Jaap Schot, 5 november 1999

Mening in onderscheid van constatering
Over wat waar – oftewel, ‘het geval’ – is, bijvoorbeeld dat ik dit nu schrijf, valt niet van mening te verschillen.
Als meerdere mensen dat wat het geval is kunnen waarnemen, zullen ze nooit conflicterende waarnemingen en constateringen kunnen doen, wel ongelijke. Hun waarnemingen en constateringen kunnen, ja zullen verschillen. Ze zullen allemaal verschillend en in verschillende mate onvolledig zijn. Maar pas en slechts als de waarnemers aan het interpreteren slaan, zullen ze die verschillen tot meningsverschillen kunnen uitbouwen. Het zou dom van hen zijn – handelen tegen beter weten in dus – om daarover te gaan twisten. Ze dienen zich, volgens de spelregels van het voeren van een echt gesprek, te beperken tot het melden van hun waarnemingen. Melden kan alleen tijdens het waarnemen, later verslag doen van wat je ‘zag’ is geen melding meer.

Kennis in onderscheid van informatie
Melden kun je alleen wat je kent en kennen doe je alleen als je waarneemt en wat je waarneemt. Je hebt kennis – dat is: meldbaars, dat altijd per definitie waar is – omtrent iets zodra, zolang en in zoverre je dat iets aandachtig waarneemt.

Kennis is altijd actueel en feitelijk.

Actueel: het betreft nooit het verleden of de toekomst. Feitelijk: in tegenstelling tot fictief, verzonnen.
Maar om wat je kent te melden, moet je het onder woorden brengen. En om dat te doen moet je het eerst met een begrippenapparaat ‘vatten’. En als je dat doet, maak je van je kennis informatie – als het ware een afdruk, een foto, een plaatje.
Kennis is niet door te geven, niet overdraagbaar.

Wat je ‘van horen zeggen’ en ‘uit je geheugen’ hebt, is geen kennis, maar informatie en van informatie kan nooit meer kennis gemaakt worden. Informatie kan je verwijzen naar het onderwerp van kennis en dan kun je dat, als je geluk hebt, op een later tijdstip en dus (want alles verandert onophoudelijk, zij het met verschillende snelheden) veranderd, (weer) gaan waarnemen, er opnieuw (maar dus wel andere) kennis van nemen, er opnieuw waarheid omtrent vaststellen.

Kennis is niet te bewaren en niet over te dragen (zonder telepathie, gedachten lezen).
Informatie kun je gebruiken bij napraten, meepraten en doorpraten-als-je-kennis-op-is.

Grammatica, logica en consistentie maken

  1. van informatie geen kennis, en
  2. van napraten, meepraten en doorpraten geen bruikbare bouwstenen voor een gesprek.

Het voeren van een gesprek
Deze spelregel voor het voeren van een gesprek maakt dat velen er van afzien een gesprek te willen voeren, ze vermoeden dat er nog slechts prietpraat over het weer en dergelijke overblijft, althans buiten de empirische wetenschappen.
Binnen die wetenschappen gelden deze regels. Binnen die wetenschappen gelooft niemand wat een ander zegt of meldt en doet iedereen die dat kan – en pas daardoor gesprekspartner kan zijn – de proef en de waarneming zelf ook. Wat niet na te doen is voor een ander wordt als melding in die wetenschappen niet erkend, niet toegelaten. Het blijft een anekdote, een bewering, een verhaaltje, buiten de wetenschap. Dat haalt die wetenschappen terug naar het peil dat te bereiken is voor wie met beide benen op de grond staan.

Dat woord ‘gesprek’ is niet zomaar meteen duidelijk. Met ‘een gesprek hebben’ bedoel ik iets dat volstrekt ongelijk is aan discussiëren, debatteren, een twistgesprek voeren en disputeren. Wie daaraan bezig zijn, zijn vooral met elkaar en niet alleen maar met hun onderwerp bezig. Het onderwerp van discussie enzovoorts is wat een voetbal is voor een voetballer: een onmisbaar voorwerp dat er niet toe doet. Uit het botsen van meningen ontstaat lawaai, geen waarheid.

Waarheid is ook volstrekt niet wat discussianten/debaters zoeken.
Ze zoeken de overwinning en daartoe de score, het doelpunt.

‘Een goed gesprek’ moet ik dus nu omschrijven. Het echte (goede) gesprek gaat over wat daar dan het geval is en het bestaat uit ware uitspraken (meldingen) die het (per definitie, gezamenlijke) onderwerp betreffen.
Waar ik – die buiten die wetenschappen ben: geen naam, geen baan, geen budget, geen project – wel eens naar verlang, is het op gang komen van gesprekken op dat niveau. Gesprekken waarin aan die eisen voldaan wordt, maar waarvan de onderwerpen tussen die wetenschappen liggen en daarnaast ook nog voor (oftewel, aan) gewone – dat is: niet met toegang tot superapparatuur bevoorrechte – mensen, gegeven zijn. Ik verlang daar wel eens naar omdat ik zag en zie dat nu juist die onderwerpen (c.q. op dat niveau) onbesproken blijven.

Op school, in de klas, zijn deze leerlingen daar, dan, met deze onderwijzer, aan dit onderwerp bezig.
Dit, allen daar gegeven feit, is nooit onderwerp van onderwijs.

Daar wijst de onderwijzer nou nooit op. Daarbij levert hij nooit de begrippen en woorden waarmee dit feit te begrijpen en te bespreken is. Waardoor – door dat kunnen begrijpen, analyseren en bespreken – de leerlingen er minstens qua beleving vat/greep op zouden kunnen krijgen. Dit feit is hun leven daar, dan. En juist dat wordt als onderwerp verworpen.
Dat gebeurt, aan ons en door ons, ook buiten en na de school en is daar evenmin volstrekt verdedigbaar.

  1. Deze meta-bespreking van dat buiten bespreking laten, plus
  2. het nu eens gaan voeren van die gesprekken daarover, op dat niveau,

daar heb ik het over.

Een gesprek bestaat uit meldingen en gaat over wat de gesprekspartners daar dan gegeven is. Dat ‘gegeven’ betekent te zien, te horen, te hanteren, enzovoorts. Meer-zintuiglijk gegeven dus. Een gesprek moet wel ergens over gaan, het onderwerp moet wel bestaan, anders bestaan dan doordat het besproken wordt.
Het tegendeel is heel gemakkelijk te zeggen: “alles waarover gesproken wordt bestaat en wel als onderwerp van dat gesprek”. En met een beetje sofisterij stelt men dan vast dat er toch altijd slechts gesproken wordt met woorden over begrippen en wel over het beeld dat de spreker heeft van dat begrip respectievelijk van het begrepene. Het onderscheid tussen kennen en weten wordt onvermeld gelaten en in onbruik gehouden en dan kan er worden doorgepraat.

Geloven, betwijfelen, fantasie, beeld en leugen
Stel dat U mij iets vertelt over de achterkant van de maan , dan kan ik toch geen gesprekspartner voor U zijn: ik kan daar immers niets (gaan) waarnemen. Veel meer kan ik over de achterkant van de maan niet zeggen en als iemand er iets over vertelt, kan ik hem niet geloven en wat hij zegt ook niet betwijfelen.

Geloven en betwijfelen, ik kan geen van beide, want ik heb ‘dat wat hij zegt’ niet als gegeven.

En met wat ik niet heb kan ik niets doen, niet geloven, niet betwijfelen, niet bestuderen, niet overdenken. Dat zou zijn als kauwen op lucht. Hetgeen geloofd of betwijfeld wordt, is ons niet ter kennisname gegeven, het is/wordt ons slechts als boodschap, als informatie, verteld. We zullen dat nooit weten, maar het zou mij niet verbazen als de eerste verteller zijn verhaal helemaal niet ‘om het op die manier te geloven’ bedoelde.
Voorbeeld. Marten Toonder heeft van die TomPoes-verhalen geschreven waarin allerlei natuurlijk niet bestaande figuren voorkomen. Hij kan er over een paar honderd jaar ook niets meer aan doen als er mensen gaan geloven aan het ‘als verslag bedoeld zijn’ van zijn verhalen. Het zijn verhalen met een dubbele bodem, een paar ‘lagen’: voor de kinderen zijn er de sloven met hun hachjes, getekend en wel. Voor de dieper gaande lezer staan die hachjes voor iets abstracts.

Maar het kan helemaal geen kwaad als er in tijden en streken met censuur rare verhalen verteld worden waar de verteller niet op gepakt kan worden.

Het kan wellicht, als er maar geen geloof afgedwongen of toegelaten wordt, geen kwaad als kinderen de verhalen in kwestie al voorgelezen krijgen als ze er nog alleen maar het letterlijke verzonnene van kunnen vatten. Zo heeft Moeder ons ook de bijbel voorgelezen, daar ben ik niet door bedorven. Later heb ik wel eens iets van een – misschien ooit wel bedoelde, maar wat zou dat, de verteller is al heel lang dood – diepere duiding aan die bijbelverhalen gegeven. Waarom niet? Alle informatie is alleen maar materiaal. Voor anderen speelgoed. Voor weer anderen wapentuig. Maar net waar ze aan bezig zijn, de gebruikers.

Ook in gesprekken gaat het mij om de begrippen en onderscheidingen die ik (c.q. de ander) er uit mee kan nemen naar later, naar volgende gesprekken, naar volgende waarnemingen. Wat nu zus of zo blijkt te zijn, moet ik volgende keer toch weer nakijken of het niet veranderd is, respectievelijk of ik het me nog wel juist herinner.
Ja, ik besef ook wel dat ik in de praktijk niet ontelbare malen mijn fiets nakijk of alle bouten nog wel goed zitten, enzovoorts. In de praktijk zijn we gedoemd om met informatie – herinneringen en andermans mededelingen – te leven en te werken. Maar voor, na en naast die praktijk doen we ook heel veel en het is nuttig dat doordacht te doen.

Lees meer

Hieronder kunt u een reactie geven op bovenstaande tekst.
Het kan enige tijd duren voordat uw reactie geplaatst wordt.