten is. Ook die massa lieve beestjes vertoont een sterfrand.
Voor de mensen is dat natuurlijk net zo.
De roofdieren zijn er om het lijden aan de rand te minimaliseren. Dat zou je kunnen zeggen, als je niet hoeft te denken dat de hoorder je dan zal verdenken van geloven in een, de schepping zo organiserende, Schepper.
De mensen ‘beschermen’ zich tegen dit minimaliseren van het (c.q. hun) lijden. Zij lijden maximaal. Ze stellen het doodgaan zo lang mogelijk uit, zelfs diegenen die geloven ‘naar de hemel te gaan’.
Hier is even een ideale plek om een zelden herkend verzinsel aan te duiden: WIJ. Heel gemakkelijk vindt men uitspraken als: ‘Nu wij mensen, de roofdieren en de meeste besmettelijke ziekten zover hebben teruggedrongen, moeten we hun – door ons gewenste – gevolgen zelf veroorzaken.’ Dat ‘wij’ is een verzinsel. We moeten ook de woorden ik, jij, hij en ze bestuderen. Staan die woorden wel als naam bij iets? Nee dus, maar dat is een ander opstel.

Vrijheid van het individu bestaat niet
De dieren zien wij in de vrije natuur soms wel, soms niet ertoe komen hun voortplanting te verminderen. In gevangenschap stoppen ze vaak wel. Het dier ‘mens’ kan erg slechte omstandigheden verdragen zonder zich van voortplanten te laten weerhouden. Dat is een uitspraak over de soort, over het individu zegt dat niets. Ik ga er niet van uit dat er zoiets is als een vrijheid – nee, geen licentie, geen toestemming van anderen, dat mag geen ‘vrijheid’ heten, vind ik – , ‘de’ vrijheid dus dan maar, van het individu.

Wat hij ‘willen’ heeft leren noemen, overkomt hem.
Hij kan niet willen wat hij wil.

Hij kan niet kiezen tussen ‘kinderen willen’ en ‘geen kinderen hoeven’, vermoed ik wel eens. De andere mens ‘psychisch’ is mij echter onkenbaar. Dus is die ander ‘psychisch’ voor mij geen onderwerp.

Herkennen van verzinsels
Sommige mensen zijn zo optimistisch dat ze denken dat het lezen van iets een oorzaak wordt in de lezer. Daar kan de lezer dan dus ook helemaal niks aan doen, maar de aanwijzing/aanduiding van een verschijnsel dat hem gegeven is, ‘laat hem niet meer  los’, gaat in hem – in zijn brein – ‘aan het werk’. Dat zou dan publiceren, ‘je licht niet onder een korenmaat plaatsen’ een zin kunnen geven. Mooie gedachte hoor.
Mijn eigen ervaring is dat het herkennen van verzinsels als verzinsels mij erg goed heeft gedaan. ‘Goed gedaan’ betekent hier: rust heeft gegeven, de aanmaak van bij die verzinsels passende neigingen, emoties en gevoelens tot vrijwel nul heeft gereduceerd. Ik schreef al: ik weet echt niet of het aanspreken van anderen, het publiceren, ergens de oorzaak van kan zijn. En zo ja, dan weet ik niet wat ik veroorzaak, want ik ken de ander, als omgeving waarin (zijn interpretatie van) mijn tekst binnenkomt, niet. Wie spreekt is als iemand die in het pikkedonker als een wilde om zich heen schiet. Als men aan een vrediger beeld de voorkeur geeft: wie spreekt is als een blindgeboren voetschilder zonder helper. Het is wel vrediger, maar of het nou prettiger klinkt? Moet dat dan?

Niets onnodigs hoeven, goed noch kwaad
Verzinsels als verzinsels herkennen betekent: niets – biologisch onnodigs – hoeven. Goed doen hoeft niet, kwaad doen ook niet. En dat scheelt.
Het herkennen is een bezigheid van de enkeling en kan niet voor je gedaan worden, iedereen moet het zelf doen en als het werkt, werkt het alleen in die herkenner zelf.
Kwaad nalaten blijft aanbevelingswaardig, maar volgt vaak vanzelf uit luiheid. Een val is, dat in deze civilisatie bijna iedereen vrijwel alles voor zich moet laten doen, omdat hij zelf niet mag komen aan de productiemiddelen en het produceren niet heeft mogen leren, hij moest immers op school iets anders leren dan ‘zelf voor zichzelf zorgen in rechtstreeks zelf omgaan met zijn niet-menselijke omgeving’. Wie op school is, mag zelfs niet eens meedoen aan het produceren, mag er zelfs niet bij zijn, kijkend en vragend in de fabrieken en op de bouwplaatsen rondlopen.
Talrijk zijn de verhalen van de – modieuze en zelfs, onmisbare – artikelen waar het bloed van wilde dieren en het zweet van overmatig werkende kinderen aan kleeft. Het lijkt, die verhalen horend, dat  ‘niet zondigen niet mogelijk is’. En dat is ook zo. Dat wisten ze in de middeleeuwen al.

 

Geen ontsnappen mogelijk

Voor de hele mensheid bekeken kan het best zijn dat het onmogelijk is te ontsnappen aan de historisch gegroeide, geëvolueerde, situatie waar we met z’n allen in zitten: overbevolking

  • absoluut, voor de natuur waarvan we deel uitmaken zijn we (= is onze soort) een plaag, teveel mensen
  • relatief te doeltreffend, te doelmatig in het nemen, ten koste van die natuur van het voor ons allen biologisch nodige
  • relatief aan te weinig constructieve dingen bezig om iedereen ‘aan het werk’ te houden, deel te laten nemen aan het samenwerken aan een, als zinvol ervaren, project – een tegenhanger van ‘de piramide van de oude Egyptenaren’.

Nu dat zinnige, constructieve er niet is, is het verstandig zich aan gebruikt worden voor het onzinnige, schadelijke, te onttrekken. Voor vele individuen is dat mogelijk. Zij hoeven zich niet ervan – van dat nemen van die vrijheid dus – te laten weerhouden door het feit dat de meeste anderen die gelegenheid niet hebben of niet opmerken en/of niet zoeken en/of hun kans niet grijpen.
Het leek mij ook niet gek om eens te kijken of er zoiets constructiefs, zo’n vervanging voor de piramiden, te bedenken was. En ja hoor, er is me wat ingevallen. Zie het opstel ‘leven van kunnen en leren’*. Daarin staat een andere oplossing dan de huidige voor het probleem van ‘het in vrede en non-subversief ‘ (laten) besteden van de overmaat van txaenz die ‘uit deze mensenplaag stroomt, c.q. spuit’.

In het onderstaande gaat het nog over het herkennen van verzinsels als zodanig en het omgaan met verzinsels. Als het oplossen van het overtollige txaenz probleem met behulp van die verzinsels openlijk werd gedaan en besproken, dan was een welwillender houding ertegenover (tegenover die verzinsels dus) gepast. Nu echter zijn er weliswaar (misschien) geen bewuste en opzettelijke bedriegers meer, weten de gebruikers van deze verzinsels en van de mensen om hen heen vía deze verzinsels, zélf niet meer beter dan dat ze (geopenbaarde) waarheid spreken en/of ‘het best mogelijke (laten) doen’, maar ‘het systeem’ is wel mensenmisbruikerij. En een systeem heeft geen geweten, is blind voor wat het aanricht en is onaanspreekbaar.
Termen als ‘sociaal ondernemen’ zijn (zelf?)bedrog.

____________________
* Bedoeld opstel is vooralsnog niet terug te vinden. [J.S.]

Van atheïsme naar a-verzinsel-isme

Nu hier is het dus aan te bevelen op te houden suggestibel te zijn, vatbaar te zijn voor suggesties vanuit (via) verzinsels.

Atheïsme is een mooi probeersel, maar nog geen ongeloof. En volledig ongeloof is een noodzakelijke voorwaarde voor ‘mentale’ gezondheid: dat is: insuggestibiliteit. Mensen zijn, zoals vele andere dieren, te waarschuwen. Dat moeten we natuurlijk blijven, maar: al die verzinsels waar het mij hier om gaat zijn middelen om VALS ALARM te geven.

Elders, in het blad van de Nederlandse vrijdenkers*, heb ik er jaren geleden al eens op gewezen dat het niet onverstandig is consequent over te gaan van hun atheïsme naar het algemeen en niet te betwijfelen a-verzinsel-isme. De god waar zij niet in geloven is namelijk een verzinsel.
Ook de ‘godgelovige’ gelooft overigens niet in een god die een verzinsel is, zeker de Joden en Christenen niet.
Er is geen enkele reden om het akabouterisme minder belangrijk en/of minder ‘hoog’ in te schatten dan het atheïsme.
O.K., het zou mij niet verbazen als bij vele atheïsten een persoonlijke geschiedenis met een christelijke – zeer vaak, de Roomse – kerk tot uiting komt in hun isme.

Objectief is er echter met ongeloof niets anders aan de hand dan dit: de ongelovigen stellen: dat er over iets gesproken wordt en/of dat het iets in kwestie een naam heeft, dat bewijst niet dat dat iets bestaat.
Veel atheïsten blijken en worden geen averzinselisten, want ze stellen dit slechts ten aanzien van God, de god van de bijbel, c.q. van de kerk waar ze de pest aan hebben.
Daardoor wordt hun atheïsme kneuterig, klein-psychisch, een zaak van gevoel en partijdigheid. Beneden wetenschappelijk peil.

____________________
* Vooralsnog is slechts kopij terug te vinden, waarin Jaap reageert op “De Vrije Gedachte” van november 1999. (Sinds 2006 heet dat tijdschrift “De Vrijdenker”.) [J.S.]

Bestaan en geloven zijn problematische begrippen

“God bestaat niet”, zeggen ze.

Wat is bestaan?
Dat is de centrale vraag die niet gesteld wordt in de vruchteloze, maar kennelijk o zo amusante en psychisch nodige, twistgesprekken.
Niet gesteld, laat staan gezamenlijk doordacht. Toch gaat het juist daar om.
Als er in naam van iets – bijvoorbeeld De Bataafse Republiek, de V.O.C., de Shell, de USSR, de BRD, de DDR, de Heilige Moederkerk – door vele mensen txaenz wordt besteed aan grote – hen als individu ver te boven gaande – projecten/ondernemingen, bestaan die ‘dingen’ dan?
Die ondernemingen, die stromen txaenz, díe bestaan, dat is te zien, maar die ‘dingen’?
Dat is geen magische of bovennatuurlijke vraag, dat is gewoon een kwestie van zeggen/vaststellen, wat jij met dat woord ‘bestaan’ bedoelt. Wat het betekent, want je kunt niet bedoelen wat je wilt. Want dan plaats je je buiten de taalgemeenschap en praat je niet meer, maar je zingt of doet aan ‘tonggewauwel en keelgelurk’, je maakt betekenisloze geluiden. Humpty Dumpty uit ‘Alice in Wonderland’, die wou met een woord bedoelen wat hij wou.
Bij de Shell en de BRD zegt men dan toch al gauw dat er sprake is van bestaan.

Maar dan is het vreemd dat,
als iedereen ophoudt er txaenz doorheen te besteden,
er niets over blijft.

Zo verdwenen ‘De Gruyter’, de USSR en het Ottomaanse Rijk en de VOC. Nee, het symbool is niet het gesymboliseerde, de naam is niet het benoemde, de sporen zijn niet de maker van de sporen. De herinneringen aan de dode zijn niet de dode. Dat feit KENNEN wij allemaal, geen grapjes maken nu even. De uitgedroogde bedding is niet de rivier. Er stroomt daar geen water (c.q. geen txaenz) meer, de rivier is niet meer, bestaat niet meer.

Wat is geloven, de bezigheid?
Antwoord: ‘als je in iets gelooft, gebruik je het’ (en wel als kanaal om er je txaenz doorheen te sturen, doorheen te laten stromen) zonder dat je het, met (jouw) verzinsels aan het werk zijn, zelf in de gaten hebt.
LET OP: ‘Bestaand achten’ is niet genoeg om van geloven te kunnen spreken, dat kan iedere priester/prediker/kerkelijk werker je bevestigen.

Het is dus, volgens mij, gezien deze aannamen,
DOM om minder ver te gaan dan het averzinselisme aan te hangen.
Wie blijft steken in het ongeloof in god, sinterklaas en kabouters, denkt niet door.

Verzinsels komen niet los voor, altijd maken ze deel uit van groepen verzinsels, die samen een instrument vormen: een onstoffelijk ding om andermans txaenz mee te vangen, in te vangen. Soms gaat het zo’n instrumentmaker erom richting te geven aan die gevangen (ingevangen, opgevangen) txaenz van die anderen, voor het een of andere doel. Een gedenkteken voor zichzelf – een piramide – of, rust in de tent – in de massa bijeenlevende mensen dus. Soms gaat het hem alleen om het verzamelen van, en parasiteren op, die stroom txaenz van gelovigen. Gelovigen zijn vaak bang en storten een deel van hun txaenz uit angst voor de goden. Anderen die txaenz storten zijn geïnspireerd, wat iets anders is dan bang.

Bij, door – en ten aanzien van – verzinners van recente godloze religies en überhaupt bij anderen, is dat helder te zien en uitbundig beschreven: een religie verzinnen is:

  • txaenz proberen te vangen en/of
  • het met geweld nemen van (= onder andere, het laten betalen met) txaenz afschermen met, verbergen achter, een onwaar verhaal. Denk aan de dictator die ‘de religieuze kaart speelt’.

Waar gaat het om?
Het gaat erom die ‘dingen’ op te merken waarin (= in het niet verzonnen zijn waarvan) men zelf gelooft. Over zijn eigen geloof zegt de gelovige niet: ik geloof.
Geloven is een ‘prereflexieve’ bezigheid. Tegen reflexie is geloven niet bestand.
Als gelovigen – cultuurdragers – een drager van een andere cultuur en /of een gelover in andere inhouden (begrippen, verhalen) echt ontmoeten, leren kennen, dan betekent dat: dat beiden alle geloof ‘verliezen’. Dat beiden met geloven ophouden, doordat het geloven zichtbaar is bij een ander en, zodra gezien, ontmaskerd is en ophoudt te bestaan – te gebeuren dus.

Het onderscheid tussen bestaan en BESTAAN

Bestaan is afhankelijk van gelovigen, BESTAAN niet
Het bestaan van zulke grootheden als die ik noemde (DDR, Shell) hangt af van het actieve, offerende (op aandelen gokkende, respectievelijk in loonarbeid bijdragende) bestaan – nee, actief zijn! – van de gelovigen. Het kost niet echt veel moeite dat duidelijk te krijgen.
Toen ik in de God van de Bijbel geloofde, was ik er zeker van dat Zijn bestaan niet afhankelijk was van mijn geloven, van ergens een gelovige. God bestond zelf, zo min als ik pas besta als iemand mij kent en erkent, zo min heeft God zulke erkenners, zulke gelovigen nodig.

Geen zes miljard gelovigen samen kunnen ook maar een schim van God laten bestaan.
Wat God doet, – laten we dat maar met hoofdletters schrijven – is: BESTAAN.

Of Hij bestaat slechts, dat is: gebeurt, strekt zich uit in de tijd. En dan valt Hij onder het averzinselisme. Gods BESTAAN is buiten de tijd, voor en na de tijd, voor de Grote Klap waarmee het heelal begon en nadat alle gevolgen daarvan zullen zijn opgehouden ergens oorzaak van te zijn. God is NOOIT en NERGENS, ‘hij’ BESTAAT. Van eeuwigheid tot eeuwigheid, oftewel: buiten de tijd, buiten de ruimte, buiten het heelal, buiten ‘alles’.
Het BESTAAN van God is totaal verschillend van het bestaan van al ‘onze’ verzinsels. De god die wij dienen door zijn geboden te houden en te doen wat Jezus ons opdroeg, die god is een kanaal voor onze txaenz, net als al die andere ondernemingen. Een aanbevelenswaardig en groots kanaal, volstrekt bewezen. Maar, een kanaal. Niet God. De atheïst die dit niet snapt, wauwelt maar wat.BESTAAN’ en ‘bestaan’ klinken eender, maar zijn volstrekt verschillend.

BESTAAT er zoiets als ‘BESTAAN’?
Bestaan is bij nader inzien gewoon langzaam gebeuren. ‘Langzaam’ is relatief en wel, in dit geval, tot onze tijd van leven.
Die stenen van dat hunebed, nou die bestaan. Ze kwamen er ooit, sleten af, veranderden dus. Zeker is dat ze over enkele miljarden jaren er niet meer zullen zijn, zo gaat dat met van die keien. Maar dat kunnen we, voor alle praktische doeleinden, wel ‘bestaan’ noemen. Het is nog soepeler te nemen, we kunnen de plek waar die oude eik staat ook wel in ons langetermijngeheugen opbergen. Die houdt het nog wel een tijdje, die overleeft ons nog wel. Hoewel alles wat leeft sterfelijk is, kunnen we zelfs binnen de biomassa wel van bestaan spreken.
Terzijde. Dat bestaan gewoon gebeuren is, dat is wellicht wat de Oude Grieken – volgens die eindeloos daarover kwekkende lieden – met  ‘panta rei’ bedoelden. Alles verandert alsmaar, ononderbroken. De veranderingssnelheden variëren echter nogal.

Het gaat mij er om, er op te wijzen dat er ‘dingen die gebeuren’ zijn, die afhankelijk zijn van bijdragende, offerende, gelovende, gebruikende mensen. Over die dingen zeggen we dat ze ontstaan, groeien en bloeien en vergaan. Dat zijn die dingen die bestaan door de  trotteldrommen (Marten Toonder). De nationale staten, de multinationale ondernemingen, de koninklijke – keizerlijke, enzovoorts – dynastieën zijn voorbeelden. Wij, de lezer en ik, werden in – of minstens tijdens het woeden van – zulke trotteldrommen geworpen (‘gebaard’/‘geboren’ heet dat dan).
Die daar dan actuele drommen en hun woeden zijn voor ons oergegevens. Ze behoren tot de eerste dingen die we zagen, die ons iets deden, waarvan wij hoorden, waarover wij hoorden, die ons raakten. Ik hoefde in het bestaan van de Wehrmacht niet te geloven, ze oefenden in de straat en ik zocht ook hulzen voor/met ze: metaal was al schaars, begrijp ik nu.
Hoe dan ook, over die trotteldrommen en hun woeden wordt gesproken als over daders en hun gedrag: “Frankrijk zet Nederland de voet dwars”. En ja, hoor, iedereen ‘weet’ dat dit krantenkoppentaal is. Maar zo praten is heel moeilijk te verenigen met doordacht begrijpen. Het is helemaal niet zeker dat iedereen voor zichzelf ruim alle nodige txaenz neemt om goed door te denken en helder te beseffen dat er hier heel andere dingen aan het gebeuren zijn dan dat nationale staten, partijen, multinationals enzovoorts ‘met elkaar omgaan’.

Het valt niet te ontkennen dat al dit gemakkelijke gepraat gepaard gaat met veel gevoel en emoties. Het gebruiken van verzinsels als onderwerpen van gesprek en als werktuigen om mee te denken en het geloven in het bestaan ervan, dat alles is slordig gedoe. Het is nadoen, meedoen en doorgaan, tegen beter weten in. Het is vrijwel niet meer mogelijk, níet te weten dat het hier om verzinsels gaat. Iedereen heeft wel gehoord dat er andere religies zijn dan ‘de zijne’, dat er andere ‘visies op het gebeuren in de wereld’ zijn. Het weten is er, maar er wordt niet door iedereen voldoende txaenz besteed aan het doordenken ervan Dat wil zeggen, aan het verwerken van dat weten tot inzien, tot WETEN.
Er wordt ook op aangedrongen dat doordenken niet van een ander te eisen. Die ander moet ‘vrij gelaten worden’ om ondoordacht te blijven geloven in, en zijn txaenz te besteden met en voor en door, zijn eigen verzameling verzinsels – hetzij een religie of een ideologie, een nationale cultuur of een of andere partijdigheid. Iedereen moet ‘in zijn waarde’ gelaten worden.
Alle wanen mogen, je mag overal in geloven, overal je txaenz voor ‘geven’, overal je voor inzetten, als er maar geen openlijke gewapende twisten op gebaseerd worden. Maar dat is niet mogelijk, stromen txaenz die niet evenwijdig zijn, daar komt wrijving en botsing van. Onvermijdelijk.

Ruimte voor alle ismen betekent: geen vrede.
Het betekent ook: geloof, gevoel en emoties in plaats van verstand.

Verzinsels zijn nodig om mensen onnodigs te laten doen

Wat is een verzinsel?
Antwoord: een verzinsel is een benoemd begrip, waar met de beste wil en de grootste inspanning niks ‘van mensen onafhankelijk bestaands – gebeurends dus’ bij te vinden is.
Niks geschapens, zou je kunnen zeggen. Mensen kunnen niet scheppen. Ze kunnen zich, bij – zo men wil, om, omheen – hun txaenz besteden, samen iets denken. Maar ze maken dan piramides, maar niet de onsterfelijkheid van de farao’s waar die bouwsels ‘voor bestemd waren’, in het kader waarvan ze werden gebouwd. Heel veel gebouwen zijn neergezet om te getuigen van de rang van de bouwheer, de opdrachtgever. Wat er ook gebouwd wordt, er wordt geen rang geschapen.

Rang is niks.
Er is maar een heel klein beetje afstand nodig
om te zien hoe onmetelijk belachelijk het is,
dat de mensheid onafgebroken uitzoekt,
wie (c.q. welke groep) – wat dan ook – het ergste/beste kan.

Guinness Book of Records, niet slechts de sporten. Groter dwaasheid is uiterst moeilijk of zelfs niet denkbaar. Iedere meetbaarheid kan een kanaal zijn, waardoorheen mensen hun txaenz laten stromen.
De vraag bij dit txaenz besteden door het te storten in zulke kanalen is niet: “WAAROM NIET?”, maar: “WAAROM  WEL?”.

Reden om onnodig txaenz te verdoen
Om txaenz te besteden aan van nature onnodigs is een positieve reden nodig. De besteder zelf moet zo’n reden hebben. Oorspronkelijk, niet tweedehands. Dat vind ik, zeg ik, meen ik.
Anderen zeggen dat zo’n reden – nu ja, beweegreden, motivatie – er is, want er blijkt te zijn, uit het gedrag van die mensen in kwestie. Zelfs al zou die reden onbewust, onbenoemd, onuitgesproken blijven, hij blijkt er te zijn, uit het gedrag, dat er een gevolg van is. Wat is per slot van rekening een reden anders dan een achter het gedrag veronderstelde ‘wilsoorzaak’? Ik zou het niet weten. Het is zinloos een wensplaat te houden naast wat er gebeurt – inclusief wat we als ‘gedaan’, opvatten.
‘Een reden’ is een postulaat, net als een oorzaak. Het begrip ‘reden’ maakt dan deel uit van zowel het oorzaak-gevolg schema als van het wil-middel-doel schema. De dwingende reden, een dadertje binnen in de dader die met reden handelt.

‘Wilsoorzaak’ is een term met een ingebouwde tegenstrijdigheid:
we zijn bezig, al besprekend,
in het model van oorzaak-gevolg-ketens of in het model van de vrije wil.
Wie over zijn eigen gedrag zegt:
“ik doe het, dus ik wil (respectievelijk, ik moet) het”,
doet niks anders dan schema’s op verwarrende wijze toepassen.

Ook nu weer, over het bovenstaande als geheel: er is niets toe te juichen of te betreuren, want er is geen geschapen – ik bedoel, onverzonnen – wensplaat om naast ‘wat gebeurt’ te houden.
Hoe kan het zijn dat dit zo doodloopt, deze gedachtegang?
Antwoord: er wordt een probleem, HET wereldprobleem, opgelost: het laten afvloeien van de txaenz. Zoals met hemelwater, zo met de txaenz der mensen. Geen enkele geul wordt afgekeurd, als het overtollige regenwater maar afvloeit. Er maar mede door afvloeit.

Geen gezamenlijkheid, wel een resultante van al het afzonderlijk handelen
Wat we hier zien, is het handelen uit de merkwaardige uitspraak van Margareth Thatcher: “There is no such thing as society”. Er is geen gezamenlijkheid.
De dwaas zegt in zijn hart “Er is geen god.”

Er is een resultante van alles wat de mensen apart en ongecoördineerd doen.
Alle verzinsels zijn o.k. als kanalen.

In het beeld: het neergutsende regenwater stroomt weg, omlaag, door alle geulen en geultjes. Er is een resultante, geen resultaat.
Er zijn organisaties en door hen heen stroomt een hoeveelheid txaenz, met een resultaat.
De organisaties “samen” (= in concurrentie) voeren tot een resultante, het wereldgebeuren, zo onbedoeld als de grenzen die door oorlogen daar kwamen waar ze nu liggen. Vergelijk daarvoor de landsgrenzen in Australië met die in Europa.
We stuiten hier op een interessant verschijnsel: het blijkt dat de bewondering voor de maker, voor de ingenieur verdwenen is. Wellicht heeft dat iets te maken met het feit dat de maaksels van tegenwoordig voor de leek niet meer te begrijpen en ook niet te zien zijn.
Mechanische drukkerijen zijn nog te bewonderen, printers niet. Er is niks te zien.
Vandaar wellicht de populariteit van het opvatten van het aantrefbare, in plaats van als resultaat van ‘de schepping’, als een godloze, onbedoelde resultante van blind, maar gedetermineerd (in oorzaak-gevolg/oorzaak–gevolg ketens te vatten) veranderen.
Zelfs de mensen zelf zijn – als veranderaars, als factoren-inbrengers, als organisatoren – buiten beeld gekomen.
De markt regelt alles, dat is net als ‘het veranderen’ – “de evolutie” – een onpersoonlijk systeem.
Het niet doorzien van het systeem als een geheel van gebeurtenissen en processen, waarin de gezamenlijkheid zich stelt, brengt zo’n politica ertoe te zeggen dat er geen gezamenlijkheid is.

Als agerende en toesprekende, propagerende figuur,
speelt ze het tegendeel van wat ze zegt.

Als er immers geen gezamenlijkheid is,
is er ook niets anders te doen dan individueel zich tot volledig en harmonieus functioneren brengen en dat zo houden.

Er is dat verhaal van die memen, die de genencombinaties gebruiken zoals de Griekse goden de Griekse helden. Maar dan is en blijft het vreemd dat zo’n genencombinatie zich echt in de riemen legt voor die memen. Nou ja, dat is een ander hoofdstuk.
Waar het mij hier in dit opstel om gaat is: aan te wijzen dat die probleemstelling omtrent die overtollige txaenz pas kan worden verwoord met de juiste begrippen (‘txaenz’ blijkt daarbij nuttig).
In beeldspraak: kan pas gezien worden vanaf een voldoende afstand, buiten partijdige deelname dus.

Begrippenapparaten, en hun rol bij het voorkomen van verzet

 

Invloed van begrippenapparaten op de geest
Wij hebben in ons flarden van begrippenapparaten. Het is wonderlijk zo weinig als mensen van hun eigen geloof kennen, weten, uitgezocht hebben, willen weten. Wat de gewone “beminde gelovige” afweet van de leer van de kerk en/of van de inhoud van de Bijbel, is schrikwekkend weinig. Ook veel  atheïsten maken door hun teksten duidelijk, geen idee te hebben van wat ze ontkennen en bestrijden.
Met die flarden moeten we het doen, moet onze tekstaanmaker het doen. Wat doet die tekstaanmaker? Die maakt tekst aan, die wij ‘in ons’ – “met ons geestesoor” – horen. Die tekst klinkt, voor de rest van ons brein, precies zo als de tekst die wij met onze gewone oren horen: de tekst van anderen. Zo erg ‘eigen’ is die tekst ook niet: gebruikt wordt – met andere woorden, in ons veroorzaken doet – DE taal. Nu ja, dat stukje ervan dat wij kennen en actief gebruiken – of, in ons actief is. Onze ‘eigen’ tekst waarschuwt ons dus met gebruikmaking van dezelfde begrippen, modellen, wereldvisies en vooroordelen als onze taalgenoten dat zouden kunnen doen. “Langs binnen”, via die taal, worden we nog door anderen bestuurd, beïnvloed, vermaand en zo voorts.

Begrippenapparaten zijn psychotroop.
Flarden ervan ook.

Het zijn geen stoffen, maar geloven is net zoals beschonken, stoned, high of zo zijn. In een roes, beneveld, verdoofd, hilarisch, gestimuleerd, opgewekt, met vredige gevoelens, helemaal tevreden, alles mooier ziend, die hele merkwaardig intern tegenstrijdige reeks begrippen die met ‘drugs’ in verband worden gebracht. Geloven is als zulk dronken, ‘onder invloed’ zijn, wat ook de inhoud van het geloof is, wat ook de artikelen van het geloof zijn. Wie gelooft, gaat op in de/‘zijn’ begrippenapparatuur,  is in de taal, is in het spel, dat er als handelen bij past, aan vast zit, is buiten de nuchtere, gegeven, alledaagse, sierloze, tastbare, waarneembare, hanteerbare werkelijkheid. We kennen allemaal de religies waar mensen in geloven. In die religies is, naast veel wijsheid – dat is, kennis van wat niet binnen de natuurwetenschappen te behandelen is – een begrippenapparaat ondergebracht dat bedoeld is en gebruikt wordt om te intimideren, om van opstand tegen wie en wat dan ook af te houden.

Strijd om de machtspositie
In de dierenwereld treffen we ook rangschikking aan, ook erkende macht, maar geen enkel gezag. Ieder ogenblik kan de dan sterkste uitgedaagd worden door een nu weer sterker geworden jongere, een vreemde, een buitenstaander, een concurrent.
Sedert de invoering van de mensengebruikerij wordt er geprobeerd te voorkomen dat de ‘zittende machtigen’ worden aangevallen/uitgedaagd. Dat proberen gebeurt door dreigen – met fysiek geweld (“straf” en de herhaling daarvan) en wapengeweld – , maar ook door ‘via verhalen bang maken, verwarren, verleiden en misleiden’.
Aan de strijd om de machtsposities wordt deelgenomen door steeds meer ‘geëmancipeerden’. Wee de aanwezigen waar de burgeroorlog uitgevochten wordt met echte (‘ijzeren’) wapens. Sociale mobiliteit is er steeds meer gekomen en is steeds minder openlijk ‘aan sommigen verboden’, het is juist ‘democratisch’ als iedereen ‘mag’, maar er zijn regels voor ‘het spel’.

“We bestrijden elkaar, maar niet met wapens”,
aldus onlangs nog onze minister-president van toen.
Dat was een typisch voorbeeld van
‘iets zeggen, waarvan zojuist – in dit geval, door een moord – de onwaarheid is bewezen’.

Iets bezweren. Onzinnig gedrag.
Vechten doe je om te winnen. Het is dus totale onzin je te houden aan enig verbod, dat je van winnen zou kunnen afhouden.
Alleen een lijfelijke dreiging kan daar werken. Maar dan is er weer geen verbod, geen onder woorden brengen van dat dreigen nodig.

Het zoeken van de overwinnaars is dus geweest
naar een verhaal waar de onderworpenen in geloofden,
en waar ze bang, en gezag toekennend, van werden.
Denk in dit verband aan de paardenfluisteraar,
en aan de manier waarop Indiase olifanten worden getemd.
De misbruiker doet zich voor als verlosser.

Het is het misbruiken van de instincten van het dier/het mensenkind om het bruikbaar te maken, om het ertoe te brengen degene die het gaat gebruiken, te gaan aanzien voor een helper, een uitredder. Bij de paarden en olifanten blijft het allemaal zonder woorden. De kinderen krijgen bij de opgedrongen ervaringen en bij de deprivatie van andere ervaringen een verhaal, begrippenapparatuur onderwezen.
Eerst worden ze gedwongen in school te zitten, tegenwoordig dan: te verblijven, en dan krijgen ze ‘ijsvrij’ of ‘vakantie’. En dan maar blij zijn. Ze zien dat opgesloten worden niet meer. Dat is gewoon, daar kijken ze overheen.
Net zoals de mensen over de wederzijdse dreiging met geweld heen kijken, die ten grondslag ligt aan het ruilen (en kopen/verkopen, verhandelen) van bezittingen. Als één van de twee zijn bezit niet zou kunnen (laten) verdedigen, zou er niet geruild of gekocht, maar genomen worden. Maar daar kijken ze overheen, het is immers ‘gewoon’.
Ze leren een deel van hun ervaringen te bespreken en wel op een, per civilisatie verschillende (‘religieuze’), manier en ze leren over een ander deel van hun ervaringen heen te kijken, die niet op te merken, die onbesproken te laten.

 

De ongelooflijke hardnekkigheid van geloven

Geloven is: opgaan in het verhaal, in het begrippensysteem
Schoolvoorbeeld:
over het onderwerp van het vak ‘economie’. Centraal in het voeren van handel zijn de gewapende bewakers, die het plunderen en het nemen dat ‘stelen’ heet al dreigend verhinderen. In het schoolvak ‘economie’ komen die wapens niet centraal voor, zo ze al ooit, terzijde in een opmerking over plunderen bijvoorbeeld, worden aangewezen. Niemand kan meer bezitten dan hij kan verdedigen, respectievelijk door bewapenden kan laten verdedigen. Je kunt alleen ruilen of verkopen wat je bezit. Wie betaalt, doet dat onder bedreiging.

Maar dat willen ze niet weten.
Ze willen geloven dat wij lekker gezellig positief samen bezig zijn.
En wel, aan het op een hoog peil – van kunnen en hebben – houden van onze samenleving.

Ondertussen horen wij telkens dat wij niemand kwalijk mogen nemen dat hij winst vóór laat gaan en/of aan de laagste prijs de voorkeur geeft. Wie in het bestaan van de samenleving gelooft en in dat samen eerlijk en eerzaam bezig zijn aan dat handhaven of opvoeren van die kwaliteit, is mooi bruikbaar voor de talloze parasieten.

Er is geen samenleving
“Er is niet zoiets als ‘de samenleving”, aldus Margareth Thatcher. Zij zei het gewoon. Alles wordt en werd overigens her en der openlijk en zonder terughouding of schaamte gezegd. En wat mij nu niet verbaast, is ‘dat er niets aan gedaan wordt’, dat kan niemand, dat kunnen ook massa’s samen niet.

Maar wat mij wel verbaast,
is dat ik zo weinig mensen bezig zie te leven met deze – niet geheime – inzichten
.

Ik bedoel dat ik mensen zie geloven in verhalen die al lang zijn weersproken in – ook op hun televisietoestellen te ontvangen – uitzendingen.
Ik snap wel dat ze de wereld niet veranderen, ik snap niet dat ze ‘zichzelf’ niet veranderen: dat ze deze inzichten niet aan een belangrijke rol helpen in hun apperceptieve massa. Het zal wel komen doordat mensen dat helemaal niet kunnen. Met andere woorden, doordat het bewustzijn helemaal geen greep heeft op het handelen, het gedrag – inclusief de tekstaanmakerij ‘in je’.

Zo, dit, over het vak economie op school, was dus een voorbeeld van een – om te geloven bedoelde – begrippenverzameling. Dat geloven moet dan leiden tot het verkwisten van de eigen txaenz van de gelovige door de gelovige. Verkwisten door besteden aan gegarandeerd onwerkzaam streven. Belangrijk is dat het hier een, niet als religie overkomend, verhaal over een stand en gang van zaken betreft. Het is al te gemakkelijk een verhaal met goden en zo te herkennen als een mogelijk ooit om te beïnvloeden bedoeld en/of gebruikt instrument voor beheersing van mensen. Over godsdiensten is dat immers allemaal al lang geschreven. Maar bij schoolvakken is menigeen er niet op gespitst naar propaganda te zoeken.

Terzijde. Er is een gezang in de bundel 1938 van de NH-kerk: ‘Laat mij niet mijn lot beschikken, zo ik mocht ik durfde niet, ach, hoe zou ik mij vergissen, als Gij (oh God) mij de keuze liet…..’
Dat is een mooie en wijze tekst: liet men toch slechts de leiders der volkeren dit lied zingen. ‘Laat mij niet andermans lot beslissen, zo ik mocht, ik durfde niet. Enzovoorts‘. Want ook die leidinggevende functionarissen of  machtsusurpators vergissen zich, nu zij de keuze nemen en hen die gelaten wordt.
Dit voorbeeld illustreert prachtig de rotzooi die de prediking is: een hoop ondoordacht gepraat. Als ze bijvoorbeeld dat wat de profeet Samuel zei over koningschap zouden voorlezen, uit de Bijbel, dan zou er wat anders klinken dan het gebed voor de vorst.

“Wat interesseert jou dat nou, volstrekt ongelovige?”
Antwoord:
het gaat hier om een waarneembaar hedendaags verschijnsel. Er wordt onderwerping gepredikt, navolging van mode, gehoorzaamheid aan wetten, meelopen met dat wat populair is, koninkje spelen, macht nastreven en vertonen – meestal in de vorm van koopkracht, maar zie wat diegenen doen, die daarvoor niet de kans kregen: fysiek geweld alom. Het is in de vorm van propaganda voor het vorstenhuis zo ouderwets en dus daar, op afstand, dat vrijwel elke lezer het kan zien. Over waar men zelf in gelooft en aan meedoet, ziet men heen. Zoals men “denkt” van de koningin te houden, zo “denkt” men ook van voetbal of mode te houden. Dat “denken” is geloven: wandelen in duisternis, niet zien wat er gebeurt, meestal gebeurt via je apperceptieve massa, dat is: via het aangeleerde, dat toevallig is, maar – op bevel – als ‘eigen’ opgevat, gevoeld, ervaren wordt.

Wie binnen de taal bezig is, is buiten de werkelijkheid bezig. Wie bezig is met de bespreking, en/of met het bespreken, is niet bezig met het besprokene, het onderwerp.
Bij, door, en ten aanzien van, anderen kunt U dit bovenstaande elders ruimschoots beschreven en uitgelegd vinden.
Nu nog bij Uzelf, door Uzelf, ten aanzien van Uzelf. Lezen helpt niet, zelf uitschrijven is vereist. Eenmaal of vele malen gelijk, zoals strafregels helpt ook niet.

 

Na het ontwaken uit de roes

Als (dus: zodra en in zoverre) U ontwaakt, nuchter wordt, uit de bedwelming geraakt, zult U onder andere het volgende merken:

  1. gij zult geen verschijnselen ontkennen
  2. gij zult geen melder geloven
  3. gij zult in geen theorie geloven
  4. gij zult geen gezag toekennen
  5. gij zult geen integriteit (eerlijkheid) in iemand anders vooronderstellen
  6. gij zult niet vertrouwen
  7. gij zult niet wantrouwen
  8. gij zult Uw ‘niet KENNEN’ KENNEN
  9. gij zult het feit KENNEN dat U door ‘horen zeggen’ niet aan kennis komt, niet gaat WETEN, zelfs niet te weten komt
  10. gij zult Uw apperceptieve massa herkennen als U aanklevend U-vreemds, deels dus vuil, smerig, ongewenst
  11. gij zult gevoelens en meningen herkennen als miskramen van inzien, KENNEN, doorschouwen, doorzien
  12. gij zult begrippen herkennen als door mensen gemaakt en wel van de hen zintuiglijk en anderszins gegeven flarden van het oppervlak van ‘wat gebeurt’
  13. gij zult ‘bestaan’ herkennen als relatief traag gebeuren
  14. gij zult de geweren als centraal herkennen in ‘het economische’
  15. gij zult het bang maken als centraal KENNEN in het juridische: in het gepraat dus, in en buiten de religies over ‘wet’, ‘recht’, ‘schuld’ en ‘straf’ (= mishandeling met een smoes, een verhaaltje erbij, ter intimidatie, ter voorkoming van – ook elke terechte en nodige – opstand)
  16. gij zult opmerken dat het intimideren is overgedragen van de politie en de controleurs en de openbare terechtstellingen aan de hun leeftijdgenootjes terroriserende ettertjes in, om en buiten de scholen; opvallend is dat die ettertjes zogenaamd niet te temmen of te remmen zijn, gij zult dat als verdacht herkennen
  17. gij zult scholen herkennen als gevangenissen
  18. gij zult opmerken dat kinderen dat gevangen (= buiten de echte wereld) gehouden worden, gewoon moeten leren vinden en dat dat – gewoon gaan vinden dus – de echte, bedoelde cursusinhoud – het echte, maar onuitgesproken, het ‘verborgen’ curriculum – is: de kinderen spelen in school – onder aanvoering van de onderwijzers – ‘wereldje’, zonder de stand en gang van zaken in de echte wereld buiten school bij te wonen, waar te nemen, te beïnvloeden, te leren kennen
  19. gij zult opleiden/specialiseren herkennen als invalide en afhankelijk maken, met compensatie voor die afhankelijkheid in de gelegenheid om op de in-iets-anders-gespecialiseerden te parasiteren en hen op hun beurt hun afhankelijkheid als minder-zijn te laten voelen; artsen en advocaten als schoolvoorbeelden
  20. gij zult de lofzang op, en de propaganda voor, deze mensengebruikerij (‘civilisatie’, ‘beschaving’) als zodanig en als u-vreemd herkennen
  21. gij zult het afleiden van de aandacht van dit alles herkennen als zodanig en als ‘aan alle machtigen (bevoorrechten/koopkrachtigen, tot zelfs de armsten) welgevallig’
  22. gij zult ‘de sport’ herkennen als het levende geloof in – de dominante, geen andere naast zich duldende, godloze religie van – deze – ‘onze’ wereldlijke (van geestesleven en geloof in hel, hemel, goden, geesten, spoken en duivelen, vrije) – mensengebruikerij
  23. en zo voorts.

Lijsten zijn zinnig, maar het is goed ze open te houden, wetend dat uitputtend zijn onwaarschijnlijk is.

Hieronder kunt u een reactie geven op bovenstaande tekst.
Het kan enige tijd duren voordat uw reactie geplaatst wordt.