Jaap Schot, 10 juli 2000

Mijn zintuigen heb ik om iedere gelegenheid om waar te nemen te benutten om de daar mij dan gegeven onderwerpen te kennen. Mijn deel van (of zo men wil, aan) de taal heb ik om wat ik waarneem te begrijpen, er in te onderscheiden en het te beschrijven en te bespreken.
Mijn verstand heb ik om een Gestalt mee te vormen (mee te gaan ‘zien’) op basis van mijn (relatief ten opzichte van ‘wat is’, buitengewoon zeldzame) gegevens/waarnemingen/ervaringen.
Mijn Gestalt van de wereld noem ik op deze website [JS: Met “deze website”, wordt hier Jaap’s eerdere website (rond het jaar 2000) bedoeld. Alle opstellen in Archief 1999 vallen daaronder.] ‘Verstandië’. Iedere overeenkomst met ‘wat is’, staat naast talrijke, nooit door mij waargenomen, verschijnselen. Ik beschrijf iets van ‘wat is’, niet ‘wat is’. Zoals iemand water gebruikt en kent, echt water, niet ‘het (alle) water’.

Lang niet alles wat ik zou kunnen waarnemen, merk ik op. Er moet een reden voor het opmerken zijn, bijvoorbeeld een niet-passen in mijn Gestalt. Zolang de huizen en bomen er staan, net zoals vorige dagen, fiets ik er langs zonder ze te zien. Veranderingen vallen op, verwachtheden (al ‘wat past’) niet.
Dit opstel is er een voorbeeld van.

Met mijn ergernissen aan andermans teksten heb ik mij constructief en solitair leren omgaan. Ik had en heb, gelukkig, niet altijd mensen in mijn buurt om aan te vertellen wat mij nu weer opvalt in wat ik lees of hoor.
‘Gelukkig’, want anderen vormen/hebben eisen/verwachtingen en herinneringen aan mij, aan mijn vroegere ik. Wee mij, als ik van Gestalt verander, als mijn Gestalt zich verandert. Als ik onverwachte dingen zeg en doe, dwingt dat anderen zich opnieuw op mij in te stellen. Ten aanzien van welk gedrag kunnen ze nu nog op mij rekenen? De bekeerling is ook een afvallige; wie doorkrijgt, is minder gemakkelijk te ‘leiden’. Vrijheid of gezelligheid dus.
Toch is het goed zo’n gemoedsbeweging (blijde verrassing of ergernis) zorgvuldig uit te laten woeden en wel in tekst. Als er niemand in de buurt is om toe te spreken, dan is er toch altijd wel pen en papier. En tijd.
Dit opstel is de vrucht (samenvatting) van mijn (herhaaldelijk) zó reageren. In dit geval op teksten van vrijdenkers in het tijdschrift ‘De Vrije Gedachte’. Ooit ben ik lid van de vereniging van die naam geworden en het bleken dat weekend aardige mensen. Maar jarenlang lezend in het verenigingsblad, ergerde ik me aan drie dingen: (1) atheïsme, (2) humanisme en (3) kritiekloosheid jegens gangbare begrippen.

(1) Atheïsme is vanzelfsprekend, maar slechts als het ‘alleen maar een voorbeeld’ is van het herkennen van verzinsels als zodanig. Het is, zo schreef ik dan ook in een artikeltje in DVG, niet ‘meer beschouwing waard’ dan akabouterisme, of welk ander voorbeeld van a-verzinsel-isme dan ook.

Verzinsels zijn er niet om in te geloven, maar om ze te gebruiken bij het begrijpen van waarnemingen en bij het vormen van Gestalten.

Je moet dan natuurlijk wel heel erg goed het feit kennen en erkennen en bewust houden dat er verzinsels in je Gestalt zijn opgenomen. Zo’n Gestalt is niet alleen maar meer ‘berustend op weinig waarnemingen’, maar ook nog eens mede op verzinsels. Bij gebrek aan beter is er soms geen keus.
Terzijde. Van Locke had ik geleerd dat foute tekst aangepakt kan worden door de woorden aan te pakken, niet de logica, de consistentie, de spanning, de aansprekendheid of wat ook. Nou, het genoemde artikeltje veroorzaakte niets (via het blad in kwestie) merkbaars.
Aan de god-gelovigen en hun voorgangers wordt door atheïsten onder andere verweten dat ze de stand en gang van zaken in de civilisatie (de samenleving, het kapitalisme, de loonslavenhouderij) goedpraten en van een evenwicht voorzien door het invoeren van de ‘berg van suikerklontjes’ (de hemel) als loon voor de armen en gebruikten, na hun dood. Ja, het geloof doet in dezen geen goed. Maar het is erger, het geloof staat niet alléén als van bedrog gemaakte steunpilaar voor de stand en gang van zaken in de samenleving. Ook de wetten en regelingen en ‘het recht’ zijn verzinsels, die met dat doel (‘houden zo’) gemaakt zijn.
Toen de kerk de macht had, was het geloof onbespreekbaar.
Nu de ‘seculiere’ (de godsdienstige kaart niet spelende) gevestigden en geplaatsten (de financieel en via coöptatie, elkaar onderling bij, en vooral zonder, sollicitaties kiezende voorrechthebbenden) de macht hebben, is de “justitionele” steunpilaar onbespreekbaar.

Er wordt geen ‘God en Zijn schepping’ ingevoerd als bron van argumenten bij het goedpraten van hetgeen in de wetten is geschreven. Het uitschrijven van de meest voorkomende wensen van de mensen uit het volk als wet, dat gaat de wettenmakers te ver, want dat dient niet altijd het belang van de bevoorrechten. Als het volk wil dat recidive voorkomen wordt, krijgt het dus geen daartoe strekkende wetten en instellingen. Als het volk cynisch wordt bij het zien van lage boetes bij overtredingen van belangrijke wetten en waarneemt dat mogen (wàt het ook betreft) dus gewoon koopwaar is, dan leidt dat niet tot veranderingen. Als ‘het volk’ niet begrijpt hoe fouten van de een, vrijspraak voor een schuldige ander veroorzaakt via juristengedenk, verandert er daaromtrent niets. Geen volk met enige scholing aanvaardt dat een waarheid buiten gebruik kan/mag/moet/zal blijven, hoe die waarheid dan ook bekend werd.

LET WEL, het is van geen belang of er in het echt zulke gevallen voorkomen. De mensen denken en voelen bij en over wat hen aan informatie (in onderscheid van kennis, eigen waarnemen) gewordt (binnenkomt in hun apperceptieve massa). Het is een interessante vraag waarom er zoveel van deze ergerlijke juristerij in USA-televisieseries ons vertoond wordt.

Wat ik nou mis bij de vrijdenkers, en wel omdat ze zich zo noemen, is het bespreken, ontmaskeren, demystificeren. Kortom, ‘behandelen zoals zij de godsdienst behandelen’ van die “justitionele” steunpilaar. Democratie en rechtsstaat dienen voor vrijdenkers niet heilig te zijn, heilig in tegenstelling tot het godsgeloof.
Het is natuurlijk nogal zwak om dat nu juist deze weinige, machteloze mensen, kwalijk te nemen. Het is fout, niet eerlijk, niet alleen maar ‘nogal zwak’.
Het verwijt niet ononderbroken scherp-kritisch het eigen rechtssysteem en de eigen wetten in bespreking te hebben, treft “onze” hele “geciviliseerde samenleving”. Het is een onvergeeflijke fout ervan.

Dit is nou zo’n voorbeeld van onzin.

‘Onze hele geciviliseerde samenleving’ invoeren alsof het een dader van iets zou zijn of kunnen zijn.
Er is niet zoiets als ‘de samenleving’ en dat komt doordat al die ambitieuzen die het tot beslisser brengen, nalaten ervoor te zorgen dat die samenleving er is.

Ja, duidelijker, elk (al of niet geslaagd) pogen om zo’n volksgemeenschap er te doen zijn, wordt verfoeid. ‘Bedrieglijkheid/oplichterschap’ en ‘vatbaarheid om bedrogen te worden’ zijn, evenals intelligentie, ongelijk onder de mensen verdeeld en daarom moet er geen gemeenschap zijn, opdat de bedriegers vrij spel hebben tegen de minder intellectueel begaafden en andere bedriegbaren. Al die ondernemingen die verkopen en ‘diensten verlenen’ met behulp van kleine lettertjes in de contracten en oncontroleerbare eigenschappen van hun producten en prestaties moeten beschermd worden tegen het ‘rijksinkoopbureau’ en de ‘staatswinkels’, die wel weerbaar zouden zijn met juristen en vergelijkende warenonderzoeken. Dat is de reden voor het verwerpen van ‘gemeenschapsvorming’, ‘collectivisme’.

(2) Humanisme, daar gaat dit opstel onder andere over.

Het gebruiken van het begrip (de categorie, het samenvattende begrip) ‘de mens’ levert slechts domme uitspraken op.

Er zit binnen die categorie namelijk gewoon teveel spreiding. Zo langzamerhand weet nu iedereen (‘van school’) wel dat het niet past te spreken over ‘de vrouw’, de man’, ‘de Italiaan’, enzovoorts. Dat past niet om die reden (teveel spreiding binnen de categorie). Het verwaarlozen van de verschillen door het gebruiken van de samenvattende term is onwelvoeglijk. Zo doende, formuleert men slechts vooroordelen.

Dat is een, en twee is, dat er roofmensen en prooimensen zijn.

Zie het gedrag van de genoemde bedriegers en andere parasitairen en txaenz-kannibalen. De ‘vrede’ die door deze samenvattende gezellige term ‘de mens’ (‘wij’) wordt voorgespiegeld, dient alleen de roofmensen (de gebruikers, elders ook uitbuiters genoemd). De prooimensen (gebruikten, elders ook ‘lui die alleen kinderen hebben’ genoemd) mogen niet in complottheorieën geloven en moeten (opgemerkt en niet meer te ontkennen) bedrog als de uitzondering zien. Maar er komt nooit een eind aan ‘Ook dat nog’, ‘Radar’, en dergelijke opsommingen van ontdekt en gemeld bedrog. Er is ons een garantie gegeven: oneindige recidive plus voortplanting (memetisch!) van de soort (subspecies) ‘bedriegers’ / ‘roofmensen’.

(3) Kritiekloosheid jegens gangbare begrippen, daar is het zojuist besproken gepraat al een voorbeeld van, maar vooral viel het partijdige politieke gepraat over actuele incidenten, nationale staten en multinationale ondernemingen mij zo op als wezenloos. En dan ook nog al die ‘ismen’, met name ook uit de filosofie. O ja, dat valt me nu in. Waar ik ook zo op afknap, dat zijn opmerkingen over (vaak al dode) mensen (over Kant en over Churchill en over de paus) en over hele boeken. Sorry hoor, dat zijn geen begrippen waar ik mee kan denken. En ik ben eigenwijs genoeg om te stellen dat de schrijvers dan ook maar heel erg weinig ‘bedoelen’, in de betekenis van ‘als onderwerp van hun bespreken hebben’. Benoem dat onderwerp(je) dan zo specifiek mogelijk, met een zo weinig mogelijk omvattende, beschrijvende naam dus.

Over meningen.
Even een terzijde. Naar aanleiding van het veelvuldig voorkomende fulmineren tegen (de uitspraken van) de paus. Werkelijk meestal, ja vrijwel altijd, stelt de schrijver zijn mening tegenover de uitspraken van de paus. Man tegen man. Mening tegen mening. Daar word ik ook zo ongelukkig van. Nergens komt er een gesprek op gang, een rustige opsomming van uitgangspunten, vooronderstellingen, premissen en overwegingen.
Ik vind het zo onmetelijk oninteressant als iemand zijn mening ergens over geeft. Zo’n mening is dan een van de vele mogelijke meningen, en de spreker hangt die aan, nou èn? Zulk aanhangen kun je turven: opiniepeiling. Alleen voor democratisten is het van belang hoeveel aanhangers er zijn van welke meningen.
Die ergernis aan die dingen (onder andere) leverde mij, zoals elke ergernis, energie (txaenz) op. Mijn aandacht is bij het onderwerp en er valt mij tekst bij in. Tekst erover, tekst ertegen, tekst voor dit of dat alternatief. Die energie, die txaenz, kon ik constructief en solitair gebruiken door maar weer die tekst die mij inviel, uit te schrijven.

Tekst, maar geen meningen dus, want mijn eigen meningen vallen ook onder dat oordeel.
Tekst over de zaak, de verschijnselen.

Een bespreking gaat over opmerkingen, onderscheidingen en dergelijke, het onderwerp betreffende. Niet over de spreker, niet over de hoorder, niet over hun relaties onderling en niet over hun relaties tot het onderwerp. Enkel en alleen het onderwerp is het onderwerp. Waarom moeten mensen toch altijd over zichzelf vertellen en elkaar bespreken en beïnvloeden?

Aanvankelijk vond ik het heel negatief dat ik geen lezers voor mijn opstellen kon (en kan) vinden/recruteren. Later besefte ik dat ik ook dat schijnbaar negatieve feit positief kan gebruiken. Ik kan mij veroorloven te doen alsof al mijn begrippen en al mijn vroegere teksten bekend zijn aan de lezer.
Ik houd een lezer-in-gedachten nodig, merk ik. Dat is inherent aan ‘taal gebruiken’, niemand heeft een taal zonder een ander die die taal ook heeft. Dus, als ik deze taal gebruik, dan… nietwaar?
Dat doen alsof de lezer een oude bekende is, levert op dat ik niet alles telkens hóef uit te leggen. Vooral de eerste versie van zo’n opstel is dan ook uiterst compact. Vrij vaak maak ik meerdere versies (door corrigeren en redigeren) en dan komen er toch vaak voorbeelden bij. Die lezer, die er toch niet is en/of komt, lijdt daar niet aan, aan die merkwaardige eigenschappen die mijn teksten daardoor krijgen.

Lees meer

Hieronder kunt u een reactie geven op bovenstaande tekst.
Het kan enige tijd duren voordat uw reactie geplaatst wordt.