Overzicht van mijn denkweg

Categorieën: 2000, 1 januari – 2004, 31 december | Archief

Trefwoorden: Krishnamurti (Jiddu)

Jaap Schot, 21 mei 2004

Toen ik afgestudeerd was ben ik onmiddellijk opgehouden te lurken aan de output van het medium ‘boek’. En tijdschriften en kranten las en lees ik ook niet. Ik kijk alleen televisie en ik denk want er valt mij allerlei tekst in, die ik dan uitschrijf, zoals nu. Ik schrijf uit. Kijk maar dit zijn de sporen. Wat ik uitschrijf hoor ik met mijn geestesoor. Zoals de schizofreen stemmen hoort, zo hoor ik er één en die zegt dit. Ik zeg dit dus niet hardop, maar schrijf het uit.
Aanvankelijk, als leraar en als docent schreef ik hetgeen over ‘wat ik als onderwerp, al onderwijzend moest bespreken’ en ‘wat daar geen onderwerpen konden zijn’ apart uit. Wat voor het onderwijzen was, werd door mij (direct) op stencil getypt en in twintigvoud of zo afgedraaid. Nadat ik ontslagen was, bleef die scheiding tussen wat ik toen maar ‘mijn boek’ ging noemen en het gewone nog lang bestaan. Maar nu is dat gescheiden houden iets minder geworden.

Mijn teksten

Het moge de lezer duidelijk zijn dat ik ‘alles wat ik in de loop van die nu 34 jaar heb gedacht’ niet in één opstel, zelfs niet in één handzaam boek, kan uitleggen. "Voorleggen" zou het juiste woord zijn, als het dingen ter waarnemende bestudering betrof.
Ik bewaarde al mijn teksten en leg nu alleen uit waar ik nu gekomen ben. Ik heb mijn denkweg waarschijnlijk buiten de, door anderen, betreden paden afgelegd.

Is dat zo? Ik weet het niet, want ik heb niet op anderen gelet.
Ik las en lees hun publicaties niet. Mede omdat ik ervan overtuigd ben dat hun werk kennelijk is goedgekeurd door de uitgever. En dat is verdacht.

Mijn teksten zijn vast voor velen vol uitspraken die hen nieuw en verhelderend en helpend zijn. Voor anderen kunnen ze aanleiding tot ‘mij haten’ zijn en ik ben niet van plan mij in gevaar te begeven, niemand is mij dat waard. En, zoals J. Krishnamurti zei, “de waarheid heeft geen verdediging nodig”. Er is op ware uitspraken ook geen auteursrecht mogelijk.

Ik had om in mijn eentje over te denken niets wat niet ‘voor iedereen toegankelijk’ was. Behalve mijn unieke, in 21 jaar dagonderwijs naast het gewone leven thuis en zo, bijeengeraapte zootje begrippen en onderscheidingen. Uniek was en ben ik, net zoals elk paar oude gebruikte schoenen uniek, eenmalig en onherhaalbaar en ‘niet na te maken’ is.

Vinden (1) en vinden (2)

Langs welke weg men er ook heen gaat, als men naar de zaken zelf (het nog niet begrepene, nog niet ingedeelde) gaat, en waarneemt, dan vindt men waarheid. Wat niet het geval is, is niet te vinden en ‘vinden (1)’ in de betekenis van aantreffen/ waarnemen (als zintuiglijk gegeven hebben) is te onderscheiden van ‘vinden (2)’ in de betekenis van menen (als opinie of geloof hebben), menen te weten (want van horen zeggen hebben en met anderen samen vanzelfsprekend vinden), puur talig (verbalistisch) aangemaakt: afgeleid uit de woordenschat en uit de verzameling beelden en verhalen in bekende woorden, stilistisch mooi, grammaticaal juist, logisch doortimmerd en aantrekkelijk consistent, in aansprekende beelden verpakt. Auteursrecht past op wat via vinden (2) werd neergeschreven of uitgesproken.
Uit vinden (1) komen de meldingen, de ware uitspraken, maar: die zijn voor wie deze uitspraken doet: ‘verwoordingen van kennis’ en voor wie ze hoort zijn ze slechts: informatie (= van horen zeggen). Niets is geloofwaardig, al is geloven soms nodig, om te overleven (Jantje en het te dun geworden ijs). Geloven is passend in leven/ overleven, zelf waarnemen pas is deel van LEVEN. Overleven is alleen in de hoop ooit (weer, of voor het eerst  – namelijk voor wie in gevangenschap/ slavernij geboren, geworpen en gehouden werden) LEVEN op te doen, te accepteren met alle aanklevende onlust.

LEVEN voor de dood

Oorspronkelijk zal menigeen wel beseft hebben dat het geloof in de opstanding des vleses – in tegenstelling tot de reïncarnatie des geestes  – hierover ging: nog vóór je dood aan LEVEN toekomen. In die richting wijst ook de ‘eindtijdverwachting’ die het geloof (= de vaste grond der dingen die men hoopt en het bewijs der dingen die men niet ziet) van de schrijvers van het Nieuwe Testament kenmerkt.
Let op: geloof wordt hier uitdrukkelijk omschreven als iets anders dan het voor waar aannemen van andermans melding. “Geloof en hoop", mooi hoor, niks ten nadele ervan gezegd. Maar dat waar we het meeste aan hebben, is de liefde (in de betekenis van het samen delen van wat we aan potentieel voor iemand nodigs hebben).

