Opmerking over achting in civilisatie en maatschappij

Categorieën: 1973-1986 Docent lerarenopleiding, Rijksuniversiteit Groningen | Archief | Eigen boek (1984-1987) | Opstellen | Vervolgopstellen

Trefwoorden: eigen boek

Jaap Schot, 12 februari 1985

In de maatschappij geldt: men acht je hoger naarmate er meer eisen van de maatschappij via jou aan andere mensen gesteld worden. Hoe meer bevelen (geboden en verboden) jij doorgeeft, hoe dichter je nadert tot de edelachtbaarheid van de rechters. De achting die mensen voor je hebben is in de maatschappij een functie (een tamelijk rechtlijnige) van de hoeveelheid opdrachten (bevelen, bestellingen, eisen van de maatschappij) die je doorgeeft aan anderen.
Ik spreek van doorgeven omdat in de maatschappij slechts knechten zijn, geknechten dus, geen oorsprongen van knechtschap, geen uitvinders ervan. De meeste ingezetenen, voor alle practische doelen kan ik stellen: alle ingezetenen van de maatschappij zijn in gevangenschap, in de door een civilisatie overwonnen cultuur geboren en in de school, in het onderwijs van de civilisatie getogen. Hierdoor hebben de mensen in de maatschappij zelfs geen herinnering aan wat het is om in de natuur, natuurlijk, vanuit natuurrechten, te leven. Ze kennen geen vrijheid, alleen maar soevereiniteit, ze kennen geen recht dat een vrij mens heeft, ze kennen alleen toegekend en bevochten recht, ze kennen de rechten van de mens, als en in zoverre ze die uit hun hoofd geleerd hebben. Ze vechten ook, in het beste geval, voor die rechten. Het zijn ook te bevechten rechten, rechten die geformuleerd zijn met termen die de stand en gang van zaken in de wereld aanduiden.

Een concreet individu houdt niet op een natuurwezen te zijn doordat het gevangen en aangepast wordt. Het houdt op zich als een natuurwezen te gedragen en het houdt op zich een natuurwezen te weten, zich als zodanig te kennen. Voor wie in de wereld geboren en getogen zijn is de wilde, vrije natuurlijke volwassene niet eens meer denkbaar, zeker niet herinnerbaar. Als er al eens iemand van de ingezetenen ooit vrijheid geproefd heeft, dan is dat geweest als kind, voordat hij naar school moest. Als de school toeslaat, slaat de civilisatie toe. In uitzonderlijke gevallen zijn kinderen voordat ze naar school moesten thuis in natuuromstandigheden opgegroeid, vadervrij, zonder de inwerking van de civilisatie in het gezin. Zonder de doorgegeven, via een ouder komende inwerking van de wereld: dus geen straffen, geen mishandeling die als legitiem werd verkocht.

Dit zich kunnen herinneren van wat het vrij zijn als kind is, is de uitzondering. Normaal is dat die vrijheid werd beeindigd voordat er zich in het geheugen iets van kon vastzetten. Zonder overgang ertussen volgde op het gehanteerd worden dat nodig was, als baby, het gehanteerd worden dat niet nodig is. Dat onnodig gehanteerd, verzorgd, klein gehouden en van buiten via woorden bestuurd worden, wordt door de wereld geeist.

Deze eisen van de wereld, deze regels van de gevangenis, worden in de meeste gevallen doorgegeven alsof ze vanuit en niet via de ouders tot het kind komen. Die ouders/opvoeders die zich opvatten als behorend tot, deel uitmakend van, de wereld, maken zich hun gevangenschap niet bewust. Ze ervaren de speelruimte, de omvang van hun kooi, die hen gelaten wordt, als 'burgerlijke vrijheden'. Ze worden door anderen bevolen en ze bevelen anderen. Ze voelen, ja weten, zich niet geroepen om de nieuwkomers de terreur aan te wijzen, die het bindmiddel van de wereld is. Om dat aanwijzen te kunnen doen, zouden ze zich deze terreur bewust moeten maken, de zachte terreur (je doet me verdriet, dan hou ik niet meer van je) zowel als de harde (alle macht komt uit de loop van een geweer). Om dat aanwijzen te willen doen, zouden ze terreur, ook die zij zelf uitoefenen, moeten afkeuren.

