Jaap Schot, 5 november 1999

[Vanwege de lengte van dit opstel is het hieronder in delen opgesplitst.
De afzonderlijke delen zijn te openen door op het plusteken (+) te klikken, J.S.]

Wereldgeschiedenis deel 2: Propaganda

Het noodzakelijke omdenken na de oorlog
Zodra de civilisatie is ingevoerd, zodra de oorlog over is en er mensen overheerst worden door andere mensen, die hen gebruiken, moet er gewerkt worden aan het veranderen van de manier waarop die mensen over hun situatie denken en spreken.*
Bij de nu bezettende winnaars moet het schuldgevoel weg en bij de nu van hun initiatief en zelfstandigheid beroofde verliezers de wrok.

In het verhaaltje: de overwonnen Weigeraars zouden kunnen erkennen dat ze ten onrechte weigerden hun buren in nood te helpen.

Ze zouden kunnen denken

  • dat het inderdaad zo is dat alle mensen elkaars broeders zijn – immers allen afstammend van een en dezelfde oermoeder of van Adam, desgewenst; in ieder geval, biologisch één diersoort – en
  • dat ze samen met de door hongersnood getroffen Verweggiërs moesten proberen nieuwe technieken te vinden om te overleven op het kleiner geworden eiland dat zij nu eenmaal met die Verweggiërs deelden.

Als ze zo zouden gaan aankijken tegen hun vroegere beslissing, zouden ze die betreuren en zich nu inzetten in het grote streven naar het vinden en ontwikkelen van die nieuwe overlevingstechnieken.

Het is heel duidelijk

  • dat niet iedere Weigeraar zich tot die omslag in zijn denken bracht, en ook
  • dat niet iedere Verweggiër, die Weigeraars die wel omdachten, vertrouwde.

____________________
*) Daarom is dit opstel Wereldgeschiedenis deel 2, als vervolg op Wereldgeschiedenis deel 1

"Gelijkdenken"

Niet alleen de Weigeraars waren hun oude (vorm van) leven kwijt, ook de Verweggiërs. Zij moesten, zolang de beide stammen nog niet gelijk over de stand en gang van zaken dachten, het hele eiland bezetten en steeds onder de wapens en op hun hoede blijven.

Propaganda is het middel om dat ‘gelijkdenken’ te veroorzaken.

De propaganda moet een inhoud hebben die iedereen niet slechts kan plaatsen, maar vooral ook kan inspireren. Het recente verleden (aanval, onderdrukking, roof dus) dient even buiten bespreking te blijven en nu er geen ruimte is om uit elkaar te gaan, moet die ruimte worden vervangen door iets nieuws voor allen die in een cultuur hebben geleefd tot dan toe: DE TOEKOMST.

Toekomst in culturen en civilisatie
De culturen hebben geen toekomst waar ze naar toe werken, aan werken en naar streven: ze hebben een langzaam veranderende, natuurlijke omgeving en draaien met de aarde mee rondjes, de seizoenen en data bepalen de acties en de feesten. Het ene jaar is slechts oppervlakkig, qua weer, niet qua klimaat, ongelijk aan het andere.
Nu is er iets werkelijk en snel veranderd, namelijk de verhouding tussen het landoppervlak en de aanwezige mensen die ervan moeten leven. De civilisatie-propaganda voert de toekomst in als lokkende verte, waarin het weer (opnieuw) goed zal gaan met iedereen en er in vrede geleefd kan worden. Bij afwezigheid van ruimte elders, ruimte later.

Tradities en wetten
De mensen die in een cultuur leven, zijn nog in de greep van de natuur. Ze bestrijden reeds ongedierte en onkruid, maar ze roeien het niet uit, de bestreden dieren en planten blijven aanwezig in die ontoegankelijke streken waar geen jacht en geen landbouw mogelijk is. De plagen en ziekten en de niet-levende natuur – met name, het klimaat en de gesteldheid van het land – bepalen in de cultuur wat er te doen is en grotendeels ook hoe. De tradities betreffende het omgaan met elkaar zijn uiterst vast en uitgebreid, maar willekeurig, in die zin dat het ook anders kan. Die tradities zijn niet kapot te krijgen met het alleen maar invoeren van verboden en geboden.

De jonge civilisatie laat die tradities dan ook bestaan
en plant er alleen de rangschikking – overwinnaars boven overwonnenen – bovenop.

Zo nodig worden er Weigeraar-priesters door Verweggiërs vervangen. HET VERLEDEN wordt tot rechtvaardigende oorzaak en grond van die rangschikking genomen: leven dus ‘omdat het verleden (de geschiedenis) zo is’, naast ‘omdat de natuur zo is’.

Toekomst en verleden zijn nieuwe begrippen, die de propaganda voor de civilisatie invoert.
En daarnaast komt het benaderen – aanspreken en gebruiken – van het individu, van de enkeling,
anders dan als relatie van zijn familieleden.

