Persoonlijke en tussenpersoonlijke problemen

Categorieën: 1990, 1 januari – 1994, 31 december | Archief

Trefwoorden: geredigeerd | woordvechten

Jaap Schot, 23-26 april 1992

Laten we nog even doorgaan de persoonlijkheid te bespreken als een dikke schil met een binnenkant en een buitenkant. Die schil zit om het individu, de mens, heen zoals een schelp om de oester. Of, zoals een schelp om de heremietkreeft.

De heremietkreeft is iemand die lege schelpen tweedehands gebruikt om erin te wonen, tot ze hem te klein worden. Dan verhuist hij – herstel, verschelpt hij. Dat verschelpen is een gevaarlijke bezigheid, want de schelp dient hem als bunker, als bescherming.

Nog een beeld extra: de geciviliseerde, de opgevoede, heeft zijn persoonlijkheid aan zoals zijn kleren. Zijn persoonlijkheid is een volstrekt kaleidoscopische – toevallige – bundel gedragspatronen, vooronderstellingen, voorkeuren en attitudes. Eigengemaakt of confectie; en dan altijd zelf hier en daar vermaakt of kapot gemaakt.

Vrijwel allen hebben hun persoon over het hoofd gezien, onopgemerkt en zeker ondoordacht gelaten. Het helpt ook weinig wanneer iemand zijn persoonlijkheid gaat bestuderen qua herkomst en structuur. Zo'n psychoanalyse – of andere psychotherapie – zal hij ondernemen als zijn persoonlijkheid hem als maatschappelijk/sociaal gereedschap niet voldoet, als hij emoties bij problemen voelt. Wat voor een – voor anderen, ondragelijk en schadelijk – karakter (gewoontenpatroon) de succesvolle hufter ook heeft, hij zal door zijn succes totaal verzoend, tevreden zijn. Ja, blij zijn met zijn persoonlijkheid. Trots op, en vol positieve waardering voor, zijn opvoeder(s) en/of 'zijn genen', zijn schepper, zijn ras. Alleen zij die in het spel falen – en aanstaande therapeuten, die aan die minvarianten gaan verdienen – richten hun aandacht op hun persoonlijkheid.

Beelden

De persoonlijkheid als geheel verwerpen, bij zichzelf en anderen, is in de psychotherapie niet aan de orde. Het is geen bevrijdingsbeweging. De 'eigen', bij zichzelf aangetroffen persoonlijkheid als geheel verwerpen en wegwerpen komt voor. Maar dan wel ter onmiddellijke, onverwijlde vervanging ervan door een nieuwe. Nogal wat sekten en dergelijke 'ismen verkopen zo hun 'nieuwe mens', de nieuwe identiteit. Wie dan ook wil horen hoe toevallig en futiel elke persoonlijkheid is, moet de argumentaties van die sekten lezen. Alle persoonlijkheden, behalve die ene, die zij in hun winkeltje verkopen.

Zodra, zolang en in zoverre we met deze beelden blijven werken, kunnen we geen zekerheid krijgen omtrent de vraag welk beeld de meeste – en zelfs, welke – overeenkomsten vertoont met de werkelijkheid. Hoe prettig wegpratend ook, we moeten van die beelden af.
Zodra we echter de beelden verlaten, belanden we in de introspectie. De ander kan ik alleen van buitenaf waarnemen. Ik zie wat hij doet en nalaat. Ik zie niet eens of hij er iets mee bedoelt. En zo al iets, wat dan wel. Ik kan zien wat hem ergert (als hij dat uit) en wat hij toejuicht. Maar alles is te spelen, te veinzen, voor te spiegelen. En dat gebeurt ook. Niemand weet of hij oprechtheid van expressie voor zich heeft, of geveins.

Personen handelen als lid van een groep

De ander is voor mij een gesloten boek, waarvan de inhoud mij ook totaal niet interesseert. Via de persoon is slechts mee te spelen in het sociale spel. Via de persoon – het aangeleerde – is slechts als groepslid te handelen, te doen en na te laten.
Slechts de bekeerling of de vreemdeling die in een stam werd opgenomen, heeft een vroeger leven als lid van een andere groep in zijn geheugen, ter vergelijking met de groep waarin hij nu zich bevindt – al of niet, passend. Een kind heeft geen ervaring in – dus geen herinnering aan – een andere groep dan die welke hem omgeeft en hem een persoonlijkheid aanmeet, aandoet, waaraan het zich passend moet maken.