In de hemel kom je als je door de gevangenschap in de wereld héén gekomen bent. Als je bevrijd bent. Als je je bevrijd hebt, niet van ijzeren boeien en van de bedreigingen door anderen, waarop ‘de economische stand en gang van zaken’ berust, maar van het vanzelfsprekend vinden daarvan en het geloven erin. Bevrijd van het ‘ván de wereld zijn’, niet van het ruimtelijk ín de wereld zijn, de wereld is voor ons nu eenmaal ons ecosysteem: wij LEVEN (als wij de boodschap van het Nieuwe Testament geloven zoals ik) van de winkelcentra en de woningvoorraad, zoals de eekhoorn van ‘zijn’ bos.

De aanspreekbare ander is een fantasie

Wij treffen God niet aan. De schepping komt ons voor als ‘als gemaakt volgens plan en met intelligentie passend beschrijfbaar’. Toegegeven, met de latere evolutieleer komen we ook een heel eind. Het nadeel van het toeval is dat het voor wie geen gesprekspartner heeft voor zijn gedachten, geen lezer voor zijn uitschrijfsels, niet aanspreekbaar is. Er is niks tegen als een kind zich een vriendje ‘denkt’ of haar dagboek als het ware aanschrijft (“Lief dagboek”): als het maar over gaat. En als het vervangen van dat aangesproken niet-bestaande/ niet-levende, door een of ander mens, maar niet voortduurt. Want het besef moet ooit komen dat ook die ander slechts ‘een ding dat gebeurt’ is, als aanspreekbaarheid evenzeer een fantasie als die god en dat dagboek.

Dát is de centrale klapper: de ander als aanspreekbare is net zo’n fantasie als de aanbeden zee, de berg waaraan men offert, de Schepper-onderhouder-dader (van alles wat gebeurt) “God”.
Ook ik zelf, als dader, ben zo’n fantasie. Ik gebeur, ik doe mij niet. Het commentaar bij mijn gebeuren, dat mij als tekst invalt, is niet wezenlijk van een andere soort of orde dan hormonen of urine of ademhalingsbewegingen.

Er is geen het dat onweert,
er is geen ik die ademhaalt of ‘denkt’.

Staatsgodsdienst

Het is nodig te bedenken (= eraan te denken, niet te vergeten, niet uit het oog te verliezen) dat het Nieuwe Testament werd geschreven in een slavenhouderij. Pas veel later is men ertoe overgegaan de slavernij en het tijdens het leven bevrijd kunnen worden, te ontkennen en het eeuwige leven (het LEVEN) heeft men toen na de dood geplaatst. Dat was veel en veel goedkoper en paste toen de boodschap van Jezus tot staatsgodsdienst was gemaakt, wat natuurlijk zonder bizarre vertekeningen en toevoegingen niet kon.
Het is hier wellicht een goede plek om aan te wijzen hoe de logica dat aureool van bevrijdingsgereedschap op kon lopen. Met lógica was de onbruikbaarheid van Jezus’ boodschap als staatsgodsdienst aan te tonen. Eeuwenlange ketterij. Argumenteren tegen geweren. Dat werkte en werkt nooit ergens ook maar enigermate (‘voor een meter’, zoals de uitdrukking is). Het woord is machteloos gebleken.

Wetenschap

En dat is de reden waarom het aantonen ervoor in de plaats komt: de heksenwaag in Oudewater en Torricelli met zijn vacuüm boven zijn kwikkolom. De moderne wetenschap: intersubjectiefs en zonder gezaghebbende teksten en met de logica als onwezenlijk onderdeel van het verwachtgereedschap dat elke wetenschappelijke theorie is: een theorie is, zo is aan iedere wetenschapper bekend: slechts een menselijk maaksel, de maker is met naam en toenaam, woon- en werkplaats bekend aan de anderen. Er is niets heiligs aan. Het is geen staatstheorie, zoals het christendom en de islam staatsgodsdiensten waren en zijn. Er staan geen dreigers met geweren achter. Geen WETENSCHAPPER die nog bij zijn verstand is, verdedigt een theorie. Maar er zijn heel veel wetenschappers (hun aanduiding geschreven in kleine letters, onderkast dus, geen kapitalen). Die geloven ook niet zelden in de staatsleer of deze nu ‘democratie’ of ‘islam’ of ‘katholicisme’ is. Dat kunnen wetenschappers zonder hoofdletters.

Ze WETEN niet wat ze doen. Ze beoefenen geen wetenschap, zoals dansers op het toneel geen vreugde uiten. Het is een beroep, de priesters zijn en waren in staatsdienst. Er wordt gedaan, niet geuit. Er is de technische vaardigheid in overgrote mate, er is niet de mentaliteit, die lui met die mentaliteit, die laat men niet werken met, en aan, de peperdure apparatuur die eigendom is van de machtigen (de machtige, dat is tegenwoordig hier, via via: Koning Klant). Tenzij hun eigen zó-zijn (in dit geval, hun ongeloof) op hun werkplek irrelevant is.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *