Jaap Schot, 10 juli 2000

 

Over drie begrippen met de naam ‘de mens’:

  • in de biologie, een diersoort
  • in de bijbel gekend en bemind schepsel-enkeling, en
  • als godsurrogaat in het geïnspireerd humanisme.

Het is passend eerst dit godsurrogaat te bespreken.

Historisch, in de geschiedenis van Verstandië, is het zo dat het begrip ‘de mens'[3] dat later godsurrogaat zal worden, pas wordt ingevoerd als de eenheid (het samen-één-zijn) der slavenhouders en hun slaven moet worden bezworen.
Voor dat (juridische, hoog-ethische, normerende, traditionele moraal overtreffende, universaliteit claimende, in onderscheid van biologische en/of scheppergodsdienstige) bezweren (van: ‘wij zijn één soort: ‘de mens’) hebben de Verweggiërs een reden. Ze willen het weigeren van de Weigeraars kunnen veroordelen, en wel vanuit de hoogte, moreel, op basis van een cultuurwaarde dus. Op basis van gezag, waarachter de geweren verscholen gehouden worden, uit de lopen waarvan de macht komt (zoals de voorzitter Mao ons uit eigen ervaring meldde) Eenmaal aangezet deze te zoeken, waren de geweren verbazend gemakkelijk te vinden. Grote dank is wie ze vond aan de grote roerganger verschuldigd. Die cultuurwaarde in kwestie is dat één-zijn. Ze doen nu alsof dat één-zijn er van voor alle tijden al was: weigeren te delen (i.c. af te geven) was dan moreel wangedrag van Weigeraars, wangedrag, waardoor hun gedrag, het gedrag van de Verweggiërs, gerechtvaardigd wordt. Het koloniseren dus; koloniseren is

  • productiemiddelen in bezit nemen (dat is in dit geval: afnemen, overnemen), en
  • de slavenhouderij (= het houden en drijven van slaven) invoeren.

Als leden van hun cultuur hadden Verweggiërs noch Weigeraars er problemen mee zich voedsel toe te eigenen ten koste van andersoortige dieren. De mensen in het paradijs, in de natuurstaat, vertrouwden er op dat er, als ze weer honger kregen opnieuw voedsel te vinden zou zijn. Ze legden geen voorraden aan en ze eigenden zich geen dieren en/of voedsel producerende planten (bomen, velden) toe. Ze werkten niet, ze bevoordeelden geen planten en dieren, verzonnen nog niet de begrippen onkruid en ongedierte (schadelijke dieren). Ze lieten het ecosysteem waarvan en waarin ze leefden ongemoeid: ze deden geen moeite het te veranderen (het te bewerken en tot een couveuse voor zichzelf te maken). Maar ze hadden het ecosysteem ook niet ‘in de verzorging’, ‘onder hun hoede’ genomen: het gehele ecosysteem niet en ook geen delen ervan. Zelfs op de afgescheiden groepen van hun bloedeigen soort projecteerden ze het enige wat ze te projecteren hadden: vijandschap. Ze leefden met onkruid, ongedierte [mijn opa noemde ook leeuwen zo (HD: ‘Schädlinge’, E: pests)] en ‘vreemden’, daar ten Oosten van Eden. Een wilde plant die er goed bij staat, daar hebben ze geen oog voor. Onbruikbaar leven hoeft er voor hen niet te zijn. Desnoods willen ze nog wel via het hele ecosysteem nut ontdekken in zulk onbruikbaars. Dat wat leeft of ook maar bestaat moet wel minstens via een omweg nuttig, dienstig(!) zijn. Zo troffen de Verweggiërs en de Weigeraars zichzelf aan, op dat peil van goedheid.
Terzijde. Bijbels: na de ontsnapping uit de civilisatie (Egypte) blijkt in de woestenij (het niet bebouwde, wilde land) het eten ‘manna’ niet te bewaren. Het volk moet dat vertrouwen, ‘morgen is er verse’ weer leren.

En later gebruiken degenen die op emancipatie aandringen dit begrip ‘de mens’ op hun beurt. Zij zeggen dan: o.k. wij zijn allen broeders, dan mogen wij ook niet zo uitgebuit en mishandeld en als kanonnenvoer bijvoorbeeld verbruikt worden. Maar dat is een ander verhaal.

Het invoeren van een begrip is altijd een waagstuk: de tegenpartij kan namelijk ook ‘aan elkaar praten’ en ‘retoriek bedrijven’.

Het biologische begrip ‘de mens'[1], de diersoort, een soort als alle andere soorten, zonder nimbus (stralenkrans), heiligheid, superioriteit, is van nog later datum en is [doordat het door wetenschappelijkheid (die mentaliteit) geïnspireerd-zijn weinig meer voorkomt] tegenwoordig behoorlijk zeldzaam, doordat (vooral tegenwoordig) de schrijvers veelal dienaren zijn, loonafhankelijken. [Lysenko voor het Stalinisme, Dawkins en dergelijke voor het Thatcherisme.]

Hier dan maar in het kort: Dawkins telt dat de mens voor 98,5 procent genetisch overeenkomt met de chimp. Voor die anderhalve procent doen ze het dus allemaal. Nu stelt dit soort biologen dat de enkeling de taak heeft, in concurrentie met alle anderen, zijn genen door te geven. Pas als hem/haar dat lukt is er sprake van biologisch relevant bestaan. De betrokkenen kunnen die 1,5% niet onderscheiden en de superioriteit van hun kopie daarvan wordt in hun geconcurreer verondersteld zonder dat ze binnen die menselijke rest iets kunnen waarnemen. Het succes wordt als bewijs van die superioriteit aangenomen, aangewezen: de overwinnaar is de beste: de rijke heeft recht op zijn meer- hebben, hoe hij er ook aan kwam. Ook rovers worden rijk, ook verkrachters krijgen nageslacht, ook bedriegers, enzovoorts, enzovoorts. Kort gezegd: het slaat nergens op en dat blijkt ook uit de grote hoeveelheid erfelijke ziekten en zwakten van alle organen. Het is een blind gevecht, dat door deze lieden verheerlijkt wordt met een schijnwetenschap. Het gaat bij geciviliseerden ook helemaal niet over nageslacht, het gaat over (vertonen en uitoefenen van) macht, over heersen (over anderen vernederen dus).

Het Bijbelse begrip is meer ‘Adam’ dan ‘de mens'[2]. De Bijbelverhalen zijn verhalen over mensen met een eigennaam. De vraag: ‘Waar is je medemens? (die jij zojuist gedood hebt) wordt gesteld aan Kaïn: “Waar is je broer Abel?” Niks abstractie: een verhaal met mensen (in onderscheid overigens van: met personen, niks personen, dat gepraat over personen past daar niet, hoort heel ergens anders. Personen hadden vroeger een karakter en tegenwoordig een ‘identiteit’, die telkens verandert, zoals het patroon van een kaleidoscoop die bewogen wordt.). Veel van die [(in de Bijbel) eigenlijk allemaal voor ‘de mens’ staande] mensenfiguren met een eigennaam komen maar in één of enkele verhalen voor en dienen daarna om naar dat verhaal (met name naar die relaties en gedragingen daarin, die geen aparte naam hebben) te verwijzen. Of die mensen ooit geleefd hebben is echt geen ter zake doende vraag, zo min als ten aanzien van (buitenbijbelse) romanfiguren: de verhalen zijn er om

  • (tussenmenselijke en andere) relaties, en
  • dito gedrag

te beschrijven. Beschrijven is hier dus: in een verhaal onderbrengen in plaats van benoemen en/of verbaal definiëren. Die mensfiguren in die verhalen zijn alleen verwijsmiddelen.

Ook het bestaan van God en Jezus is niet het zinnige onderwerp: het gaat om de bruikbaarheid van deze (door historisch toeval, de vertellers daar dan, dat volk, die verzameling talen) mensvormige begrippen. Mensvormige begrippen zijn bruikbaar, voor dezelfde en voor andere dingen dan waarvoor abstracte begrippen bruikbaar zijn: gedachten aanmaken bij wat je waarneemt in je omgeving.

Godsurrogaat:

Het moderne humanisme kwam na het christendom en ‘de mens’ werd daar, in dat humanisme, een godsurrogaat. Als lid van de Kerk is de roomse deel van ‘het mystieke lichaam van Christus (=God)’, zo heet, ja dat is de RKK en als zodanig heeft de roomse deel aan de Verlossing** door Jezus. Als zodanig is hij verbonden met alle heiligen en martelaren (toppresteerders). En exact zo is de (dat is dus: elke) humanist (van die soort, in deze betekenis van die naam) op de maan geweest, als zodanig, als deelhebber in ( of m.a.w.: als deeluitmaker van) ‘de mens’.

** “‘Verlossing’, het mocht wat”, zei wie de toestanden KENDE. En daarom: voor het nalaten de slavernij wezenlijk af te schaffen (er was immers slechts juridische vormverandering nl. het laten overgaan van het systeem nr.1, waarbij de slaaf als ding in eigendom was bij zijn meester in systeem 2., de loonslavernij van de slaaf-in-zelfbezit die gedwongen werd (c.q. wordt) zijn txaenz te verkopen en daarbij verplicht was (c.q. is) zich ‘vrij’ te noemen) compenseert de ‘Christelijke’ leer met gelijktrekkende gerechtigheid: na de dood, bij het Laatste Oordeel, dan zal wie hier op aarde onderdrukt werd gelijk krijgen van God: gegarandeerd: wie dat bericht aanneemt, hééft dat gelijk reeds. Hij heeft gelijk als hij dit aanvaardt, als hij dit hem (tweedehands, op zijn beurt ook) inspirerende uitspreekt: hij constateert niet, hij spreekt geen (empirische) waarheid uit: het is niet waar wat hij zegt, het is inspirerend en hij heeft gelijk. ‘Het geloof nu is een vaste hoop en een bewijs der dingen die men niet ziet.’

Wie de hemel wacht, heeft de dieren niet nodig om die op zijn beurt te mogen vernederen en vertrappen, hier op aarde, om niet de uiterste mindere te zijn.

Zonder moeite zijn in de teksten van Verstandiaanse vrijdenkers en andere humanisten daar uitspraken omtrent ‘de mens’ te vinden, die illustreren wat ik hier constateer. De hier beschreven ‘moderne’ (post-christelijke) humanist is er de geïnspireerde humanist.

Meme en inspiratie.

Een inspiratie is een opzet voor een illusiespel, een spel om te spelen met anderen, een gezelschapsspel. [Illusief spel: Ik was de dokter en jullie waren ziek, hier was de wachtkamer. “Nee, ik was niet ziek, ik was de zuster.”] Prediken en juichen (zeg maar: reclame en propaganda maken) zijn onvermijdelijk, een gemeente is onmisbaar: zonder medespelers, medegelovigen, medegeïnspireerden sterft de inspiratie gegarandeerd.

[Maar: ze blijft, in boeken en verhalen als ‘meem’ / ‘meme‘, te vinden. Dan kan plotseling een lezer of hoorder weer erdoor geïnspireerd worden.] Prediken doet men om elkaar het inspirerende woord te laten horen; elkaar en, wervend, ook de nog-buitenstaanders. Juichen doet men om zich blij te houden: men viert en zingt lof.

Met ‘de mens’ [3] voorziet het humanisme in een WIJ. Met name in een ‘wij’ dat het individu in duur en omvang volstrekt te boven gaat (in de luxe-bewoording verpakt: transcendeert).

De humanisten waren (eeuwen geleden, ten tijde van Erasmus) en zijn tegenwoordig nog zeer vaak, ex-christenen (al of niet kerkelijk). Hun ‘de mens’ is een mystieke grootheid- gezamenlijkheid met een ongelooflijk lange geschiedenis, allen omvattend, van ‘Lucy’ uit Afrika, waarvan men onlangs het skelet vond, tot ons, de levenden en tot en met de laatste, die wel zal vergeten het licht uit te doen (de kerncentrales af te zetten). Aan die omvattendheid, dat onmetelijke verleden en die onbekende toekomst heeft de geïnspireerde humanist deel, evenals aan het kennen, weten en kunnen van allen die omvat worden. Voorbeeld: van door sommige mensen gekende verschijnselen zegt deze opgenomene, deze deeluitmaker, deze component, dat die verschijnselen bekend ( = ‘ons’ bekend) zijn. Alles wat ook maar iemand (in dat mystieke, eonen lang levende lichaam van ‘de mens’) ooit deed, doet of doen zal, kon, kan of zal kunnen, kende, kent of kennen zal: de geïnspireerde humanist heeft er deel aan. [In Startrek-termen: hij is ‘mens’ zoals anderen ‘borg’ zijn. Hij werd geassimileerd, verzet was zinloos.]

De geïnspireerde humanist kent *** dus alles wat wetenschappelijk ‘bekend’ is (verklaard is: hij gelooft en wel teneinde**** deel te hebben, bij te zijn, erbij te horen). Maar zijn geïnspireerde term ‘de mens’ maakt dat hij niet hoeft te spreken over dat ‘erbij willen horen’ en zo. Dat zit verpakt in dat ‘mens-zijn’ en als iemand dat meent te kunnen uitpakken, wordt dat wellicht ook ervaren als onwelvoeglijk gedrag, dat slechts gefundeerd kan zijn in de slechte inborst (ervaringen?) van de uitpakker.

*** Let wel: ‘kent’ zonder hoofdletters, hij kent het als ( = zijnde) deel van het geheel, niet zelf, dat kan niet meer. Dit kennen zonder hoofdletters is, maximaal en op z’n best: als informatie (‘van horen zeggen’) hebben en: jawel: geloven en nazeggen en ‘eruit leven’.

**** Dat is gemeen: met dat ‘teneinde’ schrijft men aan de ander een bedoeling toe, zonder dat men die bedoeling (respectievelijk ooit enig bedoelen) kan waarnemen. Dat iemand gelooft kan men niet zien. Wat waar te nemen is, in dit verband, dat is juichen en blij zijn met dat deelhebben, dat niet-langer- alleen-zijn, mee-vergaderen, meedoen, propageren. Schoolvoorbeeld: via de radio hoorde ik de kardinaal zeggen dat ‘vragen om euthanasie’ is: ‘vragen om nabijheid van zorgende anderen’. Wat is dat toch prettig dat iemand anders (de kardinaal zelf) mij en anderen vertelt wat ik bedoel met wat ik zeg. Nou, dan kan ik de kardinaal ook vertellen wat die (hospice/sterfhuis)houders van hem bedoelen: “Niks sterven nu, Jantje, we kunnen nog wekenlang zeer goed aan je verdienen. Jouw lijden is onze winst en zo komt het dat wij zeggen dat jij iets voor ons betekent.” Dat bedoelen ze. Als we de bewijslast houden waar de kardinaal die legde, moet hij nu bewijzen dat zij dat niet bedoelen.
[En weet je waar ik nou op afgeknapt ben? Op het feit dat ik dit soort gepraat zo lang als ik erop heb gelet door televisie en radio heb ‘ontvangen’: ‘tig jaren lang en altijd onweersproken. God mag weten wie de interviewers opleidt, maar nooit hoorde ik er één zulk geredeneer (er zijn nog ontelbare andere trucs in de retorica-doos) onderuit halen: het gewoon niet accepteren. Erg hè. Zo wordt het toch nooit wat.]

De geïnspireerde humanist heeft een opzet voor een illusiespel: een oplossing dus voor het [zíjn!] probleem ‘wat te doen met de (in het doen van en voorzien in het nodige voor volledig en harmonieus functioneren niet te verbruiken gebleken) ‘overgeschoten’ of ‘vrije’ txaenz?

Het zèlf hebben van het probleem in kwestie is voorwaarde om geïnspireerd te kunnen geraken. De leer is als zaad, het probleem is (de als een probleemsituatie opgevatte leefomstandigheden zijn) de grond waarin ontkiemd en gegroeid kan worden. Deze enkeling, die zich nestelt in ‘de mens’ leest en hoort toe en praat na en praat mee en schrijft over en schrijft bij en citeert. Zo doende maakt hij een eind aan de dreigende ledigheid, die het lot is van de in de civilisatie slechts gebruikte, niet tot uitputting toe uitgebuite. Hij heeft txaenz over, maar weet deze ergens aan, hier aan, te besteden. En daarom hoeft hij niet toe te schouwen en toe te juichen, bij sport bijvoorbeeld.

De geïnspireerde heeft een oplossing, dat ‘een oplossing- zijn’ geeft de inspiratie waarde. Anderen, gelovigen, niet- oorspronkelijken, die zien (c.q. meedoend ervaren) dat de opzet een oplossing is, verlenen de geïnspireerde aanzien, bewondering, eer. Bewonderd-worden wordt benijd.

Nu komen er mensen die zien dat er iemand bewonderd wordt, iemand die dit gedrag (enthousiast gedrag) vertoont en op deze toon deze woorden zo gebruikt; nou dat kunnen sommige van deze mensen ook: ze doen (inclusief spreken) na, ze doen (inclusief spreken) mee en ze gaan (inclusief preken) door, al is het voorbeeld weg en is er (c.q. zien ze) niets (‘in’ en/of ‘om hen heen’) dat ze bespreken. Uitspraken over ‘de mens’ vertonen niet zelden een soortgelijke gelijkvormigheid en levenloosheid/ ondoorleefdheid als uitspraken over God. Te bewijzen is het zelden, maar de indruk wordt (in mij) gewekt dat hier met woordgebruiksgewoonten en zelfs met citaten gewerkt wordt en niet met begrippen, begrippen van die illusies dus. Een nieuwe oorsprong te zijn van die illusies, daar leveren ze in ieder geval geen bewijs voor.

Ook dit ongeïnspireerde imiteren kan natuurlijk zonder bewuste en/of boze bedoeling worden gedaan. In plaats van ‘gedaan worden’, hier ‘optreden’ kiezen als werkwoord, zou het initiatief naar het verschijnsel zelf overhevelen en de mens in kwestie tot een doorgangspunt van werkingen (zie ook memen en memetica) maken.

BEGRIPPEN ZOMAAR GEBRUIKEN.
De betrokkene wil er (/ergens) bij horen en daarom spreekt, praat en wauwelt hij ook na, mee en door, hij maakt tekst aan, puur met woorden: hij vertrouwt er op dat waar een woord is, ook een begrip is, dat ‘de mens’ daar een begrip bij heeft en dat hij dus(!) door het woord te gebruiken het begrip hanteert en dat begrip in de andere door ‘de mens’ mystiek omvatte, die hem aanhoort, dat begrip oproept, wakker roept. [Wie in zo’n gelovig met de bestaande woordenschat omgaande omgeving zijn moedertaal leert, leert dat geloven en dat ‘wij’ mee. Natuurlijk leerde ik de woorden vaak eerder dan de verschijnselen en van vele woorden duurde het heel lang voordat ik de verschijnselen zag. Van sommige vond ik de verschijnselen en ook de introspectieve benoemde grootheden nooit. En dan denkt menigeen tot aan zijn laatste snik dat dat ‘niet-zien’ aan hem ligt en dat is niet bewezen. EN DAT IS NIET BEWEZEN. EN DAT IS NIET BEWEZEN EN DE BEWIJSLAST LIGT BIJ DE ANDEREN, DE GEBRUIKERS! En dat wou ik even, op mijn website, in cyberspace, roepen. Dat leek me nou leuk.]

Dat (van dat iedereen wel weet wat er aan de woorden vastzit) denkt hij [de na-, mee- en doorpratende MENS (humanist) van deze soort] natuurlijk niet allemaal netjes verwoord, bewust en hij spreekt het dus zeker niet uit*****. Nee, het spreekt, vanzelf: voor hem en voor iedereen die niet nodeloos moeilijk doet en blijkbaar lange zinnen wil schrijven.

Je kunt iemand niet zien vertrouwen, waar is dan het overte gedrag, op grond waarvan dit vertrouwen wordt geconstateerd? Antwoord: zij wijzen zelf uitdrukkelijk op andermans ongegrond vertrouwen op het bestaan en bruikbaar-zijn van een begrip achter een woord: noem een atheïst het woord ‘God’ en hij kan en zal het rutteltje helemaal opdreunen: “hij (de godgelovige) vertrouwt er op ….. t/m roept.” Zie boven.

***** Mensen met deze vooronderstelling [namelijk: ‘elk woord roept zijn begrip op, dat begrip is overal, c.q. in allen, die het woord als woord herkennen’] zijn humanist zonder dat te weten. Uit de leer omtrent ‘de mens’ gebruiken ze dit geloofsartikel: “er zijn geen losse woorden, aan elk woord zit een begrip vast en wat we ‘versturen’ als we spreken zijn geen woorden maar begrippen, ja: boodschappen.” Ze kregen en laten deze onuitgesproken onwaarheid bij hun brein in gebruik zoals ze ook uit vele andere leren (doctrines, inspirerende verhalen) losse begrippen/opvattingsgewoonten bij hun brein in gebruik kregen, (toevallig, uit hun omgeving, voordat ze enige apperceptieve massa hadden om die begrippen kritisch mee tegemoet te treden) en (zonder erg, te druk met andere dingen om de eigen identiteit te gaan opgeven) in gebruik houden (exacter: láten). [Met een moderne schijnwetenschap [MEMETICA] geven ze deze rare opvatting de schijn van bestaan, men gaat spreken van memen, dat zijn dan onstoffelijke dingetjes die zelf bestaan en zich in breinen (met name met taal aan het werk zijnde hersenen) vestigen en daar woelen, elkaar beïnvloeden en allerhande mee-veroorzaken: gevoelens, neigingen, gedachten. Parasitaire geestjes, hele kleine, persoonlijkheidscomponentjes (samenstellertjes van de identiteit van de breinhouder). Zoiets, mooi toch, weer een subfaculteit.]

Zo, pratend met woorden, heeft de betrokken en mensgelovige humanist deel aan zelfs de topprestaties van anderen in de gezamenlijkheid (in het mystieke lichaam van ‘de mens’). Angst en arrogantie liggen hier dicht bij elkaar, in dit gedrag. De suggestie van een gezamenlijkheid is er, de illusie daarvan zelfs, en daarbinnen rangschikken ze zich en elkaar, daartoe bestrijden en vernielen ze zelfs elkaar, de samenstellend-geachte delen: de geciviliseerde mensen.

Empirisch is het begrip ‘de mens’ overeenkomstig met het begrip ‘het zoogdier’ dat die twee praatgieren boven de Serengeti gebruikten toen ze het met elkaar er over eens werden, – bij het zien van een cheetah die een Thomsongazellejong buitmaakte -, dat ‘het zoogdier’ veel kindersterfte aan zichzelf te wijten heeft.

Lees meer

Hieronder kunt u een reactie geven op bovenstaande tekst.
Het kan enige tijd duren voordat uw reactie geplaatst wordt.