De dikte van de schil

Van de schil wordt de buitenkant door de aanpassers gevormd en "beschaafd". De opvoedeling geeft de schil dikte door afstand te nemen tot zijn gedrag, door het reageren "volgens zijn persoon"1 op te vatten als gereedschapsgebruik. In plaats van het te "menen".
Er zijn lieden die zeggen dat alle gedrag doelgericht, intentioneel, is. Dat wil dus zeggen dat zij die dikte als steeds voldoende opvatten. Voldoende bescherming om als, erdoor omgeven, individu niet beschadigd te raken door de onhanteerbaarheid, het gehak en het geschaaf van de anderen. Wie een voldoende grote afstand neemt van de anderen – wie zijn schil 'persoonlijkheid' dik genoeg maakt – raakt door de onhanteerbaarheid, het niet voor rede2 vatbaar zijn, de onredelijkheid, de soevereiniteit van zijn tijdgenoten niet beschadigd, niet in paniek. Hij raakt er slechts door gefrustreerd. Dat wil zeggen: aangezet tot het uitoefenen van hetzelfde recept met meer kracht, of van een ander recept. Frustratie leidt bij hen tot agressie (/ vechten!), niet tot vertwijfeling en eenzaamheid.

Klankblokken

Volgens Kouwer, schrijft Sartre over Genet dat deze zijn eigen uitspraken ging opvatten als klankblokken. Bedoeld om bij de aangesprokenen te werken zoals sleutels werken in sloten, zoals commando's werken jegens een robotcomputer. Dit zo opvatten, verschafte Genet de schaaldikte die hij nodig had om niet langer kwetsbaar te zijn.
Psychisch kwetsbaar natuurlijk, lijfelijke onkwetsbaarheid is iets anders, een verzinsel. 'Vervreemding' is een term hier in de buurt. Wat heet er 'vervreemding', wat heet er 'bevrijding', wat heet er 'verlossing'?
Los, niet langer – via de vorm van de buitenkant van de 'eigen' persoonlijkheid – vastgehaakt aan anderen. Schuldgevoel wordt vaak genoemd als de haak waarmee de persoon telkens weer vastraakt aan de anderen en wat zij doen, en wat hen overkomt. 'Plichtsbesef' is ook zo'n naam voor die – of, een andere – haak.

De ander is onkenbaar

Naar de introspectieve gegevens dus. Want de ander is voor mij onkenbaar, ondoorzichtig is zijn oppervlak. Zijn doen en nalaten zijn niet te doorzien, slechts (gissend) te duiden. Ik heb gemerkt dat ik de, voor het behalen van succes in de maatschappij, nodige gevechtstechnieken en de vechtersmentaliteit niet als deel van mijn persoonlijkheid heb aangeleerd. Later inzien wat er nodig is voor succes, hielp mij niet aan die genoemde mentaliteit, die voorwaarde is om die technieken te aanvaarden en te oefenen.

Geaccepteerd worden
Bij mij zoals bij vele anderen bleek de neiging aanwezig te eisen aanvaard – en dus, succes gegund – te worden, zoals mijn opvoeding in mijn kindertijd mij had afgeleverd aan de maatschappij. Ik heb dat toen ik afgestudeerd was ook heel expliciet, met evenzovele woorden openlijk gezegd.

"Men heeft nu vanaf mijn geboorte aan mij omgeknutseld.
Ik wens nu geaccepteerd te worden zoals ik geworden (gemaakt) ben."

Dat aanvaarden nu, dat zat er voor mij niet in. Uiteindelijk, toch nog pas na vijftien jaar in de maatschappij een baan gehad te hebben hoor, ben ik eruit gegooid. Omdat ik persoonlijk werd afgekeurd. Uitdrukkelijk, schriftelijk vastgelegd. Niet mijn werkprestaties, en niet mijn geestelijke gezondheid.
Dat hebben ze nog geprobeerd. Mij ertoe te verleiden mij overspannen te laten verklaren, de WAO in te gaan. Dat gaf ook financieel nog voordeel voor mij. Dat heb ik natuurlijk geweigerd. Kom nou, die prijs was te laag!
Ik kan wel vechten, maar ik voel daar niets voor. Ik wil dat niet, niet voor iets onnodigs, binnen een spel. Met name HET spel "overtreffertje met voorrechten".

Mijn onaangepastheid

Mijn persoonlijkheid past gewoon niet in wat nu gaande is, dat spel. Dat is geen verdienste van mij en het is ook geen schande. Het is gewoon een feit, een gegeven. Als gegeven is het oninteressant voor dit opstel. Interessant is het feit dat het me niet lukte een andere vorm (buitenkant) aan mijn persoon te laten maken. Het lukt me niet mij te willen aanpassen. Ik kan niet willen wat ik wil. Die uitspraak vond ik bij John Locke en die uitspraak trof mij, als juist.

Ik heb geen vrije wil waargenomen, nergens. Wat ik wilde, als ik al eens iets wilde, viel me in. Zoals 'spontane' gedachten en andere afscheidingsproducten van mijn persoonlijkheid mij invielen. Nu heb ik het wel gepresteerd om – al uitschrijvend – dat wat mij invalt, te beïnvloeden. Ik heb me een begrippenapparatuur eigen gemaakt (gedeeltelijk zelf aangemaakt) die veroorzaakt dat mij nu over een onderwerp niet meer invalt, wat mij er 20 jaar geleden bij inviel.

