In het najaar van 2019 is penningmeester Pieter Veninga plotseling overleden. Pieter was vanaf 1963 bevriend met Jaap. Pieter was, naast een zeer gewaardeerd bestuurslid, een heel fijn en beminnelijk mens. De huidige voorzitter hecht eraan te benadrukken dat de prettige samenwerking en de oprechte vriendschap met hem node gemist zullen worden. Het integraal publiceren op deze website van de afscheidsrede van vriend Han van Ruler, uitgesproken bij de crematieplechtigheid voor Pieter, lijkt ons een gepaste geste.
Gemakkelijker dan het verwerken van het verdriet, bleek het vinden van een kandidaat voor de vacant geworden functie is. Michiel van Akkeren is bereid gevonden om het penningmeesterschap op zich te nemen. Eén van zijn eerste taken was het maken van het financieel overzicht 2019.


Lieve Pieter,

Wat hebben we, in de veel te korte tijd dat we elkaar hebben gekend, een hoop lol gehad samen. En wat hebben we elkaar daarbij weinig hoeven uit te leggen. Het was alsof we altijd vanzelf al wisten wat we zouden ondernemen. En wat hebben we een hoop ondernomen: Helemaal naar Berlijn, naar Bremen en Mecklenburg, met het zwarte Renault Clio-racemonster naar de Dordogne, met John naar Amersfoort, met Rob naar Den Haag, of met Jan, mijn Jan, naar Appingedam. We vermaakten ons altijd heel vanzelfsprekend. Het enige dat ik van je heb moeten leren, Pieter, was fietsen: richting Wijhe, Joppe, Zutphen, of naar Bussloo – en altijd weer terug naar die heerlijke Brink. Bij je thuis stond radio 4 eigenlijk standaard aan en vanaf de bank keek ik in de verte naar een snelweg die zo ver weg lag, dat het schijnbaar langzaam bewegende verkeer alleen maar bijdroeg aan het gevoel van thuiskomen dat ik in de afgelopen jaren bij jou in Deventer heb ontwikkeld. We hadden wat je noemt ‘een klik’: vanaf het eerste moment heb ik bij jou een diep gevoel van geborgenheid ervaren – en vanaf het eerste moment heb ik mij erover verbaasd dat jij juist andersom beweerde dat je precies datzelfde bij mij ervoer.

Ik kan nog steeds niet goed bevatten dat dat nu voorbij is. We hadden nog zoveel dingen gepland: nog eens langsgaan in Bierum, het Rijksmuseum Twente bezoeken – ik ben nog steeds nooit in de Fundatie geweest. De dag dat Jan en ik afreisden naar Japan vroeg je me nog naar de data van de toneelvoor-stellingen – 9 november Ibsen, 7 december Beckett – en appte je dat je de bootreis voor je vijfenzeventigste verjaardag definitief had vastgelegd voor zondag 26 januari 2020.

Die dagen zullen nu allemaal heel anders zijn. “Is zaterdag niet beter voor je bootreis?”, had ik je al eerder gevraagd, maar daar wilde je niet aan. Inmiddels weet ik dat 25 januari ook een sterfdag was, en ook een dag van 75 jaar terug, maar dan in Sachsenhausen, Oranienburg – zeggen en schrijven vier dagen nadat jij in Groningen geboren werd.

Ik weet het niet of het daaraan lag, Pieter, dat je die zaterdag vermeed. Je was op dat gebied nooit een man van te veel woorden. Maar misschien werd 75 jaar je gewoon te veel, net zoals het je afgelopen jaar in Westerbork al na twee stappen opeens te veel werd en we maar snel het bos zijn ingelopen. Wat ik wel weet is hoe het verleden van 75 jaar terug je nog steeds achtervolgde.

Ik keek een beetje tegen je op omdat je altijd zo goed voor jezelf had gezorgd; een avontuur leek te hebben gemaakt van je leven, al met je moeder in Appingedam en Hilversum, maar ook later, met Nel in Den Haag en Oslo (Oesjloeh, moest ik van jou zeggen), en met Jan, natuurlijk, met jouw Jan, in Leersum, op Granada (‘Gruhneehda’, zei jij), in Berlijn en Deventer.

Het viel me op dat je Jans naam weliswaar had doorgestreept en weggekalkt nadat je afscheid van hem had moeten nemen, maar dat je altijd heel liefdevol over hem sprak, en in feite nog steeds ‘bezorgd’, zoals je eigenlijk altijd met liefde en bezorgdheid over anderen sprak en ik je nooit op een kwaad woord over iemand anders heb kunnen betrappen. En dan spreek ik ook namens mijn Jan. Net voordat wij bijna twee weken terug naar Japan vertrokken, kwam je nog een keer in Leiden bij ons eten. Jan had je al even niet gezien en hij is die avond geschrokken hoe je lichamelijk achteruit was gegaan, maar hij was blij dat je mentaal nog altijd dezelfde was – je oude, liefdevolle, accepterende en ruimdenkende zelf.

Ten aanzien van jezelf was je veel minder kieskeurig: “Ga om mij niet zitten treuren,” heb ik je meerdere keren horen zeggen in de afgelopen maanden. De afgelopen weken ging het opeens slechter met je. We hebben het veel over je Parkinson gehad, maar beseften eigenlijk niet dat we misschien aan heel andere aandoeningen hadden moeten denken. Naar de dokter gaan, daar zag je niet gauw de noodzaak van in, zeker niet nadat je afgelopen zomer bij Kjell [Chjell] en Siri in Noorwegen nog uitgebreid was onderzocht en gezond was verklaard. Een week voordat Erik, Hans en Rob je vonden, voelde je je opeens veel beter en verzekerde je me over de telefoon dat het waarschijnlijk een virusje was geweest, en je nu toch gewoon naar Berlijn zou gaan… waar Tommy je vorige week tevergeefs heeft opgewacht.

“Ga om mij niet zitten treuren.” Dat doe ik wel, Pieter. Ik treur met al die lieve mensen om je heen die jou nog veel beter hebben gekend dan ik en van wie ik, naast Janneke en Wil, Dieneke en Trudy (en een hele rits mannen, natuurlijk), de meesten toch alleen uit jouw verhalen heb leren kennen – net zoals ik treur om die hele treurige geschiedenis die je al 75 jaar met je meedroeg. Want soms lag het er zó bovenop… Heel filosofisch kon je tegenover mij beweren dat je net zo goed niet geboren had hoeven worden. Toen ik je in Rheinsberg heel voorzichtig confronteerde met het idee dat die gedachte misschien bij jou opkwam omdat je inderdaad bijna niet geboren was, heb ik je helemaal in elkaar zien zakken, plotseling aangedaan en totaal overmand door emoties. Zo diep zat de wond er na bijna 75 jaar nog steeds. Wat heb je het, in al je ongedwongenheid en met al je avonturen, toch zwaar gehad, jongen: alsof je vanaf dag één met je bestaan iets goed hebt moeten maken. Misschien was je wel zo gek op mij omdat ik, vanuit een psychologie van de koude grond misschien, maar toch heel oprecht en puur op gevoel, bij jou kon losmaken wat er was opgebouwd in die kleine Pieter van dat prachtige portret uit Appingedam. Heel ontwapenend kwam je al de allereerste keer dat ik in Deventer bij je op bezoek was met een portret van je vader tevoorschijn, met de mededeling dat ik jou vanaf het eerste moment aan hem had doen denken. Als ik vanaf dag één een lijfelijke geborgenheid bij jou heb gevoeld, kon ik bij jou misschien ook wel precies datgene aanvullen wat in jou een gevoel van geborgenheid wekte.

Lieve Pieter, je kunt niet weten hoe het me spijt dat je wellicht toch in eenzaamheid geleden hebt in je laatste uren, in je laatste dagen misschien wel, maar je weet gelukkig ook heel goed dat een “Ga om mij niet zitten treuren” van jouw kant, zo nuchter en tegelijkertijd betrokken als je kon zijn, natuurlijk ook heel effectief was – voor mij net zo goed, denk ik, als voor alle anderen om jou heen – en hoe je ons dat vandaag nog steeds zou hebben gezegd. Ik treur wel, Pieter: ik treur om jou. Maar ik treur vanuit een dankbaarheid voor alles wat jij in die paar jaar voor mij hebt betekend.

[Rust zacht, lieve jongen.]

Afscheidsrede

Hieronder kunt u een reactie geven op bovenstaande tekst.
Het kan enige tijd duren voordat uw reactie geplaatst wordt.