Jaap Schot, 5 november 1999

Geen verhaal klopt helemaal.

Het gebruiken van verhalen.

Ik heb 21 jaar dagonderwijs genoten en toch is mij nooit duidelijk verteld hoe de wereld in elkaar zit. Dat er zoiets als ‘de wereld’ is, buiten de kloosters, dat kwam me natuurlijk ter ore. En ook in de Bijbel, die me herhaaldelijk van kaft tot kaft werd voorgelezen, is het begrip ‘de wereld’ in gebruik, bijvoorbeeld als de omgeving van de christengemeente. “In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar vreest niet, ik heb de wereld overwonnen”. Verwereldlijking is ook een woord in die buurt.

Maar wat en hoe de wereld is, dat bleef in het onderwijs dat ik kreeg, inclusief in de catechisatie, onbesproken. Dat is behoorlijk vreemd, denk ik nu. Ik moest dat dus zelf uitzoeken. Maar ik ben zo iemand die niet erg veel leest. Eigenwijs: ik kijk, begrijp en bespreek zelf wel. En niet alleen eigenwijs, wat moet ik anders bestuderen? Ik heb geen opdracht of zin om een piepklein onderdeeltje van de werkelijkheid degelijk te onderzoeken binnen een groter kader.


In mijn website leg ik nu uit hoe de wereld in elkaar zit en niet hoe dat zo is gekomen. De werkelijke ontstaansgeschiedenis, waar vele boeken over zijn, die heb ik niet meegemaakt. Ik zou de inhoud van die boeken dus moeten geloven en doorvertellen. Die bezigheden keur ik beide af. Geloven is net zo fout als betwijfelen. En doorvertellen voegt niets toe, maakt alleen maar meer onvolledige tekst aan.

Die ‘ware’ ontstaansgeschiedenis vervang ik dus door een eigen verhaaltje.
Dat verhaaltje viel me in, zo, rechtstreeks uit mijn onbewuste in mijn bewuste.

Ik heb het niet gekozen uit alternatieven. Mijn tekstaanmaker (mijn onbewuste brein als zodanig bezig, het is ook nog mijn droomaanmaker, twee banen, dag en nacht werk) maakte het aan. Het is van belang dat te melden, want het zou mij niet verbazen als dat bij echte verhalenvertellers ook zo zou gaan. Dat vertellende, en (verfilmende) dromen aanmakende, onbewuste is software. Doorverbonden sporen van wat ik meemaakte en dus niet zonder structuur. Ik bedoel, het zit vol begrippen en die hebben onderlinge relaties, waardoor sommige beelden niet eens opkomen ter verhaling of verfilming.
Nu ik er mee verder werk bij het vullen van mijn website, merk ik hoe ‘eigen’ dat verhaaltje is. Aan hoeveel begrippen die mijn brein gebruikt, het vastzit, naar hoeveel concepten het verwijst.

Het gaat me natuurlijk om wat er om ons heen te zien is. In het verhaal (over Verstandië) komen begrippen voor die te gebruiken zijn bij het begrijpen/beschrijven van wat er om ons heen te zien is.
Ik neem een voorbeeld, een ander verhaaltje, een handleiding bij het bouwen van een menselijk lichaam. “Maak de nodige botten, bevestig ze met pezen en spieren op de juiste manier aan elkaar. Plaats de organen in de zo ontstane ruimten. Verbindt de organen met zenuwen en bloedvaten.” Zoiets.
Zo komt een menselijk lichaam niet tot stand, maar helder is het verhaaltje wel. Veel van wat er aan begrippen/relaties in dat verhaaltje staat, is op grof snijtafelniveau bruikbaar.
Zo is het met dat verhaaltje over Verstandië ook. Zo zijn bijvoorbeeld het bestaan en de houdingen van respectievelijk de ‘Goede Bedoelers’ en de ‘Andersdenkenden’ herkenbaar.
Het gaat er alleen maar om dat wie zich het verhaal herinnert, zich de structuur, de bouw en de relaties, herinnert. Verhalen onthouden veel mensen veel gemakkelijker dan constateringen, opsommingen en schema’s. Vandaar.

Laten we afzien van de vorm van die verhalen en ook afzien van de onvermijdelijke niet-kloppende punten erin. Stammen die op een en hetzelfde eiland wonen en niet over en weer met elkaar trouwen, dat is uiterst onwaarschijnlijk. En als er zo getrouwd wordt, dan is weigeren onwaarschijnlijk en een oorlog ook. Maar daar gaat het niet om. Alle SF vertoont dat soort gaten, maar ik ben er dol op. Neem nu bijvoorbeeld het verhaal over Robinson Crusoë, die man die op een onbewoond eiland aanspoelt, samen met een heel schip, waar hij alles van boord haalt als kocht hij het in een soort winkelcentrum. De schrijver Defoe wilde iets uitleggen en nam daarvoor een verhaalvorm.

Maar het gaat om wat hij probeerde uit te leggen.

En als ik die figuur van een man alleen op een eiland af en toe ook gebruik, en die dan Robinson Crusoë noem, doe ik dat niet om Defoe aan te vullen en meer over zijn Robinson te vertellen of zo. Integendeel, ik doe dat om heel andere dingen (verschijnselen en relaties) te bespreken. Daar zijn die verhalen en figuren voor: doordenkgereedschap.

Jan Vis stelt, in zijn website, dat de bijbelvertaling waarin het letterlijke blijft staan, een vervalsing is van wat de betere lezer van de diepere laag van het verhaal eronder verstond. Nee!
De verhalen van Marten Toonder, over het monster Trotteldrom en de sloven die met hun hachjes niets weten te beginnen bijvoorbeeld, die verhalen hoeven niet anders te worden dan ze zijn. Laat het kleine kind het zijne verstaan als er gezegd wordt dat mensen met elkaar naar bed gaan: dat samen gezelliger, knusser, veiliger is dan alleen. Dat dat kind dat denkt, kan geen kwaad. Integendeel, het kind krijgt het verhaal te horen en als het er aan toe is, kan het dat verhaal gebruiken.
Voorbeeld. Het sprookje van Andersen over die kleren van de keizer. Een volwassene die nadenkt over ‘het illusiespelkarakter van het maatschappelijk interageren der mensen in de civilisatie’, kan met dat sprookje wijzen op de angstige en hebzuchtige redenen die volwassenen hebben om in dat spel mee te spelen, tegen hun eigen waarnemen in. Ze kennen het feit dat wedstrijdsport ongezond is, lijfelijk en psychisch.
Lijfelijk: blessures en erger.
Psychisch: de onzin om überhaupt, laat staan op de seconde en de millimeter, te gaan uitzoeken wie daar dan de andere aanwezigen overtreft in iets totaal triviaals en onbruikbaars. Het zo leren voorbijzien aan belang en onbelang, benul en onbenul, is schadelijk voor je denken.

Maar ze zitten in de maatschappij en willen absoluut vermijden er uitgestoten te worden.
En daarom doen en praten ze mee.

En ze vermijden dat ze ook weten wat ze kennen. En vanwege de censuur schrijven de kunstenaars sprookjes. Niet omdat ze niet kunnen verklaren wat ze bedoelen. Soms is dat de reden niet. Er is echter ook veel ‘onbewuste’ in omloop. Die censuur komt van opzij, niet langer van boven. De slavernij is weer eens van vorm veranderd. Eendere schoenen worden de kinderen niet voorgeschreven, ze dwingen elkaar het dragen ervan af.

In onze, zogenaamd vrije, samenleving is iedereen die partij kiest, waarvoor of waartegen dan ook, aangepast, een goed burger en consument. ‘Als publiek fungeren bij sport’ maakt het gemakkelijk om partij te kiezen, ja het maakt het bijna onmogelijk om geen partij te kiezen. Toeschouwer zijn bij sport, is oefenen in partij kiezen. Waarom vindt de maatschappij dat partij kiezen moet? Wel, die vindt dat, omdat de gebruikten zich dan uitleven in hun gevechten tussen partijen. In plaats van tegen het systeem als geheel. Als het vechten maar niet uit de hand loopt, maar blijft steken in elkaar afkatten, in het verbale, in schelden, in het debat, de discussie, het twistgesprek, het disputeren.

Jan Vis maakt zich in zijn stukje over bijbelvervalsing een tegenstander: de vervalser. Het zich scheppen van een tegenstander, is onnodig om duidelijk te maken wat je bedoelt. Anders staat het met de motivatie. Ik voel best na dat het gemakkelijker is om je aandacht bij een onderwerp te houden, als je je er een verdediger bij denkt. Alles moet (als) voetbal zijn, dan heeft iedereen maar een enkele manier van ‘in de wereld staan’ nodig en in gebruik. Die van de maatschappij.

 

Die manier die er garant voor staat dat er nergens ooit constructief gesproken wordt, nergens ooit een echt gesprek wordt gevoerd.
Lees meer

Hieronder kunt u een reactie geven op bovenstaande tekst.
Het kan enige tijd duren voordat uw reactie geplaatst wordt.