De gelegenheid had ik om opstellen te schrijven tot die mij de moeite waard voorkwamen. De gelegenheid om met anderen (of, maatschappelijke taken) om te gaan, had en heb ik niet. Met gebruikmaking van die gelegenheid had ik ook aan die "kant van mijn persoon" wel iets kunnen veranderen, vermoed ik. Is dat 'denken' waardoor jou iets in het bewustzijn valt, een kant van je persoonlijkheid? Kun je dat zo zeggen? Is je doen en nalaten jegens anderen een 'kant van je persoonlijkheid'? Met 'binnenkant' en 'buitenkant' kan ik wat, bij het beeld van de persoonlijkheid als een schil, een schelp. Maar die andere 'kanten' komen mij als lege woorden voor.

Actief werken aan de "eigen" persoonlijkheid

Zo, doende, jezelf onderwijzend, autodidactisch bezig, kun je je ontdoen van de persoonlijkheid waarin verpakt (gekleed, gevestigd) je je aantreft. Doende! Niet slechts wensend, dromend en denkend, want dat verlost niet. Je moet zelf iets nieuws schrijven op je zenuwstelsel, je geheugen, waarop je persoonlijkheid reeds onuitwisbaar is gegrift. Vastgelegd, zoals een tatoeëring op je huid.

Dat is de kern van de zaak!

Je kunt de – er reeds liggende – kanalen, beekbeddingen en rivierbeddingen, niet wegwerken. Je kunt slechts nieuwe kanalen graven. Zo diep, en anderszins gunstig voor de stroom van je energie, dat de oude waterlopen erdoor in onbruik geraken.

Bevrijding door DOEN
Zo doende kun je je bevrijden van wat je als gegeven aantrof: je persoonlijkheid, het toevallige 'geheel van waterlopen'. Toevallig, voor wat jou en je nieuwe omgeving betreft.
Op die manier kun je een einde maken aan jouw 'nu eenmaal zo zijn'. Het 'nu eenmaal zo zijn' waarachter zovelen zich zo gaarne terugtrekken.
Dan ben je af van die persoonlijkheid. Dat gareel, dat paardentuig waarbij de 'oude' anderen jou vasthadden en/of de 'nieuwe' anderen je proberen vast te pakken.

Sociale persoonlijkheden

Maar de persoonlijkheid is met het beeld van het paardentuig niet uitputtend passend beschreven. Het werkt ook andersom. Persoonlijkheden houden elkaar vast als kinderen die elkaar een handje geven. Iedere persoonlijkheid is wat dat betreft een grote (onuitputtelijke?) voorraad handjes. Hoe "socialer" de persoonlijkheid, hoe meer handjes.
Sociale persoonlijkheden willen, naar hun zeggen, beroepsmatig of zelfs vrijwillig, graag 'iets met mensen doen'. Daarbij is dat iets nooit zoiets als ' een kar een heuvel op duwen', hoewel je dat toch ook samen kunt doen.
Zonder 'eigen' persoonlijkheid heb je ook geen greep (meer over) op andere persoonlijkheden. Ik stel dit op basis van introspectie. Ik merk dat die andere persoonlijkheden, toevalsproducten als ze zijn, me totaal niet meer interesseren. Die toevalsproducten vinden elkaar vaak heel boeiend, ze zijn allemaal zo uniek. Dat maakt hen nu juist zo onmetelijk oninteressant.
De stand en gang van het spel en de spelers op enig concreet moment, zijn alleen voor spelers en geïnteresseerde toeschouwers van belang. Niet voor wie buiten spel is, bestaat, leeft. Niet voor wie buiten spel zijn tijd, aandacht, energie en vaardigheden besteedt.

Vrij van bindingen

Ik ben nu vrij van de bindingen aan, en in, het spel. Maar die vrijheid zoeken de personen niet.
Ik ben buiten spel, maar de aarde, alle bruikbaars en bezitbaars is hun bezit. Als bezit onthouden de spelers gebruik-door-mij: ik moet ervan afblijven. Daardoor kan ik buitenspel niets beginnen. Van alle bruikbaars moet ik afblijven, op bevel (= onder bedreiging) van hen, de bezitters. Daarom is het zo saai buiten spel.
Een ander verschijnsel bij wie zich bevrijdde van zijn persoonlijkheid, is dat hij verder geen solidariteit en geen loyaliteit meer voelt. Geen betrokkenheid ook. Een vaag gevoel komt – aanvankelijk, vaak – op, dat erop wijst dat er iets mis is. Nee hoor! Als geldigheidsgebied, als woon- en verblijfplaats, hebben die deugden de hel. Daar waar het spel gespeeld wordt, 'de wereld'.