In de civilisatie geldt: kopen en te koop zijn.
In de maatschappij geldt: bevelen en bevolen worden.
In de natuur geldt: leven en laten leven.
Dat 'leven en laten leven' geldt niet meer zodra de concepten 'onkruid' en 'ongedierte' worden ingevoerd. Met die invoering begint het bestrijden van de natuur, het opzij dringen ervan, het op een afstand houden ervan, het buiten het huis en buiten het dorp en buiten het afgebakende, omheinde terrein houden ervan. Het invoeren van die begrippen markeert het stllen van een grens tussen 'waar je woont', de wereld, jouw gebied, enerzijds en de rest, jouw nietgebied anderzijds. Op de rand van jouw nietgebied gooi je jouw afval neer, dat wat jij vies vindt en wat jij buiten jouw gebied wilt hebben. De grens tussen de wereld en de nietgebieden is waarneembaar gegeven: als die bosranden en parken en plantsoenen en vijvers en sloten waarin de mensen hun afval gooien. Dat neergooien van afval in een bosrand is geen teken van een vies en slordig iemand zijn, integendeel, het weggooien is alleen maar een teken geven dat je een nietgebied hebt, dus ook een gebied, waarschijnlijk. De plantsoenen en sloten en vijvers, die niet schoon blijven, blijken voor de vuilmakers nietgebied te zijn. Zij ervaren zich blijkbaar niet als iemand van de gemeente van wie die gezamenlijke bezittingen (parken, vijvers enz.) zijn.

Het bestrijden van de natuur (van het ongedierte en van het onkruid) eindigden bij die grens tussen gebied en nietgebied. Eindigden, het is verleden tijd geworden toen en zodra men moeiteloos en goedkoop massale oorlogen kon voeren tegen alles wat leeft en groeit. Pas de laatste jaren begint er een bewustwording op gang te komen dat hiermee veel kostbaars vernietigd wordt. Dat bewustzijn remt niet het vernietigen af. Dat is ook niet te verwachten, het bewustzijn levert geen beweegredenen, zeker niet als het van buiten af, door anderen via media wordt gevuld. Voor het vernietigend beroven van de natuur, buit de wereld binnen halend, was en is door koopkrachtige vragers opdracht gegeven. De daders gehoorzamen alleen maar. De opdrachten en bestellingen in kwestie blijven van kracht, dus verandert er niets aan deze gang van zaken.

In de wereld is de achting die men voor je heeft een functie van de bevelen die je geeft. Die bevelen zijn in de cultuur: de voorschriften van de traditie. Dicht daarbij zitten de bevelen (de geboden en verboden) van de godsdiensten, want de kerken zijn de organisaties die met allerlei krom geredeneer 'dat wat moet' aan elkaar gepraat hebben: -de traditie, -de in religies uitgezegde inzichten en -de wetten en dwangbevelen der heersers.

De pastoor en de dominee halen hun achtbaarheid uit het doorgeven van die verzameling verwoordingen van wat moet. De onderwijzenden halen hun achtbaarheid uit het doorgeven van de begrippen die -het bevelen en de bevelen goedpraten of -de aandacht er van af leiden dat het slechts bevelen van soevereinen, dat is: onredelijken, zijn en geen doorgegeven berichten omtrent geconstateerde noodzakelijkheden. Noodzakelijkheden binnen een plan en voornemen van de uitvoerenden. Een plan dat binnen het kader van hun nooddruft opkwam, d.w.z. nodigs oplevert voor hun leven en hun gezond functioneren of dat opkwam als speels plan en dan ook niet met geweld tegen weerstand hoeft te worden doorgezet.