Buitenbesturing door tradities en wetten
De onderworpenen worden op buitenbesturing gezet, maar dat is geen nieuw iets voor ze. Dat ‘op buitenbesturing staan’ zijn ze gewend. De mensen die in een cultuur leven, zijn helemaal niet zo gericht op oorspronkelijk zijn en op zelf voor zich uitmaken hoe de eigen txaenz te besteden of te verdoen. Ze zijn ten opzichte van hun familieleden en ten opzichte van de tradities tot zoveel verplicht en gerechtigd, dat ze zelf als enkeling niet vaak en veel belangrijke beslissingen nemen.
Zowel de Verweggiërs, die na de oorlog ver weg van eigen oorspronkelijke woonplaats en verwanten leven, als de Weigeraars die nu onder bevel van de bezetters staan, krijgen ineens die bevelen als nieuwe bronnen van ‘dingen die gedaan moeten worden’. Die nieuwe dingen zijn niet in tradities geregeld en het is snel duidelijk dat willekeur tot verzet leidt en onvoorspelbaarheid ook. Naast tradities komen er dus andere vastzettingen, wetten.

 

Strijd

Rangschikken
De winnaars worden tot bezetters, omdat de verliezers niet meteen inzien dat er geen wrok dient te zijn. De winnaars/bezetters kunnen hun organisatorische rangschikking niet afschaffen, omdat ze onder de wapenen moeten blijven. Met de civilisatie komt de rangschikking de families en het gewone leven binnen. Omdat de onderdrukten ook op hun beurt minderen gaan willen hebben. Het begrip RANG is vreemd aan mijn begrip van de culturen. Zoals elk begrip is ook dit begrip verzonnen. Een begrip is denkgereedschap, onderscheidgereedschap, tegen de verwarring.
De gebruikte mannen namen de omgangsvormen van hun gebruikers over en pasten die toe op vrouw en kinderen en de hond.

Dat is civilisatie die de cultuur binnendringt.

Dat samenleven en samenwonen als gezin is een deel van die cultuur (→ nu, een laatste restant) en in dit restant cultuur vooral dringt het heersen binnen, doordat in het kerngezin de andere familieleden als tegenwicht ontbreken.

Perfectionistische specialisatie, competitie en concurrentie
Ook niet nieuw voor wie in culturen leefden, is de SPECIALISATIE qua technische bezigheden. De een is nu eenmaal handiger dan de ander, de een klimt beter dan de ander, enzovoorts. Als jij dat voor mij doet waarin jij zo handig en goed bent, dan doe ik voor jou wat ik goed kan en jij minder, terwijl het voor jou ook moet gebeuren. Zulke dingen als bezigheden en taken ruilen zijn in alle culturen mogelijk.
Wie als gebruikte in een civilisatie een kunstje (vaardigheid, kunst) goed kan, kan de gebruikers proberen te verleiden hem juist dat te laten doen voor hen: hem de gunst van hun klandizie te verlenen, hem en niet een ander. Dat ‘dingen om die gunst’ heet CONCURRENTIE en wordt in de positie van gebruikte veel en veel belangrijker dan in de cultuur. Het ‘zich qua kunnen van deze of gene vaardigheid rangschikken’ heet COMPETITIE en is nieuw, is van de civilisatie. (Wedstrijdsport werd ingevoerd om dit gewoon en leuk te leren vinden.)

Concurrentie en competitie zijn knechtenbezigheden, ze kenmerken de gebruikten.

Het zijn ernstige bezigheden, men moet ze niet verwarren met het zich met elkaar meten van de gebruikers in de oefeningen in het oorlogvoeren, het wapengebruik, enzovoorts. Aan niet-winnen zitten voor de gebruikten zware gevolgen vast: ze moeten ander (zwaarder, vervelender, dommer, ongespecialiseerd) werk gaan doen.
Werkloosheid is een veel later verschijnsel, vooral als vorm van lijden, omdat dat pas kan optreden als er geen andere manier van leven meer is dan zelf rechtstreeks in gebruik zijn. Met andere woorden, als er van de cultuur, de familiale structuur van dat oude samenleven, niet meer iets over is waarin werklozen zinvol en nuttig, productief bezig kunnen zijn. Waar oma nog als kinderopvang fungeert, werkt bijvoorbeeld nog zo’n restant. Oma is dan niet ECHT werkloos, ze is dat alleen binnen de civilisatie. Ze is haar familie niet alleen maar tot last.

Doel van propaganda

Doel van propaganda
Het zoeken is bij/in een beginnende civilisatie naar een ingang voor de nieuwe verhalen (de propaganda), waarin de nieuwe toestand niet slechts als terecht, niet slechts als te aanvaarden, maar als inspirerend, mogelijkheden openend en bevrijdend wordt begrepen, besproken, bezongen, toegejuicht.

Religies werden – passend bevonden – voertuigen voor die propaganda, die bewustzijnsindustrie.

Koran en Bijbel zijn latere, maar goed bruikbare schoolvoorbeelden. Zich vijf maal daags onderwerpen, buigen, knielen en zich vuil (namelijk, te wassen) voelen voor Allah; ten aanzien van Allah geleerd, is ten aanzien van heersers gedaan. In het bijbelse en protestant-christelijke taalgebruik wemelt het van de verwijzingen naar koningen, vorsten, heerlijkheid en de nederigheid die past en het smeken om genade. De Roomsen hebben het knielen en het zich volledig voorover op de grond werpen van aankomende priesters tot op de huidige dag niet afgeschaft. Met de Schepper ‘God’ uit dat verhaal over het ontstaan van het heelal en zo, heeft dat niets van doen, die god waarmee dit van doen heeft is een projectie op de hemel, op het bovennatuurlijke, van zo’n boegbeeld-heerser als ‘de goede bedoeler’ en vooral zijn opvolgers uit ons verhaal.
Er is heel wat gewonnen, als het lukt om het verleden, de ooit gewonnen oorlog, lang geleden, te vervangen door zo’n god als oorzaak van het geheel van machtsposities, regels en wetten binnen de civilisatie. Bovendien geven de priesters de gelovigen minderen ten geschenke: de dieren, de ongelovigen, de eigen huisgenoten met het verkeerde geslachtsdeel (het vrouwelijke), de huisgenoten die jonger zijn, enzovoorts. Toch is zo’n godsbeeld ook gevaarlijk. Als die god te groot wordt gemaakt, wordt de vorst er voor god gezien kleiner door. Ten opzichte van god gemeten, is hij niet zoveel groter dan de gewone gelovigen. Zoiets krijgen priesters door en dan verschuift er macht.

De heerschappij van Koning Klant
Ik verwoord dit alles omdat ik wil aanwijzen dat er niets wezenlijk verandert wanneer de heerschappij van de overwinnaars in de loop van de tijd wordt vervangen door de heerschappij van Koning Klant. We zien dat om ons heen gebeuren, de aanbidding kent geen grenzen meer. Alle relaties worden tot cliënt-relaties. De dokter, de rechter en de onderwijzer worden omlaaggedefinieerd naar dienstenverkopers en nog meer: tot automaten. Deze avond nog verklaarde een advocaat op televisie dat hij een helprobot was en wilde zijn. Natuurlijk gebruikte hij dat woord niet, maar hij praatte zijn eigen moraal en wil totaal weg: De cliënt heeft het onbeperkte recht ‘geholpen’ (zo noemden kruideniers hun dienen voor geld, hun verkopen) te worden en wel meteen en zonder fouten, want anders: werkt de hulpverlener (lees: willoze dienaar) niet naar behoren. Hier te lande verkeren we in het stadium van het ‘over de toonbank trekken’, in de USA is het ‘voor de rechter slepen en financiële schadevergoeding eisen’. Iedereen die enig geld heeft en iets koopt maakt deel uit van ‘het mystieke lichaam’ van Koning Klant.

Koning Klant is precies dezelfde ‘bron van alle moeten’

als vroeger de aanvoerder van de overwinnaars, de vorst-boegbeeld van de over een staande gewapende macht beschikkende elite of, in het religie-verhaal: de machtige heersende god, die niet meer slechts de schepper van de aarde is, maar juist de insteller en regelaar van de wereld (= van de civilisatie).

Verzet tegen het gebruikt worden

Gebruikt worden en gebruiken
De in de civilisatie geboren mensen gebruiken allemaal andere mensen. Ze doen dat als samenstellend deeltje van Koning Klant en ze worden allemaal op hun beurt gebruikt, als ze hun plichten – leerplicht, militaire dienstplicht, enzovoorts – vervullen en geld verdienen (= dienen voor geld). Dat geld hebben ze nodig om te kopen, zelfs het nemen van het nodige en niet betalen levert erge problemen op, uiteindelijk kom je in aanraking met gewapende politie. Uiteindelijk, hoe lang de weg naar die duidelijkheid ook gemaakt wordt en hoezeer ook met uitkeringen van allerlei aard dit ‘moeten ingrijpen’ wordt uitgesteld en – naar de belanghebbenden bij onduidelijkheid, hopen – afgewend.

Er is niets wezenlijks veranderd sinds het begin van de civilisatie.
Slavernij en horigheid en zo, dat zijn allemaal slechts juridische regelingen.
Het gebruikt worden is de kern, het wezenlijke.

Gebruikt worden is onverbrekelijk verbonden met gebruiken. Of nu iedere ingezetene beide in deeltijd doet of sommigen het full-time en anderen nooit, dat maakt geen wezenlijk verschil. Of het rangschikken nu op basis van afstamming, van verdienste (merites) of van inkomen en bezit gaat, dat maakt niets uit: rangschikken is BEVOORRECHTEN en er is geen bevoorrechten mogelijk zonder ACHTERSTELLEN = DISCRIMINEREN.
Of de mensen nu hun bazen zelf kiezen of ze opgedrongen krijgen, ze leven op buitenbesturing door anderen, die soeverein bevelen, in beide gevallen. ‘Door soevereine anderen’, in tegenstelling tot: ‘via doorgegeven noodzakelijke taken’. Koning Klant is soeverein, als iemand alleen maar koopt wat hij nodig heeft, doet hij niet echt mee aan het maatschappelijk leven, is hij economisch niet interessant of hoe je het ook zeggen wilt.

Koning Klant moet, net zoals iedere vorst, onnodigs opdragen.
Pas dan is hij koning.

Zijn smaak, zijn wil, zijn vrije beschikking, zo heet de kern. Zo heet het, voor het spelen van die rol onmisbare, speelgoed-verzinsel. Dat is het beeld dat de geciviliseerden in de loop van de tijd hebben aangemaakt van leiden, heersen, de baas zijn, elite zijn of hoe je het ook wilt noemen. Wie zonder onnodigs leeft, van en in de civilisatie, is geen echte deelnemer, actualiseert niet het hebben van een rang. “Die man leeft niet naar dat hij geld heeft”, wordt er dan bijvoorbeeld gezegd. Ook als die man volledig en harmonieus functioneert als dier, als exemplaar van de diersoort mens. Daar gaat het in de civilisatie niet om, pas als dat gebeurt, gezond en zo zijn, dan pas start de geciviliseerde zijn deelnemen aan het rangschikken. Dan pas gaat het gebeuren, het zich aanschaffen van zoveel mogelijk minderen, of minstens: het tonen dat hij voor die en die ‘niet onder doet’, respectievelijk dat hij zich passend weet te kleden enzovoorts Dat wil zeggen, dat hij er bij hoort – binnen is hoger dan buiten, dat is logisch, want binnen-zijn kost, txaenz namelijk.
Het rangschikken is doel op zichzelf geworden. Het is niet meer een vorm van organiseren of een vorm van zich veilig stellen – voorkomen om als laagste en achterste te gronde te gaan, ten prooi te vallen aan de sabeltandtijgers of zo. Emanciperen is het recht verkrijgen deel te nemen in die strijd om de plaatsen waar men minderen heeft. Plaatsen op de ladder, of in de piramide.

Verzet
Men ziet vrijwel elke jaargang jongeren in verzet komen en uit de vorm en inhoud van dat verzet blijkt dat ze geen zicht hebben op de structuur van de wereld waarin ze leven. Men houdt het niet voor mogelijk, maar ze protesteren al tig jaar met de manier van zich kleden en het haar dragen, recentelijk met het zich de huid als tekenpapier laten gebruiken en zich met ringetjes en zo laten behangen. Als het de mensen waarmee men in relatie staat – familiaal, vriendschappelijk of functioneel, bijvoorbeeld als leerling – maar iets doet. Dat mag ergeren zijn of blij maken, dat hangt er allemaal van af over wie het gaat.

Het verzet gaat helemaal nergens meer om, het is allemaal puur emotioneel.

Het is overigens evenzeer aanpassing aan de een of andere verzameling eisen uit een subgroep als het verzet is tegen wie er maar tegen wil zijn. Wie het negeert, is veel minder aardig dan wie er tegen is, want belangstelling is erg prettig. Helaas, en dat niet alleen voor de betrokkenen, krijgt het verzet tegen hogergeplaatsten (gebruikers), dat in dit geval de achterkant is van het gehoorzamen aan de bevelen van andere hogergeplaatsten (gebruikers) via opzij, ook de vorm van het zich door gedrag en consumptie van ‘drugs’ (nicotine, alcohol, en de rest) zelf schaden en soms zelfs verslaven.

Dat is dom.
Maar, als ze een beter wereldbeeld hadden,
zou ik niet verbaasd zijn als het kiezen van deze vorm zou uitblijven.
Deze vorm voor het zich verzetten, zich een eigen beslisser tonen.

Ze voelen dat ze gebruikt worden en op buitenbesturing staan, maar ze kunnen de gebruikers niet vinden. Mede doordat het taalgebruik gebruikers en gebruikten onder die ene noemer ‘mens’ brengt. Ook waar dat niet passend is, namelijk buiten de biologie, in de bespreking van de maatschappij, die ‘samenleving’ genoemd wordt.

Ook het verzet is daardoor blind en ‘doel in zichzelf’ geworden
Vandaar dat er niets doeltreffender is, als reclame en propaganda, dan het verbieden. Bijvoorbeeld van het kopen van sigaretten en alcohol tot 16 jaar. Dan willen kinderen van 12 jaar het al, want het is gedrag van wie groter zijn dan zij. En dan het verbieden van de zachte en harde – ‘echte’ verboden – drugs. Dat is helemaal werkzaam, dat is aantrekkelijk en een duidelijk middel om je “durven weerstaan” te tonen, want die dingen gebruiken, dat mag helemaal niet! Nou, dan wil toch ieder kind dat nog niet dood is, dat nog initiatief wil nemen en niet al te snugger is, die dingen proberen. En de meeste kinderen zijn niet al te snugger, want het gemiddelde I.Q. is 100 en dat is laag. Voor wie dat niet geloven wil, zijn er van die tests. En geloof mij, ongeloof is aan te bevelen.

Niet al te snugger zijn en geen passend wereldbeeld hebben,
vormen een noodzakelijke voorwaarde om mee te doen met die onderIETSen.

OnderIETSEN: die groepen machtelozen, die zich niet zozeer verzetten (tegenwoordig) als wel voor hun gevoel buiten de civilisatie begeven. En dat tonen door zichzelf te schaden door spullen te consumeren, waar die civilisatie voor zorgt. Net zo stipt en op dezelfde voorwaarden als voor voedsel, en met hetzelfde doel: er winst op maken.

Het is de mensen binnen de civilisatie nu niet kwalijk te nemen dat ze de strijd tussen Goede Bedoelers en Andersdenkenden niet beslissend gevoerd hebben. Duidelijkheid verschaffen is niet noodzakelijk, oproepen tot weer eens een bloedige opstand. Als de Goede Bedoelers ophouden met het misplaatst gebruiken van het begrip ‘de mens’ en van ‘wij’, maken ze anderen – en zichzelf? – erop attent dat ze rechten hebben verkregen die ze kunnen gebruiken om zich in zeer hoge mate aan gebruikt-worden te onttrekken. De Boeddha had daar ook al wat over te zeggen: de wolk van onwetendheid laten optrekken en ophouden met begeren, onder andere.
De vraag in dit verband is dus niet of die schadelijke stoffen vrij verkoopbaar moeten worden of niet, maar wat de oorzaken/redenen zijn voor dat verzet tegen die zinnige waarschuwingen: laat dat spul onaangeroerd, het schaadt je gezondheid en maakt alleen wat andere mensen rijk. Hoe komt het dat die kinderen die gaan roken, gaan mee-drinken, gaan snuiven, slikken, spuiten, zich verzetten tegen deze goede terechte waarschuwingen? Ze hebben alles, deze kinderen. Velen hebben zelfs enorm veel onnodigs, zoals merkkleding en merkschoenen. Kleding en schoeisel zijn nodig, merken zijn er gekomen om constante kwaliteit te suggereren en, naar de reclamelieden zeggen, te waarborgen. Waarom lopen die kinderen er, op bevel van hun leeftijdgenoten, bij als wandelende reclamezuilen?

Dan zijn er altijd van die namaakonderzoekers die dat aan die gehoorzamers en bevelgevers gaan vragen. Ja, dan krijg je natuurlijk antwoorden, maar die slaan nergens op tenzij je een zeer, zeer doordachte verzameling antwoordgevers zou vinden. Nou, doordacht, met inzicht behept, dat zijn die met de trends en met de groep meedoende stumpertjes nu juist niet. Ze zijn doorgankelijk voor bevelen en die bevelen die staan in de bladen en op de reclameborden en op televisie.

Je vraagt toch ook niet aan een gat in een muur,
wie je door ‘hem’ (=dat gat) heen in de andere kamer bezig hoort.
Nou dan.

Waarom die bevelen gegeven worden, dat is duidelijk: de aanmakers van die kleren en zo voor de markt hebben klanten nodig, kopers. En in plaats van dat met redenen te suggereren, is het doeltreffender om het te bevelen en te dreigen: drink X en draag Y, anders kom je er niet in, lig je er uit en ben je niet geplaatst, heb je geen minderen.
Hoe maken de mensen hier te lande heden ten dage hun kinderen nou zo gestoord dat ze willekeurig bevelen opvolgen, als die maar niet van hun ouders en/of opvoeders en/of verstandige en welwillende mensen komen? Ze volgen bevelen op, ze staan op buitenbesturing. Ongehoorzaamheid of zelfstandigheid of doordachtheid is het dus niet. Het is domme dwarsigheid, gepaard aan paardachtige leidbaarheid. Hoe maak je een jong mens zo dom en volgzaam als een paard, terwijl je die mens onderwijst, dagelijks, tien jaar lang, verplicht en gratis?

Wat doen kinderen met spullen die niet verboden zijn en geen status – plaats, waar je minderen hebt – bieden binnen de onderIETSen (gangs, subculturen, jeugdgroeperingen, enzovoorts)? Daar doen ze niets mee, er is geen lol aan. Geen kind heeft aandacht voor andijvie. Roken smaakt veel viezer dan andijvie en er is geen enkele reden om aan te nemen dat kinderen dol op roken zouden worden als je ze op die manier tabak te consumeren zou geven. Als je kinderen vroeg genoeg gewone sterke drank aanbiedt, is het ook waarschijnlijk dat ze dat veel te branderig vinden. Maar er is geen enkele reden om op die manier alle psychotrope stoffen aan te bieden.
Maar die stoffen zijn populair, bij volk geliefd. Waarom? Weer, in ’s hemelsnaam, niet vragen aan de consumenten, die weten dat echt niet. Ze kennen zelfs alleen maar het oppervlak van het ‘die gewoonte hebben’, ‘er ooit aan begonnen zijn’, ‘het lekker vinden’, ‘het gezellig vinden’. Dat zijn allemaal lege opmerkingen, omdat ze eindigen bij de enkeling en/of zijn allernaaste sociale omgeving en die zijn niet de oorsprong van gedrag. Ze staan op buitenbesturing, ze zijn doorgankelijk, zowel in cultuur als in civilisatie als wanneer ze uitgestoten of (tijdelijk) weggegaan zijn, zoals die jongeren in hun gepuber.

Dit bovenstaande staat onder het hoofd ‘propaganda’, omdat het een kernpunt van de propaganda voor de civilisatie is om de enkeling te scheppen, de dader, de oorsprong van gedrag, die zijn vrije wil gebruikt zoals de fietser zijn fiets. Die dader is een verzinsel, ze zijn allemaal vooral doorgankelijk voor suggestie, en aan het gehoorzamen onder bedreiging.

Die dader met een vrije wil is een verzinsel,
een stuk argumentatiespeelgoed van juristen.

Die tonen in hun spel van argument en tegenargument ook dat “verzinsel zijn” telkens weer aan, maar ze blijven er mee spelen, want de consequentie zou kritiek op het systeem zijn en het voortbestaan en bloeien van dat systeem is nu juist hun broodwinning.
Schoolvoorbeeld. Ik hoorde eens een verhaaltje uit de koloniale tijd. Toen wilden de Engelse Heren een smid ophangen omdat hij een moord had gepleegd. Het dorp bood toen aan twee timmermannen te leveren om die op te hangen in plaats van de smid, omdat ze er daar maar een van hadden. Dat wilden die Engelsen niet, want die dachten niet in termen van txaenz en dorpsbelangen, nut van het algemeen of algemeen belang. Die hadden die dader, met die vrije wil, die aparte, losse enkeling, dat was hun concept. Het toepassen daarvan strafte het dorp collectief en bewees dat de cultuur (gemeenschap) in het kader van de civilisatie (maatschappij) niets meer voor de enkeling kon doen. Als er eenmaal het besef van losse-enkeling-zijn is, is er het begrip dat nodig is om de prediking te ontvangen van de persoonlijke verlossing en de het persoonlijk leven-na-dit-leven. Veel van die juristen zullen ontkend hebben in de Christelijke zending te functioneren.

Twee strijdige meningen onder de overwinnaars

Vanaf het eerste begin van de Verstandië-civilisatie waren er twee, met elkaar strijdende, meningen onder de overwinnaars.
De ene mening
, die van de zogenaamde Andersdenkenden, was dat de Weigeraars voor eeuwig en als straf tot slaaf gemaakt moesten worden.
Onderwerpen – ook hun kinderen – en klein houden, dat waren de doelen: vrede door pacificatie. Zelf noemden de Andersdenkenden zich Beteren.
De andere mening, die van de Goede Bedoeler en zijn aanhang, was gericht op het stichten van vrede door het tot stand – en op gang brengen – van een Samenleving, waarin aller belangen gelijkgericht waren.
Als doel van het bezetten werd, naast het voorkomen van een volgende oorlog, genoemd dat aan de Weigeraars bewezen moest worden dat er nog voldoende welvaart te scheppen was op het eiland, als zij samenwerkten met de Verweggiërs.
Uitdrukkelijk werd gesteld dat de Verweggiërs zich niet opvatten als heersende klasse jegens de Weigeraars en dat ze die niet tot hun slaven maakten.

Dat de overwinnaars aan het eind van de oorlog de leiding namen
en ieder van hen toezicht hield op een groep Weigerfamilies,
dat was een feit.
Maar dat was alleen maar omdat het niet anders kon.

Samen werken van Verweggiërs en Weigeraars was namelijk nodig om te overleven na de rampen, waar de oorlog nog bovenop was gekomen. Er was geen keus. Het ging er om dat de Weigeraars zelf zìch het weigeren afleerden. Maar dat kon juist ook slechts als het de Verweggiërs lukte om hen te bewijzen dat het eiland ook na de ramp nog beide volkeren kon dragen, als – op voorwaarde dat – men maar het nodige verstand van zaken ging verwerven en gebruiken: de beschikbare txaenz volledig zou gaan benutten, in plaats van verdoen – bijvoorbeeld aan het cultiveren van de eigen cultuur, bijvoorbeeld en/of aan verzet.
Ter illustratie van deze tegenstelling kan het dienen twee politieke voorstellen naast elkaar te plaatsen, met name die om respectievelijk het onderwijs en de (wedstrijd)sport centraal te stellen.

 

 
Het onderwijs. Scholen voor slaven, scholen voor slavenhouders

Het nieuwe systeem – KOPGELDBELASTING, zoals beschreven in de historie van Verstandië (zie “De schepping van de wereld en het begrijpen van txaenz“) – werkte inderdaad, zoals verwacht, het nadenken en opletten in de hand. Er werd beter opgelet hoe waardevol slaven waren en hoe ze, door hen kundiger te maken, hen vaardigheden te laten aanleren, meer waard te maken waren.

Scholen voor slaven. Het duurde niet lang of het wemelde in het land van scholen waar de slaven, van alle leeftijden, al hun “vrije” tijd doorbrachten om vaardigheden aan te leren en op hun beurt te onderwijzen. Voor het aanleren werden ook de slaven beloond evenals voor het onderwijzen. Wie een nieuwe vaardigheid vond, die te onderwijzen wist te maken, ze wist te onderwijzen en/of ze te examineren maakte, werd uitbundig geprezen en beloond – met geld en/of met voorrechten, en hoezeer dan wel, dat was een moeilijk probleem.

Scholen voor slavenhouders. Het onderwijs werd een bloeiende nijverheid en de stijgende kundigheid van werkelijk elke slaaf wekte in de slavenhouders de wens ook hun eigen kinderen veel te laten leren. Er ontstond zo een tweedeling in de nu alle aanwezigen bezig houdende scholing: de slaven en hun kinderen werden bruikbaarder gemaakt, nuttiger en de (kinderen van de) slavenhouders maakte de scholing

  1. gevechtsklaar (tegen de vreemden in het buitenland en tegen de slaven binnenslands), en
  2. kundig bij het organiseren, bij het solidair blijven (met elkaar als bovenbazen), en
  3. kundig bij het geheim (dus buiten het onderwijs aan slaven) houden van de kunsten/vaardigheden van de eigen stand/klasse.

Het onderwijs bloeide mede doordat men de belangen – van leerlingen, onderwijzers (leraren, docenten, instructeurs, trainers), verhuurders (van leermiddelen, gebouwen enzovoorts), organisatoren en examinatoren – volstrekt evenwijdig liet lopen. Slechts leerresultaat bracht inkomen, voor leerlingen en voor alle andere betrokkenen. Meer leerresultaat betekende altijd ook meer inkomsten voor iedere betrokkene.
De truc was namelijk dat de leerlingen beloond werden voor wat ze bewezen te kunnen, en dat hun onderwijzers – en de andere betrokkenen/bijdragers/medewerkers – in percentages daarvan werden beloond – in dit geval, betaald.
Even een terzijde: uit het stukdenken van deze regelingen was onder andere gekomen: ‘Wie een leerling iets onderwees, kon, ten aanzien van die vaardigheid, nooit zijn examinator zijn of kennen.’ Op zich is dat erg vanzelfsprekend, maar zonder zo’n stukdenk-procedure heeft men het hier nu nog niet weten te ontdekken, laat staan verwerkelijken. Zolang er nog Anderdenkenden waren in Verstandië, kon men niemand toestaan zijn eigen werk te beoordelen en/of zijn eigen inkomen en voorrechten te bepalen.
Het nut van het onderwijs aan slaven voor de slavenhouders was dat de vaardigheden, die men in de slaven in huis had, niet van buiten gekocht hoefden te worden. En bovendien is pralen met bezit moeilijk te onderdrukken bij bezitters. De voorstellers van dit onderwijsplan slaagden erin hiermee de Andersdenkenden mee te krijgen.

De (wedstrijd)sport

Niet veel later kwamen de Anderdenkenden met een voorstel.
De vorst en zijn adviseurs merkten, evenals de Andersdenkenden, op dat geschoolde en vaardige slaven steeds minder gingen opkijken tegen hun – vaak minder vaardige – meesters.
En tegelijkertijd werd ontdekt dat het nodig was dat Lichamelijke Oefeningen werden verplicht voor de leerlingen om aan het vele zitten tijdens het leren van vaardigheden wat tegenwicht te bieden. Het daarbij spelend oefenen in vechten zagen de bazen niet graag. Lijfelijk bezig zijn verruwt ook nog al eens. Het zich schikken in zijn rang berust op angst – in reactie op bedreigd-worden met uiteindelijk lijfelijke mishandeling.
Het zoeken was naar een vorm voor die lichamelijke oefeningen, die de slavenleerlingen zou voorzien van

  1. bij hun slaaf-zijn passende gevoelens en neigingen, en
  2. andere onderwerpen voor hun belangstelling en om over te praten, dan hun maatschappelijke positie en de stand en gang van zaken in de samenleving.

Daartoe ontwikkelde het ministerie van orde de sport, en – onder druk van de Andersdenkenden – met name de competitie, de wedstrijd. Daarin, in de competitie dus, tellen alleen de uiterste en uiteindelijke winnaars als winnaars.

Het gaat niet om de prestatie, maar om de topprestatie.
Die prestatie is leeg en zinloos.
En de verschillen tussen de deelnemers aan de laatste ronde in de competitie, zijn
– voor en door elk verstandig mens –
echt volstrekt te verwaarlozen.

Maar daar gaat het niet om. Hier wordt iets – zoals een roomse mis – gevierd. Met name, het zich vechtend met elkaar meten – met totaal voorbijzien aan de belangen van, en gevaren voor, het eigen lichaam. Hier worden totaal geobsedeerden bewonderd door de ontelbare toeschouwers. Hier tintelt de spanning rondom een wezenloze opwinding en strijd.
Eén wint er, de rest verliest, haalt zijn doel – te winnen namelijk – niet en krijgt ingeprent een verliezer, een kleine figuur, te zijn. En dat los van de, verwaarloosbaar van die van de winnaar verschillende, prestatie die hij/zij leverde.

Dat gevoel om – ondanks de eigen, objectief uitstekende, prestatie – niks voor te stellen,
mislukt te zijn, een verliezer, is een gevoel dat goed is voor de slaven.
Dan blijven ze geloven in de juistheid van de grote maatschappelijke ongelijkheid,
onder de overigens gelijk-vaardige en gelijk-waardige mensen.

Dat gevoel krijgen alle deelnemers die niet winnen, plus hun aanhangers. Van die aanhangers plegen dan niet weinigen verraad en verplaatsen hun bewonderen naar de winnaar.

Ongelijkheid onder de mensen
Want, let wel: dat zowel slaven als meesters gewoon mensen zijn, dat is niet geheim te houden. Want het is door iedereen altijd en overal waar te nemen, dat feit kent dus iedereen. Het is dus slechts te ontkennen. Ontkennen is een vorm van bespreken en dus van bewustmaken.

Dat moet dus niet!
De aandacht dient op andere onderwerpen gericht te worden die er vlak bij liggen.
De ongelijkheid der aanwezigen in de wedstrijdsport,
is een goed onderwerp om de plaats in te laten nemen van,
de ongelijkheid in de civilisatie.

De veroorzaking van ongelijkheid is in die sport datgene waar alleman bij toeschouwt. Ze leren er de overwinnaars te eren en te bewonderen. Dan is het maar een kleine stap om de verkrijgers van veel geld en macht ‘winnaars’ te noemen, men wint, gokkend op de beurs en in het casino en ‘spelend’ in de loterij, maakt winst bij handel, wint verkiezingen, en zo voorts. Aan die suggestie dat dit winnaars zijn, kan nog extra kracht bijgezet worden, bijvoorbeeld door de rest ‘verliezers’ te noemen. Door het wedstrijden krijgen de termen ‘winnaar’ en ‘verliezer’ de bijklank van ‘geijkt’, gefundeerd op een eigen moeizaam aangeleerde prestatie in een eerlijke openlijke wedstrijd.

Bovendien blijft het in de sport uit dat het gepresteerde/gemaakte wordt ontnomen aan wie presteerde, zoals dat wel gedaan wordt ‘in de fabriek’, ‘op de werkplek’: degene die de prestatie als ‘werk’ levert, krijgt zijn loon en verder niet. Dat is in de wedstrijdsport anders: de beroepssporter krijgt en houdt zelf zijn naam en faam en de medailles naast zijn inkomen (de prijs en zijn loon als bewegende volgeplakte reclamezuil).

Het invoeren van het wedstrijden werd tot een overweldigend succes. Het breken van records, dat wil zeggen: het overtreffen van het eigen vroegere zelf (persoonlijke records), en/of van de records van anderen, werd tot een doel in zichzelf. Er kwam zelfs een oplossing voor het probleem dat er aanvankelijk maar een beperkt aantal records werden genoteerd. Er kwam een ‘Biermerks Boek van Overtreffingen’ en daarin werd vrijwel ieder overtreffen gemeld. Wie het langst op een paal zat, werd vermeld en wie het oudst werd ook. Niet iedereen dus, maar zeer, zeer velen. En daarmee was het breken van records gedemocratiseerd. Wie geschift genoeg was, zich op iets echt toe te leggen, was meteen ook geschikt.

Ondertussen werden op een beperkte voorraad dimensies de records door gespecialiseerde beroepsspelers gebroken, waarbij werd toegeschouwd door ontelbare belangstellenden die zich langs de lijn stonden op te winden, stonden te bewonderen en partijdig stonden te zijn. Al die mentale en psychische bezigheden, die ook iets anders tot onderwerp zouden kunnen hebben gehad (bijvoorbeeld ook het maatschappelijk leven, de voors en tegens van het rangschikken, en dergelijke), gingen op in de sport, die op den duur zonder wedstrijdelement ondenkbaar werd.

De sport, die ooit mede was ingevoerd ten voordele van de volksgezondheid werd tot een voorname bron van verwondingen, blijvende invaliditeit en voortijdig versleten-zijn.

In de bedding ‘sport’ stroomden uiteindelijk hoeveelheden txaenz,
die voldoende zouden zijn geweest,
voor ontelbare maatschappelijke inzichten, oplossingen, uitvindingen en veranderingen.

Hieronder kunt u een reactie geven op bovenstaande tekst.
Het kan enige tijd duren voordat uw reactie geplaatst wordt.