Zo blijkt het leven ook zinloos, zonder kader, zonder bedoeling, zonder bedoeler, zonder verleden en zonder toekomst.
Binnen het spel leert men elkaar zinloosheid als negatief te ervaren. Dat kan, ja past daar.
Omdat er binnen het spel geen heden is, maar slechts verleden en toekomst. Precies omgekeerd dus, als buiten spel.

Gebruiksvee of dierentuindier

Binnen het spel heeft de mens de status van gebruiksvee: dwangarbeid met de persoonlijkheid als leidsel/gareel. En de baas, de leider, de leer, als gebruiker. De gebruikte wordt met de zweep als dreiging, en 'de wortel' als beloning, gemotiveerd: aan de gang gebracht en gehouden.
De ongebruikte (bijv. werkloze) heeft de status van dierentuindier: gevangen en verzorgd door – dus inkomensbasis van – verzorgers, administrateurs, bewakers, cipiers. Het dierentuindier hoeft niets en kan niets, en heeft geen uitzicht op bevrijding, het heeft echt levenslang. Het dierentuindier heeft geen persoonlijke problemen, want het is niet tam. De ongebruikte "ooit geciviliseerde" is, als hij zich van zijn persoonlijkheid – zijn gareel – heeft ontdaan, verwilderd. Hij is niet meer tam.

Terzijde over misdadigers

Er is een type misdadigers denkbaar dat ook bestaat uit lui in onbruik, lui die zich van hun gareel ontdaan hebben en die nu zich als roofdieren gedragen ten opzichte van hun medegevangenen als prooidieren. Zo'n misdadiger zou ook buiten spel zijn. Maar dit wordt duidelijk een apart verhaal.

Wat is er nu te zeggen, te formuleren, over persoonlijke problemen?

Ik hou toch nog even vast aan dat spreekbeeld van de persoonlijkheid als die dikke schelp, à la die oester.
Drie grondproblemen zijn er dan:

  1. schelp aan de buitenkant niet passend aan de omgeving.
  2. schelp te dun. De anderen, door jou – ten onrechte, in dwaling – opgevat als ook-naakten, kwetsen jou met die te dunne schelp door hun dikke, harde schelp. Hoe beschaafd, gepolitoerd ze zich ook gedragen.
  3. schelp te klein – dus, te weinig ruimte gelaten voor groei – knelt nu aan de binnenkant.

Manipuleren

De anderen die aangrijpen op "jouw" – door hen, gevormde – buitenkant, zijn nu juist onder anderen die mensen die je vanaf je vroegste jeugd het naast stonden. De eersten die jou manipuleren zijn je ouders, opvoeders, onderwijzers, leraren, opleiders, instructeurs, kennissen, vrienden.
Pas veel later en zeldzamer grijpen vreemden aan op die buitenkant, die zij immers slechts kunnen vermoeden. Niet kennen. Kennen, in de betekenis van: zeker weten dat die gevoeligheid voor dat gedrag van hen, er bij jou is.

Hoewel er een beperkte hoeveelheid ingrediënten voor een persoonlijkheid is – bijvoorbeeld: waarden, normen, spelletjes à la Berne – heeft toch iedereen een unieke, eenmalige kaleidoscopische combinatie en constellatie en configuratie van ingrediënten. Voor een vreemde is het dus altijd moeilijk jouw punten van manipuleerbaarheid te vinden. Jouw handles, knoppen, leidsels, hoe je het ook noemen wilt.

Wie weggaat uit zijn geboortestreek en bij de genoemde ouders, opvoeders enzovoorts, kan zich – zonder tussenpersoonlijke problemen – ontdoen van allerlei delen en opstellingen uit zijn persoonlijkheid. Aan de vreemden hoeft alleen maar duidelijk gemaakt te worden dat deze en gene van hun trucs jegens jou niet werken. Niet op hun pogingen tot jou manipuleren reageren, dan denken ze dat jij die truc niet ("thuis") hebt geleerd. Dan zoeken ze naar nieuwe trucs tegen jou in hun repertoire.

Gereedschap hoef je niet te gebruiken

Ons geheugen bevat meer dan alleen onze persoonlijkheid.
Traumatische herinneringen kwellen ons nog als iets ons eraan herinnert. Ook wanneer we alle geboden en gewoonten die men ons aanleerde, reeds kunnen opvatten als gereedschap waarmee daar toen het samenleven (inclusief, het jou gebruiken) werd geregeld (vorm gegeven) en gespeeld.
Wat we leerden (inclusief, wat men ons voorschreef) is niet meer dan gereedschap. Wij kunnen dat gereedschap, al of niet, zelf ook weer gebruiken. Het hebben van gereedschap en van vaardigheden verplicht een mens geenszins tot het gebruiken respectievelijk uitoefenen ervan. Aldus eindigt de dwang vanuit de (i.c. onze) persoonlijkheid.