Kopen is een vorm van bevelen. Ook mensen zonder positie waarin ze bevelen doorgeven, kunnen als ze kopen op hun beurt bevelen. Vandaar het psychische belang van geld in de civilisatie. Alleen in de civilisatie echter, in de cultuur en in de kerk, bij de zachte terreur, werkt geld niet. Als er daar voor en met geld gewerkt wordt, spreekt men van corruptie van het systeem, van het spel. Men noemt dat waaraan men daar bezig is overigens zelf nooit 'spel' of 'systeem'.

De maatschappij, de civilisatie, de cultuur en het religieuze leven, zijn als evenzovele verschillende speelterreinen te beschouwen. Wat op een tennisveld geldt, geldt en past niet op een voetbalveld. Dat voelt iedereen aan. Zo is het ook met de regels die gelden op de verschillende terreinen 'maatschappij', 'civilisatie' en 'cultuur'.
Op ieder speelveld zijn de aanwezigen te onderscheiden in wie spelen om in het mooie spel de werkelijkheid te vergeten en wie spelen om iets (achting of het middel daartoe: geld) te winnen om zich in die werkelijkheid beter te kunnen handhaven. Zij die spelen om te vergeten zijn de gelovigen. Zij die spelen om te winnen zijn de gebruikers van de spelen. Die gebruikers spelen zich uiteen inkoplopers enerzijds en het grote peloton anderzijds.

Deze gebruikers spelen met de regels (in tegenstelling tot: zich in geloof onderwerpend aan de regels); deze gebruikers spelen tegen de anderen (in tegenstelling tot met de anderen samen). Vooral opvallend is dat in deze gebruikers de neiging is te vinden om de verschillende spelen met elkaar te verwarren. Als het lukt om in de maatschappij bij voorbeeld iemand iets te laten doen op grond van een beweegreden die in een ander spel thuishoort, b.v. in de cultuur, dan is dat voor de ander voordelig, want die hoeft er dan niet macht voor te gebruiken om die iemand te dwingen. In de civilisatie is zo'n goedig iemand ook welkom, want daar hoeft voor zijn diensten dan even niet betaald te worden. Iedere onduidelijkheid, iedere vaagheid en iedere verwarring omtrent de diverse spelen, spelterreinen en regels is voordelig voor wie zelf vanuit een duidelijke analyse spelen. De man van de wereld, de man die de wereld kent, zal er geen voordeel van hebben de onnozele halzen voor te lichten, die minder helder denken over deze zaken. Integendeel. De verschijnselen waar ik hier naar kan verwijzen zijn de verkooppraatjes van de handelslieden en de ontwijkende besprekingen uit de monden van politici.

Speels zijn die groepen (gelovigen en gebruikers die spelen om materieel gewin) geen van beide, het spel is bloedserieus. Voor beide groepen is het spelen geen doel, maar middel. Het middel-doel-schema is bij het bespreken van menselijk gedrag zo heilig verklaard, dat men het op alles toepast en bij voorbeeld stelt dat voor de speelse mens in de natuur het spelen een middel is tot lustgewin. Zo kan alles in het middel-doel- schema worden ondergebracht en bestaat onbaatzuchtigheid niet meer. Als dat niet meer bestaat kan het ook niet meer afgekeurd worden, wanneer iemand totaal berekenend te werk gaat en alle omgaan met andere mensen binnen de civilisatie houdt: instrumenteel, om aan macht of om aan geld te komen.

De gelovige ontsnapt aan het nuchtere leven zonder illusies, een leven waarvan hij verwacht en vreest dat het grauw zal blijken te zijn. Leven met alleen de waarheid lijkt hem grauw. De gebruikers benuten het spel om aan compensatiemogelijkheden voor die grauwheid te komen: aan als tegenwicht bedoelde opfleurende luxe. Zij sieren hun grauwe cel op met spullen (materialisme noemt de gelovige dat) en met het consumeren van diensten. De gelovigen sieren hun cel op met gedachten, illusies, verzinsels, hoop, geloof, superioriteitsgevoelens tegenover ongelovigen en andersgelovigen en met emoties.

Vanuit een natuurlijke, vrije mens gezien, moet er een reden zijn bij en voor iedere speler om te spelen. De vrije mens heeft namelijk weet van de mogelijkheid om zonder aan deze spelen mee te doen te leven. De vrije mens heeft weet van de mogelijkheid om te spelen in die andere betekenis van het woord: zoals kinderen spelen voordat de school toeslaat en nog heel even op straat spelen ze dat wat hen in de schooloverkomt: de onderwerping. Niet onderwijzen is een schande, maar disciplineren, temmen. De vrije mens heeft ook weet van de mogelijkheid om zichzelf doelen te stellen en zichzelf desnoods, als hij in gevangenschap is geraakt, kunstmatige moeilijkheden te scheppen. De vrije mens kan in gevangenschap komen te verkeren. Daarom moet ik hier spreken van 'weet hebben van' en niet van kunnen, want soms ontbreken de vrije mens zowel de gelegenheid als de vaardigheid en de gelegenheid om het nodige (weer) aan te leren. De vrije mens kan zich tussen de mensen van de wereld on opvallend gedragen. Dat gedrag is dan camouflage. Niet alleen het doen en laten is dan camouflage, ook de haardracht, de manier van zich kleden, de manier van zich verplaatsen, de manier van zijn geld besteden en zo voorts.

Vakantie zou een onderbreking van dit zich camoufleren moeten kunnen zijn, maar dat is het niet, zoals uit het voorafgaande te verwachten is. Iedere vakantieganger zou dan zichzelf en iedere andere ingezetene onontkoombaar bewust maken van het gevangeniskarakter van de samenleving. Weekeinde en zomer kunnen zonder ("vrij van") arbeid doorgebracht worden, maar niet 'buiten de wereld', 'ongeregeld', 'in losbandigheid', 'in vrijheid'. Wie vakantie (resp. vrije tijd) heeft kan buiten de maatschappij zijn, tijdelijk, dat is het maximaal haalbare. Buiten de civilisatie en buiten de cultuur, buiten de wereld komt men niet. Buiten de wereld komt wie vrij heeft niet, maar wat belangrijker is: buiten de samenleving ook niet. Vakantie wordt: specifieke diensten consumeren of van het nalaten van sommige consumptie.
Vakantie is luxe consumeren, het is niet: het zich nu eens volstrekt tot het nodige beperken en alle buitenbesturing uitschakelen.
Ook het zich anders dan met vakantie terugtrekken uit de wereld, b.v. een boeddhistenklooster in gaan of een trappistenklooster, is geen 'vrij gaan zijn'. Wanneer men deze mensen ziet, zijn ze aan afgedwongen onnodig gedoe te herkennen. Een belangrijk onderwerp voor hen is zelfs "het doden van de natuur in hen". Het is opvallend hoe verzorgd, hoe geuniformeerd, geknipt, geschoren en gesnoeid die lui er bij lopen en hoezeer ze praten in voor hun groep kenmerkende termen in plaats van in eigen termen vanuit eigen oorspronkelijkheid. Ze staan volledig op buitenbesturing.

Vrij is het antoniem voor:
- door anderen worden 'getemd' en voor
- door anderen worden bestuurd en geregeld
- door anderen worden gedwongen tot onnoodzakelijks.

Vrij is niet een synoniem voor almachtig. Zoals zeker zijn van wat je zegt ook niet synoniem is voor alwetendheid omtrent de zaak waarover je spreekt. God de beperkingloze is een soeverein, hij is een verzinsel van mensen die in een civilisatie zitten; het is een totaal andere god dan de schepper.

Desgevraagd verzinnen de spelers redenen voor hun meedoen, hun spelen, maar wellicht is de echte reden om te spelen: het feit dat ze de mogelijkheid om zonder te spelen te leven niet hebben en niet dan van horen zeggen kennen. Ze hebben de mogelijkheid niet, dat wil zeggen de gelegenheid en/of de vaardigheid niet.Er is dan ook bij lang niet alle spelers angst aan te treffen als beweegreden, evenmin als plezier in het spel. Plezier is er daar waar de levensenergie kan stromen bij hetgeen men doet, in dit geval: bij het spelen.

Vrij zijn is: zijn buiten de speelterreinen die ik hierboven noemde. Buiten die speelterreinen zijn (per definitie) geen anderen die proberen jouw doen en laten te besturen, te remmen, aan te jagen, of hoe dan ook te beinvloeden. Per definitie noem ik het overal waar anderen wel proberen mijn doen en laten te beinvloeden: een speelterrein.
Hierbij is een nadere onderscheiding nodig: als een groep vrije mensen bezig is aan het uitvoeren van een gezamenlijke onderneming, zal binnen die uitvoering hun gedrag, hun doen en laten, niet vrij, maar van buiten af bestuurd zijn. Het gedrag wordt als het middel is tot een doel namelijk bestuurd door het doel, de omstandigheden waarin en de techniek waarmee het wordt nagestreefd. Wie zich een doel stelt, wie iets onderneemt, stelt zichzelf voor de duur van de onderneming op buitenbesturing. Onderneem ik b.v. waarheid te verwoorden met behulp van die begrippen die ik aanvaard als voor mijzelf voldoende eigen en dus voldoende bruikbaar en verantwoord, dan kan ik niet zomaar neerschrijven wat ik wil, soeverein beslissend of middelen kiezend voor andere doelen, b.v. het doel 'ervoor zorgen dat dat wat ik schrijf bij iemand anders, die ik ken, in de smaak valt.'

Zo is er vrijheid te beleven door b.v. het zich uitschrijven teneinde zijn brein te ontdoen van de er in gebrachte begrippen en gewoonten. Vrijheid, geen soevereiniteit. De soevereiniteit uit te schrijven wat anderen graag lezen wordt mij niet slechts verleend, het wordt me zelfs aanbevolen om niet te zeggen bevolen, dat te schrijven wat goed ligt, wat lekker leest. Op straffe van negatie of zelfs aangevallen worden, wordt het verboden. Met als lokkende beloning een goed verkoopbaar boek wordt het me aanbevolen.

Al uitschrijvend en louterend vorm ik mij in vrijheid een eigen, nieuw, oorspronkelijk, begrippensysteem, dat weer gaat werken, gaat genereren, zoals al het geordende genereert.

De grens tussen natuur en wereld bestaat uit het voornemen. Wie zich iets voorneemt wil een stukje (soms tijdelijke) wereld doen zijn, bouwen. Zodra en zolang dat voornemen wordt uitgevoerd is er een stukje menselijke wereld, menselijke samenleving. Het voornemen wordt in de natuur opgevat, of uit nooddruft of uit speelsheid . Tijdens het uitvoeren van een voornemen bepalen de techniek en de omstandigheden mee het doen en laten. Als er samengewerkt wordt kan men aan een ander de opgemerkte technische noodzakelijkheden doorgeven. Dat wat dan doorgegeven wordt zijn geen bevelen van de soort die soevereinen afscheiden. Het zijn berichten omtrent gegeven noodzakelijkheden. Als het voornemen voortkwam uit speelsheid kan er een hele centralistische arbeidsstructuur worden verwerkelijkt zonder dat er daarbij sprake is van een bevelstructuur. Er is geen reden om aan te nemen dat er slechts in geval van aanvallen of aangevallen worden, met een dergelijke structuur gewerkt kan worden. Er is geen reden om aan te nemen dat grote ondernemingen slechts kunnen ontstaan in het kader van civilisatie of verstandsverbijstering door misbruikte religie of tot religie geworden wanen. Waarom zouden kalenderachtige bouwsels (Stonehenge e.d.) niet gewoon als gebruiksvoorwerp door de bouwers kunnen zijn aangemaakt, even nuchter als het aanmaken van houten nappen. Het gaat mij niet om een historische vraag met een historisch juist antwoord, ik vraag naar wat denkbaar en mogelijk is, niet naar wat was en naar wat nog is. Wat was noch wat is bepaalt of beperkt wat kan.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *