Jaap Schot, 2 juni 1991
Dan zijn er ook nog van die lieden die stellen dat het de gewone burgers die overlast ondervinden van hun zich rangschikkende buren aan sociale vaardigheid ontbreekt, wanneer het hen niet lukt aan het ranguiten dat hen hindert een einde te maken en er de politie bij halen.
Die sociale vaardigheid zou er in moeten bestaan de spelers/uiters te wijzen op het feit dat er een leven is, dus volgens regels txaenz besteed moet worden, buiten het rangschikspel. Dat is geen feit waarop te wijzen is. Dat is namelijk geen feit. Het kan alleen een feit zijn als het door de speler in kwestie tot een feit gemaakt wordt, als een feit erkend, herkend, gekend wordt. De speler in kwestie moet het feit maken, hij kan dat feit niet aantreffen, niet vinden, niet uit een theorie afleiden, niet constateren. Het is namelijk geen natuurkundig feit maar het was misschien ooit een sociaal feit. Misschien ooit, in een uchronia las ik pasgeleden dat ze dat noemen, toen er een samenleving was, was dat een feit. Nu, nu hiertelande, in het hele vrije westen en in het hele bevrijde oosten, geldt slechts een sociale werkelijkheid, die van het rangschikken, het zich verwerven en uiten van voorrechten. Wie niemand belast, overbelast, hindert, vernedert, lastig valt, heeft geen rang, pas de geuite rang, pas de uitgeoefende macht, is er, bestaat, neemt ruimte in, is er effectief, is reëel in tegenstelling tot slechts potentieel. Een tussenvorm is dreigen met het (voor je laten) uitoefenen, het tot gelding (laten) brengen van je voorrechten, je macht.
Rang, voorrecht, macht bestaat slechts zodra, zolang en inzoverre door anderen erkend. Robinson Crusoe op z'n eiland alleen heeft macht, noch aanzien, noch voorrecht, noch rang. Geen heer(schappij) kan bestaan zonder knecht(schap). Knechtschap is het erkennen van voorrechten van de heer door de geknechte. Knechtschap is dus gevangenschap plus iets. Knechtschap is een voortbrengsel van de gevangene, de bedreigde, de bang gemaakte, die gek geworden is en zichzelf wijs gemaakt heeft dat de cipier, de bedreiger, de mishandelaar (de straffer) in orde is. Dat er een orde is waarin die voorrechten, die macht bouwelementen zijn. Meer op die gekte van de knechten dan op de gewapende macht van de heren berust en rust 'het systeem' waarin wij minstens gevangen zitten, minstens onze tijd, aandacht, energie en vaardigheden (txaenz) besteden; waaraan velen van ons, tijdgenoten (soms vrijwillig) meedoen, waarin velen van ons, tijdgenoten, geestdriftig opgaan, dat wil zeggen het bestaan van al het echte, buiten spel vergeten, zoals men dat ook bij minder omvattende gezelschapsspelletjes (kaart‑ en bordspelen bijvoorbeeld) wel doet.
Wel, dat is het hele argument: pas na het zien, opvatten, herkennen, erkennen en waarderen (op waarde schatten) van het zich rangschikken der mensen als een gezelschapsspel, kan iemand invallen wat mij invalt, kan hij zien wat ik zie. Het middel tegen de gedachten die mij invallen is dus heel eenvoudig: ontkennen dat het zich rangschikken der mensen slechts een gezelschapsspel is. [let wel: is, niet: lijkt op, trekken vertoont van, of welke afgezwakte erkenning dan ook.]
Goed, dat is de kern(inhoud) van mijn 'filosofie', mijn 'verlichting', mijn 'visie', zoek maar uit, voeg maar toe. Noem het mijn waanidee, als je dat oplucht of helpt. Ik heb geen enkele (psychische) behoefte aan bijval. Ik heb er geen enkele (psychische) behoefte aan anderen uit deze ("mijn") visie te zien handelen resp. nalaten. Het zal mijn tijd per definitie duren. Anderen, die later dan ik geboren zijn, die hun leven nog moeten uitleven, die hebben daar behoefte aan. Zij zullen wel als knecht of als heer, en in de rijke landen vaak in beide rollen tegelijk, deelnemen aan het spel, niet slechts er onvermijdelijk aan deelhebben. Ik gun hen dat alles van harte, ik ben geen Jezus. Ik richt mijn blik niet op de verliezers en vat hen zeker niet op als niet‑spelers, als niet‑generatoren. Ze zijn allemaal piepkleine steunpilaartjes voor het systeem: afkerig van elk alternatief voor een rangschikking.
Ophouden met benijden en bewonderen en erkennen van heren, dat kunnen ze van het ene moment op het andere doen. En dat breekt het spel. Begeerd wordt niet het goed dat van de heer, de bezitter, de ook‑bezitter, de collega‑bezitter (de naaste), maar zijn bevoorrecht‑zijn ten aanzien van dat goed, zijn rang dus.
Nou, zo is het wel duidelijk en kort genoeg hoor. Ik ga het verder niet uitleggen. Wie dit leest zal zich best al in staat voelen tot het naast zich neerleggen van het in deze tekst gestelde. En daar gaat het toch maar om, de lezer tot deze soevereine daad de gelegenheid geven. Dat is de dienst die ik verleen. Ik ken mijn plaats: buiten de ranglijst, dus er onder.

Het hebben van een rang betekent het hebben van het recht om voor een gelijkhooggeplaatste (en zeker jegens een lagergeplaatste) onaanspreekbaar te zijn. Hoe hoger rang hoe meer recht om soeverein, aan God, anderen, noch rede onderworpen te zijn. Om soeverein te kunnen zijn heb je de spelvaardigheid nodig die men 'willen' noemt. Willen uit het niets, niet te verwarren met het wensen van wat je voelt dat je nodig hebt, nodig moet. Gewild in de echte spelbetekenis, soeverein gewild, wordt er alleen onnodigs, nutteloos spul, nutteloze dienst. Slechts het aan de ander afgedwongen nutteloze en onnodige gedrag is vernederend. En dat vernederen is het doel, want zonder dat de een vernederd wordt, wordt de ander niet verhoogd. Bevoorrechten is de achterkant van vernederen. Het anderen onnodige last laten verdragen is even geschikt als uiting van rang als het anderen kunstjes laten doen, onnodige lasten laten sjouwen, dwangarbeid laten verrichten, dingen laten doen waar ze geen zin in hebben, met tegenzin is het effect nog mooier.
Overlast is dan ook geen toevallig verschijnsel, het is een van de vele vormen waarin men zich laat gelden, anderen laat merken dat men er is, laat merken dat men meetelt, laat merken dat men zich niet beneden alle laat plaatsen, dat men niet met iedereen altijd rekening moet houden, zich niet voor iedereen altijd moet beperken. Zich redelijk en volgens regels gedragen is zich beperken, want hoger geplaatsten hoeven dat niet of minder. Het overtreden van alle regels is te koop, boeten betalen heet dat kopen, en naast die officiële boeten zijn er de inofficiële smeergelden en de zeer werkzame betrekkingen en advocaatskosten.
Maar deze tekst heeft niet overlast als onderwerp maar het zich rangschikken der mensen in de civilisatie. Op overlast en onrecht en armoe staart men zich blind voor dit onderwerp: het zich rangschikken is een gezelschapsspel waarin vrijwel iedereen met totale bewustzijnsvernauwing meespeelt en / of zich laat gebruiken. Wie de grandeur bewondert, wie luxe bewondert, wie topprestaties (knechtenkunstjes en technologie) bewondert, werkt mee, speelt mee, is binnen spel.
Men staart zich blind voor het rangschikken als spel door de blik te richten op het positieve en / of het negatieve, op de pracht en / of op het vuil, de armoe, het leed, de schade. Men ziet het feit dat het een gezelschapsspel is zonder enig recht op achting, gespeeld door lui met een totaal vernauwd bewustzijn, gespeeld met bloedige 'ernst', die slechts uit die bewustzijnsnauwheid is te verklaren. Wie dat feit [zich rangschikken is een gezelschapsspel als alle andere, alleen door totaal gek gewordenen gespeeld] ziet, constateert, echt tot zich door laat dringen, is daarmee verlost van de verwarring die zonder die constatering een ieder treft die tot zich door laat dringen wat hij kan waarnemen aan concrete daden (zetten) en daaruit voortvloeiende gebeurtenissen in de wereld.
Dat is het onderwerp van dit schrijfsel: het herkennen van zich rangordenen als gezelschapsspel verlost (onder andere van verwarring, van de neiging [gevoelde dwang of drang] om mee te doen, van bewondering, van afschuw, van alle gevoel jegens de spelers en jegens het spelverloop, jegens het al of niet gevolgd worden van deze of gene regels). Dit constateren brengt je buiten spel of het kunnen constateren vereist het eerst verlaten van het spel; dat weet ik niet. Wie binnen is kan het gebouw niet van buitenaf zien. Wie speelt kan het spel niet als poeha herkennen, kan er geen afstand van hebben. Afstand nemen vooronderstelt / vereist ophouden met spelen, ophouden met erbij betrokken zijn.
Als het genoemde feit een te verkondigen boodschap was, dan zou deze slechts voor buiten spel staanden te horen en te gebruiken zijn. Binnen spel is deze constatering niet bruikbaar voor het bedenken of uitvoeren van welke zet dan ook.
0 Reacties