Wat vroeger gebeurd is, is voorbij. Dat het voorbij is, is de enige eigenschap die het verleden heeft. Wat was herinneren we ons, het werkt niet na. Het schrikken, en het panisch, bang, blij en/of boos worden bij wat we ons herinneren, doen we hier nu. Dat weten en ervaren we als het gaat over zaken waaraan niets meer vastzit, omdat we de desbetreffende emoties verwerkt hebben. Of waaraan nooit iets vastzat, wat we merken aan het feit dat het nooit spontaan uit het geheugen het bewustzijn binnenkomt.

Een nieuwe omgeving krijgen met nieuwe anderen betekent dus de gelegenheid om de te enge persoonlijkheid te vervangen. Door een ruimere, de niet-passende persoonlijkheid door een passende, de 'te dunne' door een 'dikkere'. Vrijwel iedereen die in een andere stad op zichzelf gaat wonen, doet die ervaring op. Die ervaring zou in vele gevallen veel doeltreffender kunnen zijn geweest. Als ze van tevoren was aangekondigd, uitgelegd, aangewezen. Door lui die dat zelf eerder hadden meegemaakt.

Het eerste grondprobleem

Het niet passen aan de daar dan gegeven omstandigheden, werd bijvoorbeeld in mijn geval in militaire dienst geweldig opgelost. De duidelijke gedragsvoorschriften daar waren de eerste, en laatste, duidelijke gedragsvoorschriften die ik ooit kreeg. Een gemakkelijker persoonlijk leven is niet denkbaar dan daar waar zo weinig regels zo duidelijk de dienst uitmaken.
De ramp van burgermensen is echter dat ze niet weten en niet mogen weten dat hun persoonlijkheid een pakket burgergewoonten is, van net zulke voorschriften gemaakt. Die voorschriften zijn alleen volstrekt minderwaardig voor wat betreft duidelijkheid en veel te talrijk. En er is veel te weinig druk en wens om zich eraan te houden. De omgeving is chaotisch en onhanteerbaar, anarch.

Persoonlijkheid opvatten als "eigen"

De ellende, die aan eigen en andermans persoonlijkheid wordt beleefd (geleden), is gevolg van het als "eigen" opvatten van de persoonlijkheid door het individu.
Wordt de persoonlijkheid niet voldoende als eigen opgevat, dan wordt ze opgevat als bestaande uit 'voor alle mensen geldende' ingrediënten. Ieder IETS vult zijn kinderen (de kinderen van die mensen, die er de IETSonderdelen van zijn) met de suggestie dat de eisen aan hen voor iedereen (minstens voor iedereen binnen het IETS) gelden. Verdraagzaamheid is voor bijvoorbeeld Vrijemarkt-liberalen3, Democraten, Christenen en Islamieten binnen noch buiten de groep mogelijk, zonder dat ze van hun geloof afvallen, zich buiten de club plaatsen.

Het is niet te denken en niet te voelen dat een voorschrift, dat zoveel kost om het te volgen, voor jou zou gelden en niet voor ieder ander.
Tenzij het, zoals bij de Joden, als uitverkoren-zijn wordt gebracht, maar dat maakt de buitenstaanders dan weer witheet van hatende afgunst.
Hier geldt dan: ik loop in het gareel van deze leer. Dat zal iedereen die ik tegenkom ook doen, of ik zal zijn leven tot een hel maken. Dat is exact wat je ziet gedaan worden in de wereld. Elke leider (= ledengebruiker) van elk IETS wenst zijn IETS omgeven door een onmiskenbare hel, een grote ruimte waar niet te leven valt. Dat houdt de leden binnen. De communistische IETSen gingen onder andere kapot aan het feit dat de inwoners het hen onbekende 'Westen' niet als een hel, maar als een luilekkerland opvatten.

Er is niemand betrokken

Dat zijn nu de bronnen van herkomst van de tussenpersoonlijke problemen. Er is bij tussenpersoonlijke problemen niemand betrokken, geen iemand, geen mens, alleen personen. Zoals er in oorlogen ook door niemand wordt gevochten. Er vechten gevulde uniformen met bemande wapens. De mensen in de uniformen en in de IETSen (de gelovigen) dwalen als ze denken dat zij bij de strijd betrokken zijn.

Ze zijn, door de persoonlijkheidsvorming om hen heen, tot dingen gereduceerd.

Als zodanig worden ze gebruikt door wie met hen spelen: hun leiders. En dit voorbeeld, van die militairen en van die massa's gelovigen, ingezet als missionarissen, opvoeders, kinderafrichters, volksverhuizers enzovoorts, dat is nog wel te brengen bij de mensen.
Maar hun eigen persoonlijkheid, zo'n uniek product van echtelijk geknutsel, nee hoor. Daarover moet ineens heel anders gedacht worden. Daarmee is immers niets bedoeld, zoals met indoctrinatie iets bedoeld wordt door IETS-leiders.

Wee het paard dat de leidsels als "zijn" leidsels opvat. Wee de hond die de riem opvat als "zijn" riem. En wee de mens, die de persoonlijkheid die anderen hem aandeden en afdwongen, opvat als "zijn" persoonlijkheid. Blijvende slavernij is hun deel. Slavernij, dat is psychische gevangenschap waarmee de gevangene instemt, macht als gezag aanvaardend.

Eén enkele diersoort, maar niet één geheel

Een psychische gevangenschap is dat: die gedachte bij al die anderen, die tijdgenoten, te horen, met hen samen één geheel te vormen. Psychisch, aangepraat, want het is geen waarneembaar gegeven. Het wordt ons ononderbroken aangepraat. Alle nieuwsberichten zijn mededelingen aan leden van de wereldregering, die er niet is. Het nieuws en de commentaren in de media4, die als vijgenblad door de recla­me worden ge­bruikt, zijn doordrenkt van dat nu heersende geloof. Tegen de wereld – dat is het ecosysteem dat de mensen vormen – mag niet als tegen een ecosysteem aangekeken worden. Er moet gedaan worden alsof alle mensen tot één soort behoor­den.

Dat is niet zo! Nee, dit gaat niet over verschillen tussen rassen. Die zijn er niet, biologisch. Alle kruisingen zijn mogelijk en vruchtbaar. Dat betekent: er is biologisch sprake van één enkele diersoort. Het gaat mij erom dat het verhelderend is om sommige mensen als roofmensen te zien, en andere als prooimensen. En daarnaast zijn er nog veel meer onderscheidingen, die men op het gedrag kan laten berusten. Op de manier waarop ze aan de kost komen; ten koste van wie en wat. En die kost moet dan niet biologisch opgevat worden: als eten. Maar zoals in de volksmond: als geld.

Onmacht binnen het ecosysteem

Als je dat gaat proberen, als je de vele natuurfilms gaat toepassen op de wereld der mensen, dan zie je dat er wel degelijk sprake is van een heel ecosysteem. Een uiterst uitgebreide variatie aan menselijke varianten bijvoorbeeld op de poetsvissen op de koraalriffen: de (tand)artsen als mooiste gelijk-geplaatsten.

Wat ik hier wil aanwijzen is: het eekhoorntje heeft geen taak als bewaker en hoeder van het bos waarzonder het niet leven kan. Die taak heeft het niet en kan het niet vervullen. Evenmin kan de boswachter het bos behouden. Dat behouden gaat volstrekt boven zijn macht, want in ieder geval boven zijn verstand. Alle onderzoeken naar de oorzaken van het grote bossterven ten spijt, weten "we" daar nog onvoldoende van. Onvoldoende om zelfs maar te weten wat de niet-bestaande wereldregering voor het stoppen daarvan moet laten doen en nalaten.

Het enige wat me iedere keer weer bekend (en bij mij dan: bewust) wordt is: 'ik kan er ook niets aan doen, ik zou niet weten wat, al was ik koning van de hele wereld'. Het helpt de gewone mensen niet dat ze zich dat bewustworden besparen. Hun onmacht wordt hen zeer, zeer vaak bekend. Dat kennen, gaat namelijk aan het weten vooraf, en is niet tegen te houden. Verdringen is, buiten het bewustzijn houden. Niet, onbekend houden. Het onbekende hoeft niet verdrongen te worden. Het kan ook niet verdrongen worden. Het is er niet, in die "apperceptieve (= het binnenkomende nieuwe in ontvangst nemende) massa".

Binnen en buiten het spel

Als er niets hoeft5, waar kom je dan nog toe? Kom je er dan nog toe een voorraad denk- en ander gereedschap (plus bijbehorende vaardigheden) aan te leggen? Respectievelijk aan te maken en 'in working order', in onmiddellijk bruikbare staat, paraat, te houden?
Leren voor later doe je slechts binnen het spel. Buiten spel is leren een vorm van functioneren. Iets wat je, zoals ze dat binnen het spel noemen, "voor je lol doet".
Bewust zijn – dus, het je bewust maken – van je situatie, doe je in het spel als voorbereiding voor een zet. Buiten spel is ook weten (bewustmaken, begrijpen, verwoorden, bespreken, beschrijven) een vorm van functioneren. In dit geval iets wat je doet omdat je "daarvoor geschapen" hersens hebt. Zoals de tijger in zijn kooi loopt omdat hij "daarvoor geschapen" poten heeft.

Ook de geciviliseerden in gebruik (die lui, die tijdgenoten, met dwangarbeid) hebben lol in het laten werken van hun hersens. Daarvoor hebben, en spelen, ze die ontelbare gezelschapsspelletjes, die vrijwel allemaal het – binnen het spel, religieuze – element "competitie" als hoofdingrediënt hebben. Zo verwarren ze de lol (de lustbeleving) aan het functioneren van hun hersens – juist bij de, niet puur gokken zijnde, gezelschapsspelletjes – met de lol aan het vechten. Soms het een kans hebben op winnen, en zelden het winnen.

"Wat ben jij er voor één?"

Het is echt een heel moeilijke zoekactie, die naar de betekenis van het woord 'persoon'. Het zichzelf en/of anderen aanmeten van een persoonlijkheid, komt neer op het zich aanmeten van een antwoord op de vraag "wat ben jij er voor één?". Met andere woorden, "wat moet jij doen met jouw txaenz?".

  1. De "isten" zijn achterlijk in hun geloven. Ze kennen het feit dat hun "isme" er een is van vele, en dat het dus niet voor alle mensen geldt. Dus voor niemand. De hulpconstructies zoals "uitverkiezing", "superieure snuggerte" en "vrije wil, waarmee zelf gekozen" zijn evenzovele futiliteiten.
  2. Ik heb geen goed woord over voor de hersenlozen die alle "ismen" vreedzaam naast elkaar willen laten bestaan. Zij vermoorden de waarheid als richtsnoer voor alle handelen.
  3. Evenmin heb ik een goed woord over voor het spel "overtreffertje met het vestigen van voorrechten". Weliswaar levert het spel een antwoord op de vraag. Maar het (gedogen van het) spelen van dit spel komt neer op massale moord op planten, mensen en andere dieren. Het is een oorlogsspel waarmee de aarde als leefplaats vernield wordt. Het spel is niet onschadelijk te maken, zelfs niet minder schadelijk, hoogstens langzamer vernietigend. Als het leven van 'de schepping' werd opgevat als meer waard dan het spelen, dan zou het spel worden gestaakt. Er zou geen politiek worden bedreven, zogenaamd gericht op het veranderen (onschadelijk maken) ervan. "Stapsgewijze, geleidelijk", dat zijn alleen maar andere woorden voor "Nee, nooit".

Tot een persoonlijkheid wordt, wie zich een antwoord aanmeet op de genoemde vraag

  • door zelf iets in elkaar te knutselen,
  • door zijn toevallige verleden te accepteren, of
  • door toe te treden tot een club confectiedragers, een IETS met een leer, d.w.z. gedragsvoorschriften voor leden.

Kennen of geloven

"Het persoon" zegt dat hij weet wat te doen. Hij weet dat echter niet op basis van kennen, maar vanuit geloof. In enig "isme", in verdraagzaamheid jegens groepsonwaarheden of in het spel. Echt weten, is weten op basis van kennen. Te kennen is slechts het feit dat wij niet op basis van kennen, weten wat te doen. Kierkegaard zei dat uit met z'n "sprong". Velen zeggen dat uit met de term zingeving, in onderscheid van zinvinding.

Zinloosheid en waarheid

Wat ze allemaal doen is, wegvluchten van het onontkoombare gegeven dat wij zinloos moeten leven. Niet op bevel van iemand, maar door onze gegevens. Er is ons niets geopenbaard. Als er al om ons een kader, een plaats daarin voor ons, een zin van ons bestaan, een bedoeling met of voor ons, zou zijn. Er is ons daarvan niets gegeven. Met dat feit zijn wij gedoemd te leven, zonder te doen alsof het anders is.
Alle personen ontkennen dat. Voor hen is waargenomens, waarheid, slechts een mening met een telbaar aantal aanhangers.

Ze denken: "Aanhangers weg, waarheid weg".

Er zijn ook mensen die denken dat de waarheid, dat wat waar is, verdedigd moet worden. Dat is nu juist de kenmerkende, unieke eigenschap van waarheid. Dat ze onverdedigd, zonder waarnemers, zonder kenners, zonder weters, bestaat. Overal en op ieder moment.
Bestaat! Niet: gelijk blijft. Ook niet gelijk blijft doordat er ooit eens wat over geformuleerd wordt. Al had een ziener, iemand met meer waarnemingsvermogens dan de lezer of ik, ooit iets waargenomen en gemeld dat ons nu niet gegeven is, dan zegt ons dat nog niets. Wat toen was, hoeft nu niet nog zo te zijn. Veel verandert, niet alles.

We moeten leven uit wat wij zelf hier nu kunnen waarnemen
Alle overlevering en alle willekeurige verzamelingen (aangetroffen, tweedehands of zelf verzonnen en afgesproken) spelregels zijn ongeldige onzinnigheden. 'Leven uit' betekent: ons doen en nalaten, kiezen uit wat hier nu kan (/mag van anderen). Niks geen "mag"! Anderen hebben hoogstens wapens, nooit gezag, nooit van nature of zo "legitieme", gerechtvaardigde macht.

Ethiek en schijnwetenschap

Dat was de "ethische" manier om aan te kijken tegen het (ongewenste) verschijnsel – zeg maar, het wangedrag – "persoonlijkheidje aanmeten".
Daarnaast is er een (schijn)wetenschappelijke manier in zwang: "attitudetje meten" en "persoonlijkheidssoorten onderscheiden".
Het bedrijven van deze schijnwetenschap bevestigt het geloof van degenen aan wie gemeten respectievelijk onderscheiden wordt.
Er is ook een beetje wetenschap de persoonlijkheid betreffend. Daar toont zich hoe ondiep, ook bij het onwankelbare geloof tot en met het martelaarschap, de persoon is. Het blijkt allemaal tot niets te leiden, al dat lijden, al die karaktervastheid, al dat heldendom.

Alle geloven vallen zodra en doordat ze met elkaar tegelijk in het bewustzijn van mensen komen.
Alle heilige boeken verloren hun heiligheid onmiddellijk voor wie waarnam dat er meerdere heilige boeken zijn, dat heiligheid eraan toegeschreven is.
Maar de bruine steen blijft bruin voor wie er een zwarte steen bij vindt. Dat is het verschil tussen onwaar en waar, tussen verzinsel en waarneming/gegeven.

Waarheid inspireert niet. Maar elke onwaarheid zakt lusteloos ineen zodra er een andere onwaarheid naast wordt gezet of aangetroffen. Om dat ineenzijgen uit te stellen, worden er eerst oorlogen gevoerd tussen de aanhangers. Die (al of niet, koude) oorlogen kunnen eeuwen lang duren. Gerekt worden, dus. Maar die oorlogen zijn voor de geloven onmisbaar. Vandaar dat verdraagzaamheid niet kan.
Zonder die oorlogen, die vijandschap, zakken de onwaarheden ineen. Zakken de groepen rond die onwaarheden ineen. Verliezen de leiders van die IETSen hun volgelingen, hun gezag, hun macht, hun voorrechten. Vandaar: oorlog, vijandschap, voortplantingswedstrijd, bewapeningswedloop, isolatie, propaganda waarin de andere leren terecht en glashelder als onzin worden ontmaskerd.

 

Dat ontmaskeren kunnen ze binnen ieder IETS,
met de leer van elk ander IETS.

VOETNOTEN

1) Zoals zijn persoonlijkheid het hem doet invallen, het hem voorstelt, suggereert.

2) Het gaat hier bij personen om die betekenis die 'rede' en 'redelijk' hebben in hun geloof, in hun leer, in hun aannames. Maar rede gaat over het praten, niet over hetgeen waarover gepraat wordt. De feiten die men waarneemt, zijn niet redelijk. Ze zijn gegeven, ze zijn echt, ze zijn waar. Hoe je het ook zegt, de werkelijkheid, het gegevene, is en blijft buiten de rede. De zaak is ongelijk aan de bespreking van de zaak.

Het is een waarneembaar gegeven dat personen niet met elkaar kunnen praten. Nu ja; geen gesprek kunnen voeren, maar slechts discussies en debatten en wederzijdse monologen. Ze kunnen evenmin gesprekken voeren met niet-personen. Het bestaan van niet-personen kunnen ze zich niet eens voorstellen. Ik stelde dat al vaker vast: waarheid is voor hen slechts "ook een mening", met een telbaar aantal aanhangers.

De slotsom op basis van dit gegeven is dat proberen gesprekken te voeren met personen, ook niet hoeft.
De waarheid heeft er geen behoefte aan.
Niet-personen hebben er geen behoefte aan. Voor bevestiging nemen ze waar, zoeken ze geen medestanders.

Er is geen enkele reden, voor wie dan ook, om te vertwijfelen bij het gegeven dat er nooit gesprekken gevoerd kunnen worden.
Voor de niet-persoon is het gesprek een gedachteconstructie. Een verzinsel dus, een geziene, theoretische mogelijkheid, met het beschikbare personeel niet te verwerkelijken.
Voor personen is 'een gesprek voeren' een propagandanaam voor hun woordvechten.

3) Daarmee bedoel ik die lui die in het spel tussen de IETSen (c.q. leren) pas van de communisten hebben gewonnen. De verliezers deugden overigens evenmin.

4) De opvulling tussen de reclamespots, en de beschreven ach­ter­kant van de advertenties.

5) Als je buiten spel van de anderen – als genoegdoening (Wiedergutmachung) voor hun bezitten van alles – al het nodige koopbare (= dat wat je door anderen voor je kunt laten doen) krijgt via een uitkering van geld.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *